Op 17 juni 2024 keurde de Raad van de Europese Unie de Natuurherstelverordening goed. Deze verordening bevat bindende doelstellingen en verplichtingen voor het herstel van verschillende, vaak gedegradeerde, ecosystemen. Tegen 2030 moeten de herstelmaatregelen van toepassing zijn op minstens 20% van de land- en zeegebieden in de EU. Tegen 2050 moeten alle gedegradeerde ecosystemen, zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden, hersteld worden.
De uitvoering van de verordening is een verantwoordelijkheid van de lidstaten. In België ligt die taak, voor het Vlaamse grondgebied, bij Vlaanderen. Aangezien ecosystemen vaak beleidsdomeinen overschrijden, zal de uitvoering samenwerking vergen tussen verschillende overheden. Het Agentschap Natuur en Bos staat in voor de coördinatie hiervan.
Om aan de verordening te voldoen, moet Vlaanderen tegen augustus een Natuurherstelplan indienen bij de Europese Commissie. Dat plan wordt de komende maanden opgesteld. Parallel daaraan zullen onafhankelijke experts de effecten van het plan op mens en milieu onderzoeken in het kader van een milieueffectenrapport (MER). De bevindingen uit dit rapport worden meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming. Lokale besturen in Vlaanderen, waaronder Stad Gent, worden uitgenodigd om advies te geven over de reikwijdte en het detailniveau van dit milieuonderzoek.
Het Natuurherstelplan wordt uitgewerkt via een tweesporenaanpak. In een eerste fase wordt nagegaan of het bestaande Vlaamse natuurbeleid volstaat om de doelstellingen van de Natuurherstelverordening te realiseren. Dat beleid is doorgaans al eerder onderworpen aan een milieueffectenonderzoek. Het MER bij dit plan beperkt zich in dat geval tot de evaluatie of dit beleid effectief toereikend is.
Waar blijkt dat het bestaande beleid onvoldoende is, zal het plan nieuwe beleidsmaatregelen uitwerken. In die gevallen onderzoekt het MER niet alleen de doeltreffendheid van deze maatregelen, maar ook de mogelijke negatieve effecten op andere omgevingsaspecten.
Het milieueffectenonderzoek is dus gebaseerd op een inventaris van de bestaande beleidskaders en beschikbare brondata, en op de toetsing daarvan aan de doelstellingen van de verordening.
De scopingnota verwijst naar cijfers over boomkruinbedekking en de oppervlakte natuur in de stedelijke ruimte. Stad Gent vraagt om te verduidelijken op welke brondata deze analyses gebaseerd zijn. Copernicus Land Monitoring is onvoldoende fijnmazig voor een stedelijke context.
Daarnaast vraagt Stad Gent dat lokale besturen toegang krijgen tot de monitoringsdata in een bruikbare en toegankelijke vorm, afgestemd op de stedelijke realiteit. Dergelijke data zijn essentieel voor lokale besturen om actief en onderbouwd bij te dragen aan het herstel van de natuur.
Titel 2.2.2.2.2 van de scopingnota beschrijft zes thematische sporen voor het herstel van stedelijke ecosystemen. In het overzicht van lopende initiatieven ontbreekt echter een expliciete vermelding van de Vlaamse Groennorm. Ook stedelijke groenstructuurplannen verdienen een duidelijke plaats binnen dit overzicht.
De vernieuwde Vlaamse Groennormen (met de 3-30-300‑regel als kern) zetten in op een aanzienlijke toename van de boomkruinbedekking in stedelijke gebieden. Stad Gent onderschrijft deze ambitie, gezien het belang van stadsbomen voor verkoeling, biodiversiteit en waterbeheer en dus een gezonde, leefbare en koele stad. De Vlaamse cijfers in de scopingnota wijzen echter op een afname van de boomkruinbedekking. Dit wijst op de noodzaak van zowel vermeerdering als bescherming van stedelijke bomen.
Het is onduidelijk hoe in het onderzoek een bevredigend niveau van stedelijke groene ruimte zal worden beoordeeld.
Titel 2.2.2.2.7 behandelt het doel om tegen 2030 drie miljard extra bomen in de EU te planten. Daarin staat dat Vlaanderen zichzelf geen concreet kwantitatief doel oplegt en ervan uitgaat dat het bestaande beleid volstaat om hieraan bij te dragen. Het is niet duidelijk hoe deze conclusie wordt onderbouwd, noch hoe dit zal worden aangetoond zonder toetsing aan een expliciete doelstelling.
Stad Gent deelt de visie dat beschermingsmaatregelen voor natuur even belangrijk zijn als herstelmaatregelen. Het is positief dat beide aspecten aan bod komen en dat nieuw stimulerend beleid ook andere actoren dan de Vlaamse overheid wil activeren. Daarbij vraagt Stad Gent specifieke aandacht voor de uitdagingen van stedelijke ecosystemen. De hoge ruimtedruk in steden maakt dat afzonderlijke ingrepen slechts een beperkte impact kunnen hebben als ze niet worden verbonden in een samenhangend en robuust netwerk.
Stad Gent kan zich vinden in de voorgestelde scoping voor het milieueffectenonderzoek van het Natuurherstelplan. Daarbij vraagt de Stad wel een versterkte focus op stedelijke aspecten, zowel bij het verzamelen en ontsluiten van relevante data, het opnemen van stedelijke beleidskaders en lopende projecten, als bij het formuleren van duidelijk meetbare doelstellingen met aandacht voor effectvergroting in de stedelijke ruimte.
Keurt goed het gecoördineerd advies van de Stad Gent op het scopingvoorstel voor het plan-MER Vlaams Natuurherstelplan (PL0335).