Tijdens de commissie WWOPP van 2 december werd aangegeven dat er momenteel geen aparte of specifieke aanpak wordt voorzien voor jongens binnen het beleid rond jeugddelinquentie en preventie. Nochtans tonen verschillende statistieken aan dat jongens duidelijk oververtegenwoordigd zijn in indicatoren zoals schooluitval, problematisch schoolgedrag en betrokkenheid bij jeugddelinquentie. In Vlaanderen bijvoorbeeld verliet in het schooljaar 2022-2023 maar liefst 15,8% van de jongens vroegtijdig de schoolbanken tegenover 10,4% van de meisjes.
Aangezien preventie van jeugddelinquentie en het terugdringen van schooluitval in belangrijke mate op schoolniveau plaatsvinden, rijst de vraag in welke mate het huidige beleid voldoende is afgestemd op de specifieke noden van jongens met achterblijvende schoolprestaties. Zeker wanneer andere doelgroepen wel een verfijnde aanpak krijgen.
Daarom heb ik hierover de volgende vragen.
Welke bestaande maatregelen binnen het stedelijk onderwijs in Gent richten zich vandaag op het vroegtijdig detecteren en begeleiden van leerlingen — en in het bijzonder jongens — met achterblijvende schoolprestaties?
Is de schepen bereid om, in samenwerking met scholen, CLB’s en jeugdhulp, te onderzoeken of er alsnog een meer gerichte aanpak nodig is binnen het stedelijk onderwijs- en jeugdbeleid om deze problematiek aan te pakken?
Welke bijkomende preventieve maatregelen of schoolgerichte interventies worden momenteel overwogen om deze problematiek structureel aan te pakken en schooluitval bij jongens te verminderen?
Beste raadslid Naeyaert
Ik wil eerst ingaan op wat u aanhaalt over de ‘verfijnde aanpak voor andere doelgroepen’. We voeren geen doelgroepenbeleid binnen onderwijs zoals u lijkt te suggereren. We voeren een beleid dat gebaseerd is op cijfers, onderzoek en waarbij we vanuit een geobjectiveerde analyse initiatieven ontwikkelen die de leer- en ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren doen groeien. Dat bepaalde indicatoren soms samenvallen met een groep, wil ik gerust bijtreden.
Dat geldt ook voor jongens. Het klopt dat ze in een aantal statistieken oververtegenwoordigd zijn, en bijvoorbeeld vaker zonder kwalificaties uitstromen. Dat geldt algemeen in Vlaanderen, en dat zien we dus ook in Gent. Mijn conclusie is niet dat we het beleid moeten hertalen naar een specifieke focus op jongens, wel dat de inspanningen hierrond nodig blijven.
Binnen die inspanningen, zowel vanuit de scholen zelf als vanuit het flankerend beleid, kan de aanpak wel een focus krijgen die jongens meer aanspreekt. Er wordt met hen aan de slag te gegaan door thema’s, activiteiten naar voor te schuiven die dichter bij hun interesses liggen.
Of anders gezegd. Net door die geobjectiveerde en gerichte aanpak zullen jongens wellicht meer bereikt worden in de trajecten die we ontwikkelden. Het Onderwijscentrum Gent heeft een uitgebreide werking rond vroegtijdig schoolverlaten en schoolbinding, in samenwerking met verschillende partners. Die kwam de afgelopen maanden verschillende keren aan bod, zowel in deze Commissie als tijdens het vragenuurtje op de gemeenteraad.
Die trajecten zijn niét gericht op specifieke, vooraf bepaalde doelgroepen: dit zijn geen initiatieven die specifiek op jongens gericht zijn, net zoals ze niet specifiek op andere doelgroepen – zoals bijv. meisjes – gericht zijn. Ze vertrekken steeds vanuit de noden en vragen van de scholen en de leerlingen, en begeleiden daar waar de noden het hoogst zijn. In die zin kan er, als scholen dat nodig hebben, dus ook gewerkt worden rond specifieke vragen over jongens.
Dat zijn de specifieke initiatieven binnen het flankerend onderwijsbeleid. Maar bij de aanpak van schooluitval zijn in eerste instantie natuurlijk de scholen en de CLB’s aan zet. Aandacht hebben voor wie het lastig heeft en dreigt uit te vallen, is deel van de brede basiszorg op elke school.
Binnen het Stedelijk Onderwijs kwam het kader daarrond tot stand vanuit het pilootproject: ‘diversiteit netwerkt!’, gesubsidieerd door de Vlaamse Overheid. In dit project werkten lerarenopleidingen en scholen intensief samen rond brede basiszorg.
Met dit kader wil het Stedelijk Onderwijs (toekomstige) leraren en schoolteams versterken in het creëren van een sterke brede basiszorg in de klaspraktijk. Dat betekent: de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleren, en problemen voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden. De Pedagogische Begeleidingsdienst van het Stedelijk Onderwijs stimuleert teams om hun praktijk op dat vlak onder de loep te nemen en in te zetten op een evidence-informed aanpak.
Want dat is belangrijk: dat er op scholen voldoende kennis en reflectie aanwezig is, dat schoolteams inclusief werken: zoeken naar welke aanpak werkt voor leerlingen en zich bewust zijn van bepaalde dynamieken of stereotypen rond gender.
Een voorbeeldje: De Standaard maakte bij het begin van vorig schooljaar een mooie reeks over jongens in het onderwijs, vanuit dezelfde vaststelling die u maakt. Daar wijzen onderzoekers er bijvoorbeeld op dat in het onderwijs zaken die we stereotiep meer met meisjes associëren (rustig zijn, stil zitten, netjes werken) in het onderwijs beloond worden, terwijl jongens net vaker berispt worden wanneer ze bijvoorbeeld luid zijn in de klas. Het is belangrijk dat we ons bewust zijn van dit soort onbewuste stereotypen.
Vandaar ook de focus van het Stedelijk Onderwijs binnen het kader Brede Basiszorg op 'Positief klasklimaat met aandacht voor ex-/inclusie'. Met die component kom je tegemoet aan sociale, emotionele en gedragsmatige behoeften van alle leerlingen om zo een positief klasklimaat te stimuleren. Ik wil dat even beklemtonen. Alle leerlingen dus, met aandacht voor hun specifieke ontwikkeling en interesses. Laat ons dat niet verengen tot enkel jongens.
Ook in het jeugdwerk en jeugdbeleid is er aandacht voor jongens. De vaststelling is zelfs dat het evenwicht daar te veel is verschoven naar jongens. Het inrichten van de buitenruimte is daar een goed voorbeeld van. Pleintjes hebben een plek voor voetbal, fitness en calisthenics, maar daar zien we minder meisjes aan deelnemen. Zij verdienen ook aandacht. Maar laat ons dit debat niet zo versimpelen tot een tweedeling jongens-meisjes. Laat ons daar het debat genuanceerd voeren. Ik wil niet gezegd hebben dat meisjes niet ook graag tegen een bal sjotten. Iedereen moet zich gewoon welkom voelen.
De bottomline is: bereiken we die jongeren die we willen en moeten bereiken? We doen dat op een onderbouwde manier. En waar nodig, gebeurt de invulling op maat.
di 10/02/2026 - 19:28
In maart 2025 startte het stadsbestuur met een pilootproject waarbij rekruteerders werden ingezet in de Brugse Poort om kinderbegeleiders aan te trekken en zo het nijpende tekort in de sector aan te pakken.
Tijdens de commissie WWOPP van oktober 2025 gaf schepen Willaert een tussentijdse stand van zaken, met duidelijke positieve instroomcijfers en succesvolle inleefdagen. Intussen zijn we in 2026 en gaf de schepen aan dat dit project niet alleen wordt verdergezet, maar ook zal worden uitgebreid. Dat geeft aanleiding tot onderstaande opvolgvragen.
U gaf in uw antwoord aan dat de wijkgerichte rekrutering niet alleen wordt voortgezet in 2026, maar ook zal worden uitgebreid.
a. Is er intussen een duidelijk kader uitgewerkt voor de uitrol naar nieuwe wijken?
2. Hoe wordt beslist welke wijken prioritair aan bod komen?
3. De inleefdagen blijken een succes te zijn binnen dit pilootproject.
a. Hoe ervaren de kinderopvangteams deze inleefdagen in de praktijk, zowel op het vlak van begeleiding als werkbelasting?
4. Bij de start van het pilootproject werden twee evaluatiemomenten voorzien in 2025.
a. Zullen er ook in 2026 evaluatiemomenten worden georganiseerd? Zo ja, wanneer zullen deze plaatsvinden?
Beste Raadslid Naeyaert,
Zoals ik inderdaad eerder aangaf, zetten we het wijkgericht rekruteren niet alleen verder in 2026, we breiden het ook uit. En dat doen we omdat het écht werkt.
In de eerste vier wijken waar we dit hebben gedaan — Brugse Poort, Sint-Amandsberg, Sluizeken-Tolhuis-Ham en afgelopen weekend nog de Watersportbaan — zien we heel duidelijke resultaten:
En we zien ook heel duidelijk: mensen durven sneller de stap te zetten naar een job als kinderbegeleider als iemand hen persoonlijk begeleidt en informeert. Dat persoonlijke contact werkt. Daarom blijven we daarop inzetten: nabijheid, warme contacten en begrijpbare info.
Is er ondertussen een duidelijk kader voor de uitbreiding?
Ja. Onze dienst Kinderopvang heeft een helder kader uitgewerkt.
We werken binnen de bestaande indeling in zes regio’s. Dat is belangrijk, omdat we zo de kinderdagverblijven in die regio actief kunnen betrekken. Zij kunnen bijvoorbeeld rondleidingen organiseren, mee promotie maken bij gezinnen of kandidaten ontvangen voor een inleefdag.
Daarnaast volgt elke wijkrekrutering altijd hetzelfde stappenplan, dat telkens twee maanden duurt:
Daarna volgen rondleidingen en waar mogelijk inleefdagen.
Hoe kiezen we welke wijken eerst aan bod komen?
We kiezen dat niet willekeurig.
De zes regio’s van onze Dienst Kinderopvang worden systematisch doorlopen. De volgende regio’s die nu aan de beurt zijn, zijn Rabot en het centrum.
Wanneer alle regio’s zijn doorlopen, gaat onze dienst evalueren. Dan wordt bekeken of er verder regiogericht gewerkt wordt, of dat er meer gefocust zal worden op specifieke wijken waar de nood toch nog hoger zou liggen.
De inleefdagen blijken een succes te zijn binnen dit pilootproject. Hoe ervaren de kinderopvangteams deze inleefdagen in de praktijk, zowel op het vlak van begeleiding als werkbelasting?
Voor we starten in een regio, overlegt onze dienst met de verantwoordelijken van de kinderdagverblijven en bekijken ze de draagkracht van de teams. Alleen als er voldoende ruimte is, worden er rondleidingen of inleefdagen ingepland. Tot nu toe zijn die inleefdagen positief onthaald: teams ervaren ze als een meerwaarde. Deze goede praktijken worden gedeeld zodat meer locaties dit willen doen.
Bij de start van het pilootproject werden twee evaluatiemomenten voorzien in 2025. Zullen er ook in 2026 evaluatiemomenten worden georganiseerd? Zo ja, wanneer zullen deze plaatsvinden?
Ook in 2026 worden evaluatiemomenten voorzien. Na elke regio – dus om de twee maanden – bekijken onze diensten wat goed loopt en wat beter kan. Daarnaast komt het projectteam, bestaande uit de wijkgerichte recruiters, dienst kinderopvang en dienst selectie, regelmatig samen om de voortgang op te volgen. Ik wil ook graag schepen Burak Nalli bedanken voor deze goede en impactvolle samenwerking.
wo 11/02/2026 - 14:03Vorig jaar werd extra budget uitgereikt aan Casa Rosa door het wegvallen van bovenlokale subsidies. Tegenover dit (extra) budget moest de organisatie een duurzame toekomstvisie en lange termijnperspectief startend vanaf 2026 kunnen voorleggen.
In de Meerjarenplanning valt tevens te lezen: “Casa Rosa maakt een doorstart en wordt een safe(r) space voor de gemeenschap.”
Daarbij heb ik volgende vragen voor de schepen:
-Kan de schepen de concrete toelichting van de duurzame toekomstvisie en lange termijnperspectief die het ontving van de organisatie delen?
-Welke elementen zijn veranderd waardoor de organisatie zal kunnen blijven functioneren de volgende jaren zelfs met het wegvallen van de bovenlokale subsidies?
-De subsidieovereenkomst met Casa Rosa zit sinds het nieuwe jaar erop. Is er ondertussen een nieuwe overeenkomst? Over welk bedrag gaat dit?
Indien niet: wanneer kunnen we deze nieuwe overeenkomst verwachten?
Beste raadslid Heyndrickx, bedankt voor uw vraag en om mee de vinger aan de pols te houden.
Nog even recapituleren:
inderdaad vorig jaar hebben in moeilijke budgettaire context er toch voor gekozen Casa Rosa een eenmalige levenslijn toe te werpen nadat plots Vlaamse subsidies wegvielen.
Dit omdat we het belangrijk vinden dat de queer gemeenschap een toekomst en dus ook plek verdient. Natuurlijk is nu de vraag, wat zal er structureel gebeuren?
Wel, die levenslijn werd ter harte genomen en het voorbije jaar werd door vele mensen hard gewerkt aan een duurzame toekomstvisie voor Casa Rosa. Daarbij werd vertrokken vanuit een grondige denkoefening rond de vraag welke noden queer Gent vandaag heeft. Er werd denkavonden, focusgroepen en schriftelijke bevragingen georganiseerd en çavaria zorgde voor een grondige omgevingsanalyse. Hierdoor kregen we een breed en divers beeld van wat er leeft binnen de Gentse queer gemeenschappen, dat de mensen achter Casa Rosa met veel passie komen toelichten.
Er kwam een duidelijke inhoudelijke focus en ook het financiële plaatje werd goed becijferd. Daarbij wordt uiteraard vooral gerekend op een sterke vrijwilligerswerking, stevig verankerd in de diverse Gentse queer gemeenschappen, maar zal er ook voldoende ondersteuning zijn. Ook çavaria blijft een belangrijke partner in dit verhaal. Op die manier groeit Casa Rosa uit tot een duurzame, inclusieve en professionele organisatie die een queer baken blijft.
De mensen achter de vernieuwde werking zijn nog volop aan de slag met het verder vormgeven van allerhande administratieve, juridische en organisatorische verplichtingen. Pas wanneer het totale plaatje rond is, kan ik ook meer details geven over de financiering. En dan weten de mensen achter de werking ook waar ze aan toe zijn. Gemeenteraad juni is de laatste deadline voor een nieuwe overeenkomst.
Maar ik hoop dat we sneller duidelijkheid kunnen geven.
In tijden waarin de rechten van queer personen steeds meer onder druk staan en zelfs Europese burgemeesters vervolgd worden voor het toestaan van een pride, is het noodzakelijk dat wij in Gent onomwonden blijven gaan voor een inclusieve en veilige stad.
We beseffen dat Casa Rosa zoals we het kennen in de Kammerstraat uniek is. Stel dat we er nu de stekker uittrekken is de kans groot dat het nooit meer terugkomt. In dat opzicht is deze inspanning absoluut gerechtvaardigd en wil ik eindigen met een dikke chapeau voor de nieuwe ploeg.
wo 11/02/2026 - 14:33
Recent vonden er in Vlaanderen heel wat stakingen plaats in het onderwijs, onder meer door leerlingen, als reactie op de aangekondigde beleidsplannen van Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir.
Deze stakingen deden zich ook voor bij Gentse jongeren. Zo maakten leerlingen van onder meer de Steinerschool hun bezorgdheden kenbaar.
De acties tonen aan dat de ongerustheid over het onderwijsbeleid leeft bij jongeren. Aangezien Gent een belangrijke onderwijsstad is, met ook stedelijke scholen, is het belangrijk om na te gaan hoe er wordt omgegaan met deze bekommernissen.
Waren er naar aanleiding van de onderwijsstakingen ook acties of signalen van ongerustheid binnen de Gentse stedelijke scholen?
Welke bekommernissen of aandachtspunten kwamen daarbij naar boven vanuit leerlingen, leerkrachten of directies?
Worden de geuite bekommernissen vanuit het Gentse onderwijsveld actief gedeeld en doorgespeeld naar het Vlaamse beleidsniveau?
Beste heer Naeyaert
Minister Demir trekt aan vele touwtjes tegelijk. Dat hoeft niet noodzakelijk iets negatief te zijn. Elk van die touwtjes mag zelfs ambitieus zijn. Maar wie met het brede onderwijsveld in dialoog gaat, stelt wel vast dat veel van die beslissingen niet gedragen zijn van onderuit. Tegelijk ervaren velen een weinig respectvolle houding t.a.v. het vele werk dat vandaag al gebeurt. Die frustratie, dat ongenoegen heeft zich nu ook vertaald naar de leerlingen.
De scholierenstaking leefde ook op de Gentse stedelijke scholen. Enkele leerlingen namen er deel aan, maar dat aantal bleef beperkt. De meeste scholen kozen vooral voor pedagogische duiding: in lessen maatschappijleer, levensbeschouwing, geschiedenis en andere vakken gingen leraren met leerlingen in gesprek over de aanleiding van de stakingen en de mogelijke impact van de aangekondigde maatregelen. In sommige scholen kreeg de leerlingenraad expliciet het forum om de anderen toe te spreken of een petitie toe te lichten.
Er is dus breed ingezet op gesprek. Leerlingen kregen uiteraard geen toestemming om te mogen staken, maar ze kregen wel ruimte om hun bezorgdheden te uiten binnen de school. De Scholierenkoepel bevestigt dat het wegvallen van de pedagogische studiedag in de media sterk werd uitvergroot, maar dat dit voor scholieren vooral de druppel was bovenop bredere structurele zorgen.
Uit gesprekken in de scholen én uit signalen van de Scholierenkoepel komen volgende thema’s naar voren:
De Scholierenkoepel geeft aan dat deze bezorgdheden breed leven en dat Gentse scholieren deze ook in lokale overlegmomenten hebben aangekaart.
Bij personeel en directies kwamen vooral structurele en organisatorische zorgen naar voren:
Directies zoeken actief naar een werkbare balans tussen permanente evaluatie en examens om de onderwijskwaliteit te bewaken.
Het Stedelijk Onderwijs verzamelt signalen systematisch via directies, leerlingenraden en overlegstructuren. Deze worden actief gedeeld met onze koepel, OVSG, en het Stedenplatform.
De Scholierenkoepel bevestigt dat zij intussen driemaandelijks overleg hebben met het kabinet, met jaarlijkse aanwezigheid van de minister. Volgens hen heeft dit overleg effect, omdat scholieren rechtstreeks hun bezorgdheden kunnen toelichten. Ook signalen uit het Gentse scholierenoverleg worden hierin meegenomen.
di 10/02/2026 - 19:54Sinds de corona-jaren faciliteerde de Vlaamse overheid zomerscholen waar kinderen en jongeren tijdens de zomervakantie samen leren en zich amuseren om sterker te starten in het nieuwe schooljaar.
Met een afwisseling van lessen en vrijetijdsactiviteiten versterkt een zomerschool kinderen in allerlei vakken en op verschillende vlakken. De lessen gaan zoveel mogelijk over leerstof waarvoor deelnemende leerlingen nog extra ondersteuning nodig hebben.
Beste collega D’Hose
Dank voor uw vraag. Laat me beginnen met de context. Vlaanderen ondersteunt en subsidieert sinds 2020 zomerscholen. Wat begon als een coronamaatregel, werd later structureel verankerd.
Ook Gent nam toen initiatief, omdat de nood tijdens en na corona groot was. Onze visie was altijd breder dan de Vlaamse focus op remediëring: we wilden kwetsbare kinderen een brede leeromgeving bieden, waar spelen en leren hand in hand gaan, zodat ze goed voorbereid aan het schooljaar kunnen starten. Die initiatieven hebben grote waarde voor de kinderen die deelnemen, dankzij de inzet van véél mensen, vaak vrijwillig.
De Stad organiseerde enkele jaren eigen aanbod en nam ook een coördinatierol op. Die rol ging echt heel breed: organisatoren samen brengen, toeleiding stroomlijnen, bruggen bouwen tussen scholen en organisatoren, de Vlaamse subsidies opvolgen en aanvragen, locaties helpen zoeken, etc. De middelen die Vlaanderen voorziet voor deze regierol, zijn ontoereikend om die taak op een goeie manier op te nemen. Nochtans is die lokale regie essentieel: zomerscholen organiseren vergt grote inspanningen, vooral van de partnerorganisatoren die het aanbod dragen. Zij hebben ondersteuning nodig.
Tijdens en vlak na corona hebben we dat opgevangen met tijdelijke middelen, maar die liepen af na de zomer van 2024. Dat betekent niet dat er geen zomerscholen meer zijn: er werden, vanuit andere organisaties, al dan niet in samenwerking met scholen, wel degelijk nog initiatieven opgezet.
Tussen 2020 en 2024 hielden we cijfers bij. Het aantal voorziene plaatsen piekte in 2021–2022 en daalde daarna, net als het aantal inschrijvingen. Het aantal effectieve deelnemers lag meestal tussen 400 en 500, met een piek van 588 in 2021.
Dat dalende aantal heeft te maken met verschillende factoren – daarmee komen we meteen bij uw tweede vraag: de hindernissen, en uw derde vraag, de aanbevelingen. Ten eerste heb ik een aantal globale bedenkingen bij de manier waarop het initiatief vanuit Vlaanderen is opgezet. Een globale bedenking gaat over bereik: ondanks vele inspanningen merkten we in Gent dat we met de zomerscholen slechts een beperkt deel van de kinderen bereikten. Daarom is en blijft het belangrijk om in te zetten op remediëring in de schooltijd – wanneer je alle kinderen bereikt. Ik blijf daarom pleiten voor een herziening van de vakantieperiodes, zoals men in Wallonië gedaan heeft: een kortere zomervakantie, met meer ruimte voor rust doorheen het schooljaar.
Maar het Vlaamse kader heeft ook een aantal praktische hindernissen. Een eerste hindernis is het financieringsmodel. Subsidies worden toegekend op basis van effectieve aanwezigheid, niet op basis van voorziene plaatsen of inschrijvingen. Organisatoren moeten personeel en ruimte voorzien op basis van inschrijvingen, maar als de opkomst lager ligt – wat ook effectief elk jaar opnieuw het geval was - blijft men met een financieel gat zitten. Dat zorgt voor onzekerheid en koudwatervrees bij organisatoren. Gent heeft dat tijdelijk opgevangen, maar dat is niet houdbaar. Als Vlaanderen zomerscholen duurzaam wil verankeren, moet dat model herbekeken worden. Dat hebben we ook meegegeven aan de Vlaamse overheid.
Ik benoemde daarnet ook al het tekort aan middelen voor lokale regie. Coördineren en ondersteunen vraagt tijd en mensen, en wat Vlaanderen voorziet, volstaat niet. Ook dat signaal hebben we herhaaldelijk gegeven. Nochtans wéten we dat Vlaanderen in de begroting van 2025 het budget voor de ondersteuning van zomerscholen met een kwart verlaagde (van 10 mio naar 7,5 mio). Dat omdat ze vaststelden dat het voorziene budget de voorgaande jaren onderbenut bleef. Dat vind ik cynisch: die middelen waren beter behouden en ingezet voor, bijvoorbeeld, regie, of om het gat van de organisatoren dicht te rijden.
Een volgende hindernis is dat verenigingen die aanbod willen organiseren, zelf geen Vlaamse subsidie kunnen aanvragen: Dat moet via een lokaal bestuur of via scholen. Organisaties met expertise en goesting zijn dus afhankelijk van een tussenpersoon. Dat laatste is lastig: waar scholen in 2020, door de urgentie van de coronacrisis, nog zeer bereid waren om mee te stappen in het verhaal, werd dit in latere jaren lastiger. Dat is ook te begrijpen: het vraagt veel, en die draagkracht is er niet altijd. Het zou, in dat opzicht, beter zijn als verenigingen met expertise zelf een aanvraag zouden kunnen indienen, zodat er geen “tussenpersoon” nodig is.
We merkten bovendien ook dat het doorheen de jaren lastiger werd om leerkrachten en vrijwilligers te vinden om die zomerscholen te dragen.
Samengevat: zomerscholen hebben potentieel, zeker als ze inzetten op breed leren en spelen. De minister ziet ze ook als onderdeel van haar taalbeleid en kondigt extra middelen aan. Maar als Vlaanderen wil dat zomerscholen echt renderen, moeten de structurele hindernissen worden aangepakt: een duurzaam financieringsmodel, voldoende middelen voor lokale regie en meer autonomie voor organisaties die aanbod willen uitwerken.
di 10/02/2026 - 20:04Het volwassenenonderwijs, zowel de cvo’s als de centra voor basiseducatie, gaat door woelig water. We hadden het in deze commissie al eerder over de impact van de beslissingen van minister Demir op personeel en inschrijvingen. De indeling in enerzijds “hobby”- en anderzijds “beroepsopleidingen” zorgde bovendien voor een scherpe tweedeling van opleidingen die elk hun eigen intrinsieke waard hebben, maar waarvan abstractie wordt gemaakt. Er volgde veel weerstand vanuit het onderwijsveld, maar de minister vaart een eigen koers. Mevrouw de schepen, u sprak eerder over een botte bijl en het ontbreken van fijnmazigheid. Het volwassenenonderwijs verdient beter. Toch overweegt de minister nieuwe ingrepen. Er is sprake van harmonisering – een eufemisme – van het onderwijsaanbod. Er zouden ook plannen zijn voor gedwongen fusies over de netten heen. En intussen werd al duidelijk dat er zal ingegrepen worden op de personeelsmiddelen voor volgend schooljaar. Mevrouw de schepen, ik heb daarover volgende vragen.
• U gaf in september de voorlopige inschrijvingscijfers mee voor cvo Gent. Wat is de huidige stand van zaken? En wat betekende dat voor de tewerkstelling van de personeelsleden?
• Wat is de impact van de aangekondigde besparing op de personeelsformatie volgend schooljaar voor CVO Gent?
• U gaf aan in gesprek te gaan met de sector in Gent. Hoe kijken de verschillende aanbieders van volwassenenonderwijs naar de huidige en toekomstige onzekerheid, en hoe bereiden ze zich daarop voor?
Beste collega Vanpeperstraete
Het stedelijke cvo Gent heeft sinds enkele maanden een nieuwe directeur. Ik ging langs om kennis te maken met haar. Dat bood ook de kans om in gesprek te gaan met enkele leerkrachten en lessen te bezoeken. Dat bevestigde wat we hier al hebben gezegd. Er gebeurt fantastisch werk in het volwassenenonderwijs. Het gaat niet zomaar om hobby- of beroepsopleidingen. Dat is een absurde opdeling. Het gaat om een waardevol aanbod dat de minister met het huidige beleid de gracht dreigt in te rijden. Ik wil me daar opnieuw tegen verzetten. Een voorbeeld. We zijn een textielstad. De geschiedenis van onze stad is daar nauw mee verweven. Het borgen van die kennis, van dat ambacht gebeurt voor een belangrijk deel in ons cvo Gent. De lat voor het inschrijven zo hoog leggen dat het onaantrekkelijk wordt om daarop in te schrijven, zal iets kapot maken wat nooit meer te herstellen valt. Sommige opleidingen zijn uniek in België of de Benelux.
Over uw vragen. De inschrijvingscijfers van CVO Gent voor dit schooljaar bevestigen het globale beeld dat in september werd geschetst: het totaal blijft quasi status quo (20.793 → 20.796). Achter die stabiliteit gaan echter duidelijke verschuivingen schuil. De sterkste groeidomeinen zijn opnieuw NT2, aanvullende en algemene vorming en enkele arbeidsmarktgerichte opleidingen. Vooral NT2 bevestigt zich als dragende kernopdracht. Ook diplomagerichte trajecten in het tweedekansonderwijs groeien verder.
Het opleidingsgebied Ambachtelijk erfgoed blijft voorlopig opvallend stabiel, een bevestiging van de waarde van een uniek, cultureel verankerd aanbod. Tegelijk zien we dat kwetsbare cursisten niet meer intekenen op dergelijke zaken.
De grootste dalers situeren zich in Europese en Slavische talen (respectievelijk –60% en -38%), ICT (-17%), en bouwopleidingen (-22%), domeinen die het sterkst onder druk staan door de tariefverhogingen. De personeelsimpact blijft voorlopig beperkt: een aantal tijdelijke aanstellingen werd niet verlengd. Op twee lesuren na kon elke vastbenoemde opnieuw aan de slag.
Voor volgend schooljaar is de situatie minder duidelijk. We wachten op de definitieve OVSG-prognose. De aangekondigde besparing op niet-NT2-opleidingen kan variëren tussen 7% en 12%, goed voor een verlies van 7.000 tot 14.860 leraarsuren (9 tot 19 VTE) en 1 à 2 VTE in de ondersteunende omkadering. Daarbovenop komt onzekerheid over de tijdelijke asielmiddelen, wat minstens één extra VTE kan kosten.
CVO Gent bereidt zich hierop voor via een strategische hertekening van het aanbod, gebaseerd op efficiëntie, maatschappelijke relevantie en het unieke Gentse profiel.
De bredere Gentse sector deelt dezelfde onzekerheid. Dat bleek ook tijdens het overleg van het Gentse netwerk Levenslang Leren, georganiseerd door het Onderwijscentrum Gent. De recente tariefverhogingen leiden tot scherpe terugvalcijfers in de getroffen opleidingen: dalingen van 30 tot 50 procent, vooral in taalopleidingen en in opleidingen die beleidsmatig als ‘hobby’ worden beschouwd, maar wel degelijk arbeidsfinaliteit kunnen hebben. De maatregel werd als te abrupt ervaren: cursisten zagen hun inschrijvingsprijs soms verviervoudigen, wat leidde tot afhaken en veel onduidelijkheid. De impact op de personeelsenveloppes van de CVO’s is nu al voelbaar.
Daarnaast heerst er grote bezorgdheid over de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Zowel het hoger onderwijs als VDAB vrezen dat omscholing naar knelpuntberoepen binnen twee jaar vaak niet haalbaar is, zeker omdat werkzoekenden niet altijd meteen instappen in een opleiding. Dat geldt ook voor het volwassenenonderwijs en de diplomagerichte intensieve trajecten. De sector pleit ervoor dat werkzoekenden hun uitkering kunnen behouden zolang ze een opleiding met realistisch arbeidsmarktperspectief volgen, maar ervaart weinig gehoor bij het beleid.
De Gentse aanbieders signaleren een gebrek aan inspraak en ervaren de maatregelen als sterk ‘top‑down’. De veelheid aan lijsten voor knelpuntberoepen (VDAB, Onderwijs, RVA) maakt het bovendien moeilijk om een consistente strategie uit te tekenen.
Collega Vanpeperstraete. U noemt nog enkele zaken die binnen de sector worden gefluisterd. Harmonisering van het aanbod, fusies. Helaas, niemand kan op dit moment bevestigen wat de plannen van de minister zijn. De ongerustheid is groot. De beslissingen vorig jaar kwamen laat, maar gingen vrijwel onmiddellijk in. Ik begrijp dat het volwassenenonderwijs met een bang hart de komende maanden afwacht. Zij verdienen beter.
di 10/02/2026 - 20:33Vorige maand stelde ik de schepen een aantal vragen bij het agendapunt over selectieprocedures voor personeelsaanwervingen die door externe partner Poolstok worden uitgevoerd en waarvoor een budget van 600.000 euro voorzien wordt (zie https://ebesluitvorming.stad.gent/suiteview/decree/detail?id=823421). In de schriftelijke nabezorgde antwoorden geeft de schepen een lijst van concrete assessments/selecties die door Poolstok werden uitgevoerd in 2025, voor een totaalbedrag van 431.257 euro. Enerzijds gaat het om assessments voor zogeheten A+-profielen, anderzijds om selecties die voor een piekbelasting zorgen.
Uit de bezorgde tabel blijkt dat voor de 9 A+ assessments (4 directeursfuncties + 5 coördinator-experts) een globaal bedrag van net geen 160.000 euro werd uitgegeven. Dat is gemiddeld ruim 17.700 euro per selectie, maar deze voor de directeur beleidsparticipatie kostte bijvoorbeeld ruim 31.000 euro en die voor de directeur onderwijs bijna 28.000 euro. Die voor de directeur personeelsbeheer kostte een goeie 14.000 euro en die voor een teamcoach bij het mobiliteitsbedrijf bijna 17.000 euro. Dat zijn op zich stevige bedragen en tegelijk vallen de schommelingen op.
Poolstok is een coöperatieve vennootschap die in het jaar 2000 opgericht is waaraan verschillende publieke organisaties kunnen deelnemen om zich te laten bijstaan in hun opdrachten inzake werving en selectie. Sindsdien is Stad Gent aandeelhouder en maken wij via het raamcontract gebruik van de diensten van Poolstok.
Selectieprocedures voor Departementshoofden, Directeurs en Coördinator-Experts bestaan uit 3 onderdelen:
1) mondeling deel
2) assessment en
3) mondeling deel met functie specifieke case.
Een assessment bestaat uit een combinatie van selectieproeven. Per onderdeel is er een vast tarief.
- Capacitieve proef: 60 – 100 euro
- Competentiegericht interview: 185 – 250 euro
- Leidinggevend rollenspel: 250 – 385 euro
- Analyse- en presentatieoefening: 250 – 385 euro
- Uitschrijven feedbackrapport per kandidaat: 300 – 500 euro
Een assessment kan tot €1.600 (excl. BTW) per kandidaat kosten.
De schommeling in bedrag is afhankelijk van het aantal kandidaten voor een selectieprocedure.
Vb/ Voor de vacature van Directeur Beleidsparticipatie waren er 30 kandidaten die het korte mondelinge deel deden, waarvan er 7 een assessment deden en 3 naar de eindronde gingen. Daarom kostte dit ons 31.000 euro.
Voor het aanwerven van een Coördinator-Expert bij het Mobiliteitsbedrijf waren er 10 kandidaten voor kort mondeling deel waarvan er 5 een assessment deden en 2 naar de eindronde gingen. Daarom kostte dit ons 17.000 euro.
Deze procedures garandeert een gelijke toegang tot het openbare ambt en objectiveert de keuzes voor het invullen van een open positie.
Door onze deelname aan Poolstok hoeft Dienst Selectie geen vergelijkend marktonderzoek te doen gezien dit wordt opgenomen door Poolstok. Gezien de schaalgrootte dwingt Poolstok betere tarieven af dan wat wij individueel als Stad Gent zouden kunnen.
Vanaf 2028 besparen we jaarlijks bijna 200.000 EUR op dit budget door de assessments voor coördinator-experts niet meer uit te besteden maar zelf als Dienst Selectie op te nemen. Momenteel is hier nog geen ruimte voor, omdat onze arbeidspsychologen de komende jaren nog extra werk hebben met het begeleiden van mensen in de voorrangsregeling. Daarom begint deze besparing in 2028.
wo 11/02/2026 - 15:45Recente stelde ik een schriftelijke vraag over medische controles met betrekking tot arbeidsongeschiktheidsattesten bij personen met een (equivalent) leefloon. Wanneer over die arbeidsongeschiktheid twijfel bestaat dan kan de maatschappelijk assistent een medische controle aanvragen. Mensen met een leefloon op arbeidsactieve leeftijd en in goede gezondheid worden immers verondersteld werkbereid te zijn.
In het antwoord op mijn vraag licht de schepen toe dat er in 2024 geen controles werden verricht omdat een uitgeschreven opdracht niet gegund geraakte. In 2025 was dat uiteindelijk wel het geval, maar het oorspronkelijk voor een jaar voorziene proefproject liep slechts van september tot – zoals ik het toch begrijp – december. Momenteel wordt een nieuwe opdracht voorbereid (met een budget van 19.000 euro of maximaal 130 controles per jaar), maar voorlopig zijn er klaarblijkelijk geen nieuwe controles mogelijk. De schepen vermeldt ook dat de bestaande aanpak moet herzien worden op basis van een grondige evaluatie.
Qua cijfers vonden er tijdens de maanden september-december 2025 uiteindelijk 10 controles plaats. In 5 gevallen volgde de controlearts het advies van de behandelende arts van de leeflooncliënt, in 4 gevallen werd dit substantieel bijgesteld: 2 personen werden geacht 4/5 te kunnen werken (in plaats van halftijds), 2 andere personen werden geacht voltijds te kunnen werken mits voorwaarden. In één geval tenslotte kwam de betrokkene niet opdagen. In 50% van het – beperkte – aantal gevallen was er dus reden tot bijsturing.
Het beperkte aantal controles op zich kan misschien in verband gebracht worden met de volgende eerder afremmende passage in het ‘Kader OCMW Gent inzake medische controles arbeids(on)geschiktheid leeflooncliënten’: “We hebben budgettair een beperkt aantal medische controles die we kunnen aanvragen op jaarbasis, weeg dus zorgvuldig af of een medische controle nodig is."
1. Waarom moet de bestaande aanpak herzien worden? Wat zijn de pijnpunten? Wat zijn tot nu toe de belangrijkste inzichten van de lopende evaluatie?
2. Tegen wanneer zal de nieuwe opdracht uitgeschreven worden? Vanaf wanneer zullen MA’s terug medische controles kunnen aanvragen? Ondertussen is dit niet mogelijk?
3. Hoe evalueert de schepen het beperkte aantal van 10 controles? Voelen MA’s zich niet te zeer afgeremd om een controle aan te vragen?
Beste collega Rogiers,
Dank voor uw vragen. Ik licht graag toe hoe wij vandaag met medische controle omgaan en waarom we het proces verder optimaliseren.
Eerst en vooral: medische controles zijn een instrument binnen een activeringstraject. Ze zijn nooit een doel op zich! Ons OCMW heeft niet de taak, noch de capaciteit om medische beoordelingen van artsen te controleren. Onze opdracht is wél mensen begeleiden naar wat voor hen haalbaar is op het vlak van activering. In dat kader kan een medische controle nuttig zijn, als bijkomende expertise die duidelijkheid geeft over resterende mogelijkheden, tijdelijke beperkingen of noodzakelijke aanpassingen. Daarnaast is er zeer uitzonderlijk het vermoeden dat er iets niet juist zit, bijvoorbeeld een verdacht langdurig zieketebriefje terwijl er geen enkele indicatie lijkt. Ook dan is een controlearts belangrijk.
Hierin zijn wij als Gent koploper. Lange tijd hadden we een eigen controlearts (0.5VTE) in dienst en nu voorzien we jaarlijks budget, 19 000 euro, om deze extern in te schakelen. Daarnaast voorziet onze psychologische dienst, je weet wel die dienst die wij helemaal zelf bekostigen, ook in de controle van mensen met leefloon die omwille van psychosociale klachten ontzien worden in hun activeringstraject. Die dienst gaf vorig jaar nog 188 werkadviezen. Vele lokale besturen toonden zich al geïnteresseerd in onze aanpak. Antwerpen kopte deze zomer met de titel dat het de arbeidsongeschiktheid van leefloners gaat controleren, wel: wij doen dat al jaren.
Dat cijfer van tien controles geeft dus ook een erg vertekend beeld. Hoe dan ook hebben wij geen target verbonden aan de controles. Neen, wij voorzien budget dat ons in staat stelt om controles uit te voeren wanneer dat in een activeringstraject nodig wordt geacht. Dat is ten alle tijden maatwerk. En maatschappelijk werkers worden hier allerminst in afgeremd. De controlemogelijkheid wordt georganiseerd op expliciete vraag van de maatschappelijk werkers, via de Werkgroep Activering (die de lijn bewaakt voor Dienst Activering en Werk en Sociale Dienst). Het geringe aantal doorverwijzingen heeft eerder te maken met de late opstart door strenge GDPR-vereisten, dan wel met het afremmen van de maatschappelijk werkers.
We zijn ervan overtuigd dat de volgende opstart veel vlugger zal lopen. Als alles goed gaat, met name de timing van de hele procedure gevolgd kan worden, dan kunnen we opnieuw starten in april. We zoeken een externe partner voor direct 48 maanden.
Uit de evaluatie nemen we de volgende zaken mee:
Gezien Gent pionier is, konden we ons niet beroepen op voorbeelden. Hierdoor moesten we bijgevolg de procedure zelf uitdenken, zowel voor onszelf, als voor de partner.
Gezien de strenge GDPR-richtlijnen was er grondige afstemming nodig met de DPO-ambtenaar ivm een sluitende datauitwisselingsovereenkomst. Dit is niet nodig bij het vervolg, de datauitwisselingsovereenkomst is geïntegreerd in het bestek.
In de meeste gevallen volgt de controlearts het initiële advies, maar bracht het extra info mee in functie van het activeringstraject.
Voor de aanbieder was het een experiment om, naast fysieke consulten, ook digitale consulten te organiseren, met daarvoor specifiek opgeleide artsen. Ook voor de aanbieder was het een pilootproject.
Collega, wij versterken met deze nieuwe opdracht een instrument dat al lange tijd deel uitmaakt van onze activeringsaanpak. Met de inzichten uit het pilootproject en een stabiele meerjarige overeenkomst zijn we klaar voor een efficiëntere en snellere werking in de komende jaren.
wo 11/02/2026 - 13:46De Brusselse welzijnsvereniging AUDIO, gespecialiseerd in audit en advies voor lokale besturen en entiteiten, voerde onlangs een audit uit inzake de werkzaamheden van het OCMW betreffende voorschotverlening en subrogatie van steun.
Een plan van aanpak om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de audit is daarbij een logisch gevolg.
Ik had van de schepen graag een antwoord gekregen op de volgende vragen:
1. Hoe evalueert de schepen de vaststellingen van deze audit? Wat zijn eventuele werkpunten?
2. Op welke manier zal het stadsbestuur de vaststellingen en aanbevelingen van de audit incorporeren in haar werking? Wordt hiertoe een verbeteractieplan opgemaakt? Zo ja, wat is een verwachte timing? Zo neen, waarom niet?
3. Hoe verliepen de contacten met welzijnsvereniging AUDIO? Hoe frequent vonden deze plaats? Was de schepen al voor deze audit op de hoogte van de genoemde aandachtspunten?
4. Hoe zullen de toekomstige contacten met welzijnsvereniging AUDIO verlopen? Hoe frequent zijn deze en hoe zal geantwoord worden op hun verslag?
Het proces van voorschotten en subrogaties is iets waar OCMW’s heel veel tijd en middelen insteken. We zetten hier ongeveer 15 vte op in, waar een jaarlijkse kost van ongeveer 900.000 euro tegenover staat. Tijd en geld die we liever zouden inzetten om werkdruk te verlagen van onze maatschappelijk werkers zodat er meer ruimte is voor sociale begeleiding. Daarom blijven we samen met VVSG aandringen op betere oplossingen zodat voorschotten kunnen verleend worden door de uitkeringsinstanties zelf in plaats van dat ze door het OCMW dienen opgenomen te worden.
In het kader hiervan vonden we het ook relevant om het interne proces rond voorschotten en subrogaties te laten doorlichten. Want via deze doorlichting kunnen we bijkomende inzichten verwerven die nuttig zijn voor onze eigen werking maar ook voor de gesprekken die hierrond op bovenlokaal niveau worden gevoerd.
Daarom werd in 2025 in overleg tussen de Dienst Interne Audit en het departement Welzijn en Samenleving gekozen om het thema ‘Voorschotten en subrogaties op uitkeringen andere dan het leefloon’ te laten doorlichten door Audio. De uitkomsten van deze audits worden voorgesteld op het interne auditcomité. Voor deze Audit gebeurde dit pas gisteren.
De audit bevestigt dat OCMW Gent beschikt over een duidelijk beleidskader en sterke organisatorische fundamenten. De Audit toont ook de verbeterpunten in de operationele uitvoering hiervan, in uniforme uitvoering en kwaliteitscontrole.
Niet elk van deze verbeterpunten is volgens ons echter uitvoerbaar op het lokale niveau.
De audit beveelt bijvoorbeeld aan dat Gent samenwerkingsakkoorden moet uitwerken met de kruispuntbank of met uitkeringsinstanties. Dit vinden we onuitvoerbaar. Stel je voor dat elk OCMW van elke gemeente dit apart moet doen met telkens diezelfde instanties? Voor ons is het duidelijk: dit moet op federaal niveau opgenomen worden. We blijven dit thema actief opvolgen en brengen onze signalen op de juiste fora.
De bedoeling is dat de diensten nu de aanbevelingen grondig doornemen en bekijken welke acties we hierrond kunnen ondernemen.
We houden hierbij rekening met de werkdruk en administratieve last die er al zijn voor maatschappelijk werkers en de centrale administratie. We gaan voor een gefaseerde aanpak, waarbij we op korte termijn op een aantal quick wins inzetten. We kunnen bijvoorbeeld in de toekomst sneller de flow ‘leefloon’ volgen eerder dan de flow ‘voorschot’ en de medewerkers daarover opleiden. Andere zaken zullen een aanpassing vragen in ons softwarepakket, wat meer tijd vergt.
Het actieplan zal opgemaakt worden binnen de termijn van 2 maand. Gezien de grote drukte voor de OCMW’s met de instroom werkloosheid en heel wat aanpassingen in de federale wetgeving, werd met Audio afgesproken om een opvolging pas te laten doorgaan in 2027.
wo 11/02/2026 - 13:55De voorbije weken verschenen alarmerende getuigenissen over zorgverleners die via gespecialiseerde interimkantoren werken. De interimarissen worden gelokt met aantrekkelijke voorwaarden maar worden anderzijds niet gewaarschuwd voor de financiële bijdragen die ze moeten afdragen aan de belastingsdiensten en/of pensioendienst met hoge schulden tot gevolg. Tegelijk blijkt dat deze kantoren sterk groeien door in te spelen op het structurele personeelstekort in de zorg. Het is een erg kwalijke evolutie omdat zorginstellingen vaak weinig keuze hebben - ze kunnen de 'productie' niet stilleggen - en het geld uit het zorgbudget vloeit weg uit de zorg naar privébedrijven die zo winsten maken.
Recent verscheen hier een zeer boeiend artikel in de Morgen over. Koepelorganisaties zoals Zorgnet-Icuro waarschuwen dat deze evolutie de personeelsschaarste verder versterkt en zorgorganisaties steeds afhankelijker maakt van externe spelers.
De vraag stelt zich dan ook of deze trend onze stedelijke woon-zorgcentra al bereikt heeft, en hoe we als stad kunnen vermijden dat we in dezelfde dynamiek terechtkomen.
Hebben onze stedelijke WZC ook te maken met deze trend?
Werken er ondertussen al interimarissen in onze WZC's? Zo ja, in welke mate (aantallen, kost, evolutie)?
(Hoe) kunnen we ons wapenen tegen deze nefaste trend, zowel financieel als organisatorisch?
Is er binnen VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten) overleg hierover?
Beste raadslid Vanpeperstraete,
Bedankt voor uw vraag.
De trend is ons gekend maar ik kan al meteen starten met aan te geven dat we hier tot op heden grotendeels van zijn gespaard gebleven.
We merken uit een aantal verhalen van zorgmedewerkers dat ze vaak de stap zetten naar de interimsector omdat ze overhaald worden met extra verloningen en extralegale voordelen. Echter, en u haalde dit terecht ook zelf aan, is er een minimale afhouding op hun loon waardoor ze op het einde van de rit voor onverwachte verrassingen komen te staan.
We beperken het werken met interim of projectverpleegkundigen tot een minimum. Soms kunnen we echter niet anders dan hier een beroep op te doen. Onze woonzorgcentra dienen 24/7 voldoende zorgpersoneel te hebben, als er kortdurende afwezigheden zijn die we door interne verschuivingen niet kunnen opvangen, doen we beroep op interimkrachten.
In 2024 hebben we voor onze vijf eigen WZC in totaal voor een bedrag van 116.621 euro een beroep gedaan op interimkrachten. In 2025 daalde dit tot 70.530 euro. Dit is dus zeer minimaal.
Wat ons vooral hierin sterk maakt is de aantrekkelijkheid van de Stad Gent/OCMW Gent als stabiele werkgever.
Daarnaast zetten we voor onze bewoners enorm in op een mooi aanbod aan projecten, is er ruimte voor innovatie en een positieve beeldvorming. Dat heeft niet enkel een positief effect op de bewoners en hun omgeving maar is ook een extra aantrekkelijke factor voor zorgpersoneel.
We hebben ook hard ingezet op soepele selectieprocedures. Vacatures voor verpleegkundige en zorgkundige staan permanent open en selecties worden georganiseerd zodra potentiële kandidaten zich aanmelden.
En uiteraard hebben we ook een goed en warm onthaal voor nieuwe medewerkers, zorgen we voor uitdagende stages en een waarderingsbeleid voor al onze medewerkers. Keuzes die we bewust maken maar een niet te onderschatten impact hebben op ons personeel.
En ja, binnen VVSG is hier ook overleg over. Via de VVSG werkgroep ouderenzorg, waar Gent vertegenwoordigd is, geven we onze adviezen over dit thema ook mee. Zowel binnen VVSG als tussen koepelorganisaties komt het thema aan bod en merken we dat de krapte op de arbeidsmarkt sommige voorzieningen echt dwingt om een beroep te doen op interimmedewerkers.
We volgen het thema in ieder geval verder van dichtbij op.
wo 11/02/2026 - 14:05Op 28 januari verscheen een opiniestuk in De Morgen over de werking van het Gentse BCSD. Daarin werd kritiek geuit over vernederende praktijken en het gebrek aan menselijkheid en empathie bij hoorzittingen en de bijhorende beslissingen m.b.t. sancties.
De opiniemakers gaven twee voorbeelden die de houding van het BCSD illustreren: (1) Khaled, een Palestijnse vluchteling die ondertussen vast werk heeft gevonden, wordt door het Gentse BCSD verplicht om 78.000 euro terug te betalen omdat hij een crowdfunding opstartte voor zijn ouders in Gaza. Deze werd door het BCSD als ‘onregelmatige geldtransfer’ beschouwd. (2) Steven, een dakloze man, wordt tijdelijk van het leefloon geschorst, omdat hij enkele nachten in Antwerpen bij vrienden op de sofa heeft geslapen, in plaats van onder een brug in Gent. Volgens het BCSD is dit fraude.
Het opiniestuk roept vele vragen op over de wijze van besluitvorming van het BCSD en wordt door de opiniemakers zelfs benoemd als “menselijk verwoestend en maatschappelijk problematisch”.
Wat is de reactie van de schepen op het opiniestuk?
Zijn de voorbeelden die de opiniemakers geven herkenbaar voor de schepen?
Klopt het dat deze voorbeelden passen in een structureel gegeven?
Hoe beoordeelt de schepen de hoorzittingen en de beslissingen die door het BCSD worden genomen? Kan u zich vinden in de stelling dat deze als vernederend, menselijk verwoestend en maatschappelijk problematisch worden beschreven?
Hoe zal u erop toekijken dat de nodige empathie en menselijkheid wordt aangewend om dossiers te evalueren?
Een hoorzitting in het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst kan voor cliënten van het OCMW inderdaad bijzonder intimiderend en stresserend zijn.
Dat zal iedereen erkennen die al ooit, vanuit gelijk welke rol, een zitting meemaakte.
Je zit daar als cliënt vaak in een kwetsbare fase van je leven, met financiële zorgen, woononzekerheid, gezondheidsproblemen, soms met schaamte, soms met angst. Dan tegenover een comité je verhaal moeten doen, dat weegt. Dat beseffen wij heel goed.
Net daarom ervaar ik het voorzitterschap van het BCSD ook als een de grootste verantwoordelijkheid die ik politiek ooit heb gedragen.
Niet alleen omdat de beslissingen die daar genomen worden een rechtstreekse impact hebben op de sociale situatie van mensen, maar ook omdat de setting zelf heel belastend kan zijn.
Dat is geen detail. Dat is essentieel voor goed maatschappelijk werk: beseffen dat procedures, hoe correct ook, nooit neutraal aanvoelen voor wie er middenin zit.
En dat vraagt van ons voortdurend zorg, alertheid en zelfkritiek.
OCMW Gent heeft al jarenlang een sterke traditie van investeren in kwalitatieve, toegankelijke hulpverlening.
Met welzijnsbureaus in de wijken, maar ook met gespecialiseerde diensten zoals de psychologische dienst, de energiecel, het maatgericht activeringscentrum,... We waren pionier in aanvullende financiële hulp.
Onze werking vertrekt vanuit een rechtenbenadering: we zoeken naar sterktes, bouwen aan zelfredzaamheid en geven mensen kansen op een duurzame toekomst. Want armoede is geen individuele keuze, maar het gevolg van systemen.
Tegelijk is hulpverlening vanuit een OCMW niet onvoorwaardelijk.
Maatschappelijk werkers hebben een dubbele rol: ondersteunen én controleren. Helpen én toezien op de naleving van een wettelijk kader. Dat is geen Gentse keuze, dat is de wet.
Midden in die moeilijke, dubbele rol, blijft OCMW Gent inzetten op kwaliteit. Dat blijkt ook uit de cijfers: in de laatste tevredenheidsbevraging geven cliënten een gemiddelde score van 8,3 op 10.
Dan het BCSD zelf.
De wet bepaalt dat bepaalde beslissingen worden voorgelegd aan het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst. In Gent hebben we daar uitzonderlijk sterk op ingezet.
We voorzien professionele omkadering: bij elke zitting zijn minstens een diensthoofd van een welzijnsbureau én een jurist aanwezig. We organiseren meerdere keren per jaar opleiding en beleidsduiding voor BCSD-leden, via een plenair BCSD — dat is echt uitzonderlijk in Vlaanderen.
Een hoorzitting vindt niet plaats bij elke beslissing over hulpverlening. Ze wordt georganiseerd in welbepaalde gevallen, wanneer er voor de cliënt een mogelijk nadelige beslissing op tafel ligt.
Concreet gaat het onder meer om situaties zoals:
(Gedeeltelijke of volledige) schorsing van het leefloon
wanneer er aanwijzingen zijn dat niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarden.
Terugvordering van onterecht ontvangen steun
bijvoorbeeld wanneer na onderzoek blijkt dat er andere inkomsten niet gemeld zijn.
Sancties wegens onvoldoende medewerking
aan het sociaal onderzoek of aan afgesproken stappen in het begeleidingstraject.
In al deze gevallen gaat het dus om beslissingen met impact, waarbij de wet expliciet voorziet dat de cliënt het recht heeft om gehoord te worden vóór er een definitieve beslissing wordt genomen.
Tijdens zo’n hoorzitting wordt de maatschappelijk werker gehoord, krijgt de cliënt ruimte voor zijn of haar verhaal, worden vragen gesteld, standpunten verduidelijkt. Nadien volgt een inhoudelijke bespreking. Het BCSD neemt soms andere beslissingen dan wat wordt voorgesteld, onder meer op basis van billijkheidsredenen of gelijkaardige dossiers. Meestal volgen we de voorgestelde beslissing. Dat zegt vooral iets over hoe zorgvuldig het werk is dat aan een voorstel tot beslissing vooraf gaat: die voorbereiding is het werk van niet alleen de maatschappelijk werker, maar ook diens leidinggevenden en onze juristen. In Gent volgt elke aanvraag een heel uitgebreide procedure: er wordt een hulpvraag gesteld, de maatschappelijk werker voert een sociaal onderzoek, er wordt een verslag opgemaakt, de hoofdMA leest na, het pré-comité (een multifunctioneel team dat de lijn bewaakt) geeft een advies.
En vervolgens lezen en beoordelen ook alle BCSD-raadsleden ook nog het verslag. Samen met alle BCSD-leden – en dat is een engagement over grenzen van meerderheid en oppositie heen- waak ik erover dat dit nooit een gepolitiseerd gesprek wordt, maar steeds een gesprek blijft over kansen geven, over wat haalbaar is binnen het wettelijk kader en ja: ook over wat gepaste sancties zijn in situaties van fraude.
Dat is niet zwart wit.
OCMW Gent vertrekt altijd vanuit vertrouwen. Kleine vormen van wat men noemt ‘overlevingsfraude’ — zoals een iemand die dakloos is die een paar keer overnacht bij een kennis binnen of buiten Gent — worden echt niet zomaar bestraft. Sancties volgen enkel wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat niet voldaan is aan de voorwaarden of wanneer men niet meewerkt aan het sociaal onderzoek. Binnen het wettelijk kader, met oog voor billijkheid.
Dat neemt niet weg — en dat wil ik herhalen — dat zo’n zitting overweldigend kan zijn voor cliënten. Maar ze zomaar vernederend of menselijk verwoestend noemen, vind ik eerlijk gezegd onredelijk en vooral sfeerschepperij.
Dan kom ik bij die kritiek zelf.
Over de concrete dossiers die daarin beschreven worden, kan en mag ik inhoudelijk geen uitspraken doen. Dat is geen ontwijken, dat is beroepsgeheim.
Maar net daarom is het problematisch dat op basis van deze concrete ervaringen het proces wordt gemaakt van een volledige organisatie, van medewerkers én van een comité.
Dat is geen zorgvuldige analyse, dat is veralgemening.
Het probleem is dus niet dat er kritiek wordt geuit.
Het probleem is dat wij geen weerwoord kúnnen voeren, dat wij niet publiek kunnen corrigeren wat fout, onvolledig of eenzijdig wordt voorgesteld.
En ik vind dat bijzonder problematisch, net omdat het gaat over mensen die elke dag professioneel en met veel engagement werken in uiterst moeilijke omstandigheden. Niet perfect, maar wel met kennis, inzet en menselijkheid.
Maar wat mij nog het meest stoort, meneer De Meester, is dat u zelf de kritiek klakkeloos overneemt zonder blijk te geven van kennis van hoe een OCMW werkt.
Sociaal beleid verdient kritiek. Maar het verdient vooral zorgvuldigheid.
Als u echt begaan bent met sociaal beleid, doet u uw huiswerk. Net zoals onze maatschappelijk werkers dat elke dag doen, onder grote druk, met veel engagement.
Wanneer u zonder kennis van dossiers, zonder kennis van de werking en zonder respect voor het beroepsgeheim het verdict velt over een hele organisatie, draagt u niet bij aan beter sociaal beleid.
Dat ondergraaft u het net.
De stad Gent telt 13.000 inwoners met Bulgaarse achtergrond, zo'n 5 procent van de gehele bevolking. Vooral Roma en Turkstalige Bulgaren zijn daar kwetsbare groepen. Dat blijkt uit recent onderzoek van de AP Hogeschool (met Vlaamse steun). Het uiteindelijke rapport van dat onderzoek stelde ook enkele aanbevelingen voor aan de stad en aan Vlaanderen.
Het feit dat veel Bulgaren Turks spreken, zorgt ervoor dat ze snel een netwerk vinden in de stad Gent. Dat vormt één van de redenen dat ze naar de stad komen en kan dus een troef zijn, maar tegelijk zijn ze daardoor extra kwetsbaar voor sociale uitbuiting, huisjesmelkerij en andere wantoestanden, vaak door een combinatie van taalbarrières, onzekere verblijfs- en werksituaties, informele netwerken en een beperkte toegang tot reguliere dienstverlening
Daarnaast is er ook een groep Bulgaarse Gentenaren die wel vlot integreert. Zij vinden snel de weg naar werk en woning. Het rapport benadrukt dan ook dat het heel moeilijk is om van één uniforme groep te spreken.
Tegelijk benadrukt het onderzoek dat veel Bulgaren niet “onvoorbereid” aankomen: via eigen netwerken zijn werk en woonst vaak vooraf geregeld, maar net die informele circuits vergroten het risico op misbruik.
Het onderzoek pleit voor outreachend en aanklampend te werken om kwetsbare doelgroepen te bereiken, duidelijke en correcte informatie te verspreiden over de rechten en plichten en een wijkgerichte samenwerking met sleutelfiguren en ervaringsdeskundigen.
Ik had van de schepen graag een antwoord gekregen op de volgende vragen:
Het onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat de Bulgaarse gemeenschap in Gent nog diverser is dan gedacht. De diversiteit laat zich onder andere zien in hun leefomstandigheden en hun integratie in de Stad en dus ook in de vraag om een diverse aanpak. Daarnaast stelt het onderzoek ook dat de outreachende werking de methodiek is om de meest kwetsbaren op de radar te krijgen en te houden. Een grote groep is op vandaag niet of onvoldoende gekend bij diensten en partners. We zullen er dan ook blijven op inzetten met outreachend werken om meer mensen op de radar te krijgen en te houden.
We gaan hiervoor in dialoog met diensten en partners om concrete acties op te zetten. We willen vooral het vindplaatsgericht werken verder stimuleren en hiervoor meer gebruik maken van de informele netwerken om mensen correct te informeren. We zien ook de scholen (en de brugfiguren) als een belangrijke partner om meer gezinnen te bereiken.
Samenwerken met en overheen verschillende stadsdiensten is het sleutelwoord, dat was zo in de loop van het project, dat blijkt uit de onderzoeksresultaten en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Enkele voorbeelden:
De collega’ s van ontmoeten en verbinden en beleidsparticipatie zullen de aanbevelingen ikv aanbod cultuur sensitieve activiteiten en gedeeld ruimtegebruik meenemen in hun integratietraject dat ze samen lopen.
We stimuleren hun deelname aan de inburgeringstrajecten bij Amal want er is een tekort aan kennis en juiste info over hoe onze samenleving werkt en functioneert, het is dus belangrijk dat ze de stap naar Amal zetten.
Binnen asiel en vluchtelingen is via het consolidateproject dit jaar een community worker aan de slag die sleutelfiguren zoekt voor de verschillende gemeenschappen in Gent. Deze sleutelfiguren kunnen dan als aanspreekpunt fungeren voor hun gemeenschap en de Stad en meewerken aan het stedelijk beleid. Ze kunnen ook een belangrijke rol opnemen in het correct doorverwijzen of informeren.
En de medewerkers van Outreachend Werk spannen zich heel erg in om goede contacten te onderhouden met sleutelfiguren uit de gemeenschap en staan klaar als zij vragen hebben, we moeten nauwe, dichte contacten hebben met hen.
Het jobteam, het lokale partnerschap gefinancierd met ESF-middelen, krijgt via de Vlaamse overheid aanvullende middelen om te werken met kwetsbare Unieburgers door hen op weg te helpen in hun traject naar tewerkstelling. Op casusniveau zijn er nauwe samenwerkingen tussen het jobteam en de buurtstewards. Zij werken dan complementair aan een integraal traject richting een duurzamer toekomstperspectief. Werknemers die uit hun situatie kunnen/willen stappen kunnen via een hulpverlener aangemeld worden bij het jobteam om met hen alternatieven en verschillende procedures te bespreken.
Bovenstaande geldt op casusniveau, voor individuele werknemers. Daarnaast willen we ook casusoverstijgend acties ondernemen om dergelijke wanpraktijken te voorkomen.
Het belang van samenwerking met en overheen verschillende diensten heb ik reeds benadrukt. En inderdaad, het op de radar krijgen van de doelgroep zal inspanningen vragen van heel wat diensten en partners. Mijn dienst, outreachend werk, die hier het pionierswerk uitgevoerd samen met Ontmoeten en Verbinden, kunnen dat uiteraard niet alleen.
De buurtstewards willen hiervoor een netwerkevent en vormingen organiseren om de verschillende betrokken diensten en partners te informeren en te sensibiliseren. Dit om goede doorverwijzing te faciliteren. Het is van belang om dan in te zetten op een goede doorverwijzing.
En uiteraard hebben we hierbij ook de steun van bovenlokale partners nodig, want ook met hen is er nood aan samenwerking. Daarom hebben we de resultaten van dit onderzoek ook bezorgd aan Vlaams minister van Gelijke kansen, mevrouw Crevits .
Dit is geen evidente vraag, het onderzoek toont heel duidelijk aan dat veel van deze mensen - wanneer ze hier toekomen – vnl. vertrouwen op de informele netwerken, eerder dan op de formele dienstverlening vanuit de stad; daar komen ze meestal pas later in hun aankomsttraject naartoe. Het is dus goed dat deze netwerken er zijn maar tegelijkertijd zit daar ook een risico in omdat niet iedere ‘netwerker’ er even goede en integere bedoelingen op nahoudt.
Dus hierin schuilt wel degelijk een risico op huisjesmelkerij, en de huisjesmelkers gaan daarbij erg geraffineerd tewerk zodat voor deze gezinnen in die situatie geen alternatief bestaat. Daarnaast hangt in bepaalde gevallen de huisvesting samen met de tewerkstelling. De huisbaas is dan ook nog werkgever.
De informele netwerken zijn dus van cruciaal belang in de aankomstfase en het is dan ook onze bedoeling om deze netwerken te versterken door met vb lokale zelfstandigen samen te werken, door via sleutelfiguren die netwerken te voeden met correcte informatie en doorverwijsmogelijkheden. En ook te duiden op de regels die er gelden met betrekking tot huisvesting en tewerkstelling. Op die manier proberen we een kentering te bereiken. Maar evident is het niet.
wo 11/02/2026 - 17:54Recent kwam het nieuws in de pers dat (in China geproduceerd) speelzand mogelijk de kankerverwekkende stof asbest bevat. De bal ging aan het rollen na een in Nederland uitgevoerd onderzoek en nadat er eerder al problemen opdoken in Australië en Nieuw-Zeeland. Momenteel is onderzoek lopende naar in ons land verkrijgbaar speelzand.
Dergelijk speelzand wordt soms ook in klas- en schoolcontext gebruikt als educatief knutselmateriaal. Zowel de minister van consumentenbescherming als het Departement Onderwijs – in overleg met OVAM – stuurden in afwachting van de onderzoeksresultaten veiligheidshalve al adviezen uit, specifiek ook naar de scholen. Concreet wordt er gevraagd om bij wijze van voorzorgsmaatregel kinderen niet in contact te laten komen met speelzand en om aanwezig zand op een veilige wijze – in overleg met de preventieadviseur – te verwijderen.
Motivering hoogdringendheid: Het nieuws over het mogelijk asbest bevattende speelzand kwam pas in de media op do 5/2, na het verstrijken van de deadline voor het indienen van vragen. Heel wat ouders van schoolkinderen – ook in stedelijke scholen – maken zich hier uiteraard zorgen over. Het is dan ook belangrijk de door de schepen gehanteerde aanpak te kennen met betrekking tot deze problematiek.
Beste raadslid Deene, dank voor uw vraag. Mag ik nog eens zeggen dat dit thema, als het inderdaad zou blijken dat er sporen van asbest kan voorkomen in kinderspeelgoed, ieders grote bezorgdheid vereist!
Dit is geen Gents probleem, maar een issue op grotere schaal
Elke burger moet er kunnen op rekenen dat onze verantwoordelijken voor de volksgezondheid de juiste criteria en voorwaarden stellen, zodat dergelijke vervuilde kankerverwekkende producten niet in ons kinderspeelgoed terechtkomen.
Dit is ook geen thema dat elke Vlaamse stad of gemeente naar best vermogen moet aanpakken.
Gentse aanpak
De veiligheid en gezondheid van kinderen en medewerkers staat altijd voorop. Daarom hebben wij hier in Gent onmiddellijk voorzorgsmaatregelen genomen.
Die mail van donderdagvond bevatte ook al een template waarmee scholen en crèches eenduidige procesinfo konden meegeven aan ouders. Die oudercommunicatie hebben wij herhaald wanneer er nieuwe stappen werden gezet.
Ook de stadsbrede coördinatie onder leiding van de burgemeester en met alle betrokken diensten en de preventiedienst werd onmiddellijk opgestart.
Op vrijdag is dan het bericht gekomen dat de FOD Economie, onder bevoegdheid van minister Diependaele, de instructies zou coördineren.
Huidige aanpak
Wij blijven op onze Gentse kindlocaties het voorzichtigheidsprincipe aanhouden tot we op basis van onze eigen staalnames, de technische fiches van de fabrikanten en de lijsten van FOD Economie meer zekerheid hebben. Alle zand is volgens de instructie geïnventariseerd, verpakt en zal verwijderd worden tot we meer info hebben over de resultaten en risico’s. 80% van het zand is vandaag reeds verwijderd en opgeslagen met een label per school, zodat scholen -mocht het zand veilig blijken- het kunnen terug op vragen.
Aantal scholen
Mevrouw Deene, u vraagt naar het aantal stedelijke scholen dat met kinetisch zand werkt.
Conclusie
Mevrouw Deene, ik denk dat u kan vaststellen dat we voor de stedelijke kindlocaties alles op alles gezet hebben om onze kinderen en medewerkers preventief te beschermen.
Maar ik herhaal waarmee ik begonnen ben:
Ik blijf hier, als beleidsmaker en mama, met veel vragen zitten. Ik dring erop aan dat de Vlaamse beleidsmakers dit thema niet alleen reactief aanpakken en het zand dat hier al aanwezig is te screenen en te verwijderen. We hebben ook een aanpak nodig om de gaten in ons systeem te dichten.
Hier zijn nog veel vragen over, Mevrouw Deene. U bent zelf ook mama. Je zal het met me eens zijn dat dit soort van potentiële risico’s voor de gezondheid van onze kinderen absoluut te vermijden is. Ik hoop dat de mensen die aan de knoppen zitten, dit dan ook heel ernstig nemen.
wo 11/02/2026 - 09:53In februari 2026 gaat de tiende editie van Tournée Minerale van start. Meer dan 120.000 Belgen namen hier vorig jaar aan deel.
Onlangs volgde ik een interessant webinar bij VVSG over alcoholbeleid in lokale dienstencentra en woonzorgcentra. Het dagelijks alcoholgebruik ligt het hoogst in de oudste leeftijdscategorieën. 14,9% van de 75-plussers en 13,3% van de 65- tot 74-jarigen drinkt dagelijks alcohol. Naarmate je ouder wordt, wordt de impact van alcohol op je lichaam groter. Daarom hebben oudere volwassenen bij alcoholgebruik met extra risico’s te maken.
In onze lokale dienstencentra en woonzorgcentra wordt op verschillende momenten alcohol aangeboden of genuttigd, bijvoorbeeld op de kamer, in het cafetaria, bij de maaltijd of tijdens activiteiten. Voor veel mensen draagt dit bij aan gezelligheid en levenskwaliteit. Tegelijk is het belangrijk om hier zorgvuldig mee om te gaan, zeker bij bewoners of bezoekers die kwetsbaarder zijn, bijvoorbeeld omwille van gezondheid of medicatiegebruik. Omdat elk centrum bovendien een eigen werking, doelgroep en context heeft, is een aanpak op maat aangewezen in plaats van één uniform beleid.
In dat kader heb ik volgende vragen:
Beste raadslid Baert, beste Veerle,
Na “dry january “vorige maand, zijn we nu gestart aan “Tournée Minérale”. Twee initiatieven die ons niet enkel een maand lang aansporen om te genieten van het mooie aanbod van alcoholvrije alternatieven, maar ons ook doen stilstaan bij de impact die alcohol kan hebben.
De impact op onze gezondheid valt niet te ontkennen en daarom zijn we al enkel jaren bezig met een alcoholbeleid en richtlijnen binnen onze WZC en LDC.
In 2021 zijn we reeds gestart binnen de LDC’s i.s.m. CGG Adentro (toen nog CGG Eclips) met een traject om tot een alcoholbeleid op maat van onze LDC’s te komen.
We betrokken daar niet enkel centrumleiders en een psycholoog bij maar ook servicemedewerkers en barvrijwilligers. Hun input en ervaringen waren heel belangrijk maar ook hebben we op die manier een breed draagvlak gecreëerd.
In 2022 hebben we dan ook plan opgesteld met een duidelijk gedragen visie, regels en afspraken. De doelstelling van dit plan is om een kader én handvaten te bieden om op een verantwoorde manier alcohol te schenken in onze ontmoetingsruimten:
Er werden regels opgesteld rond wanneer wel/niet alcohol serveren.
Er werden afspraken gemaakt met de medewerkers en de vrijwilligers van de bar rond het weigeren van alcohol
Er werden afspraken gemaakt rond het beperken van het aanbod aan alcoholische dranken. Zo kiezen we ervoor om non-alcoholische dranken goedkoper aan te bieden dan alcoholische dranken.
We zetten ook verder stappen in het doorbreken van de heersende beeldvorming dat alcohol er steeds bij hoort om een “gezellige” sfeer te bereiken.
Tijdens recepties worden er steeds ook aantrekkelijke alcoholvrije drankjes aangeboden
In ons aanbod bieden we een divers alcoholvrij assortiment aan dat we actief promoten
We maken doelbewust geen “promo” voor alcoholhoudende dranken (geen bierkaartjes meer, geen “bier” van de maand…)
We zetten in op het informeren & sensibiliseren van medewerkers, vrijwilligers en burgers rond de effecten van alcohol op de gezondheid
Bezoekers die ons qua alcoholgebruik zorgen baren spreken we aan en we bekijken samen welke mogelijkheden hier zijn naar ondersteuning.
Elk LDC is hier verder mee aan de slag gegaan om dit met de vrijwilligers en de servicemedewerkers te vertalen naar het eigen LDC.
Voor de woonzorgcentra:
Onze visie blijft dat het woonzorgcentrum de thuis is van de bewoners, waar maximale autonomie en keuzevrijheid centraal staan. Uiteraard doen we binnen onze WZC ook aan preventie en sensibilisering, maar bewoners die ervoor kiezen om een alcoholisch drankje te nuttigen in de cafetaria, kunnen dit doen.
Wanneer overmatig gebruik wordt vastgesteld, gaan we in gesprek en bieden we passende ondersteuning.
Daarnaast voorzien we steeds alcoholvrije alternatieven, zowel in de cafetaria als tijdens activiteiten en deze worden actief gepromoot.
Bewoners behouden echter inspraak en keuzevrijheid, dit vormt een essentieel uitgangspunt van onze visie.
Bij een nieuwe opname wordt elke bewoner individueel beoordeeld. Wanneer er sprake is van een alcoholverleden, medicatiegebruik of bijvoorbeeld het syndroom van Korsakov, kan een beperking of verbod op alcohol wel worden opgelegd. Deze beslissing wordt interdisciplinair besproken en vervolgens ook gecommuniceerd aan de barverantwoordelijke van de cafetaria.
Enkel WZC Zuiderlicht verkoopt geen alcohol in de cafetaria. Zij hebben veel bewoners met een verleden van middelenmisbruik en hebben van bij de start van hun werking er voor gekozen geen aanbod van alcoholische dranken te hebben in hun cafetaria.
Sommige bewoners kunnen wel alcohol nuttigen maar telkens nadat hier afspraken rond zijn gemaakt.
Zoals je dus hoort, zetten we sterk in op preventie, bewustwording en gaan we over het thema in gesprek met bezoekers en bewoners, zonder de autonomie van bewoners uit het oog te verliezen.
do 12/02/2026 - 11:56