De Grondwet, artikel 170;
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 40 §3 en artikel 41, 9° en 14°
De belasting op de inname van de openbare weg voor het uitvoeren van werken werd voor het laatst door de gemeenteraad goedgekeurd tot en met aanslagjaar 2019.
Gelet op de financiële nota van het meerjarenplan van de Stad Gent en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven, is het gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen aan alle belanghebbenden op het grondgebied van de Stad Gent. In die zin komt de continuïteit van de werking van de stadsdiensten en de dienstverlening - ook op lange termijn - niet in het gedrang.
Het belastingreglement voorziet in een aanslag voor de inname van het openbaar domein voor het uitvoeren van werken, ofwel de 'werven'.
Een niet-limitatieve opsomming moet dit begrip verduidelijken: steigers, werfinrichtingen, bouwkranen, bouwliften, dakliften, hoogtewerkers, werfafsluitingen, werfketen, werftoiletten, stroomgroepen, opslag van materieel of materiaal, gevelschoring, big-bags, puincontainers, betonmolens, betonbakken, silo’s en de zone aangeduid door parkeerverbodsborden. Uiteindelijk is het gebruik bij het uitvoeren van werken van belang. Containers waarin een activiteit verder wordt uitgevoerd bij verhindering daarvan op de normale locatie door werken, worden uitdrukkelijk ook als werf beschouwd.
Het is verantwoord voor deze innames een bijkomende vergoeding te vragen. Waar de inname specifiek voor werken een positief effect heeft op de uitstraling van de stad (na afloop van de werken althans), kan door een financiële prikkel de belastingplichtige ertoe aangezet worden de inname in oppervlakte en duur zoveel mogelijk te beperken en op die manier mee te zorgen voor Minder Hinder. Werven op het openbaar domein zorgen immers voor (verkeers)hinder voor voetgangers, fietsers, openbaar vervoer en/of personenwagens.
Werken aan en in het openbaar domein zelf zijn uitgesloten van deze belasting. Het is niet mogelijk het openbaar domein waaraan gewerkt moet worden, niet in gebruik te nemen. Bovendien wordt voor werken aan nutsvoorzieningen in de openbare weg al een aparte retributie gevraagd.
Innames op de waterwegen worden eveneens uitdrukkelijk uitgesloten van de toepassing van het reglement. Deze innames zijn aanzienlijk minder hinderlijk dan de innames op de wegen te lande, zodat een verplaatsing van werfvervoer en -inname naar de waterweg tegemoet komt aan het nevendoel van de belasting en een belasting deze verplaatsing zou afremmen.
De belasting is verschuldigd door de bouwheer van de werken. Deze heeft immers het overzicht over de verschillende aannemers (of heeft iemand aangesteld om dit in zijn naam en voor zijn rekening te doen) en kan bij de contractuele onderhandelingen de inperking van de inname bedingen. Bovendien blijft de bouwheer dezelfde voor de hele duur van de werf, terwijl aannemers mekaar kunnen afwisselen binnen één en dezelfde werf. Aannemers die zichzelf als bouwheer aanduiden op de aanvraagformulieren, worden onherroepelijk als bouwheer aangeduid. Van een aannemer mag een professionaliteit en aandacht verwacht worden, waardoor later (naar aaneleiding van de belasting) geen discussie meer moet gevoerd worden over hun eigen vermeldingen.
Is de bouwheer niet gekend (bijvoorbeeld omdat geen vergunning werd aangevraagd), dan wordt de eigenaar (of andere houder van een zakelijk recht) van het perceel waaraan de bouwwerken plaatsvinden als belastingplichtige aangeduid. Meestal zal dit de bouwheer zijn, minstens zal de bouwheer in samenspraak met deze eigenaar handelen. In voorkomend geval kan de belasting verdeeld worden over de mede-eigenaars naar evenredigheid van hun aandeel eigendom.
De belasting wordt berekend in functie van de ingenomen oppervlakte en de duur van de inname. Daarbij is er een weerlegbaar vermoeden dat de periode en oppervlakte overeenstemmen met deze voorzien in de vergunning(en). Latere startdata of vroegere beëindiging van de werf kan maar in rekening worden gebracht na verzoek tot wijziging van de vergunning aan de administratie. Bij de planning van werken en andere innames, houdt de administratie immers rekening met de haar gekende innames zoals zij ze vergund heeft. De door de bouwheer gereserveerde oppervlakte blijft hem toegewezen in de planning, ook al maakt hij er geen gebruik van. Hij blijft dus hinder veroorzaken. Indien er een grotere oppervlakte wordt vastgesteld, neemt de oppervlakte bepaald in het Proces-Verbaal voorrang op de oppervlakte bepaald in de vergunning.
Daarnaast kunnen twee hindertoeslagen van toepassing zijn. Enerzijds is er een toeslag per dag naargelang het aantal meter ingenomen parkeerplaats. Het innamene van parkeerplaatsen voor werven creëert immers bijkomende parkeerdruk in de omgeving en dus extra hinder voor omwonenden en bezoekers. Het is daarbij niet belangrijk of de parkeerplaats al dan niet betalend is, gezien de omwonenden in een betalende zone doorgaans over een parkeerkaart beschikken en de hinder dus nagenoeg gelijk is. Anderzijds is er een toeslag per dag voor doorstromingshinder of omleidingen. Doorstromingshinder zorgt er immers voor dat voetgangers en fietsers een extra fysieke inspanning moeten leveren, gemotoriseerd verkeer moet dan weer een omweg maken die voor extra uitstoot in de stad zorgt.
Werven zonder vergunning zijn bij de administratie niet gekend (totdat zij bij controle worden opgemerkt). Zij kan er in de planning van andere innames dan ook geen rekening mee houden. Daardoor worden mogelijk onuitvoerbare vergunningen toegekend, of ontstaat ongeplande verkeershinder. Om die reden zijn die onvergunde innames extra hinderlijk, en worden zij bij detectie aan een hoger tarief belast.
In het oude belastingreglement had de bouwheer gedurende 12 maanden recht op hetzelfde tarief, ook als inmiddels een nieuw aanslagjaar was begonnen. Als overgangsmaatregel voor werven die al gestart zijn en met de nieuwe tarieven en tariefstructuur nog geen rekening konden houden, wordt dat principe verlend voor de werven gestart in 2019.
Per werf is er per aanslagjaar voorzien in een maximumaanslag. Dit bedrag evolueert mee met de basistarieven. Deze maximumaanslag zorgt ervoor dat bepaalde grote bouwprojecten niet dusdanig zwaar belast worden dat zij onmogelijk nog uit te voeren zijn.
Er is een vrijstelling voorzien voor de eerste 14 kalenderdagen van de werf, te rekenen vanaf de startdatum vermeld in de vergunning. Deze vrijstelling is bedoeld als toegift naar de bewoners die kleine onderhoudswerken aan hun woning moeten uitvoeren. Tegelijk betekent de vrijstelling een aansporing om de werven tot maximaal 14 dagen te beperken, waardoor zij gratis zijn. De administratie die de vergunningen uitreikt, stelt dat de gemiddelde looptijd van de ‘kleine werken’ slechts 11,53 dagen is. 64% van die korte werven zijn op maximaal 14 dagen afgerond. In het kader van deze vrijstelling wordt gesproken van een nieuwe werf (en een nieuwe vrijstelling) wanneer er minstens 3 maanden geen inname is geweest.Om doorstrominghinder extra te ontraden, is de vrijstelling op die toeslag niet van toepassing. Werven zonder vergunning gestart, zijn extra hinderlijk - want er kan geen rekening mee gehouden worden in de planning - en zijn dus ook uitgesloten van de vrijstelling.
De Dienst Belastingen is belast met toezicht op en uitvoering van het reglement.
| Dienst* | Belastingen |
| Budgetplaats | 7361000 |
| Categorie* | |
| Subsidiecode | |
| 2020 | 1.397.239 |
| 2021 | 1.420.873 |
| 2022 | 1.444.909 |
| 2023 | 1.469.353 |
| 2024 | 1.494.213 |
| 2025 | 1.519.496 |
| Totaal | 8.746.083 |