De commotie rond het ontslag van de directeur van de Wispelberg roept bredere vragen op
over de manier waarop de Welzijnswet en het decreet rechtspositie worden toegepast
binnen IVA SOG.
Vragen:
1. Als er in het kader van de welzijnswet een individuele preventiemaatregel met
betrekking tot één persoon genomen wordt, dan moet er op voorhand een afschrift
van dat advies aan die persoon bezorgd worden, moeten de voorgestelde
maatregelen op voorhand schriftelijk bezorgd worden, en moet de persoon gehoord
worden over deze kwestie, alvorens de maatregelen ingaan. Wordt dit binnen het
IVA SOG consequent toegepast?
2. Hoe beoordeelt en onderzoekt het college als inrichtende macht in dergelijke
gevallen de proportionaliteit van dergelijke beslissingen? Op welke basis, en volgens
welke procedure?
3. Preventie-maatregelen tegen personen kunnen uiteraard enkel gebeuren in de mate
waarin de wettelijke regels voorzien in de rechtspositieregeling gevolgd worden, op
vlak van tucht- en ordemaatregelen, ook met betrekking tot tijdelijk aangestelde
personen in een al of niet bevorderingsambt. Formeel spreekt het collegebesluit in de
zaak Wispelberg echter niet van een tucht- of ordemaatregel. Bijgevolg mist de
verwijdering van de directeur van de school elke rechtsgrond. Hoe beoordeelt het
college deze vaststelling, ook in de context van andere gelijkaardige maatregelen die
eventueel eerder al zijn genomen in andere situaties?
4. De rechtspositieregeling in het onderwijs voorziet in twee soorten maatregelen: de
tuchtstraffen (een limitatieve opsomming, van blaam tot ontslag) en de preventieve
schorsing als enige bewarende ordemaatregel (art. 4-7 BVR). Er is geen derde
categorie. In het dossier Wispelberg duikt echter de juridische figuur op van de “re-
integratie” na een de facto gedwongen verwijdering van de school “voor zijn eigen
welzijn” en om “polarisatie te vermijden”. De directeur krijgt een alternatief
takenpakket en thuiswerk. Is dit verplicht van de school verwijderen met een
alternatief takenpakket een juridische figuur die al eerder is toegepast binnen het
stedelijk onderwijs? Wat is de juridische onderbouw van een dergelijke maatregel?
Hoe past een dergelijke maatregel in de wettelijke bepalingen inzake
rechtspositieregeling binnen het stedelijk onderwijs? Is dit een orde- of
tuchtmaatregel?
5. Een verplichte verwijdering van de werkvloer, als bewarende maatregel, kan binnen
het onderwijs enkel in afwachting van een beslissing in een tuchtonderzoek (of
strafrechtelijk onderzoek). In het dossier Wispelberg is dat niet het geval, vermits het
tuchtrechtelijk onderzoek met de beslissing van het college van 19 juni is afgerond.
Toch loopt de verwijdering van de werkvloer verder. Is dit een courante praktijkbinnen het stedelijk onderwijs? In welke andere gevallen is een dergelijke maatregel,
namelijk het laten verder lopen van een verwijdering van de werkvloer na afloop van
het tuchtrechtelijk onderzoek, al toegepast, en op basis van welke rechtsgrond? en in
toepassing van welke wettelijke en procedurele regels?
6. Worden bij dergelijke verwijderingen van de werkvloer de regels en procedures
gevolgd inzake op voorhand schriftelijk communiceren van preventie-adviezen,
hoorrecht van de betrokkene, en verplichte einddatum van de maatregel?
7. Als een dergelijke maatregel genomen wordt tegen een directeur, betekent dit dan
dat de directeur in kwestie ook niet meer mag deelnemen aan directievergaderingen
van de regio, de ADV (algemene directeursvergadering) en andere bijeenkomsten
van directeurs die plaatsvinden buiten de schoolomgeving? In welke gevallen waarbij
een directeur verwijderd werd van de school als noodzakelijke preventiemaatregel is
dit al toegepast, en in welke zin?