Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
Fabrice Rogge met als contactadres Heistraat 16, 9052 Gent heeft een aanvraag (OMV_2025130362) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 27 oktober 2025.
De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen handelt over:
• Onderwerp: het plaatsen van twee tijdelijke overkappingen aan een bestaand half hockey- en padelveld en het aanleggen van twee nieuwe outdoor padelvelden
• Adres: Noorderlaan 10, 9000 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 9 sectie B nrs. 640E en 640D
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 6 november 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 18 december 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
De aanvraag is gelegen langs de Noorderlaan aan de Watersportbaan, en betreft de sportsite van Hockey- en padelclub La Gantoise. Dit terrein (ca. 33.458 m²) grenst aan de oostzijde aan een fietspad dat deel uitmaakt van de recreatieve fietsroute Westerringspoor. Ten noorden en ten westen grenst het perceel aan een groenzone met meerdere grachten en soortenrijke rietvegetaties.
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag betreft het plaatsen van een tijdelijke overkapping over een bestaand half hockeyveld en het aanleggen van drie nieuwe outdoor padelvelden.
Boven het bestaande half hockey op het zuidoostelijke gedeelte van de site wordt een tijdelijke overkapping (airdome) geplaatst, op minstens ca. 15 m van de rechter perceelsgrens. De gekozen overkapping betreft een airdome van ca. 59 m op ca. 51 m (ca. 2959 m²) met een hoogte van 11 m. De buitenzijde van de airdome bestaat uit wit PVC.
Deze overkapping zal 3 maanden per jaar gebruikt worden en wordt na gebruik terug gedemonteerd. Het indoorhockey seizoen loopt van eind november tot eind februari.
Het aantal padelvelden wordt uitgebreid van vier naar zes outdoor velden, er wordt één extra veld geplaatst aan de inkom en er worden twee bijkomende velden geplaatst voorbij de airdome op het bestaande oefenterrein achteraan het perceel. De totale bijkomende verharde oppervlakte bedraagt ca. 614 m².
De rest van de site blijft ongewijzigd, de aanvraag heeft enkel betrekking op de padelvelden en het half hockeyveld. Ter hoogte van de perceelsgrenzen worden er geen wijzigingen aangebracht, de
groene bufferzone met een breedte van 5 m blijft ongewijzigd.
De airdome wordt aangevraagd voor een periode van 3 jaar, de padelvelden permanent.
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
* Op 22/02/2018 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor fiets- en voetgangersbrug watersportbaan. (OMV_2017004601)
* Op 04/02/2021 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een elektriciteitscabine. (OMV_2020116649)
* Op 10/03/2022 werd een weigering afgeleverd voor de regularisatie van verharding, bijgebouwen en publiciteit. (OMV_2021139984)
* Op 31/07/2025 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor regularisatie verharding, bijgebouwen, publiciteit en verplaatsbare containers. (OMV_2022057176)
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 01/02/1967 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een sportgebouw ten behoeve van de h.i.l.o.. (Litt. W-1-67)
* Op 03/07/1972 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen sporttribune met berging. (Litt. N-4-72)
* Op 06/02/2009 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van een geïnstrumenteerd kunstgrasveld tussen de bestaande voetbalterreinen van het sportcomplex Noorderlaan en het plaatsen van een omheining in hekwerk van 2m en het plaatsen van een bureelcontainer naast het veld. (2008/730)
* Op 26/01/2015 werd een vergunning afgeleverd voor de aanleg van een fietspad (inrichtingsplan Malem zuid). (2014/664)
* Op 08/07/2016 werd een vergunning afgeleverd voor de inrichtingswerken van park Halfweg. (2016/10024)
* Op 06/10/2016 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen van tribunes. (2016/10120)
* Op 28/09/2017 werd een vergunning afgeleverd voor het aanpassen van de voorgevel - regularisatie. (2017/10106 Dig)
3. WIJZIGINGSAANVRAAG
Op 21 november 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 25 november 2025 werd dit wijzigingsverzoek niet aanvaard. Er was bijkomende informatie noodzakelijk.
Op 27 november 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 4 december 2025 werd dit wijzigingsverzoek aanvaard.
Aanvankelijk was een ongunstig advies verleend door de brandweer. In het Omgevingsvergunningendecreet is het principe van de wijzigingslus voorzien (art.30 van het omgevingsvergunningsdecreet), waarbij de bouwheer binnen de lopende procedure wijzigingen kan aanbrengen aan zijn aanvraag, vb. om tegemoet te komen aan externe adviezen/bezwaren uit het openbaar onderzoek. Gelet op het aanvankelijk ongunstige advies van de brandweer, heeft de aanvrager na het openbaar onderzoek de plannen aangepast en een afwijking aangevraagd aan Binnenlandse Zaken. De vergunningverlenende overheid (i.c. de stad Gent) staat deze wijzigingslus toe, en heeft opnieuw advies gevraagd aan de brandweer. Het aangepaste voorwaardelijk gunstige advies is daarvan het resultaat. Aangezien de aanpassingen geen essentiële wijziging van het project, noch van de ingediende plannen tot gevolg hebben, is geoordeeld dat de wijziging geen afbreuk doet aan de bescherming van de mens of het milieu of aan de goede ruimtelijke ordening. Aangezien die wijziging tegemoet komt aan bezwaren uit een advies, geeft deze wijziging bovendien geen aanleiding tot de organisatie van een nieuw/tweede openbaar onderzoek. Bijgevolg is er ook geen termijnverlenging voor deze aanvraag tot omgevingsvergunning.
BEOORDELING AANVRAAG
4. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
=> Er werd nav. bovenstaand ongunstig advies door de aanvrager een aanvraag tot afwijking ingediend bij de Commissie voor Afwijking van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken - Algemene Directie Organisatie en Ondersteuning van de Civiele Veiligheid.
Het gedeeltelijk voorwaardelijk advies van de Commissie voor Afwijking luidt als volgt:
Besluit
Voor de aanvraag om afwijking betreffende punt 3.2 van bijlage 2/1 en punt 8.1 van bijlage 5/1 bij het bovenvermeld koninklijk besluit geeft de Commissie voor Afwijking een GUNSTIG advies voor een draagluchthal, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende voorschriften:
A. De brandbelasting in de sporthal blijft beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor het spelen van sportwedstrijden.
De hoofdactiviteit is in dit geval hockey.
Het is in de sporthal niet toegestaan om feestelijkheden of activiteiten te organiseren die de aanwezige brandbelasting aanzienlijk zouden verhogen. Een bar is niet toegelaten in de hal.
B. De omhulling van de hal moet minstens vervaardigd zijn uit materialen van klasse M2.
Het gebruik van wandbekleding en alle loshangende decoratie- en bekledingselementen is verboden. Specifieke technische (geluids-, warmte-) inrichtingen zijn echter toegelaten, op voorwaarde dat zij vervaardigd zijn uit materialen van klasse M2.
C. Er worden voldoende schikkingen getroffen opdat geen enkel voorwerp of binneninrichting het scheuren van de omhulling zou kunnen veroorzaken.
Rondom de hal en zijn inrichtingen is een veiligheidszone ingesteld (bijv. met omheining) zodat het risico van beschadiging van buitenaf voldoende beperkt wordt.
Er mag geen enkel voorwerp vastgemaakt worden aan de omhulling, met uitzondering van specifieke elementen die voorzien zijn bij de constructie.
D. De technische installaties (bijv. de luchtgroepen, de verwarmingsinstallatie) moeten minstens 6 meter verwijderd zijn van de wanden van de hal of zijn brandwerend gescheiden van de hal met wanden die EI 60 hebben.
De technische installaties moeten in een gesloten lokaal of ruimte opgesteld zijn, buiten de opblaasbare structuur en buiten het bereik van het publiek.
De verbinding van de luchtgroep en de verwarmingsinstallatie (of de combinatie van beide) met de hal bestaat uit een soepele leiding die vervaardigd is uit materialen die ten minste tot klasse M2 behoren en die aan het uiteinde in het technisch lokaal uitgerust is met een terugslagklep en een brandwerende klep EI 30.
E. De luchtdrukregeling, noodzakelijk voor het behoud van structuur van de hal, is verzekerd door ten minste twee ventilatoren die elk afzonderlijk voldoende vermogen hebben om de hal volledig op te blazen rekening houdende met een normaal lekdebiet.
De hal is continu in overdruk door een toevoer van lucht die minstens gelijk is aan het normale lekdebiet.
Ten minste twee ventilatoren zijn continu in bedrijf.
Ingeval een ventilator uitvalt, moet de verantwoordelijke de hal laten ontruimen als deze ventilator na tien minuten nog niet terug in werking gebracht is.
F. De luchtgroep is uitgerust met een manometer die het mogelijk maakt om een daling van de druk waar te nemen.
Bovendien moet een alarminstallatie de verantwoordelijke en de gebruikers van de hal op de hoogte brengen van elke abnormale daling van de druk.
G. Bij het uitvallen van een ventilator of bij een abnormale daling van de druk in de hal gaat de andere ventilator automatisch en binnen de minuut over op het volledige vermogen, nodig om de hal volledig op te blazen, rekening houdende met een normaal lekdebiet.
Bovendien moet het personeel, indien nodig (bijvoorbeeld bij het scheuren van de bekleding), de beide ventilatoren parallel kunnen doen functioneren op maximaal vermogen.
H. De luchtdrukregeling is aangesloten op een autonome stroombron die automatisch en binnen de minuut de werking gedurende ten minste 1 h van de aangesloten installaties verzekert.
Bovendien moet een alarminstallatie de verantwoordelijke en de gebruikers van het gebouw op de hoogte brengen van een stroomuitval.
I. De af te leggen weg vanuit elk punt van de hal tot een uitgang bedraagt ten hoogste 45 m.
De constructeur en de uitbater moeten door de berekening aantonen dat de ontruimingstijd kleiner is dan de tijd nodig voor het leeglopen van de structuur.
De tijd voor het leeglopen wordt bepaald door de volgende elementen:
- slechts één ventilator is in werking;
- alle deuren van de uitgangen staan open;
- in de omhulling zit een scheur die 1 ‰ bedraagt van de oppervlakte van de omhulling.
De structuur wordt beschouwd als leeggelopen wanneer het overblijvende luchtvolume overeenstemt met een vrije hoogte van 3.50 m op een vierde van de oppervlakte van de grond, waarbij dit volume toegankelijk blijft door minstens één versterkte uitgang.
De ontruimingstijd wordt bepaald door een forfaitaire tijd van drie minuten voor ontdekking en alarmering, te verhogen met een tijd die berekend wordt op basis van 30 personen per minuut en per doorgangseenheid, waarbij een vierde van de doorgangseenheden niet beschikbaar is. Deze verhoging bedraagt minimum 2 minuten.
Wanneer de toegelaten bezetting leidt tot een ontruimingstijd die hoger ligt dan de tijd voor het leeglopen, dient men:
- hetzij de omtrek van de versterkingen ter plaatse van de uitgangen te verdubbelen:
- hetzij rondom rond een draagstructuur te plaatsen waarvan de hoogte minstens gelijk is aan die van de deuren.
J. De sporthal dient te beschikken over minstens twee uitgangen die voldoen aan punt 4.4 van bijlage 2 en in tegenoverstelde zijden van de sporthal zijn gelegen.
Zoals voorzien in de alternatieve oplossing.
Carrouseldeuren voldoen hierbij niet aan punt 4.4 van bijlage 2.
K. Elke uitgang is aan de binnenkant versterkt om de gebruikers te beschermen tegen een eventuele inzakking van de omhulling.
Deze versterking voldoet aan de volgende voorschriften:
- de oppervlakte bedraagt ten minste 10 m²;
- de hoogte is minstens gelijk aan die van de deuren;
- zij is berekend op een overbelasting van 0.25 kN/m².
De stijve structuur is verbonden met de uitgangen, die moeten beschermd zijn door een zelfdragend kader, berekend in de meest ongunstige omstandigheden van inzakking van de bekleding. Wanneer de inzakking van de bekleding de uitgangen zou kunnen blokkeren, dan moeten de beschermde zones zich uitstrekken tot buiten.
L. De verwarming van de hal gebeurt met verwarmde lucht met gesloten verbrandingskamer.
M. De veiligheidsuitrusting van de hal wordt goed onderhouden en regelmatig nagekeken.
De toestellen van de meldings- en alarminstallaties, en de luchtgroepen en de verwarmingsinstallatie worden op regelmatige tijdstippen onderhouden volgens de richtlijnen van de fabrikant. De fabrikant levert voor elk toestel een instructie af waarin de periodiciteit, de aard van het uit te voeren onderhoud en de eventuele vakbekwaamheid van het met dit onderhoud belaste personeel zijn opgenomen. Deze instructie wordt bijgevoegd bij het veiligheidsregister of het logboek met de periodieke controles van de uitbater. De goede werking van meldings- en alarminstallaties, de luchtgroepen en de verwarmingsinstallatie moet één keer per maand gecontroleerd worden door een bevoegd persoon.
De data van deze controles en de tijdens deze controles gemaakte vaststellingen worden genoteerd in het veiligheidsregister of het logboek met de periodieke controles, dat ter beschikking van de brandweer gehouden wordt.
2. Betreffende de afwijking van punt 6.5.4 van bijlage 2/1:
Punt 6.5.4 van bijlage 2/1:
“Veiligheidsverlichting
De veiligheidsverlichting voldoet aan de voorschriften van de normen NBN EN 1838, NBN EN 60598-2-22 en NBN EN 50172.
Deze veiligheidsverlichting mag gevoed worden door de normale stroombron, maar valt deze uit, dan moet de voeding geschieden door één of meerdere autonome stroombron(nen).
Autonome verlichtingstoestellen aangesloten op de kring die de betrokken normale verlichting voedt, mogen eveneens gebruikt worden voor zover zij alle waarborgen voor een goede werking bieden.”
De aanvrager vraagt een afwijking voor het niet voorzien van veiligheidsverlichting.
Overwegende dat de Commissie geen reden ziet om geen veiligheidsverlichting te voorzien. De noodzaak om bij stroomuitval het gebouw veilig te kunnen verlaten, zeker in dit geval waar het gebouw geen vaste structuur heeft, er geen raamopeningen zijn en de buitenbekleding ondoorzichtig is; Overwegende dat veiligheidsverlichting ook eventueel moet worden voorzien in het kader van andere toepasselijke wetgeving, bijvoorbeeld de Codex Welzijn op het Werk;
Overwegende dat de hulpverleningszone geen specifiek advies heeft uitgebracht voor deze afwijking.
Besluit
Na onderzoek van de compenserende maatregelen die de aanvrager heeft voorgesteld, is de Commissie van oordeel dat voor dit punt het veiligheidsniveau niet equivalent is aan datgene dat het hierboven vermelde koninklijk besluit oplegt.
Voor de aanvraag om afwijking betreffende punt 6.5.4 van bijlage 2/1 bij het bovenvermeld koninklijk besluit geeft de Commissie een ONGUNSTIG advies.
3. Betreffende de afwijking van punt 3.8.3 en 6.8.5.3 van bijlage 2/1:
Punt 6.8.3.1 van bijlage 2/1:
“(Brandmelding)
De melding van ontdekking of detectie van brand moet terstond aan de brandweerdiensten kunnen worden doorgegeven door een meldingstoestel per compartiment; in de gebouwen waarvan de oppervlakte per bouwlaag kleiner is dan 500 m² volstaat één meldingstoestel voor het gebouw.”
Punt 6.8.5.3.1 van bijlage 2/1:
“(Muurhaspels met axiale voeding, muurhydranten)
Het aantal en de plaats van deze toestellen worden bepaald door de aard en de omvang van het brandgevaar.
Indien de oppervlakte van een gebouw kleiner is dan 500 m² is geen muurhaspel verplicht (behoudens bij speciale risico’s). In alle andere gevallen wordt het aantal muurhaspels als volgt bepaald:
1. de waterstraal bereikt elk punt van een compartiment;
2. compartimenten groter dan 500 m² beschikken over ten minste 1 muurhaspel.
Het perskoppelstuk van de eventuele muurhydranten is aangepast aan de koppelingen gebruikt door de brandweer.”
De aanvrager vraagt een afwijking voor het niet voorzien van branddetectie, alarm en muurhaspels.
Overwegende dat de melding, de waarschuwing, het alarm en de brandbestrijdingsmiddelen bepaald worden in akkoord met de brandweer;
Overwegende dat er geen specifiek advies van de hulpverleningszone beschikbaar is voor deze punten. Er is bijgevolg geen gunstig advies van de Commissie mogelijk. De aanvrager moet deze middelen bepalen in akkoord met de brandweer.
Besluit
Voor de aanvraag om afwijking betreffende punt 6.8.3 en 6.8.5.3 van bijlage 2/1 bij het bovenvermeld koninklijk besluit geeft de Commissie een ONGUNSTIG advies.
-> Gelet op het uitgebreide advies van de Commissie kan akkoord gegaan worden met het voorstel en wordt het ongunstige advies van de lokale brandweer voldoende geremedieerd. Dit dient nog teruggekoppeld te worden met de Brandweerzone Centrum.
5. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
5.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.
Het project ligt in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'PARK HALFWEG' (Besluit tot goedkeuring door de Deputatie op 29 augustus 2013). De locatie is volgens dit RUP gelegen in zone voor recreatie.
De aanvraag is niet in overeenstemming met de voorschriften, en wijkt af op het volgende:
Bebouwing: De bebouwing wordt beperkt tot maximaal 13,5 % van de totale deelzoneoppervlakte. De maximale bouwhoogte bedraagt 8 m. Voor ten hoogste 50% van de horizontale dakprojectie van het gebouw wordt een maximale bouwhoogte van 12 m toegelaten.
Aanvraag: de airdome heeft een hoogte van ca. 11 m over quasi de volledige footprint.
In uitvoering van artikel 4.4.1. §1 van de VCRO kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen toegestaan worden op de stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. De afwijkingen kunnen betrekking hebben op perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen. Afwijkingen kunnen niet worden toegestaan voor wat betreft de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen.
De afwijking binnen huidige aanvraag heeft betrekking op de hoogte van de constructie. De afwijking op de voorschriften is aanvaardbaar om volgende redenen:
De airdome betreft een tijdelijke constructie in functie van de bestemming (recreatie/sport), die maar een aantal maanden per jaar zal opstaan. De constructie behoudt een ruime afstand van de perceelsgrenzen, de groene bufferzone met een breedte van 5 m blijft ongewijzigd. De meerhoogte is beperkt en noodzakelijk voor de sportuitoefening.
5.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5.3. Verordeningen
Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024.
Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.
Gewestelijke verordening hemelwater
De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023. (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023)
Zie waterparagraaf.
Gewestelijke verordening toegankelijkheid
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.
5.4. Uitgeruste weg
Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gemeenteweg.
6. WATERPARAGRAAF
6.1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West en in een afstroomgebied in beheer van Watering Der Assels. Het project ligt in de nabijheid van een waterloop in beheer van De Vlaamse Waterweg nv -Afdeling Regio West.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
Het perceel is momenteel bebouwd.
5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Om hier concreet uitvoering aan te geven werd het project aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en het algemeen bouwreglement van de stad Gent inzake hemelwater getoetst.
Toetsing gewestelijke verordening (GSV) en algemeen bouwreglement stad Gent (ABR) inzake hemelwater
Bestaande situatie:
- Het terrein beschikt over 8 regenwaterputten van elk 20.000 liter, totaal 160.000 liter
- De bestaande verharde oppervlakte die aangesloten is op de putten bedraagt 15.450,24 m².
- Het hemelwater wordt hergebruikt voor de beregening van de hockeyvelden.
Uitbreiding:
- Aan de padelvelden wordt een extra veld aangelegd naast de drie bestaande velden, en twee bijkomende outdoorvelden naast de airdome.
- De totale bijkomende verharde oppervlakte bedraagt 614,49 m².
- Het hemelwater dat op de tijdelijke constructies en nieuwe padelvelden valt, zal eveneens opgevangen worden en gebruikt voor beregening.
Beoordeling:
Na de uitbreiding van de padelvelden en twee tijdelijke overkappingen bedraagt de totale verharde oppervlakte 16.064,73 m², Deze oppervlakte wordt aangesloten op de bestaande regenwaterputten (8 putten × 20.000 L = 160.000 L).
Voor een gemiddelde hevige regenbui van 30 mm en een afvoercoëfficiënt van 0,8 is het theoretische benodigde opvangvolume ongeveer 386 m³.
Hoewel dit volume hoger is dan de totale capaciteit van de putten, zijn deze in de praktijk voldoende groot omdat het systeem dynamisch werkt: het opgevangen regenwater wordt continu hergebruikt voor de beregening van de hockeyvelden, waardoor er steeds weer ruimte vrijkomt voor nieuw hemelwater. Daarnaast vallen regenbuien meestal gespreid in tijd, waardoor de putten tussentijds kunnen legen. Hierdoor is er geen structurele overloop naar de gracht en zijn bijkomende putten niet nodig.
Conclusie:
Op basis van de door de aanvrager aangeleverde motivatie blijkt dat de bestaande regenwaterputten van 8 × 20.000 L voldoende groot zijn voor de opvang van het regenwater van de totale verharde oppervlakte na uitbreiding (16.064,73 m²). Het voorgestelde systeem benut het hemelwater maximaal voor beregening van de hockeyvelden, waardoor de putten continu in gebruik zijn en er geen structurele overloop naar de gracht plaatsvindt.
Gezien dit dynamische waterbeheer en het effectieve hergebruik van regenwater kan de uitbreiding van de padelvelden en tijdelijke overkappingen positief worden geadviseerd.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Overstromingen
Het projectgebied is volgens de watertoetskaarten niet overstromingsgevoelig. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
5.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
7. NATUURTOETS
Er is geen waardevol groen of boom verwijderd.
Voor dit project gaan we uit van minder dan 70 000 bijkomende vervoersbewegingen per jaar. Daarnaast zijn er nog mogelijke stikstofemissies afkomstig van niet-ingedeelde stationaire bronnen van het project en tijdens de aanlegfase door vervoer of niet-ingedeelde stationaire bronnen. Deze zijn echter beperkt.
De NOx uitstoot van het totale project is minder dan de emissies waarbij een overschrijding optreedt van de 1 % minimisdrempel.
Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd in de riolering die aangesloten is op een RWZI.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
8. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag valt onder het toepassingsgebied van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening en heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij dit besluit. Dit wil zeggen dat er voor voorliggend project een project-m.e.r.-screening moet opgemaakt worden.
Een project-m.e.r.-screeningsnota is toegevoegd aan de vergunningsaanvraag. Na onderzoek van de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de mogelijke milieueffecten, wordt geoordeeld dat geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden, zoals ook uit de project-m.e.r.-screeningsnota blijkt. Er kan redelijkerwijze aangenomen worden dat een nieuw project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten, zodat de opmaak ervan dan ook niet noodzakelijk is.
9. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 14 november 2025 tot en met 13 december 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
10. OMGEVINGSTOETS
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
De aanvraag betreft het voorzien van een tijdelijke overkapping (airdome) over het bestaande halve hockeyveld, en het aanleggen van 3 nieuwe padelvelden.
De handelingen zijn functioneel inpasbaar en staan in dienste van de werking van de club. De airdome is in overeenstemming met de bestemming van het RUP, maar wijkt beperkt doch aanvaardbaar van de specifieke bouwvoorschriften. Gelet op de tijdelijkheid van de constructie en de beperkte meerhoogte is het voorstel ruimtelijk te verantwoorden. De geest van het RUP is niet geschaad en de impact op de omgeving is minimaal.
De bijkomende padelvelden sluiten aan bij de bestaande sportinfrastructuur en vervangen gedeeltelijk een bestaande verharding, wat positief is. De drie velden worden gerecupereerd van de site Noorderlaan 25, wat een opportuniteit tot ontharding kan betekenen op die site.
Gelet op het feit dat het bestaande sportinfrastructuur betreft die overkapt wordt, of bestaande infrastructuur die verplaatst wordt (van site Noorderlaan 25 naar Noorderlaan 10) worden op vlak van mobiliteit worden geen extra mobiliteitsbewegingen- of noden verwacht.
Inrichtingsplan
Er was een traject lopende voor de volledige site waarbij een nieuw clubgebouw zal worden opgericht en waarbij ook de parking zal worden aangepakt/heraangelegd. De handelingen uit deze aanvraag hypothekeren dit traject niet, maar mogen er ook geen afbreuk aan doen.
Mits het naleven van de bijzondere voorwaarden komt deze aanvraag (gedeeltelijk tijdelijk) voor vergunning in aanmerking.
CONCLUSIE
Voorwaardelijk gunstig, mits voldaan wordt aan de bijzondere voorwaarden is de aanvraag in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en verenigbaar met de goede plaatselijke aanleg.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee tijdelijke overkappingen aan een bestaand half hockey- en padelveld en het aanleggen van twee nieuwe outdoor padelvelden aan Fabrice Rogge gelegen te Noorderlaan 10, 9000 Gent.
De door het college vergunde plannen zijn de plannen die op de overzichtslijst staan, die is toegevoegd als bijlage aan deze vergunning en er integraal deel van uitmaakt.
Plannen die niet op deze overzichtslijst staan, maken geen deel uit van de vergunning.
Controleer steeds of het om een goedgekeurd plan gaat.
Opgelet, er kunnen voorwaarden betrekking hebben op de plannen.
TERMIJN AIRDOME
Verleent de vergunning voor de airdome voor bepaalde duur van 3 jaar (tot en met 2 februari 2029).
Legt volgende voorwaarden op:
Tijdelijke handelingen:
De airdome wordt vergund voor een periode van 3 jaar.
Externe adviezen:
De brandweervoorschriften, die betrekking hebben op deze omgevingsvergunning, moeten strikt nageleefd worden (zie het advies van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken met kenmerk C25O057302 N 4228).
Afwatering:
De regenwaterafvoeren (RWA) van de nieuwe overkapping mag in geen geval aangesloten worden op de vuilwaterleiding (DWA) van het interne rioleringsstelsel.
Deze dient te infiltreren, aangesloten te worden op de regenwaterput of op de interne RWA leiding.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Openbaar domein, plaatsbeschrijving:
De bouwheer/vergunninghouder is steeds verantwoordelijk voor beschadigingen aan de inrichting van het openbaar domein, groenaanleg, bermen, trottoirs, boordstenen, (straat)kolken en de rijweg, die te wijten zijn aan de bouwactiviteit. De dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen herstelt deze beschadigingen op kosten van de bouwheer/vergunninghouder.
De bouwheer/vergunninghouder moet voor de aanvang van de werken een tegensprekelijke plaatsbeschrijving opmaken van de omliggende trottoirs en wegenis met bijzondere aandacht voor de (straat)kolken.
Deze dient bezorgd te worden aan de dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen, via afgifte op het Stadskantoor Gent, Woodrow Wilsonplein 1, 9000 Gent, tel.: 09/266 79 00, via e-mail: wegen@stad.gent of per post aan Stad Gent t.a.v. Dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen, Botermarkt 1, 9000 Gent.
Deze dient ten laatste twee weken voor aanvang van de werken verstuurd of afgegeven te worden, indien deze laattijdig ingediend wordt kan deze niet als tegensprekelijk beschouwd worden.
U kan dit door een architect of landmeter laten doen maar u mag dit ook zelf opnemen. (u maakt een aantal algemene foto’s vergezeld van detailfoto’s met reeds aanwezige schade aan het openbaar domein. Bij elke foto zet u een beschrijving en u voegt een plannetje toe met aanduiding van de positie van de foto’s).
Waterlopen:
Het plan geeft aan dat de overloop van het regenwaterstelsel aangesloten is op de Leie, zowel in bestaande als in ontworpen toestand. De waterloopbeheerder van de Leie is De Vlaamse Waterweg, de beheerder van de gracht die tussen het perceel en het Alice Béviairepad is de Watering der Assels. Indien hier wijzigingen aan gebeuren dan is het advies van deze instanties vereist.