Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
KINTRANS BV met als contactadres Hulsdonk 33, 9042 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024147459) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 16 januari 2026.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het veranderen van een transportbedrijf door toevoeging van stookinstallaties
• Adres: Hulsdonk 33, 9042 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 13 sectie A nr. 153L
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 9 maart 2026.
De aanvraag volgde de vereenvoudigde procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 7 april 2026.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het veranderen van een transportbedrijf door toevoeging van stookinstallaties.
Kintrans bvba verzorgt transport van nieuwe wagens voor o.a. Volvo. Het betreft transport van de fabriek naar de Gentse haven en tussen de verschillende havens in Vlaanderen. De belangrijkste activiteit op de vestiging is het onderhoud en de reiniging van de vrachtwagens dus de exploitatie van een werkplaats en een wasplaats, met bijkomend een tankstation en kantoorruimte. Er zijn geen los- en laadactiviteiten en de vroegere opslagactiviteiten zijn volledig geschrapt. Het bedrijf doet geen ADR transport of opslag/overslag van goederen. De exploitatiezetel is volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in een regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter.
Er zijn 3 werknemers in de garage actief, 3 werknemers op kantoor en zo’n 42 chauffeurs.
De activiteiten worden 6 dagen op 7, van 8 tot 19u en op zaterdag van 8 tot 12u geëxploiteerd.
De wijziging betreft het opnemen van klasse 3 rubriek 43.1.1° (stookinstallaties) in de klasse 2
omgevingsvergunning. De stookinstallaties waren in het verleden niet ingedeeld (< 300 kW) en dus niet opgenomen in de OV dd. 2022. De warme luchtblazers stonden echter wel vermeld als niet ingedeelde inrichting met een fout vermogen (5 x 45 kW), het thermische vermogen van de blazers is 63,2 kW. Door het vervangen van 3 warme luchtblazers door nieuwe toestellen wordt de ondergrens (300 kWth) van rubriek 43.1 wel overschreden. Sommige toestellen waren reeds aanwezig, maar niet eerder ingedeeld. Het totale maximale geïnstalleerde thermisch vermogen bedraagt 361,7 kWth (brander 23,5 kW + 5 warme luchtblazers - 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW).
Aangezien het om een uitbreiding met een activiteit die in de derde klasse is ingedeeld gaat, kan de vereenvoudigde procedure gevolgd worden.
M.b.t. infrastructuur zijn er geen wijzigingen en is alles reeds stedenbouwkundig vergund. Daarom is er geen luik "stedenbouwkundige handelingen" opgenomen in deze aanvraag.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
|
Rubriek |
Omschrijving |
Hoeveelheid |
|
43.1.1°a) |
stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallaties met een totaal maximaal geïnstalleerd thermisch vermogen van 361,7 kWth (1 CV ketel 23,5 kW + 5 warme luchtblazers 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW) | klasse 3 | Nieuw |
361,7 kW |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
3.4.2° | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater zonder GS met een debiet van 2,67 m³/u en 450 m³/j | 2,67 m³/uur
6.4.1° | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslaghoeveelheid van 10.000 l waarvan
- afvalolie in een bovengrondse vaste houder van 2.500 liter
- hydraulische olie in een bovengrondse vaste houder van 1.500 liter
- hydraulische olie in een bovengrondse vaste houder van 2.480 liter
- opslag van brandbare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten met een max. hoeveelheid van 3.520 l | 10000 liter
6.5.2° | 2 brandstofverdeelinstallaties met totaal van 3 verdeelslangen voor het tanken van motorvoertuigen | 3 verdeelslangen
15.1.2° | Stallen van 53 motorvoertuigen andere dan personenwagens (vrachtwagens met aanhangwagens, heftrucks, etc.) | 53 voertuigen
15.2. | Werkplaats voor nazicht, herstellen en onderhouden van de motorvoertuigen met 2 schouwputten | 2 schouwputten
15.4.1° | Wasplaats voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | 1 wasplaats
15.6.1° | Overdekt stallen van geaccidenteerde voertuigen van max. 25 ton | 25 ton
16.3.2°a) | Luchtbehandelingsinstallaties met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 22,02 kW, m.n.:
- compressor van 7,5 kW - koeldroger van 0,32 kW
- productkoeling (koelkasten) van 0,7 kW
- warmtepomp van 13,5 kW | 22,02 kW
17.3.2.1.1.2° | Opslag van diesel in twee ondergrondse vaste houders met een waterinhoudsvermogen van 5.000 liter of 4.450 kg en 60.000 liter of 53.400 kg | 57,85 ton
17.3.2.1.2.1° | Opslag van ontvlambare vloeistoffen (GHS02 categorie 2) in verplaatsbare recipiënten (bijv. vaten ruitensproeier) met een maximale opslagcapaciteit van 1,84 ton | 1,84 ton
17.3.4.1°a) | Opslag van bijtende vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, zepen, etc.) met een max. hoeveelheid van 2,4 ton | 2,4 ton
17.3.6.1°a) | Opslag van schadelijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, ruitensproeier, antivries, etc.) met een max. hoeveelheid van 2,478 ton. | 2,478 ton
17.3.7.1°a) | Opslag van gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, olie, antivries, etc.) met een max. hoeveelheid van 1,47 ton | 1,47 ton
17.3.8.1° | Opslag van milieugevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, etc.) met een max. hoeveelheid van 0,194 ton. | 0,194 ton
17.4. | Opslag gevaarlijke producten in kleine recipiënten met een max. opslaghoeveelheid van 750 l / kg | 750 liter
29.5.2.1°a) | Metaalbewerking in de werkplaats met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW (kolomboor, metaaldraaibank, lintzaag, etc.) | 10 kW
29.5.7.2°a)1) | Ontvettingsbad met een inhoud van 100 l met organisch oplosmiddel | 100 liter
Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:
12.2.1° | Transformator met een nominaal vermogen van 250 kVA | 250 kVA
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
* Op 07/04/2022 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het verder exploiteren van een transportbedrijf. (OMV_2021118317)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 13 maart 2026:
Besluit GUNSTIG ADVIES, mits naleving van de hierboven vermelde maatregelen!
Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 31 maart 2026:
De aanvraag heeft betrekking op terrein in eigendom van North Sea Port Flanders, uitgegeven in concessie aan de aanvrager.
Voor de gevraagde werken wordt door North Sea Port een gunstig advies verleend.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Een regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter is bestemd voor de vestiging van bedrijven zoals bedoeld in artikelen 7 en 8, lid 2.1.1. en lid 2.1.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972. Het kan evenwel alleen worden gerealiseerd door de overheid. Bij de inrichting van het gebied zal rekening gehouden worden met de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het terrein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de aktiviteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone.
De Vlaamse regering kan bepalen dat een bijzonder plan van aanleg voorafgaand aan de ontwikkeling
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.
- niet gelegen in een signaalgebied.
2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
De activiteit of inrichting heeft geen betekenisvolle impact op de waterkwaliteit.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er wordt geen waardevol groen of boom verwijderd.
De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen stookinstallaties en transport.
Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.
In dit dossier is het beoordelingskader voor stationaire bronnen van toepassing.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
De aanvraag heeft geen betrekking op de lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. BEKENDMAKING
De aanvraag volgt de vereenvoudigde procedure en moest dus niet aan een openbaar onderzoek worden onderworpen.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect lucht
Emissiepunten
De aanvraag heeft betrekking op enkele stookinstallaties, één centrale ketel voor de verwarming van de burelen en productie warm water en 5 luchtverhitters voor de verwarming van de werkplaats, wasplaats en magazijn.
Bij de exploitatie wordt gebruik gemaakt van stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van 361,7 kWth (1 CV ketel 23,5 kW + 5 warme luchtblazers 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW). Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 300 kW zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing. Bij een regelematig onderhoud, wordt geen onmiddellijke hinder verwacht bij het gebruik van de installaties.
Voor het centrale stooktoestel (gebruikt voor de verwarming van de gebouwen en optioneel voor de aanmaak van warm verbruikswater) zijn de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater van kracht. Dit betekent dat er door een erkende technicus tweejaarlijks een onderhoud/controle en vierjaarlijks een verwarmingsaudit (nadat het toestel vijf jaar in gebruik is) dient uitgevoerd te worden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag gunstig.
Volgende rubriek wordt gunstig beoordeeld:
|
Rubriek |
Omschrijving |
Hoeveelheid |
|
43.1.1°a) |
stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallaties met een totaal maximaal geïnstalleerd thermisch vermogen van 361,7 kWth (1 CV ketel 23,5 kW + 5 warme luchtblazers 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW) | Nieuw |
361,7 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20210709-0023) is:
|
Rubriek |
Omschrijving |
Hoeveelheid |
|
3.4.2° |
lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater zonder GS met een debiet van 2,67 m³/u en 450 m³/j | klasse 2 |
2,67 m³/uur |
|
6.4.1° |
opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslaghoeveelheid van 10.000 l waarvan - afvalolie in een bovengrondse vaste houder van 2.500 liter - hydraulische olie in een bovengrondse vaste houder van 1.500 liter - hydraulische olie in een bovengrondse vaste houder van 2.480 liter - opslag van brandbare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten met een max. hoeveelheid van 3.520 l | klasse 3 |
10000 liter |
|
6.5.2° |
brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | 2 brandstofverdeelinstallaties met totaal van 3 verdeelslangen voor het tanken van motorvoertuigen | vlarebo : B | klasse 2 |
3 verdeelslangen |
|
15.1.2° |
al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Stallen van 53 motorvoertuigen andere dan personenwagens (vrachtwagens met aanhangwagens, heftrucks, etc.) | klasse 2 |
53 voertuigen |
|
15.2. |
herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | Werkplaats voor nazicht, herstellen en onderhouden van de motorvoertuigen met 2 schouwputten | vlarebo : A | klasse 3 |
2 schouwputten |
|
15.4.1° |
niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Wasplaats voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | klasse 3 |
1 wasplaats |
|
15.6.1° |
stallen van geaccidenteerde voertuigen (maximaal 25 voertuigen) | Overdekt stallen van geaccidenteerde voertuigen van max. 25 ton | vlarebo : A | klasse 3 |
25 ton |
|
16.3.2°a) |
koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Luchtbehandelingsinstallaties met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 22,02 kW, m.n.: - compressor van 7,5 kW - koeldroger van 0,32 kW - productkoeling (koelkasten) van 0,7 kW - warmtepomp van 13,5 kW | klasse 3 |
22,02 kW |
|
17.3.2.1.1.2° |
ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Opslag van diesel in twee ondergrondse vaste houders met een waterinhoudsvermogen van 5.000 liter of 4.450 kg en 60.000 liter of 53.400 kg | vlarebo : A* | klasse 2 |
57,85 ton |
|
17.3.2.1.2.1° |
overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvlambare vloeistoffen (GHS02 categorie 2) in verplaatsbare recipiënten (bijv. vaten ruitensproeier) met een maximale opslagcapaciteit van 1,84 ton | klasse 3 |
1,84 ton |
|
17.3.4.1°a) |
bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Opslag van bijtende vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, zepen, etc.) met een max. hoeveelheid van 2,4 ton | klasse 3 |
2,4 ton |
|
17.3.6.1°a) |
schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van schadelijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, ruitensproeier, antivries, etc.) met een max. hoeveelheid van 2,478 ton. | klasse 3 |
2,478 ton |
|
17.3.7.1°a) |
op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, olie, antivries, etc.) met een max. hoeveelheid van 1,47 ton | klasse 3 |
1,47 ton |
|
17.3.8.1° |
voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | Opslag van milieugevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, etc.) met een max. hoeveelheid van 0,194 ton. | klasse 3 |
0,194 ton |
|
17.4. |
opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag gevaarlijke producten in kleine recipiënten met een max. opslaghoeveelheid van 750 l / kg | klasse 3 |
750 liter |
|
29.5.2.1°a) |
smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Metaalbewerking in de werkplaats met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW (kolomboor, metaaldraaibank, lintzaag, etc.) | vlarebo : O | klasse 3 |
10 kW |
|
29.5.7.2°a)1) |
ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Ontvettingsbad met een inhoud van 100 l met organisch oplosmiddel | klasse 3 |
100 liter |
|
43.1.1°a) |
stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallaties met een totaal maximaal geïnstalleerd thermisch vermogen van 361,7 kWth (1 CV ketel 23,5 kW + 5 warme luchtblazers 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW) | klasse 3 |
361,7 kW |
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de omgevingsvergunning voor het veranderen van een transportbedrijf door toevoeging van stookinstallaties aan KINTRANS bv (O.N.:0406456526) gelegen te Hulsdonk 33, 9042 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit KINTRANS met inrichtingsnummer 20210709-0023 beslist het college als volgt:
Vergunde rubriek:
|
Rubriek |
Omschrijving |
Hoeveelheid |
|
43.1.1°a) |
stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallaties met een totaal maximaal geïnstalleerd thermisch vermogen van 361,7 kWth (1 CV ketel 23,5 kW + 5 warme luchtblazers 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW) | Nieuw |
361,7 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20210709-0023) is:
|
Rubriek |
Omschrijving |
Hoeveelheid |
|
3.4.2° |
lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater zonder GS met een debiet van 2,67 m³/u en 450 m³/j | klasse 2 |
2,67 m³/uur |
|
6.4.1° |
opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslaghoeveelheid van 10.000 l waarvan - afvalolie in een bovengrondse vaste houder van 2.500 liter - hydraulische olie in een bovengrondse vaste houder van 1.500 liter - hydraulische olie in een bovengrondse vaste houder van 2.480 liter - opslag van brandbare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten met een max. hoeveelheid van 3.520 l | klasse 3 |
10000 liter |
|
6.5.2° |
brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | 2 brandstofverdeelinstallaties met totaal van 3 verdeelslangen voor het tanken van motorvoertuigen | vlarebo : B | klasse 2 |
3 verdeelslangen |
|
15.1.2° |
al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Stallen van 53 motorvoertuigen andere dan personenwagens (vrachtwagens met aanhangwagens, heftrucks, etc.) | klasse 2 |
53 voertuigen |
|
15.2. |
herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | Werkplaats voor nazicht, herstellen en onderhouden van de motorvoertuigen met 2 schouwputten | vlarebo : A | klasse 3 |
2 schouwputten |
|
15.4.1° |
niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Wasplaats voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | klasse 3 |
1 wasplaats |
|
15.6.1° |
stallen van geaccidenteerde voertuigen (maximaal 25 voertuigen) | Overdekt stallen van geaccidenteerde voertuigen van max. 25 ton | vlarebo : A | klasse 3 |
25 ton |
|
16.3.2°a) |
koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Luchtbehandelingsinstallaties met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 22,02 kW, m.n.: - compressor van 7,5 kW - koeldroger van 0,32 kW - productkoeling (koelkasten) van 0,7 kW - warmtepomp van 13,5 kW | klasse 3 |
22,02 kW |
|
17.3.2.1.1.2° |
ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Opslag van diesel in twee ondergrondse vaste houders met een waterinhoudsvermogen van 5.000 liter of 4.450 kg en 60.000 liter of 53.400 kg | vlarebo : A* | klasse 2 |
57,85 ton |
|
17.3.2.1.2.1° |
overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvlambare vloeistoffen (GHS02 categorie 2) in verplaatsbare recipiënten (bijv. vaten ruitensproeier) met een maximale opslagcapaciteit van 1,84 ton | klasse 3 |
1,84 ton |
|
17.3.4.1°a) |
bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Opslag van bijtende vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, zepen, etc.) met een max. hoeveelheid van 2,4 ton | klasse 3 |
2,4 ton |
|
17.3.6.1°a) |
schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van schadelijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, ruitensproeier, antivries, etc.) met een max. hoeveelheid van 2,478 ton. | klasse 3 |
2,478 ton |
|
17.3.7.1°a) |
op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, olie, antivries, etc.) met een max. hoeveelheid van 1,47 ton | klasse 3 |
1,47 ton |
|
17.3.8.1° |
voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | Opslag van milieugevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten (vaten anti-algen, etc.) met een max. hoeveelheid van 0,194 ton. | klasse 3 |
0,194 ton |
|
17.4. |
opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag gevaarlijke producten in kleine recipiënten met een max. opslaghoeveelheid van 750 l / kg | klasse 3 |
750 liter |
|
29.5.2.1°a) |
smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Metaalbewerking in de werkplaats met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW (kolomboor, metaaldraaibank, lintzaag, etc.) | vlarebo : O | klasse 3 |
10 kW |
|
29.5.7.2°a)1) |
ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Ontvettingsbad met een inhoud van 100 l met organisch oplosmiddel | klasse 3 |
100 liter |
|
43.1.1°a) |
stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallaties met een totaal maximaal geïnstalleerd thermisch vermogen van 361,7 kWth (1 CV ketel 23,5 kW + 5 warme luchtblazers 2 x 63,2 kW + 3 x 70,6 kW) | klasse 3 |
361,7 kW |
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Voor het centrale stooktoestel (gebruikt voor de verwarming van de gebouwen en optioneel voor de aanmaak van warm verbruikswater) zijn de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater van kracht. Dit betekent dat er door een erkende technicus tweejaarlijks een onderhoud/controle en vierjaarlijks een verwarmingsaudit (nadat het toestel vijf jaar in gebruik is) dient uitgevoerd te worden.