Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
DE PECKER GENT NV met als contactadres Eddastraat 43, 9042 Gent heeft een aanvraag (OMV_2025095855) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 22 augustus 2025.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het verder exploiteren van een bedrijf voor het bouwen, herstellen en onderhouden van machines
• Adres: Eddastraat 43, 9042 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 13 sectie B nr. 120Y3
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 7 november 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 2 februari 2026.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft de hernieuwing en verandering van een reeds vergunde inrichting klasse 2, meer bepaald een inrichting voor het bouwen, herstellen en onderhouden van machines.
De Pecker Gent voert onderhoud en herstellingen uit aan industriële machines, zowel bij klanten als in het eigen atelier. Daarnaast beschikt het bedrijf over een eigen engineeringdienst voor het ontwerpen en vervaardigen van machines en machineonderdelen.
Het atelier bevindt zich langs de Eddastraat en is volledig ingericht voor mechanische metaalbewerking, waaronder lassen, frezen, draaien en slijpen. Er worden geen verfspuitwerken of andere oppervlaktebehandelingen uitgevoerd.
De inrichting beschikt over een lopende exploitatievergunning tot 16 februari 2026. Met de voorliggende aanvraag wordt een hernieuwing van de vergunning voor onbepaalde duur gevraagd, samen met enkele actualisaties ten opzichte van de vergunde toestand.
Er wordt hoofdzakelijk gewerkt op weekdagen tussen 7.00 uur en 15.30 uur. In drukke periodes wordt gewerkt in twee ploegen tussen 6.00 uur en 22.00 uur. Hiervoor wordt opnieuw een afwijking gevraagd van artikel 5.15.0.6, §1 van Vlarem II.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | hernieuwing vermindering met 3000 liter | klasse 3 | Verandering | -3000 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | klasse 3 | Hernieuwing | 1 verdeelslang |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | hernieuwing vermindering met het stallen van 9 voertuigen | klasse 3 | Verandering | -9 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | hernieuwing uitbreiding met 5,3 kW | klasse 3 | Verandering | +5,3 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | klasse 2 | Hernieuwing | 9900 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | vaste bovengrondse houder voor de opslag van stikstof met een inhoud van 989 liter | klasse 3 | Nieuw | 989 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | hernieuwing vermindering met 1700 l | klasse 3 | Verandering | -1,445 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | hernieuwing uitbreiding met 150 l | klasse 3 | Verandering | +150 liter |
29.5.2.2°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in industriegebied (meer dan 200 kW ) | hernieuwing uitbreiding met 70,222 kW | klasse 2 | Verandering | +70,222 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | hernieuwing uitbreiding met 700 liter | klasse 3 | Verandering | 7+00 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | hernieuwing uitbreiding met 132 kW | klasse 3 | Verandering | +132 kW |
Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:
12.3.2 | inrichtingen voor het laden van batterijen, totaal 43,39 kW | 43,39 kW
17.3.4.1.a | opslag van max. 500 liter zeer licht en licht ontvlambare producten | 500 liter
12.2.1 | transformator van 630 kVA | 630 kVA
Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Artikel: 5.15.0.6. § 1. Vlarem II – exploitatie-uren
Omschrijving:
Er wordt een afwijking gevraagd van de bepalingen van artikel 5.15.0.6 §1 van Vlarem II.
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
Motivatie:
De exploitatie is gelegen in een industriegebied. Alle toestellen staan binnen opgesteld. Er wordt gewerkt met gesloten poorten en deuren. Niet alle toestellen zijn gelijktijdig in werking. Er wordt enkel gewerkt gedurende de dag op weekdagen, in principe tussen 7u en 15u30 maar in drukkere periodes wordt er in 2 ploegen gewerkt tussen 6u en 22u. Het aantal gegenereerde vervoersbewegingen is beperkt. Er wordt vermeden dat voertuigen stationair blijven draaien.
De inrichting betreft een exploitatie die reeds jaren in uitbating is. Het voorwerp van de aanvraag is niet van die aard dat ze voor bijkomend impact zou zorgen. Er zijn geen klachten gekend met betrekking tot geluidshinder afkomstig van de inrichting.
Voorstel:
In afwijking van artikel 5.15.0.6. § 1. Vlarem II wordt gevraagd om te mogen werken van 6u tot 22u op weekdagen.
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 06/06/1996 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een bedrijsgebouw met kantoren, het aanleggen van 2 vijvers, een omheining en het rooien van bomen. (1996/90013)
* Op 19/08/1999 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van kantoren en technische ruimten en het bouwen van een zuiveringsinstallatie. (1999/50091)
* Op 22/09/2005 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een bedrijfsgebouw, het aanpassen van een bestaand bedrijfsgebouw en het rooien van bomen. (2005/50108)
* Op 09/02/2006 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een bedrijfsgebouw en het aanpassen van een bestaand bedrijfsgebouw inzake de inplanting en de uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw (wijziging van een goedgekeurde stedenbouwkundige vergunning nr. 2005/50108). (2005/50255)
* Op 28/09/2006 werd een vergunning afgeleverd voor het plaatsen van een stikstoftank met een inhoud van 6.100 liter, met al de voorzieningen. (2006/50148)
* Op 17/01/2008 werd een vergunning afgeleverd voor het wijzigen van een goedgekeurde vergunning voor uitbreiding van bestaand bedrijfsgebouw en een bijkomende uitbreiding van de bedrijfshal. (2007/50241)
* Op 19/06/2008 werd een vergunning afgeleverd voor het bijbouwen van burelen en aanpassing gevels en structuur van de goedgekeurde vergunning voor uitbreiding van bedrijfshallen. (2008/50101)
* Op 26/08/2013 werd een vergunning afgeleverd voor het bijbouwen van een tussenbouw. (2013/50136)
* Op 04/06/2015 werd een vergunning afgeleverd voor het vellen van 9 bomen naar aanleiding van onderhoud en brandveiligheid. (2015/01063)
* Op 09/06/2016 werd een vergunning afgeleverd voor het regulariseren van een ontbossing met compensatieplicht. (2016/01038)
* Op 08/12/2016 werd een vergunning afgeleverd voor het regulariseren van een ontbossing met compensatieplicht. (2016/01162)
Milieuvergunningen
* Op 16/02/2006 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een inrichting voor het vervaardigen van machineonderdelen. (11020/E/1)
* Op 31/03/2011 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het veranderen (door wijziging/uitbreiding) van een bedrijf voor het herstellen en onderhouden van machines en installaties en het wijzigen van de sectorale voorwaarde 5.15.0.6 §1 (rustverstorende werkzaamheden). (11020/E/2)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 14 november 2025 onder ref. 026743-010/KH/2025.
Geen advies van North Sea Port afgeleverd op 25 november 2025 onder ref. 2025-224.
Geen tijdig advies van Polder Moervaart en Zuidlede. De adviesvraag is verstuurd op 7 november 2025. Op 2 februari 2026 is nog géén advies ontvangen. Omdat de decretaal omschreven adviestermijn verstreken is, kan aan de adviesvereiste voorbij gegaan worden.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven.
Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
5.1. Ligging project
Het project ligt in de nabijheid van een waterloop in beheer van de Polder Moervaart en Zuidlede.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.
- niet gelegen in een signaalgebied.
5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Er wordt geen nieuwe bebouwing voorzien.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen en/of verhardingen. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
5.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Er wordt geen (extra) waardevol groen of boom / bos verwijderd bij deze exploitatieaanvraag (verlenging voor onbepaalde tijd).
De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen door stookinstallaties en transport.
Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.
In dit dossier is het beoordelingskader voor mobiliteit/stationaire bronnen van toepassing.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd in oppervlakte water. Het oppervlakte water staat niet direct in verbindingen met speciale beschermingszones of VEN gebieden.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 15 november 2025 tot en met 14 december 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
ASPECT AFVALSTOFFEN
De voortgebrachte afvalstoffen worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. Conform VLAREMA is het verplicht het bedrijfsafval gescheiden in te zamelen en te laten ophalen door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker.
De afvalstoffen die voortkomen uit de werkzaamheden (restafval, oliehoudende vodden, metaalstof, …) worden volgens de aanvraag selectief worden ingezameld in daartoe voorziene afvalrecipiënten. Deze afvalstromen worden, op regelmatige basis, afgevoerd naar daartoe erkende/vergunde bedrijven. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt als opmerking opgenomen.
ASPECT AFVALWATER
Algemeen
Volgens het goedgekeurd zoneringsplan van de stad Gent ligt het bedrijf in een niet ingekleurd gebied (openbare riool aanwezig, niet aangesloten op een RWZI) wat overeenstemt met een individueel te optimaliseren buitengebied. De openbare riolering van de Eddastraat mondt uit in de Zwijndonkloop.
Huishoudelijk afvalwater
Er is een beperkte hoeveelheid huishoudelijk afvalwater (minder dan 600 m³ per jaar) die niet ingedeeld is en afkomstig is van de sanitaire voorzieningen. Dit afvalwater wordt behandeld via een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater (IBA) en geloosd in oppervlaktewater, met name de Zwijndonkloop.
Bedrijfsafvalwater
Er wordt geen bedrijfsafvalwater gegenereerd: het water van de afspuitplaats wordt opgevangen in een citerne en afgevoerd. De werkplaats wordt enkel droog gereinigd en de verdeelinstallatie staat binnen opgesteld.
ASPECT HEMELWATER
Het hemelwater van de daken wordt afgevoerd naar 2 wadi's.
ASPECT BODEM
Stallen van voertuigen
Er worden in totaal 12 voertuigen gestald op de site waarvan 4 heftrucks, 1 aanhangwagen en 7 bestelwagens. In vergelijking met de huidige vergunning (stallen van 21 voertuigen) betreft dit een vermindering met 9 voertuigen.
Mits een regelmatig preventief onderhoud en controle is het risico op brandstof- of olielekken van de voertuigen minimaal. In geval van een lek zijn de nodige interventiemiddelen beschikbaar (absorptiekorrels). De nodige maatregelen worden genomen om het morsen van vloeibare producten en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.
Werkplaatsen
De vloer van de werkplaatsen is effen en ondoordringbaar. In de werkplaatsen zijn er spill kits aanwezig in geval van morsincidenten. De nodige maatregelen worden genomen om het morsen van vloeibare producten en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.
Het vergunde vermogen van de metaalbewerkingsmachines (rubriek 29.5.2.2.a.) wordt met 70,222 kW verhoogd. Hierdoor is er in de nieuwe gecoördineerde toestand een totaal vermogen van 787,722 kW aan metaalbewerkingsmachines.
Met voorliggende aanvraag wordt de inhoud van het ontvettingsbad (rubriek 29.5.7.1.a.1) geactualiseerd tot 270 liter. Voor dit ontvettingsbad zijn de voorwaarden van artikel 5.29.0.9 van Vlarem II van toepassing (maatregelen bij morsen, veiligheidsafstanden, ondergrond, …).
Opslag gevaarlijke producten
De opslag van verplaatsbare recipiënten met gevaarlijke stoffen, zoals grotere vaten en bidons met oliën en smeermiddelen, gebeurt op lekbakken met een voldoende opvangcapaciteit. Ook de beperkte opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen gebeurt boven opvangvoorzieningen. Daarnaast is voldoende absorptiemateriaal aanwezig om bij morsen onmiddellijk de nodige maatregelen te kunnen nemen. Door deze werkwijze wordt het risico op bodem- en grondwaterverontreiniging tot een minimum beperkt.
De opslag van 8.300 liter diesel (7,055 ton), ter bevoorrading van de verdeelinstallatie , gebeurt in een bovengrondse dubbelwandige tank. De tank is voorzien van een lekdetectiesysteem en overvulbeveiliging. Volgens de aanvraag wordt de dieseltank aan de vereiste keuringen onderworpen, doch konden de verslagen van de beperkte onderzoeken niet worden voorgelegd. Enkel het gunstig indienststellingsverslag dd. 06/10/2010 werd bij de aanvraag gevoegd. Volgens de aanvraag is een nieuw beperkt onderzoek ingepland en zal het attest overgemaakt worden zodra beschikbaar.
Ter staving van de naleving van deze verplichting wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd dat het verslag van het beperkt onderzoek op de bovengrondse dubbelwandige tank van 8.300 liter diesel binnen een termijn van drie maanden na datum van dit besluit dient te worden bezorgd aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent), met vermelding van het dossiernummer.
Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Verdeelinstallatie
Er wordt 1 verdeelslang voor de bevoorrading van bedrijfsvoertuigen aangevraagd (rubriek 6.5.1). De exploitant tankt de bedrijfsvoertuigen binnen op een vloeistofdichte vloer.
Er is voldoende absorptiemateriaal voorhanden om eventuele morsvloeistoffen op te ruimen. De nodige maatregelen worden getroffen om het morsen van vloeibare brandstoffen en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen
Transformator
Er is 1 transformator aanwezig met een vermogen van 630 kVA. Aangezien het vermogen niet meer dan 1.000 kVA bedraagt, is deze niet ingedeeld. De transformator bevindt zich in een aparte cabine. Het betreft een oliegekoelde transformator. Er is een opvangbak voorzien die bij lek de diëlectrische vloeistof kan opvangen. De nodige maatregelen zijn getroffen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen.
Vlarebo
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.
ASPECT LUCHT
Compressor
Er wordt een luchtcompressor (22 kW) met een inhoud van 1.000 liter (11 bar) aangevraagd.
Het product van de toelaatbare druk (11 bar) en het volume (1.000 liter) van de luchtcompressor is groter is dan 3.000 bar.liter.
De persluchthouder wordt, conform artikel 5.16.3.2,§4 van Vlarem II, periodiek onderworpen aan een onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd. Het gunstig verslag van het onderzoek (dd. 24/02/2023 op deze persluchthouder werd bij de aanvraag gevoegd.
Koelinstallaties
Voorliggende aanvraag betreft een actualisatie van de koeltoestellen
In totaal zijn 5 warmtepompen aanwezig: 1 x 3,07 kW, 2 x 2,89 kW en 2 x 7,7 kW.
Het gebruikte koelmiddel in de installaties is R410A en R32. De GWP-waarde voor deze koelmiddelen bedraagt 2.088 en 675 respectievelijk. Hiermee bevindt de GWP-waarde, voor het eerste type koelmiddel, zich boven de grens van 750 die in 2025 door Europa wordt opgelegd aan F-gassen. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential dient nagegaan te worden. Dit wordt als opmerking meegegeven.
De koelinstallaties worden, worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II, periodiek onderworpen aan onderhoud en lekdichtheidscontroles. Een logboek wordt bijgehouden.
Onder de rubriek 16.3.2.a. wordt een totaal koelvermogen van 46,25 kW aangevraagd, verdeeld over diverse warmtepompen (24,25 kW) en een compressor (22 kW).
Stookinstallaties
De inrichting wordt verwarmd met 3 aardgasgestookte stookinstallaties. Met voorliggende aanvraag wordt het vermogen van deze installaties geactualiseerd (uitbreiding met 132 kW). In de nieuwe gecoördineerde toestand bedraagt het totale nominale thermische ingangsvermogen 1.054 kW, verdeeld over installaties van respectievelijk 154 kW, 362 kW en 538 kW.
Emissiemetingen zijn volgens Vlarem verplicht voor elk toestel met een vermogen vanaf 300 kW én indien de installatie meer dan 100 bedrijfsuren per jaar in bedrijf is. Deze emissiemetingen dienen, conform artikel 5.43.2.23. om de vijf jaar herhaald te worden.
Voor de 2 stookinstallaties met een vermogen van respectievelijk 362 kW en 538 kW dient een 5-jaarlijkse emissiemeting uitgevoerd te worden. Volgens de aanvraag zijn deze metingen aangevraagd en zullen de meetrapporten ter beschikking worden gesteld zodra zij beschikbaar zijn.
Ter staving van de naleving wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd dat het meetverslag van de emissiemetingen op de 2 stookinstallaties van 362 kW en 538 kW binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning moet worden opgestuurd naar milieutoezicht@stad.gent vermelding van het dossiernummer.
De stookinstallaties dienen tevens jaarlijks onderhouden en gecontroleerd te worden conform het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. De attesten hiervan werden toegevoegd aan de aanvraag.
ASPECT GELUID
De exploitatie is gelegen in een industriegebied, met de dichtstbijzijnde woningen op meer dan 200 meter afstand.
De belangrijkste geluidbronnen zijn de toestellen in de bedrijfshallen en het aan- en afrijden van voertuigen.
De werkzaamheden vinden hoofdzakelijk binnen plaats, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van gesloten poorten en deuren om geluidsemissies te beperken. Niet alle toestellen zijn gelijktijdig in werking. De normale werkuren zijn van 07:00 tot 15:30 uur op weekdagen; in drukkere periodes kan in twee ploegen gewerkt worden (06:00–22:00 uur). Hiervoor wordt een afwijking gevraagd van artikel 5.15.0.6 §1 van Vlarem II (zie verder). De compressor is binnen opgesteld.
De warmtepompen hangen aan de gevel, zonder naburige gebouwen langs deze zijde. Het specifieke geluid van de buitenunits van deze installaties dient te voldoen aan de geluidsbepalingen van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Geluid wordt verder gegenereerd door het aan- en afrijden van voertuigen. Het aantal vervoersbewegingen is beperkt. Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van voertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
De exploitatie is al jaren in uitbating en de voorliggende aanvraag veroorzaakt geen bijkomende geluidsimpact. Er zijn geen klachten bekend. Te allen tijde moet worden voldaan aan de toepasselijke Vlarem-geluidsnormen. Dit wordt als opmerking opgenomen.
ASPECT VEILIGHEID
Gasopslag
Met de voorliggende aanvraag wordt een nieuwe bovengrondse stikstoftank met een volume van 989 liter aangevraagd onder rubriek 17.1.2.2.1. Voor deze stikstoftank werd een gunstig verslag van het onderzoek bij ingebruikname, dd.26/05/2023, aan de aanvraag toegevoegd. Conform artikel 5.17.3.1.8 van Vlarem II dient het periodiek onderzoek van de stikstoftank ten minste om de vijf jaar te worden uitgevoerd, te rekenen vanaf het onderzoek bij ingebruikname, en na elke belangrijke wijziging of herstelling van de installatie. Het eerstvolgende periodiek onderzoek dient uiterlijk op 26/05/2029 plaats te vinden en wordt als aandachtspunt opgenomen.
Daarnaast wordt met de voorliggende aanvraag de hernieuwing aangevraagd van de opslag van diverse gassen in verplaatsbare recipiënten (waaronder acetyleen, zuurstof en argon), met een totale opslagcapaciteit van 9.900 liter, onder rubriek 17.1.2.1.2. De volle en lege gasflessen dienen apart gestockeerd te worden en er dient rekening gehouden te worden met de afstandsregels conform artikel 5.17.3.2.4. van Vlarem II. De gasflessen moeten steeds met behulp van beugels, kettingen of rooster beschermd worden tegen omvallen en aanrijding. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 026743-010/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
BIJSTELLING SECTORALE VOORWAARDEN
Artikel 5.15.0.6.§1 van VLAREM II stelt “Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.”. De exploitant vraagt een bijstelling van deze voorwaarde.
De aanvrager vraagt om een afwijking van de standaard werkuren (07:00–15:30 uur) zodat, in drukke periodes, gewerkt kan worden van 06:00 tot 22:00 uur op weekdagen. De exploitatie is gelegen in een industriegebied en alle toestellen bevinden zich binnen Er wordt gewerkt met gesloten poorten en deuren en niet alle toestellen zijn gelijktijdig in werking, waardoor de geluidshinder beperkt blijft. Het aantal vervoersbewegingen is gering en voertuigen blijven niet stationair draaien
Gezien het bestaande karakter van de inrichting, het ontbreken van klachten en het feit dat een dergelijke afwijking eerder al in de lopende milieuvergunning werd toegestaan, kan deze afwijking opnieuw worden toegestaan.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | hernieuwing vermindering met 3000 liter | Verandering | -3000 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Hernieuwing | 1 verdeelslang |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | hernieuwing vermindering met het stallen van 9 voertuigen | Verandering | -9 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | hernieuwing uitbreiding met 5,3 kW | Verandering | +5,3 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Hernieuwing | 9900 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | vaste bovengrondse houder voor de opslag van stikstof met een inhoud van 989 liter | Nieuw | 989 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | hernieuwing vermindering met 1700 l | Verandering | -1,445 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | hernieuwing uitbreiding met 150 l | Verandering | +150 liter |
29.5.2.2°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in industriegebied (meer dan 200 kW ) | hernieuwing uitbreiding met 70,222 kW | Verandering | +70,222 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | hernieuwing uitbreiding met 700 liter | Verandering | +700 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | hernieuwing uitbreiding met 132 kW | Verandering | +132 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20250820-0001) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | opslag van max. 2 500 liter olie en smeermiddelen in verplaatsbare recipiënten | klasse 3 | 2500 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | verdeelslang voor diesel | klasse 3 | 1 verdeelslang |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | stallen van 12 bedrijfsvoertuigen/aanhangwagens | klasse 3 | 12 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | compressor en warmtepompen met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 46,25 kW | klasse 3 | 46,25 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | opslag max. 9 900 liter diverse gassen in gasflessen | klasse 2 | 9900 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | vaste bovengrondse houder voor de opslag van stikstof met een inhoud van 989 liter | klasse 3 | 989 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | bovengrondse houder voor de opslag van 8300 liter diesel | klasse 3 | 7,055 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | opslag van max. 500 l diverse producten met een gevaarskenmerk in kleine verpakkingen | klasse 3 | 500 liter |
29.5.2.2°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in industriegebied (meer dan 200 kW ) | metaalbewerkingstoestellen voor het mechanisch behandelen van metaal met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 787,722 kW | vlarebo : A | klasse 2 | 787,722 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvettingsbad van 720 liter | vlarebo : O | klasse 3 | 720 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | 3 stookinstallaties op gas van resp. 154 kW, 362 kW en 538 kW | klasse 3 | 1054 kW |
De lopende vergunningen worden opgeheven.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het verder exploiteren van een bedrijf voor het bouwen, herstellen en onderhouden van machines aan DE PECKER GENT nv (O.N.:0477992640) gelegen te Eddastraat 43, 9042 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit De Pecker Gent met inrichtingsnummer 20250820-0001 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | hernieuwing vermindering met 3000 liter | Verandering | 3000 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Hernieuwing | 1 verdeelslang |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | hernieuwing vermindering met het stallen van 9 voertuigen | Verandering | 9 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | hernieuwing uitbreiding met 5,3 kW | Verandering | 5,3 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Hernieuwing | 9900 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | vaste bovengrondse houder voor de opslag van stikstof met een inhoud van 989 liter | Nieuw | 989 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | hernieuwing vermindering met 1700 l | Verandering | 1,445 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | hernieuwing uitbreiding met 150 l | Verandering | 150 liter |
29.5.2.2°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in industriegebied (meer dan 200 kW ) | hernieuwing uitbreiding met 70,222 kW | Verandering | 70,222 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | hernieuwing uitbreiding met 700 liter | Verandering | 700 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | hernieuwing uitbreiding met 132 kW | Verandering | 132 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20250820-0001) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | opslag van max. 2 500 liter olie en smeermiddelen in verplaatsbare recipiënten | klasse 3 | 2500 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | verdeelslang voor diesel | klasse 3 | 1 verdeelslang |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | stallen van 12 bedrijfsvoertuigen/aanhangwagens | klasse 3 | 12 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | compressor en warmtepompen met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 46,25 kW | klasse 3 | 46,25 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | opslag max. 9 900 liter diverse gassen in gasflessen | klasse 2 | 9900 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | vaste bovengrondse houder voor de opslag van stikstof met een inhoud van 989 liter | klasse 3 | 989 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | bovengrondse houder voor de opslag van 8300 liter diesel | klasse 3 | 7,055 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | opslag van max. 500 l diverse producten met een gevaarskenmerk in kleine verpakkingen | klasse 3 | 500 liter |
29.5.2.2°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in industriegebied (meer dan 200 kW ) | metaalbewerkingstoestellen voor het mechanisch behandelen van metaal met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 787,722 kW | vlarebo : A | klasse 2 | 787,722 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvettingsbad van 720 liter | vlarebo : O | klasse 3 | 720 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | 3 stookinstallaties op gas van resp. 154 kW, 362 kW en 538 kW | klasse 3 | 1054 kW |
De lopende vergunningen worden opgeheven.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
Opslag gevaarlijke producten
Het verslag van het beperkt onderzoek op de bovengrondse dubbelwandige tank van 8.300 liter diesel dient binnen een termijn van drie maanden na datum van dit besluit te worden bezorgd aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent), met vermelding van het dossiernummer.
Stookinstallaties
Het meetverslag van de emissiemetingen op de 2 stookinstallaties van 362 kW en 538 kW binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning moet worden opgestuurd naar milieutoezicht@stad.gent vermelding van het dossiernummer.
Brandveiligheid
De voorwaarden uit het advies (met referentie 026743-010/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:
Artikel: 5.15.0.6. § 1. Vlarem II: In afwijking van artikel 5.15.0.6. § 1. Vlarem II mag er gewerkt worden van 6:00 tot 22:00 uur op weekdagen.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Opslag gevaarlijke producten
Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden.
Stationair draaien motoren
Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, moeten de motoren van de tankwagens en andere bedrijfsvoertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.
Vlarebo
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
Koelinstallaties
Er moet worden nagegaan of natuurlijke koelmiddelen (zoals CO₂, ammoniak of propaan) of andere koelmiddelen met een laag Global Warming Potential als alternatief kunnen worden toegepast.
Geluid
Het specifieke geluid van de buitenunits van de warmptepompen dient te voldoen aan de geluidsbepalingen van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II.
Er dient te allen tijde voldaan te worden aan de geluidsnormen van Vlarem II.
Stikstoftank
Conform artikel 5.17.3.1.8 van Vlarem II dient het periodiek onderzoek van de stikstoftank ten minste om de vijf jaar te worden uitgevoerd, te rekenen vanaf het onderzoek bij ingebruikname, en na elke belangrijke wijziging of herstelling van de installatie. Het eerstvolgende periodiek onderzoek dient uiterlijk op 26/05/2029 plaats te vinden.
Gasopslag
De volle en lege gasflessen dienen apart gestockeerd te worden en er dient rekening gehouden te worden met de afstandsregels conform artikel 5.17.3.2.4. van Vlarem II. De gasflessen moeten steeds met behulp van beugels, kettingen of rooster beschermd worden tegen omvallen en aanrijding.