Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 24 en 42.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen geeft voorwaardelijk gunstig advies.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
B.A.T. SERVICES BV met als contactadres Adelaarsstraat 26, 9051 Gent heeft een aanvraag (OMV_2025147769) ingediend bij de deputatie op 23 december 2025.
De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het exploiteren van een vergistingsinstallatie en het opwaarderen van het biogas tot biomethaan, het realiseren van een vergistingsinstallatie met toebehoren (IIOA + SH)
• Adres: Willem van Rubroeckstraat 17, 9042 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 14 sectie G nrs. 200B, 209B, 209C, 325B, 335A en 337B
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 11 maart 2026.
De deputatie heeft het college van burgemeester en schepenen om advies gevraagd op 11 maart 2026.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 23 april 2026.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag heeft betrekking op de uitbouw van een grootschalige industriële site voor vergisting, compostering en opslag van afvalstromen op percelen langs de Willem van Rubroeckstraat in het Gentse havengebied ter hoogte van het Kluizendok. De omgeving wordt gekenmerkt door grootschalige bedrijvigheid, haveninfrastructuur en nog te ontwikkelen bedrijfsgronden, zonder nabijgelegen woonfuncties. De site is ontsloten via een geasfalteerde havenweg en grenst aan het Kanaal Gent‑Terneuzen.
Op deze site werden reeds een aantal omgevingsvergunningen verleend, deze handelden over de (tijdelijke) opslag en behandeling van bodemassen, zie historiek.
De aanvrager B.A.T. SERVICES BV is actief in de verwerking van afvalstromen en hernieuwbare energieproductie. Het bedrijf richt zich hoofdzakelijk op de vergisting van organisch-biologische afvalstoffen (OBA), agrarische reststromen en GFT‑afval, met een geplande capaciteit tot 600.000 ton per jaar, waarbij biogas wordt geproduceerd en opgewaardeerd tot biomethaan voor injectie in het aardgasnet of lokaal gebruik voor warmte en elektriciteit. Daarnaast baat het bedrijf een composteringsinstallatie uit voor zowel externe GFT‑stromen als eigen restfracties (samen ca. 100.000 ton per jaar) en voorziet het ook opslag en overslag van diverse afvalstoffen (tot 200.000 ton per jaar), deels via scheepvaart. In afwachting en ter ondersteuning van deze exploitatie verwerkt en behandelt het bedrijf ook bodemassen op de site, met het oog op hergebruik in cementgebonden toepassingen.
Stedenbouwkundig omvat de aanvraag in hoofdzaak de oprichting van meerdere nieuwe bedrijfsgebouwen en technische constructies, aangevuld met verhardingen en infrastructuur, evenals de regularisatie van een reeds uitgevoerde bunker met overkapping.
Aan de oostzijde van het terrein, aansluitend op de kade, wordt een droge OBA‑ontvangstloods opgericht met een oppervlakte van circa 7.800 m² en een bouwhoogte van 15 m, uitgevoerd in een betonnen structuur met grijze betonpanelen. Ten westen hiervan komt een voorbehandelingsloods voor natte en halfnatte afvalstromen met een oppervlakte van ongeveer 9.100 m² en eveneens een hoogte van 15 m. Verder worden verspreid over de site diverse ondersteunende gebouwen opgericht, waaronder een drogerhallenloods (ca. 1.495 m², hoogte 16 m), twee nutriëntenloodsen (ca. 430 m² en 5.400 m², telkens tot 15 m hoog), een composteringloods van ongeveer 7.713 m² en een kleinere opslagloods van circa 1.050 m². Daarnaast wordt een omvangrijk gebouw met onder meer kantoorfunctie gerealiseerd, met een oppervlakte van ongeveer 3.627 m² en een hoogte van 11 m, waarin naast kantoren ook technische ruimtes, opslag en WKK‑installaties zijn ondergebracht.
Centraal en westelijk op het terrein worden grootschalige procesinstallaties voorzien die het industriële karakter van de site bepalen. Het gaat onder meer om zestien vergisters met elk een volume van circa 13.000 m³, een diameter van 24 m en een hoogte van bijna 32 m, vier grote hydrolysetanks (diameter 16 m, hoogte 22 m) en vier kleinere hydrolysetanks (diameter 9 m, hoogte 22 m). Daarnaast worden biogasopslagtanks, CO₂‑opslagtanks, verdampers tot 30 m hoog, actief‑koolfilters, luchtwassers en diverse chemische opslagtanks geplaatst. De verschillende gebouwen en installaties worden onderling verbonden door verhoogde transportbanden, leidingen en pipe racks, die op minstens 5 m boven het maaiveld zijn ingeplant om een vlotte interne logistiek mogelijk te maken.
Een belangrijk onderdeel van de aanvraag betreft de regularisatie van een bestaande bunker met overkapping in de noordelijke zone van het terrein. Deze constructie heeft een oppervlakte van ongeveer 1.991 m², een kroonlijsthoogte van 14 m en een nokhoogte van 15 m. De bunker is uitgevoerd op een betonnen bovengrondse fundering zonder ingreep in de onderliggende afdichting en is opgebouwd uit betonnen megablokken met een stalen dakstructuur. In functie van de brandveiligheid worden hierbij nog aanpassingen voorzien, waaronder een aangepaste dakbedekking in staalplaten.
Naast de bebouwing omvat de aanvraag de aanleg van uitgebreide verhardingen voor interne circulatie en exploitatie. Er wordt circa 18.345 m² asfaltverharding aangelegd voor interne wegenis, aangevuld met betonverhardingen rond de loodsen, vergisters en installaties, samen goed voor 26082 m². Verder worden twee weegbruggen van elk 18 bij 3 m aangelegd, parkeerzones ingericht voor personeel en bezoekers, en infiltratievoorzieningen en grachten gerealiseerd om het hemelwater lokaal te bufferen en te laten infiltreren.
Tot slot voorziet de aanvraag in een aantal tijdelijke stedenbouwkundige handelingen, waaronder de tijdelijke opslag van bodemassen op een afgedichte ondergrond (circa 3.500 m²), het plaatsen van tijdelijke silo’s, hemelwatertanks en een tijdelijke bedieningspost. Deze tijdelijke ingrepen zijn functioneel verbonden met de opstart en fasering van de exploitatie en worden verwijderd na realisatie van de volledige vergistingsinstallatie.
Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten
De aanvraag betreft enerzijds de exploitatie van een vergistings- en composteringsinstallatie en anderzijds de werffase (verwerking bodemassen en bemaling i.k.v. de bouwwerkzaamheden).
Via voorliggende omgevingsvergunningsaanvraag worden twee afzonderlijke IIOA aangevraagd. Een eerste IIOA voor de exploitatiefase (vergistings- en composteringsinstallatie) en een tweede IIOA voor de werffase (verwerking bodemassen en bemaling i.k.v. bouwwerkzaamheden).
Voor wat betreft de IIOA van de exploitatiefase:
Een eerste onderdeel van voorliggende aanvraag bestaat uit het aanvragen van een nieuwe vergistingsinstallatie van 600.000 ton/jaar.
Een tweede onderdeel van voorliggende vergunningsaanvraag is de opwaardering van het geproduceerde biogas tot biomethaan dewelke zal geïnjecteerd worden in het openbare aardgasnet. Dit als alternatief van al het geproduceerde biogas ter plaatse te gaan gebruiken in de WKK-motoren.
Een derde onderdeel is de aanvraag voor een composteringsinstallatie voor de compostering van 50.000 ton/jaar extern GFT-materiaal en 50.000 ton/jaar eigen dikke fractie afkomstig van de vergistingsinstallatie. Door het toepassen van compostering op niet gevaarlijke afvalstoffen, vindt er hygiënisatie plaats, wordt een hoger drogestofgehalte bekomen en vindt er stabilisatie plaats zodoende dat er een kwalitatief eindproduct wordt bekomen dat kan worden gebruikt als bodemverbeterend middel.
Als laatste wordt er ook nog een gedeelte op- en overslag zijn van afvalstoffen van 200.000 ton/jaar aangevraagd. Gezien de gunstige ligging van de site aan het kanaal, kunnen er grote hoeveelheden rechtstreeks via schepen gelost worden op de site dewelke dan gradueel zullen afgevoerd worden naar andere sites.
Voor wat betreft de IIOA van de werffase:
De exploitant beschikt over een partij bodemassen (25.000 ton of 15.000 m³) waarvan de grondstofverklaring als bouwstof werd ingetrokken nadat bij controle bleek dat bepaalde uitloogwaarden voor zware metalen niet voldeden. Hierdoor werden de bodemassen opnieuw als afvalstoffen gecatalogeerd en van de oorspronkelijke werf verwijderd om de voortgang daar niet te hinderen. Ze worden sindsdien tijdelijk opgeslagen op het terrein van de exploitant in de Willem Van Rubroeckstraat in Gent.
In het verleden werden tijdelijke vergunningen verleend voor opslag en reiniging, maar door het ontbreken van een concessieovereenkomst en een gelijktijdige verwerkingsvergunning kon de effectieve verwerking nog niet plaatsvinden.
Met deze aanvraag wil de exploitant een nieuwe bestemming voor de bodemassen vastleggen. In dat kader werd, conform de geldende Vlarema 9-regelgeving, een reinigbaarheidstoets uitgevoerd om de verdere toepassingsmogelijkheden te bepalen.
Verder wordt binnen deze IIOA ook een bemaling aangevraagd in het kader van de uit te voeren bouwwerkzaamheden. Deze bemaling wordt aangevraagd voor een periode van 150 dagen vanaf de opstart van de bemaling. Er worden ook lozingsnormen aangevraagd voor de lozing van het bemalingswater.
Via voorliggende aanvraag worden eveneens verschillende afwijkingen op VLAREM II aangevraagd.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Inrichtingsnummer 20251203-0039: B.A.T. Services - vergisting
2.1.2.d)2° |opslag en overslag van afvalstoffen die niet aan verwerking verbonden zijn, met een opslagcapaciteit van (overslag van afvalstoffen is het bijeenvoegen van gelijksoortige afvalstoffen in grotere recipiënten of transportmiddelen met het oog op een rendabeler transport ervan): meer dan 1 ton andere afvalstoffen dan de afvalstoffen, vermeld in e) en f) meer dan 100 ton |Op- en overslag van afvalstoffen: 200.000 ton/jaar
- Vloeibare OBA in tanks: 4 x 4.000 m³ = 16.000 m³ == 16.000 ton
- Vaste OBA in ontvangstloods: 25.000 ton == 40.000 m³ |klasse 1 |Nieuw |41000 ton
2.2.2.f)2° |opslag en mechanische behandeling van andere niet gevaarlijke afvalstoffen (meer dan 100 ton) |Opslag en mechanische behandeling van andere, niet gevaarlijke afvalstoffen d.m.v. shredding voor compostering (voorbehandeling):
- 50.000 ton/jaar GFT
- 50.000 ton/jaar dikke fractie digestaat
Opslag:
- GFT voor compostering/Dikke fractie digestaat in composteerloods: 800 ton == 1.000 m³
Behandeling:
- Shredder: 250 kW |klasse 1 |Nieuw |800 ton
2.2.3.b)3° |opslag en biologische behandeling van compostering van groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) met opslag of composteerruimte van meer dan 2000 m³ |Opslag en biologische behandeling door compostering met verwerkingscapaciteit van 100.000 ton/jaar:
- 50.000 ton/jaar GFT
- 50.000 ton/jaar dikke fractie digestaat
Opslag: 28.207 ton
- GFT voor compostering/Dikke fractie digestaat in composteerloods: 800 ton == 1.000 m³
- Compost in composteerloods: 5 x 650 ton = 3.250 ton == 3.900 m³
- Biocirculaire meststof in nutriëntenloods: 20.825 ton == 25.000 m³
- Biocirculaire meststof in opslag naast composteerloods: 3.332 ton == 4.000 m³
Behandeling: 500 kW
- Ventilatoren: 2 x 250 kW = 500 kW |klasse 1 |Nieuw |33900 m³
2.2.3.c)3° |opslag en biologische behandeling van compostering van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen: meer dan 2000 m³ |Opslag en biologische behandeling door compostering met verwerkingscapaciteit van 100.000 ton/jaar:
- 50.000 ton/jaar GFT
- 50.000 ton/jaar dikke fractie digestaat
Opslag: 34.050 ton
- GFT voor compostering/Dikke fractie digestaat in composteerloods: 800 ton == 1.000 m³
- Compost in composteerloods: 5 x 650 ton = 3.250 ton == 3.900 m³
- Biocirculaire meststof in nutriëntenloods: 20.825 ton == 25.000 m³
- Biocirculaire meststof in opslag naast composteerloods: 3.332 ton == 4.000 m³
Behandeling: 750 kW
- Ventilatoren: 2 x 250 kW = 500 kW |klasse 1 |Nieuw |33900 m³
2.2.3.e)2° |Opslag en biologische behandeling van: vergistingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een inhoudscapaciteit (meer 25 m³) |Een vergistingsinstallatie van niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van 348.400 m³ en een maximale capaciteit van 600.000 ton/jaar.
Opslag afvalstoffen: 335.400 m³
- Vloeibare OBA in tanks: 4 x 4.000 m³ = 16.000 m³
- Vaste OBA in ontvangstloods: 25.000 ton == 40.000 m³
- Agrarisch residu:
o 10.000 ton = 10.000 m³
- Bunkers in voorbehandelingsloods: 4 x 1.000 m+ 4 x 4.000 m³ = 20.000 m³
- Tanks in voorbehandelingsloods: 8 x 500 m³ = 4.000 m³
- Mengkelders in voorbehandelingsloods: 4 x 750 m³ = 3.000 m³
- Hydrolysetanks: 4 x 1.000 m³ (thermisch) + 4 x 4.500 m³ (biologisch) = 22.000 m³
- Vergisters: 16 x 12.500 m³ = 200.000 m³
- Evaporator, inclusief voorbehandeling (diverse tanks): 20.000 m³
- NPK concentraat: 8 x 50 m³ = 400 m³
Biogasopslag:
- 2 x 2.500 m³ = 5.000 m³
- 16 x 500 m³ = 8.000 m³
Behandeling: 13.673,2 kW
- Bewegende vloer (aandrijf- + harksystemen): totaal 200 kW
- Blazers biogas (houder): 750 kW
...zie rubriekenlijst onder tabblad 'extra inforamatie' |klasse 1 |Nieuw |348400 m³
2.2.4.1° |Dierlijke bijproducten: op- en overslag |Opslag & overslag dierlijke bijproducten cat. 3 (OBA – vloeibaar en vast)
- Vloeibare OBA in tanks: 4 x 4.000 m³ = 16.000 m³ == 16.000 ton
- Vaste OBA in ontvangstloods: 25.000 ton == 40.000 m³ |klasse 2 |Nieuw |41000 ton
2.2.4.2°a) |Dierlijke bijproducten: opslag en activiteiten categorie 3-materiaal |Behandeling (vergisting OBA)
- Vloeibare OBA in tanks: 4 x 4.000 m³ = 16.000 m³
- Vaste OBA in ontvangstloods: 25.000 ton == 40.000 m³
- Bunkers in voorbehandelingsloods: 4 x 1.000 m+ 4 x 4.000 m³ = 20.000 m³
- Tanks in voorbehandelingsloods: 8 x 500 m³ = 4.000 m³
- Mengkelders in voorbehandelingsloods: 4 x 750 m³ = 3.000 m³
- Hydrolysetanks: 4 x 1.000 m³ (thermisch) + 4 x 4.500 m³ (biologisch) = 22.000 m³ |klasse 2 |Nieuw |105000 m³
2.4.3.b)1° |nuttige toepassing (of combinatie van nuttige toepassing en verwijdering) van niet-gevaarlijke afvalstoffen door biologische behandeling - andere dan rubriek 3.6.4 (meer dan 75 ton per dag) |- Biologische vergisting: 1.643 ton/dag
- Compostering: 274 ton/dag |klasse 1 |Nieuw |1917 ton/dag
3.6.3.2° |afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) |Afvalwaterzuiveringsinstallatie voor behandeling van bedrijfsafvalwater:
Bedrijfsafvalwater tijdens exploitatiefase: 30 m³/u – 720 m³/dag – 262.800 m³/jaar |klasse 2 |Nieuw |30 m³/uur
6.4.1° |opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l |De opslag van maximaal 40.800 l aan brandbare vloeistoffen, waaronder:
- 2 x 10.000 liter olie
- 2 x 10.000 liter afvalolie
- 4 x 200 liter olie |klasse 3 |Nieuw |40800 liter
6.5.2° |brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen |3 stuks verdeelslangen:
- 1 stuk in de opslag naast de WKK
- 1 stuk in de composteerloods
- 1 stuk in de voorbehandelingsloods |klasse 2 |Nieuw |3 verdeelslangen
12.1.1.3° |wisselspanning opwekken met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van meer dan 10.000 kVA |4 WKK-motoren met een vermogen van elk 3.360 kWe (7,5 kWth) == 13.440 kWe == 16.800 kVA |klasse 1 |Nieuw |16800 kVA
12.2.2° |transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA |Transformatoren:
- 6 x 5.000 kVA = 30.000 kVA
- 4 x 4.500 kVA = 18.000 kVA |klasse 2 |Nieuw |48000 kVA
15.1.1° |stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens |Stallen van voertuigen: 7 stuks
- 2 stuks in voorbehandelingsloods
- 2 stuks in composteerloods (1 in reine zone en 1 in onreine zone)
- 1 stuk in loods droge nutriënten
- 1 stuk in ontvangsthal
- 1 stuk in nutriëntenloods |klasse 3 |Nieuw |7 voertuigen
15.4.1° |niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied |Wassen van voertuigen: afspuiten van voertuigen na leveren afval: 56 vrachtwagens/dag |klasse 3 |Nieuw |1 wasplaats
16.1.b)3° |overige productie van gas, met een capaciteit van meer dan 100 Nm³/h |Biogasproductie:
- Productie van biogas: 26.667 Nm³/u biogas (biologische vergassing) |klasse 1 |Nieuw |26667 Nm³/h
16.2.1° |gassen op basis van de etikettering niet gekenmerkt door een gevarenpictogram of uitsluitend gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS04 |Productie van stikstofgas |klasse 3 |Nieuw |1 stuk
16.2.2° |andere gassen dan vermeld in punt 1° en punt 3° |Productie van zuurstofgas |klasse 2 |Nieuw |1 stuk
16.2.3° |Gassen op basis van de etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 of GHS06 |Membraanscheiding CO2 van CH4 biogasupgrading |klasse 1 |Nieuw |1 stuk
16.3.2°b) |koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (meer dan 200 kW) |Diverse compressoren met een totaal vermogen van 13.811 kW, waaronder:
- BMU biogas compressor type 1: 5 x 1.120 kW = 5.600 kW
- BMU biogas compressor type 2: 5 x 220 kW = 1.100 kW
- BMU chiller 1: 5 x 110 kW = 550 kW
- BMU chiller 2: 5 x 45 kW = 225 kW
- BMU chiller 3: 110 kW
- Chiller voor biogas condensor: 4 x 220 kW = 880 kW
- Chiller voor fluxys compressor: 3 x 55 kW = 165 kW
- Compressor Fluxysinjectie: 3 x 560 kW = 1.680 kW
- Compressor pulsjetreiniging: 4 x 7,5 kW = 30 kW
- Compressor werktuiglucht: 6 x 7,5 kW = 45 kW
- Compressor zuurstofontwikkeling: 10 x 11 kW = 110 kW
- Voorkamer gascompressor: 4 x 4 kW = 16 kW
- CO2-liquefaction: 3.300 kW |klasse 2 |Nieuw |13811 kW
17.1.2.2.3° |opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10000 liter |Opslag van gevaarlijke gassen in vaste reservoirs:
- Opslag CO2: 6 x 300 m³ = 1.800 m³
- Opslag zuurstofgas: 10 m³
- Opslag stikstofgas: 10 m³ |klasse 1 |Nieuw |1820000 liter
17.2.1. |inrichting waar gevaarlijke producten aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 2, bij dit besluit - lagedrempelinrichting |Lagedrempel-inrichting:
- Opslag biogas:
o 2 x 2.500 m³ = 5.000 m³ == 6 ton
o 16 x 500 m³ = 8.000 m³ = 9,6 ton
- Watervrije ammoniak in koelinstallatie: 6 ton
- Opslag zuurstofgas: 10 m³ == 2,63 ton
- Opslag salpeterzuur (HNO3): 10 m³ == 13,3 ton
- Opslag mazout: 3 x 8,33 ton = 24,99 ton |klasse 1 |Nieuw |62,52 ton
17.3.2.1.1.2° |ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton |Opslag van mazout:
- 1 x 10 m³ bij verdeelslang WKK = 8.330 kg
- 1 x 10 m³ bij verdeelslang composteerloods = 8.330 kg
- 1 x 10 m³ bij verdeelslang voorbehandelingsloods = 8.330 kg |klasse 2 |Nieuw |24,99 ton
17.3.4.3° |bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton |Opslag van bijtende stoffen (GHS05):
- Zwavelzuur: 150 m³ + 30 m³ == 209,4 ton
- Salpeterzuur (HNO3): 10 m³ == 13,3 ton
- Zoutzuur (HCl): 10 m³ == 9 ton |klasse 1 |Nieuw |231,7 ton
17.3.5.3° |giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton |Opslag giftige vloeistoffen en vaste stoffen (GHS06):
- Salpeterzuur (HNO3): 10 m³ == 13,3 ton |klasse 1 |Nieuw |13,3 ton
17.3.6.1°a) |schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied |Opslag van gevaarlijke stoffen (GHS07):
- Zoutzuur (HCl): 10 m³ ==9 ton |klasse 3 |Nieuw |9 ton
17.4. |opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l |De opslag van maximaal 5.000 kg aan diverse gevaarlijke stoffen in verplaatsbare recipiënten |klasse 3 |Nieuw |5000 kg
24.4. |laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd |Laboratoria waar geen afvalwater, eigen aan de laboratoriumtechnieken, gegenereerd wordt. |klasse 3 |Nieuw |1 labo
28.1.f)1° |andere opslagplaatsen van kunstmest dan de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 17 en 48, met een opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton |Opslag kunstmest:
- Ammoniumsulfaat: 20 m³ = 17 ton
- Ammoniumsulfaat: 20 m³ = 17 ton |klasse 3 |Nieuw |34 ton
28.4.c)2° |Opslagplaats van andere meststoffen in een agrarisch gebied of een industriegebied van meer dan 5000 m³ |Opslag andere meststoffen in een industriegebied: 234.800 m³
- Vergisters: 16 x 12.500 m³ = 200.000 m³
- Compost in composteerloods: 5 x 650 ton = 3.250 ton == 3.900 m³
- Biocirculaire meststof in nutriëntenloods: 20.825 ton == 25.000 m³
- Gedroogde dikke fractie in loods droge nutriënten: 1.000 ton == 1.500 m³
- NPK concentraat: 8 x 50 m³ = 400 m³
- Biocirculaire meststof in opslag naast composteerloods: 3.332 ton == 4.000 m³ |klasse 2 |Nieuw |234800 m³
29.5.2.1°a) |smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) |25 kW aan metaalbewerkingstoestellen |klasse 3 |Nieuw |25 kW
31.1.3° |stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5000 kW |- 4 WKK x 7,5 MW thermisch ingangsvermogen
- noodgroep van 500 kW (waarvan 50%, zijnde 250 kW, in rekening wordt gebracht gezien de werkingsuren) |klasse 1 |Nieuw |30250 kW
39.4.1° |andere warmtewisselaars dan de warmtewisselaars, vermeld in rubriek 39.2, en de warmtewisselaars voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 l tot en met 5000 l |Warmtewisselaars voor koeling biogas: 16 x 5.000 L = 80.000L |klasse 3 |Nieuw |80000 liter
43.1.3° |stookinstallaties meer dan 5000 kW |Stookinstallaties,
Drogers: 4 x 4.750 kWth = 19.000 kWth |klasse 1 |Nieuw |19000 kW
43.3.1° |stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines meer dan 20 MW tot 50 MW |Het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren, met een totaal thermisch ingangsvermogen van 49 MW:
- Drogers: 4 x 4.750 kWth = 19.000 kWth
- WKK’s: 4 x 7.500 kWth = 30.000 kWth |klasse 1 |Nieuw |49 MW
43.4. |installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval
opmerking: Er kan overlapping zijn met rubriek 2.3.4, 31.1, 43.1, 43.2 en 43.3. |Installaties voor het verbranden van brandstof:
- Drogers: 4 x 4.750 kWth = 19.000 kWth
- WKK’s: 4 x 7.500 kWth = 30.000 kWth |klasse 1 |Nieuw |49 MW
Inrichtingsnummer 20260206-0060: B.A.T. - Werffase
2.2.2.f)2° |opslag en mechanische behandeling van andere niet gevaarlijke afvalstoffen (meer dan 100 ton) |De opslag en mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen, namelijk de behandeling van bodemassen d.m.v. een zeefinstallatie en windzifter, met de opslagcapaciteit van 15.000 m³ == 25.000 ton
Behandeling bodemassen: mobiele zeefinstallatie + windzifter: 100 kW |klasse 1 |Nieuw |25000 ton
2.4.3.b)3° |nuttige toepassing van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, d.m.v. behandeling van slakken en as |Verwerking van niet gevaarlijke minerale afvalstoffen, met name bodemassen, met een capaciteit van 500 ton/dag |klasse 1 |Nieuw |500 ton/dag
3.8.1°b) |Het lozen van bemalingswater, afkomstig van een bemaling, met een geloosd debiet van max. 2500 m³ per dag, afkomstig van andere bemaling dan vermeld in 1° a) |Lozing bemalingswater aan 2.430 m³/dag en 147.425 m³/jaar |klasse 2 |Nieuw |2430 m³/dag
6.5.1° |brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen |1 verdeelslang |klasse 3 |Nieuw |1 verdeelslang
12.1.1.1°a) |wisselspanning opwekken met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig in een industriegebied is gelegen |Generator op diesel voor elektriciteitsproductie: 250 kW == 312,5 kVA |klasse 3 |Nieuw |312,5 kVA
15.1.1° |stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens |Stallen van 2 wielladers, 1 tractor en aanhangwagen |klasse 3 |Nieuw |4 voertuigen
15.4.1° |niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied |Wasplaats voor wielladers |klasse 3 |Nieuw |1 Wasplaats
17.3.2.1.1.1°b) |ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton |Opslag diesel: 2 x 1 m³ = 2 m³ == 1,666 ton |klasse 3 |Nieuw |1,666 ton
17.3.4.2°a) |bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied |Opslag 56 ton STAB-20 in bovengrondse silo |klasse 2 |Nieuw |56 ton
17.3.6.2°a) |schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied |Opslag 56 ton STAB-20 in bovengrondse silo |klasse 2 |Nieuw |56 ton
30.3.c) |mortel en betonmortelcentrales met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW |Betoncentrale: 250 kW |klasse 1 |Nieuw |250 kW
53.2.2°b) |Bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen met een netto opgepompt volume per IIOA van meer dan 30.000 m³ en max. 180.000 m³ en de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt minstens voor een deel van de bemaling meer dan 4 m onder het maaiveld |Bemaling met een totaal debiet van 147.425 m³ over een periode van 150 dagen met een max. debiet van 2.430 m³/dag en een maximale verlaging van 5,8 m-mv. |klasse 2 |Nieuw |147425 m³
Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Inrichtingsnummer 20251203-0039: B.A.T. Services - vergistingArtikel: 5.2.1.2 §3
Omschrijving:
Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de normale afvalstoffenaanvoer en -afvoer niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.
Motivatie:
Gezien het continue karakter van de vergistings- en composteerinstallatie, dient de voeding naar de verwerking ook continu te verlopen. De inrichting zal dus volcontinu in bedrijf zijn. Gezien de ligging in Havengebied en de vlotte ontsluiting richting R4, had de exploitant graag de mogelijkheid gehad de afvalstoffenaanvoer en –afvoer te laten plaatsvinden 24u op 24u, 7 dagen op 7 dagen.
Voorstel:
“In afwijking van de artikels 5.2.1.2§3, 5.2.1.6§4 en 5.15.0.6§1 mag aan- en afvoer alsook exploitatie plaatsvinden 7 dagen op 7, 24u op 24u.”
Artikel: 5.2.1.6 §4
Omschrijving:
Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning en onverminderd andere voorwaarden inzake het voorkomen van geluidshinder zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.
Motivatie:
Gezien het continue karakter van de vergistings- en composteerinstallatie, dient de voeding naar de verwerking ook continu te verlopen. De inrichting zal dus volcontinu in bedrijf zijn. Gezien de ligging in Havengebied en de vlotte ontsluiting richting R4, had de exploitant graag de mogelijkheid gehad de afvalstoffenaanvoer en –afvoer te laten plaatsvinden 24u op 24u, 7 dagen op 7 dagen.
Voorstel:
“In afwijking van de artikels 5.2.1.2§3, 5.2.1.6§4 en 5.15.0.6§1 mag aan- en afvoer alsook exploitatie plaatsvinden 7 dagen op 7, 24u op 24u.”
Artikel: 5.15.0.6§1
Omschrijving:
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
Motivatie:
Gezien het continue karakter van de vergistings- en composteerinstallatie, dient de voeding naar de verwerking ook continu te verlopen. De inrichting zal dus volcontinu in bedrijf zijn. Gezien de ligging in Havengebied en de vlotte ontsluiting richting R4, had de exploitant graag de mogelijkheid gehad de afvalstoffenaanvoer en –afvoer te laten plaatsvinden 24u op 24u, 7 dagen op 7 dagen.
Voorstel:
“In afwijking van de artikels 5.2.1.2§3, 5.2.1.6§4 en 5.15.0.6§1 mag aan- en afvoer alsook exploitatie plaatsvinden 7 dagen op 7, 24u op 24u.”
Artikel: 5.2.1.5 §5
Omschrijving:
Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd.
Motivatie:
Gezien de ligging van het bedrijf, heeft een groenscherm weinig nut. Langs de zuidelijke kant van de burelen wordt een haag voorzien. Langs de rest van de zuidkant van de site kan geen groenscherm voorzien worden wegens de ligging van een ondergrondse gasleiding. Langs de oostelijke kant van het terrein ligt de kade waardoor verharding vereist is voor een hygiënische werking. Langs de noordelijke kant van het terrein is verharding vereist wegens de onderliggende stortplaats. Langs de westelijke kant van het terrein kan ook geen groenscherm voorzien worden aangezien de afstandsregels tot het spoor gerespecteerd moeten worden.
Voorstel:
“In afwijking op artikel 5.2.1.5§5 dient geen groenscherm van 5m rondom rond voorzien te worden.”
Artikel: 5.16.2.2.6
Omschrijving:
Om geurhinder te voorkomen, worden de volgende maatregelen getroffen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:
1° alle geur- of stofveroorzakende processen ter hoogte van de vergistingsinstallatie en de opslag- en behandelingsruimten worden uitgevoerd in een gesloten ruimte die altijd in onderdruk staat (ook bij geopende poorten);
2° de afgezogen ventilatielucht wordt behandeld met een zure wasser gevolgd door een biobed;
3° op het waswater van de zure wasser wordt een halfjaarlijkse analyse uitgevoerd , die in overeenstemming is met het monsternameprotocol dat opgenomen is in hoofdstuk 5.2.7 van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis;
4° zowel voor de zure wasser als voor het biobed wordt een jaarlijkse controle van het onderhoud door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL, uitgevoerd, conform de onderhoudsvoorschriften. Die controle is van toepassing voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.1, b), 3°, van de indelingslijst;
5° zowel voor de zure wasser als voor het biobed wordt een logboek bijgehouden, met daarin minimaal de bevindingen van de wekelijkse controle, de analyseresultaten van het waswater, de meetresultaten van de ammoniakmetingen, eventuele storingen of calamiteiten en de daaruit volgende acties;
6° in de zure wasser wordt er voorzien in een geautomatiseerd besturingssysteem voor de zuurdosering;
7° er gebeurt een continue registratie van het aantal draaiuren van de circulatiepomp van het waswater in de zure wasser;
8° gedurende het eerste jaar na ingebruikname wordt het volledige luchtwassysteem opgevolgd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit is van toepassing voor de inrichtingen vermeld in rubriek 16.1, b), 3°, van de indelingslijst;
9° de wekelijkse controle van de goede werking van de zure wasser moet minstens omvatten: het noteren van het aantal draaiuren van de circulatiepomp van de luchtwasser, een pH-meting (ter controle van de automatische pH-meting), een nazicht van de verdeling van het waswater over het volledige filterpakket, een nazicht of het filterpakket volledig gevuld is met pakkingsmateriaal.
Voorstel: Voorstel afwijking: In afwijking van Artikel 5.16.2.2.6 dient er geen chemische wasser voorzien te worden ter hoogte van de ontvangstloods, de voorbehandelingsloods en de nutriëntenloods. Deze ruimtes worden op onderdruk gehouden en de lucht wordt behandeld door een biobed. De afgezogen lucht van alle overige processen (nl. composteerloods, decanters, loods opslag gedroogde dikke fractie en drogers) wordt over een zure chemische wasser gevolgd door een biobed gestuurd.
Artikel: 5.2.1.2§2
Omschrijving:
Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug is in ieder geval verplicht voor inrichtingen waar bedrijfs- of huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van derden worden verwijderd. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.
Motivatie:
Indien er aanvoer van inputstromen en afvoer van eindproducten zal plaatsvinden, dan zal dit gedeeltelijk via watertransport gebeuren. In geval van aanvoer per schip kan geen gebruik gemaakt worden van de weegbrug en zal voor de bepaling van het gewicht gebruik gemaakt worden van metrologische expert van North Sea Port die hiertoe een attest aflevert. Voor het wegverkeer kan er gebruik gemaakt worden van de eigen geijkte weegbruggen. Deze bevinden zich ter hoogte van de burelen. Alle aan- en afvoer wordt opgenomen in het register.
Voorstel:
“In afwijking van art. 5.2.1.2§2. van VLAREM II dienen de aanleveringen en afvoeren via watertransport niet gewogen te worden op de eigen geijkte weegbruggen van de site. Voor de bepaling van het gewicht zal een metrologische expert ingeschakeld worden.
Artikel: Bijlage 5.3.2 sub 61°
Omschrijving:
“Overige bedrijvigheden” – lozingsnormen
Voorstel:
Er zijn geen sectorale lozingsvoorwaarden vastgelegd voor bedrijfsafvalwater afkomstig van vergistingsinstallaties voor OBA. Onder sub 61° “Overige bedrijvigheden” staat vermeld: “Voor de bedrijvigheden die niet onder 1° t.e.m. 60° vallen, gelden onverminderd de algemene emissiegrenswaarden, vastgesteld in hoofdstuk 4.2.” Er wordt dus verwezen naar de algemene lozingsvoorwaarden. Volgens artikel 4.2.3.1 2° gelden voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meerdere gevaarlijke stoffen van bijlage 2C bevat, dezelfde algemene emissiegrenswaarden als in de Afdeling 4.2.2 voorgeschreven voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, behoudens het bepaalde onder 3° hierna. Volgens artikel 4.2.3.1 3° mogen van de gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 2C, in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 [...], enkel die stoffen worden geloosd waarvoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de IIOA emissiegrenswaarden zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in art. 2.3.6.1.
Aanvullend op artikel 4.2.3.1 2° worden volgende lozingsnormen gevraagd voor het bedrijfsafvalwater:
COD: 115 mg/l;
BOD: 25 mg/l;
Totaal N: 5,8 mg/l;
Totaal P: 0,41 mg/l;
Chloriden: 1.150 mg/l;
Sulfaten: 390 mg/l;
Zwevende stoffen: 60 mg/l.
Voor zover de vereiste lozingsnormen nog niet zouden gehaald worden na de verdamper, zal het te lozen effluent behandeld worden m.b.v. een UF/RO-installatie. Het permeaat zal geloosd worden op oppervlaktewater, het concentraat wordt opnieuw verwerkt in de vergister.
Inrichtingsnummer 20260206-0060: B.A.T. - Werffase
Artikel: 5.2.1.5 §5
Omschrijving:
Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd.
Motivatie:
Gezien de ligging van het bedrijf, heeft een groenscherm weinig nut. De exploitant wenst dan ook geen
groenscherm te voorzien.
Voorstel:
“In afwijking op artikel Vlarem II - 5.2.1.5§5 dient geen groenscherm van 5m rondom rond voorzien te
worden.”
Artikel: 5.2.1.2§2
Omschrijving:
Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug is in ieder geval verplicht voor inrichtingen waar bedrijfs- of huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van derden worden verwijderd. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.
Motivatie:
De te verwerken bodemassen zijn reeds op de site aanwezig. Er zal geen weegbrug worden aangelegd voor de behandeling van de bodemassen.
Voorstel:
“In afwijking op artikel Vlarem II - 5.2.1.2§2 dient er geen eigen weegbrug op de site aanwezig te zijn. De wiellader zal voorzien zijn van een weegsysteem”.
Artikel: Bijlage 5.3.2 sub 61°
Omschrijving:
“Overige bedrijvigheden” – lozingsnormen bemalingswater
Voorstel:
Er zijn geen sectorale lozingsvoorwaarden vastgelegd voor afvalwater afkomstig van bemalingen. Onder sub 61° “Overige bedrijvigheden” staat vermeld:
“Voor de bedrijvigheden die niet onder 1° t.e.m. 60° vallen, gelden onverminderd de algemene emissiegrenswaarden, vastgesteld in hoofdstuk 4.2.”
Er wordt dus verwezen naar de algemene lozingsvoorwaarden.
Volgens artikel 4.2.3.1 2° gelden voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meerdere gevaarlijke stoffen van bijlage 2C bevat, dezelfde algemene emissiegrenswaarden als in de Afdeling 4.2.2 voorgeschreven voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, behoudens het bepaalde onder 3° hierna.
Volgens artikel 4.2.3.1 3° mogen van de gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 2C, in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 [...], enkel die stoffen worden geloosd waarvoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de IIOA emissiegrenswaarden zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in art. 2.3.6.1.
Gelet op artikel 4.2.3.1 3° worden volgende lozingsnormen gevraagd voor het bemalingswater:
50 µg/L voor arseen;
0,15 µg/L voor kwik;
500 µg/L voor cyanide;
0,1 µg/L voor individuele PFAS-componenten.
Er wordt standaard geen waterzuiveringsinstallatie voorzien. Indien uit de initiële analyse zou blijken dat dit toch vereist is om te voldoen aan de lozingsnormen, dan zal er een waterzuiveringsinstallatie geplaatst worden.
Artikel: 5.53.6.1.1§4
Omschrijving:
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voldoet het bemalingswater dat terug in de ondergrond wordt ingebracht, aan:
1° de milieukwaliteitsnormen voor grondwater bedoeld in het eerste lid van artikel 2.4.1.1, §2, met uitzondering van de normen voor geleidbaarheid, chloride en microbiologische parameters;
2° de richtwaarde voor grondwater zoals vastgelegd in bijlage II van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 voor zover er voor de stof geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is conform het eerste lid van artikel 2.4.1.1, §2;
3° voor toxische, persistente of bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, of andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid, bij ontstentenis van een waarde voor de stof zoals bepaald in punten 1° en 2°: de rapportagegrens voor grondwater volgens de
referentiemeetmethode.
Voorstel:
Er wordt een afwijking gevraagd voor de infiltratienormen tijdens de bemalingswerken. Volgende concentraties worden aangevraagd voor de infiltratie:
50 µg/L arseen;
0,15 µg/L kwik;
500 µg/L cyanide;
0,10 µg/L PFAS (individueel).
Zie Bijlage E53bis voor de bemalingsstudie.
Artikel: 4.2.5.1.1§1
Omschrijving:
Bedrijfsafvalwater van inrichtingen die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater van meer dan 2 m³ per dag of 50 m³ per maand of 500 m³ per jaar lozen, moet worden geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijke geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient deze controle-inrichting vanaf de hierna vermelde debieten te beantwoorden aan de volgende eisen:
- Voor debieten > 2 m³/u of > 20 m³/dag: de plaatsing van een meetgoot (bij voorkeur) volgens de in bijlage 4.2.5.1 bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen of een andere evenwaardige meetmogelijkheid;
- Voor debieten > 50 m³/u (lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat) of > 100 m³/u (lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat): de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur volgens de in bijlage 4.2.5.1 bij dit besluit gevoegde omschrijving en de gestelde eisen.
Motivatie:
De lozing van het bemalingswater betreft een tijdelijke lozing en daarom wordt er geen meetgoot geplaatst. Er wordt enkel een staalnamekraan voorzien en een debietmeter. De debietmeter die geplaatst wordt, is conform Vlarem II artikel 5.53.3.32§1 (meetinrichting tijdelijke bemaling).
Voorstel:
“In afwijking van Artikel 4.2.5.1.1§1 mag tijdens de werffase voor de lozing van het bemalingswater gebruik gemaakt worden van een debietmeter conform artikel 5.53.3.32§1 (meetinrichting tijdelijke bemaling) i.p.v. een meetgoot.
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
* Op 25/01/2018 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een inrichting voor de productie van duurzame energie op basis van biomassa en het bouwen ervan + bijstelling milieuvoorwaarden. (OMV_2017004743)
* Op 03/12/2020 werd een gedeeltelijke voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een inrichting voor de productie van duurzame energie op basis van biomassa + bijstelling. (OMV_2020062193)
* Op 04/03/2021 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een inrichting voor de op- en overslag van bulkgoederen. (OMV_2020084486)
* Op 25/11/2021 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een inrichting voor de productie van duurzame energie op basis van biomassa (iioa + sh). (OMV_2021126775)
* Op 21/04/2022 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een vergistingsinstallatie (iioa en sh). (OMV_2022008186)
* Op 20/07/2023 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een inrichting voor de productie van duurzame energie op basis van biomassa (iioa + sh). (OMV_2022163733)
* Op 03/04/2025 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een inrichting voor de productie van duurzame energie op basis van biomassa, meer bepaald een vergistingsbedrijf (iioa + sh) met bijstelling van de milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden. (OMV_2024094899)
* Op 16/10/2025 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een inrichting voor de op- en overslag van bulkgoederen (iioa). (OMV_2025063735)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Wettelijk verplichte externe adviezen worden opgevraagd door de vergunningverlenende overheid.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in een zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven Kluizendok.
Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden industriële bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven.
De terreinen aan de kaaimuur worden uitsluitend voorbehouden voor activiteiten die de kaai-infrastructuur benutten.
Elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt beoordeeld aan de hand van volgende criteria:
- De verbeterende buffering naar het omliggende woongebied;
- Zorgvuldig ruimtegebruik met toepassing van de best beschikbare technieken;
- Een kwaliteitsvolle aanleg van het bedrijfsterrein en afwerking van de bedrijfsgebouwen weliswaar afgestemd op de functionele invulling;
- De aandacht voor de permanente en de tijdelijke ecologische structuur.
Bij aanleg van het terrein moet het waterbergend vermogen zoveel mogelijk worden behouden en het overstromingsrisico worden beperkt.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
4.3. Verordeningen
Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024.
Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.
Gewestelijke verordening hemelwater
De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023. (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023)
Zie waterparagraaf.
Gewestelijke verordening toegankelijkheid
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.
4.4. Uitgeruste weg
Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste havenweg.
5. WATERPARAGRAAF
De vergunningverlenende overheid staat in voor de opmaak van de waterparagraaf.
Met betrekking tot de waterparagraaf wordt volgend advies uitgebracht:
Toetsing gewestelijke verordening (GSV) en algemeen bouwreglement stad Gent (ABR) inzake hemelwater
Algemeen geplande toestand
Het betreft het realiseren van een vergistingsinstallatie met toebehoren.
Dakoppervlaktes
- Kantoorgebouw: 3.627 m²
- Droger hallen: 1.495,56 m²
- Technische ruimtes verdampers: 64 m²
- Loods droge nutriënten: 432,85 m²
- Technische ruimtes vergisters: 360 m²
- Voorbehandelingsloods: 9.100 m²
- Opslag naast biobed: 1.0498,76 m²
- Compostering: 7.713,10 m²
- OBA loods: 7.800 m²
- Nutriënten loods: 5.400 m²
- Stockage energiegewassen: 1.991 m²
Totale afwaterende oppervlakte gebouwen: 39.033,27 m²
Verharding
- Wegenis: 18.918,78 m²
- Betonverharing OBA loods: 1.366,87 m²
- Betonverharding nutriëntenloods: 1.153,14 m²
- Betonverharding onder vergisters: 19.717,48 m²
- Betonverharding kantoorgebouw: 194,88 m²
- Betonverharding verdampers: 800 m²
- Betonverharding 1 droge nutriënten loods: 160,61 m²
- Betonverharding 2 droge nutriënten loods: 30,85 m²
- Betonverharding CO2 vervloeiing: 1.156,52 m²
- Betonverharding OBA tanks: 1.501,50 m²
Totale afwaterende oppervlakte verharding: 45.000,63 m²
Hemelwaterputten: 3.549,38 m³
Infiltratievoorziening: 4.317 m² en 1.573,31 m³
Verharding
Conform artikel 3.2 van het ABR moet het verharden van oppervlaktes tot een minimum beperkt worden. Deze verharding moet waar mogelijk als verharding met natuurlijke infiltratie of als waterdoorlatende verharding aangelegd worden.
Alle verharding (45.000,63 m²) zal integraal worden opgevangen in de hemelwaterputten op de site om maximaal te gaan hergebruiken.
Hemelwaterputten
Er worden hemelwaterputten met een totale inhoud van 3.549,38 m³ voorzien. De afwaterende oppervlakte van de gebouwen en verharding wordt hierop aangesloten (84.033,90 m²). Vanwege de aard van de activiteiten op de site is er een heel groot potentieel hergebruik, nl. sanitair, het wassen van voertuigen, de gaswassers, de compostering en de biobedden.
Op basis van de uitgevoerde waterbalans en SIRIO-simulatie wordt aangetoond dat de afstromende oppervlakken hydraulisch en functioneel kunnen worden opgevangen binnen het voorziene systeem.
Groendak
Er wordt een afwijking gevraagd voor de aanleg van een groendak aangezien alle dakoppervlaktes aangesloten worden op de hemelwaterputten voor hergebruik. Op basis van de voorziene hemelwaterputten kan de dakoppervlakte vrijgesteld worden.
Infiltratievoorziening
Er wordt een infiltratievoorziening voorzien langsheen de verschillende loodsen in de vorm van verschillende onderling verbonden infiltratie-grachten. In totaal zal er voorzien worden in een totale lengte van 1.126,61 m aan infiltratiegracht met een breedte van 2,5 m op de bodem onder het maaiveld en een breedte van 3,5 m ter hoogte van het maaiveld. Dit resulteert in een infiltratie oppervlakte van 4.317 m² en een volume van 1.573,31 m³.
Er wordt voldaan aan de GSV en het ABR.
De voorwaarden die voortvloeien uit de verordening moeten worden ontworpen en uitgevoerd conform de richtlijnen zoals uiteengezet in het Technisch Achtergronddocument bij de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening Hemelwater.
6. NATUURTOETS
De vergunningverlenende overheid staat in voor de opmaak van de natuurtoets.
Met betrekking tot de natuurtoets wordt volgend advies uitgebracht:
Er zijn geen bezwaren tegen het bouwproject. Het braakliggend terrein betreft een biologisch zeer waardevolle pioniersvegetatie en soortenrijke ruigte. Het gebied ligt echter midden in industrieterrein (ook bestemd als havengebonden industriële zone) en is recent meermaals verstoord (plaatselijk is er opslag van jonge wilgen). Gezien deze bestemming is er bijgevolg geen bezwaar tegen deze ontwikkeling.
7. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 20 maart 2026 tot en met 18 april 2026.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
8. OMGEVINGSTOETS
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
Het ontwerp beantwoordt qua inplanting, materialengebruik en afmetingen aan de gangbare normen die worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen gelegen in zeehaven- en watergebonden industriële gebieden. Gezien de activiteiten een kadegebonden karakter hebben is de aanvraag principieel in overeenstemming met de bestemming van het geldende plan. In het GRUP worden een aantal criteria opgegeven waaraan een stedenbouwkundige vergunning dient te worden beoordeeld:
- Verbeterde buffering t.o.v. het omliggende woongebied:
Er is tussen de bedrijvigheid en de woningen in het GRUP een bufferzone vastgelegd zodat in het kader van deze individuele aanvraag kan worden geoordeeld dat er voldoende buffering voorzien is.
- Zorgvuldig ruimtegebruik met toepassing van de best beschikbare technieken:
De aanvraag voldoet aan deze bepaling o.a. door het compact bebouwen van het perceel en het gemeenschappelijk voorzien van de ontsluiting door de verschillende concessionarissen.
- Kwaliteitsvolle aanleg van het bedrijfsterrein en afwerking van de bedrijfsgebouwen weliswaar afgestemd op de functionele invulling: de geplande werken vertonen een industrieel karakter dat binnen de omgevingscontext valt te aanvaarden.
- Aandacht voor de permanente en de tijdelijke ecologische infrastructuur: voorliggende aanvraag omvat geen specifieke vermelding van enige ecologische infrastructuur. Er is inzake ecologische infrastructuur voor de haven een globale aanpak. Deze globale werkwijze valt te verkiezen boven een beoordeling voor iedere bouwaanvraag.
Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. Ruimtelijk gezien zijn de geplande werken aanvaardbaar binnen dit havenlandschap.
Mobiliteit
Voor het project werd een MOBER (Mobiliteitseffectenrapport) opgemaakt, aangezien het gaat om een industriële ontwikkeling met een grote oppervlakte. De site is matig bereikbaar te voet en met de fiets, matig tot goed bereikbaar met het openbaar vervoer en zeer goed bereikbaar voor gemotoriseerd en vrachtverkeer, onder meer door de ligging aan het kanaal. Het project voorziet in 20 werknemers in shiftwerking, zeer beperkt bezoekersverkeer en een aanzienlijke aan- en afvoer van goederen, waarbij sterk wordt ingezet op watergebonden transport. Volgens de MOBER blijft de verkeersimpact beperkt en zijn de toegangswegen voldoende uitgerust. De voorziene parkeer- en fietsinfrastructuur op eigen terrein (10 fietsplaatsen en 19 autoparkeerplaatsen) volstaat, mits aandacht voor de correcte uitvoering van de fietsenstalling (hoog‑laag‑systeem en verlichting). Het advies is gunstig, op voorwaarde dat alle parkeer- en vrachtactiviteiten volledig op het private terrein worden afgewikkeld.
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Er wordt geen advies gegeven over de milieuhygiënische en veiligheidsaspecten van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Er wordt geen advies gegeven over de milieuhygiënische en veiligheidsaspecten van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen.
De aanvraag wordt beslist door de deputatie (art. 15 van het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014).
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet advies uitbrengen bij de deputatie over omgevingsvergunningsaanvragen die door de deputatie worden behandeld (klasse 1 inrichtingen en/of provinciale projecten).
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Niet van toepassing.
Het college van burgemeester en schepenen brengt voorwaardelijk gunstig advies uit over de omgevingsaanvraag voor het exploiteren van een vergistingsinstallatie en het opwaarderen van het biogas tot biomethaan, het realiseren van een vergistingsinstallatie met toebehoren (IIOA + SH) van B.A.T. SERVICES bv, gelegen te Willem van Rubroeckstraat 17, 9042 Gent.
Verzoekt de deputatie om volgende voorwaarden voor de geplande werken op te nemen:
Mobiliteit
Verzoekt de deputatie om volgende aandachtspunten op te leggen aan de aanvrager:
Mobiliteit
Gezien het aantal autoparkeerplaatsen overeenstemt met een relatief hoog aandeel modal split auto t.o.v. het gemiddelde in de Gentse haven, kunnen enkele van de autoparkeerplaatsen in de toekomst gesupprimeerd worden, bijvoorbeeld ten voordele van de uitbreiding van de fietsenstaling als dit in de toekomst na monitoring nodig blijkt.