Het recentste nummer van het vaktijdschrift Zorgmagazine bevat een interessante reportage over een initiatief ten bate van ouderen in Dendermonde. Daar werd een samenwerking opgezet tussen een lokaal woonzorgcentrum en de stedelijke kunstacademie. Binnen de academie bestaat een traject ‘Muziek op Maat’ voor wie de klassieke lesgeefpraktijk niet haalbaar is. In dat kader werd een aanbod ontwikkeld voor ouderen die verblijven in een woonzorgcentrum. De therapeutische waarde van muziek wordt vandaag alom erkend. Voor de opstart kon men in Dendermonde rekenen op een subsidie van de Koning Boudewijnstichting, maar het is de bedoeling om dit te ontwikkelen tot iets langdurigs.
Het eerste academiejaar is ondertussen achter de rug en de resultaten blijken positief. Tien ouderen konden zich inschrijven, al was de vraag een stuk groter. Concreet gaat het over twee uren muziek per week, zowel in groep als individueel. De zorgprofessionals van het WZC verwoordden het aldus: “Het geeft een waardevolle invulling aan hun dag. Door muziek te maken halen ze herinneringen op aan vroeger en krijgen ze meer zelfvertrouwen en autonomie. Ze leren immers een nieuwe vaardigheid. Daarnaast is muziek maken een bezigheid die enthousiasme opwekt en de bewoners weer bevestigt in hun mens-zijn, met al zijn emoties, verlangens, behoeften en mogelijkheden. Bij sommige deelnemers konden psychofarmaca zelfs beperkt worden.”
Beste mevrouw Roegiers,
Bedankt voor uw vraag want ik en zeker ook onze woonzorgcentra zijn zich enorm bewust van de kracht van muziek. Dit gegeven wordt ook wetenschappelijk aangetoond en maakt dat bewoners van woonzorgcentra een betere levenskwaliteit bekomen (beweging, reminiscentie, sociale interactie, intergenerationele activiteiten, buurtgerichtheid, …). Daarom hebben we ook al veel initiatieven en samenwerkingen rond dit thema. Het zou me vandaag te ver leiden om deze allemaal op te sommen want het zijn er echt zeer veel. Toch zal ik van elke van onze woonzorgcentra er enkele uitlichten om u een idee te geven van de inzet rond dit thema:
Wzc Het Heiveld:
“Kelly en Dolly”: bewoners maken samen een varietéshow
In 2026 zullen ze deelnemen aan het intergenerationele muziekproject “Petites Histoires De Bijloke”
Wzc Zuiderlicht:
Casaperta: muzikanten komen muziek brengen voor personen met dementie en hun mantelzorgers om interactie en contact te stimuleren
Djembé- sessies als muziektherapie om mobilisatie en contact te stimuleren
Wzc Zonnebloem:
Organiseren regelmatig een “Swingo”: bingo met liedjes
Koor “Sunny Singers”: hun eigen huiskoor van bewoners die wekelijks samen repeteren.
Wzc De Vijvers:
Structureel verder uitbouwen van muziektherapie met een vaste muziektherapie die in dienst is genomen
In de cafetaria staat een piano die vrij gebruikt kan worden door bewoners en bezoekers wat zorgt voor onverwachte momenten en verbinding.
Wzc De Liberteyt:
Hier is een danstherapeut in dienst die werkt met muziek, dans en expressie in laagdrempelige sessies, zowel in groep als individueel.
Stil bewogen: een project waarbij professionele dans- en bewegingsexperts samen met bewoners eenvoudige, trage en expressieve bewegingsvormen verkennen.
En zoals ik reeds zei, dit is maar een fractie van wat we doen.
Uiteraard doen we dit niet alleen maar met veel partners. Ook hier geef ik enkele voorbeelden:
Samenwerking met Hogent Conservatorium – CasAperta muzieksalon
Jaarlijkse samenwerking met studenten Hogent Kask en conservatorium educatieve master muziek/ stage participatieve kunstpraktijk.
Samenwerking met Muziekcentrum De Bijloke – Petites Histoires
Maar ook kleinere samenwerkingen zoals met een buurtorkest.
Optredens vanuit de eigen stedelijke academies.
Het zal u niet verbazen dat ik daar enorm fier op ben. Zowel als schepen bevoegd voor ouderenzorg maar ook als schepen van Cultuur.
We willen zeker de komende jaren verder dit blijven ontwikkelen op vraag en nood van onze bewoners.
do 15/01/2026 - 11:50In het bestuursakkoord lezen we het volgende: "Met het oog op het verbeteren van de fysieke en mentale gezondheid van kinderen komt er een actieplan.
Een versterkte samenwerking tussen organisaties die werken met kinderen en gezinnen is hierbij het uitgangspunt."
Daarbij mijn vragen aan de schepen:
-Hoever staat de schepen in de uitwerking van dit actieplan?
-Welke organisaties worden hierbij betrokken?
-Welke budgetten zijn uitgetrokken voor de concrete uitwerking van het actieplan?
-Zal dit actieplan intern worden opgesteld of wordt hiervoor beroep gedaan op een externe dienstverlener?
Binnen de schoot van het college van burgemeester en schepenen werd de voorbije weken in overleg met de stadsdiensten gewerkt aan de Beleidsverklaring. De grote lijnen voor het gezondheidsbeleid worden dan ook opgenomen in deze beleidsverklaring. Na de goedkeuring van de beleidsverklaring en de meerjarenplanning zullen deze grote lijnen in afstemming met de vele Gentse partners vertaald worden in concrete acties.
Het fysiek en mentaal welzijn van kinderen en jongeren wordt een speerpunt in het gezondheidsbeleid van de stad Gent. Uit de omgevingsanalyse blijkt immers dat de gezondheid van kinderen en jongeren onder druk staat, bijvoorbeeld qua eenzaamheid, psychische klachten en overgewicht. Daarbij zien we ook duidelijk gezondheidsongelijkheid naar voor komen dus hebben we extra aandacht voor kinderen en jongeren in een kwetsbare situatie.
Bij de uitwerking van het gezondheidsbeleid 2026-2031 zal er dus extra focus gelegd worden op de doelgroep kinderen en jongeren met focus op volgende doelstellingen:
Het versterken van de gezondheid en het welzijn van (kwetsbare) kinderen en hun ouders in de eerste 1000 dagen. (in samenwerking met De Kraamkaravaan, ELZ Gent, Kind & Gezin, Huis van het Kind, de ziekenhuizen, ELP conventie, …). Op dit domein neemt mijn collega Evita Willaert ook heel wat initiatieven vanuit het gezinsbeleid.
Het realiseren van een gaatjesvrije generatie door de mondgezondheid van jonge kinderen te verbeteren. (via structurele samenwerking met kinderdagverblijven, Kind & Gezin en CLB.)
Het bevorderen van gezonde voeding in de kleuterscholen om de gezondheidsvaardigheden van kinderen en ouders te versterken, overgewicht te verminderen, het leervermogen van kinderen te verbeteren en bij te dragen aan het verminderen van armoederisico’s.
Basisscholen ondersteunen bij het uitbouwen van een duurzaam en geïntegreerd gezondheidsbeleid via de methodiek Gezonde School Gent, zodat zij systematisch inzetten op het versterken van de fysieke en mentale gezondheid van leerlingen en hun gezondheidsvaardigheden.
Het verbeteren van het mentaal welzijn van kinderen en jongeren door sensibilisering en taboedoorbreking. Daarnaast zetten we ook in en het versterken van hun veerkracht via preventief psycho-educatief aanbod op maat. Vb. 10-daagse van de veerkracht, groepsaanbod voor jongeren op vindplaatsen, via onderwijs en jeugdwerk, versterken van sociaal-emotionele vaardigheden en emotieregulatie, …
Het ondersteunen van nulde en eerstelijnsactoren rond het omgaan met mentaal welzijn. Collega Willaert zal via het jeugdwerk volop inzetten op een goed gespreid jeugd(welzijns)aanbod dat kan zorgen voor plekken waar jongeren zichzelf kunnen zijn en zich kunnen ontplooien. Dit heeft dus een preventief effect. Vanuit het gezondheidsbeleid zetten we in op ondersteuning van de nulde lijnswerkingen die werken met (kwetsbare kinderen en jongeren), zoals het jeugd(welzijns)werk, in het omgaan met uitdagingen op vlak van mentaal welzijn. Daarnaast ondersteunen we ook cruciale eerstelijnsactoren actief op het terrein van mentaal welzijn en die zich richten naar (kwetsbare) jongeren, studenten, …
Het verhogen van de toegang tot de eerstelijnszorg en het signaleren en aankaarten van hiaten in de hulpverlening voor jongeren. Een aantal voorbeelden: webpagina praaterover, spel Hotspot (incl. nieuwe versie voor laaggeletterde jongeren), Sociale Kaart, samenwerking met OverKop en jeugdwelzijnswerk, …
In 2026 zullen bovenstaande krachtlijnen in overleg met de partners verder worden uitgewerkt tot concrete acties. Beleidsvoorbereidend werken we samen met een ruim netwerk aan partners uit verschillende sectoren zoals de (preventieve) gezondheidszorg, (jeugd)welzijn, geestelijke gezondheidszorg, het brede sociaal middenveld en de doelgroep-vertegenwoordiging.
De Gezondheidsraad wordt als stedelijke adviesraad betrokken in de beleidsopmaak en -opvolging. Ook de Jeugdraad is een belangrijke adviesraad in de uitbouw van het gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren. Zo werd op 13/11/2025 een extra open jeugdraad georganiseerd om in dialoog te gaan over de noden en behoeften van jongeren op vlak van mentaal welzijn om deze input mee te nemen in de beleidsvoorbereiding. Zo maken we dus samen werk van een sterk gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren.
di 03/02/2026 - 15:49Het stedelijk onderwijs in Gent draagt een grote verantwoordelijkheid voor het welzijn van duizenden leerlingen én voor de werkomstandigheden van honderden leerkrachten. Recentelijk werd opnieuw duidelijk hoe zwaar die taak soms kan zijn, na een incident waarbij een kleuterjuf geschopt en geslagen werd door een vijfjarige leerling. Dit staat niet op zichzelf: in verschillende stedelijke scholen horen we signalen over toenemende werkdruk, agressie-incidenten, complexere leerlingenprofielen en moeilijke communicatie met ouders.
Als inrichtende macht heeft Stad Gent niet alleen een organisatorische, maar ook een zorgende rol voor haar eigen schoolteams. Het is daarom cruciaal om zicht te hebben op welke ondersteuning vandaag wordt geboden, welke maatregelen bestaan binnen het stedelijk onderwijs, en welke bijkomende stappen planmatig worden gezet om leerkrachten en directies te versterken.
Daarom heb ik volgende vragen.
Hoe worden leerkrachten in onze stedelijke scholen concreet ondersteund wanneer zij klachten of problemen ervaren?
(bijv. agressie, psychosociale belasting, conflicten met ouders)
Welke recente of geplande initiatieven neemt de stad om stedelijke scholen beter te ondersteunen in klachtenbeheer, oudercommunicatie en het welzijn van het personeel?
In het meerjarenplan wordt geen bijkomend personeel voorzien voor stedelijke scholen en opvang, ondanks signalen over hoge werkdruk. Hoe kan die druk beantwoord worden met minder personeel?
Beste heer Naeyaert
Het incident waar u naar verwijst is ernstig, maar gelukkig ook uitzonderlijk. Dit incident raakt ons allemaal. We hebben tientallen scholen en tienduizenden leerlingen en cursisten die elke dag les volgen op onze scholen. Er wordt op elk van die plekken hard gewerkt door. Het is niet op elke school en voor elke leerkracht evident. Als ik naar ons Stedelijk Onderwijs kijk, dan staat dat voor kansrijk en kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen. Het welzijn van ons personeel is daarmee onlosmakelijk verbonden.
Hoe worden leerkrachten in onze stedelijke scholen concreet ondersteund wanneer zij klachten of problemen ervaren? (bijv. agressie, psychosociale belasting, conflicten met ouders)
Zowel binnen het IVA SOG als binnen de stad en daarbuiten kunnen medewerkers rekenen op verschillende vormen van ondersteuning. Leerkrachten staan er niet alleen voor.
Medewerkers kunnen bij hun eigen directeur terecht. Verder is er op elke basisschool een zorgcoördinator, hebben de secundaire scholen opvoeders (of gelijkaardige profielen). De scholen werken intensief samen met o.a. CLB en Pilar als interne begeleidingsdiensten. De scholen hebben ook de optie om begeleiding te zoeken bij externe instanties, zoals OVSG.
Ze kunnen in overleg met het bestuur ook een beroep doen op extra financiering buiten de eigen werkingsmiddelen als er een dringende vraag is, bijvoorbeeld rond begeleiding of vorming in het omgaan met agressie. Daarnaast is de staf van het IVA SOG ook zo georganiseerd dat er een team ter beschikking is van arbeidspsychologen. Medewerkers van het SOG kunnen ook terecht bij de interne en externe preventiedienst.
De brugfiguren kunnen ook in deze context een belangrijke schakel vormen tussen thuis en school.
Welke recente of geplande initiatieven neemt de stad om stedelijke scholen beter te ondersteunen in klachtenbeheer, oudercommunicatie en het welzijn van het personeel?
De stad werkte een welzijnsprogramma uit waar ook medewerkers van SOG een beroep op kunnen doen. Het SOG onderneemt via de interne kanalen acties om de routes die medewerkers kunnen bewandelen beter onder de aandacht te brengen. Dit krijgt ook uitgebreide aandacht tijdens de aanvangsbegeleiding voor startende medewerkers en directeuren.
Het welzijnsprogramma biedt medewerkers ondersteuning bij emotionele en praktische onderwerpen. De waaier van thema’s is breed: persoonlijk, familie, welzijn, werk of studie. …
Het Stedelijk Onderwijs stelt in algemeenheid vast dat er op heel wat scholen een goed contact bestaat met ouders. Tegelijk wil ik nog meer werk maken van ouderparticipatie. Daar zullen stappen voor gezet worden.
Dat zal deel uitmaken van een geactualiseerd strategisch beleidsplan binnen het Stedelijk Onderwijs. De basis voor elke school is een sterk pedagogisch project. Dat hangt samen met kwaliteitszorg. Die kwaliteit gaat ook echt over welzijn van medewerkers en leerlingen, en niet alleen over taal en rekenen.
In het meerjarenplan wordt geen bijkomend personeel voorzien voor stedelijke scholen en opvang, ondanks signalen over hoge werkdruk. Hoe kan die druk beantwoord worden met minder personeel?
Collega Naeyaert. Ik wil er graag op wijzen dat onderwijs in eerste instantie een Vlaamse bevoegdheid is. Het is aan de Vlaamse Overheid om voldoende middelen te voorzien en een kader te bieden waarin kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen realiseerbaar is. Dat beleid moet ook aandacht hebben voor de context waarin leerlingen opgroeien. Een school moet een veilige leeromgeving bieden, maar staat nooit los van de wereld erbuiten.
Deze stad investeert miljoenen in haar flankerend beleid, dus niet enkel voor de stedelijke, maar alle scholen. Dat beleid is breed en structureel, en we blijven daarin investeren.
We grijpen beperkt in op de personeelsmiddelen voor het Stedelijk Onderwijs, en treffen daar niet de werkvloer. Voor de buitenschoolse opvang maken we een oefening om tot een ander organisatiemodel te komen. Het is op geen enkele manier de bedoeling dat onderwijspersoneel daar opdrachten gaat overnemen, of anders gezegd, dat hun werkdruk zou stijgen. Bovenliggende regelgeving zou dat overigens ook niet mogelijk maken.
We zullen wel een oefening starten om te bepalen hoe de extra personeelsinzet die we zelf voorzien, voldoet en een antwoord biedt op de noden en eventueel gewijzigde noden van en binnen het Stedelijk Onderwijs.
Tot slot. Het incident dat aanleiding gaf tot uw vraag, toont hoe complex de realiteit in onze scholen is. Een deel van die complexiteit komt voort uit het capaciteitstekort in het buitengewoon onderwijs. Kinderen met specifieke noden vinden niet altijd een plek die aansluit bij hun behoeften en komen terecht in het gewoon onderwijs, waar de omkadering niet altijd volstaat. Ik steun de oefening van de minister rond inclusief onderwijs, maar die mag geen excuus zijn om de huidige knelpunten te negeren. Vlaanderen moet zorgen voor voldoende middelen en omkadering, zodat wij als stad samen met onze scholen kunnen blijven inzetten op kansrijk, kwaliteitsvol én veilig onderwijs.
do 15/01/2026 - 09:35Dat onderwijs toegankelijk moet zijn voor elke leerling, ongeacht hun beperkingen, is een punt waar geen discussie over mag zijn. Dit fundamenteel recht is onder andere vastgelegd in het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap uit 2009 die België heeft ondertekend. In 2021 werd het recht op volledige inclusie met redelijke aanpassingen opgenomen in onze grondwet.
Helaas blijven er (meestal onzichtbare) drempels die het voor vele leerlingen moeilijk maken om gewoon onderwijs te volgen, ook al zou dat met redelijke aanpassingen moeten kunnen. Dit gaat zowel over fysieke als mentale beperkingen waar vaak veel extra ondersteuning nodig is. Recent kreeg ik een bericht van ouders van een dochter van anderhalf die moeilijk een plek vinden gezien hun kind deels een rolstoel zal gebruiken. Ze botsen op de voorrangsregels van het Vlaamse inschrijvingsdecreet dat geen rekening houdt met deze bijzondere situaties. Dit is een schrijnende situatie die we niet mogen aanvaarden.
Ondanks de moeite van vele scholen blijft verdere ondersteuning om dit inclusierecht te realiseren noodzakelijk.
Graag had ik daarover volgende vragen gesteld:
Krijgt de schepen vaak signalen van ouders dat hun kind wegens een beperking niet welkom is in het gewoon onderwijs?
Wat doet de stad vandaag de dag om scholen te ondersteunen in het lesgeven aan kinderen en jongeren met een beperking?
Hoe worden ouders van kinderen met een beperking geholpen om een goede school te kunnen vinden?
Beantwoord samen met IR 7 2026_MV_00024 - Mondelinge vraag van raadslid Veerle Baert: structurele belemmeringen bij inschrijving kind met motorische beperking
Beste collega’s Vanpeperstraete en Baert
Dank jullie wel om dit thema op de agenda te zetten. Jullie vragen vertrekken vanuit een gezin dat vandaag op zoek is naar een school voor hun dochter met een beperking. Ze hebben zich ook rechtsreeks tot mij gewend, en hun verhaal raakt. Niet alleen omdat het over een kind gaat, maar omdat het staat voor een bredere realiteit, van te veel ouders en te veel kinderen. Ouders die al zoveel zorg dragen, en daarbovenop nog eens door een ingewikkeld parcours moeten om een plek te vinden waar hun kind welkom is. Dat mogen we niet aanvaarden.
Mevrouw Baert. U vroeg: ‘We ijveren toch allemaal voor een inclusief onderwijs, ook in onze stad?’ Ja, absoluut. Dat voel ik overal. Bij ouders, bij scholen, bij partners, in het beleid. Maar tegelijk moeten we eerlijk zijn: tussen de ambitie en de dagelijkse praktijk zit nog een kloof.
Ik nam enkele weken geleden deel aan een rondetafel van de Stedelijke Adviesraad voor Personen met een Handicap. De Adviesraad koos “Recht op onderwijs” als één van de belangrijkste pijlers in haar memorandum voor de komende legislatuur. Het gesprek was een uitwisseling over toegankelijk en inclusief onderwijs, waar de komende jaren op verder gebouwd kan worden. Daar zaten ouders, ervaringsdeskundigen, het Stedelijk Onderwijs (Stedelijk CLB, SOG en Pilar), en organisaties samen met mezelf rond de tafel. Het was een warm, eerlijk en constructief gesprek. Er werd niet alleen benoemd waar kansen liggen, maar er werd ook echt benoemd wat moeilijk loopt. Dat biedt kansen om de volgende jaren concrete acties op te zetten. Ook op het LOP Basisonderwijs kwam dit uitgebreid aan bod in een overleg tussen de verschillende onderwijspartners in de stad. Dat zal een vervolg krijgen in een werkgroep die wordt opgestart.
Minister Demir publiceerde eerder de nota Scholen voor Iedereen. Die nota stippelt het pad uit richting 2040 om Vlaanderenbreed tot inclusief onderwijs te komen. Het heeft er mee voor gezorgd dat het bestaande debat zich sneller zal moeten vertalen naar concreet beleid en dat is op zich een goede zaak. Er zijn nog heel wat vraagtekens en er bestaat niet bij iedereen overeenstemming over wat moet worden begrepen onder ‘inclusief onderwijs’, maar ook hiermee zetten we een stap in een richting die meer kinderen echte kansen zal bieden. De invulling van ‘inclusiviteit’ zit op een spectrum. Sommigen willen totale inclusie en de afschaffing van het buitengewoon onderwijs, anderen zien dat meer als een toenadering tussen gewoon en buitengewoon onderwijs. Stedelijk Onderwijs wil alvast verschillende dossiers indienen om één of meerdere scholen te laten deelnemen als pioniersschool aan het proefproject in het kader van ‘Scholen voor iedereen’.
Dus ‘ja!’, we ijveren allemaal voor inclusief onderwijs. Dat besef is overal aanwezig. In de bredere samenleving, binnen onderwijs en bij onderwijspartners. Maar wanneer het gaat over het omzetten van een recht in de praktijk zien we verschillende snelheden en draagkracht bij scholen.
Binnen het onderwijs bestaan vandaag al mooie verhalen van ouders, kinderen en schoolteams die elkaar vinden en samen een volwaardig traject uitbouwen. Het kan dus. Maar tegelijk zijn er de drempels waar zowel ouders als scholen op botsen.
Ik ontvang weinig signalen dat kinderen met een beperking niet welkom zouden zijn in het gewoon onderwijs. In onze scholen zitten heel wat kinderen met zichtbare en minder zichtbare beperkingen: kinderen met ASS, ADD, maar evengoed met leerstoornissen … Soms met een verslag, soms zonder. Soms met leersteun, soms zonder.
Scholen hebben doorheen de jaren zelf ervaring en expertise opgebouwd om hen te ondersteunen en eerlijke kansen te bieden in het onderwijs. Ze worden ondersteund door CLB, door de leersteuncentra — voor onze stedelijke scholen is dat LSC Pilar — en door de pedagogische begeleiding. Er zijn vormingen, er is overleg, er is ervaring.
Er is geen specifieke begeleiding om ouders toe te leiden naar – wat u noemt, mevrouw Vanpeperstraete ’een ‘goede school’. Scholen zijn – zoals u zelf aangeeft – verplicht om redelijke aanpassingen door te voeren. Daarover bestaat wel debat. Ik verwijs naar het gesprek met SAPH waar ik aanwezig was. Daar werd gesteld dat inderdaad niet elke aanpassing als ‘redelijk’ kan beschouwd worden. Maar tegelijk werd daaraan gekoppeld dat veel van wat we ‘redelijke aanpassingen’ noemen, zouden moeten kunnen verschuiven naar de brede basiszorg die elke school moet uitrollen. Omdat het de weg is naar meer inclusief onderwijs, en omdat ook andere leerlingen daar baat bij hebben. In het gesprek werd ook gewezen op het belang van kennis: goed weten wat het wettelijk kader is, wat er allemaal mogelijk is, en dat redelijke aanpassingen soms ook écht in kleine wijzigingen kunnen schuilen. Dat alles natuurlijk samen met de ervaringsdeskundigen, de ouders en leerlingen zelf. En dat gebeurt ook echt op scholen, zoals ook benoemd werd rond de tafel.
Jullie vertrekken in deze van een situatie voor kinderen met een motorische beperking. Deze mensen ervaren een bijkomende drempel: de toegankelijkheid van schoolgebouwen. Veel scholen zijn oud. Soms is er geen lift. Soms is er wel een lift, maar zijn bepaalde delen van het gebouw toch niet bereikbaar. Soms zijn er drempels, smalle doorgangen, trappen, beperkte circulatie. Ook daar ligt dus werk op de plank.
Toegankelijkheid is geen extraatje. Het is een basisvoorwaarde. Onze ambitie is helder: elke leerling moet zich welkom, veilig en vrij kunnen bewegen in onze schoolgebouwen. We starten met een stadsbreed project rond fysieke toegankelijkheid — drempels weg, vlotte circulatie, liften waar nodig — en bouwen verder richting zintuiglijke, cognitieve en participatieve toegankelijkheid. Nieuwbouw en renovaties worden afgestemd op de GRO-duurzaamheidsmeter en het Vlaams Toegankelijkheidscharter. Bij nieuwe schoolgebouwen streven we steeds de hoogste toegankelijkheidsnormen na. Ook bij renovaties gaat aandacht naar toegankelijkheid, waarbij het realiseren wel veelal samenhangt met de grootte van het project. We voorzien deze legislatuur ook middelen via het MAKE-T fonds (dat staat voor Meervoudig gebruik, Asbestsanering, Klimaatbewustheid, Erfgoedrenovatie en Toegankelijkheid). Zo maken we van elke school een plek waar elk kind kan groeien.
Maar ook … We moeten telkens nagaan wat er hier en nu kan gebeuren. Het is niet omdat de lift er niet is, dat je zomaar kan weigeren. Scholen moeten out of the box durven denken. In goed overleg met het team, maar ook het gezin zelf.
Mevrouw Baert. U maakt de link met de aanmeldprocedure.
De organisatie van de inschrijvingen in onderwijs zijn geregeld in een Vlaams decreet. De Gentse scholen maken daarover netoverschrijdend bijkomende afspraken, binnen de grenzen van dat decreet, in het LOP Basisonderwijs. Er is Vlaams geen specifieke aandacht voor kinderen met beperkingen. Dat is niet logisch. Dat is niet rechtvaardig. En dat moeten we durven zeggen.
Maar het is niet iets wat we lokaal kunnen oplossen. De pen van het inschrijvingsdecreet ligt bij de Vlaamse regering.
Wat we wél kunnen doen, is dit blijven aankaarten. In het LOP. Bij collega’s in het Vlaams Parlement. En in elk overleg waar we mee aan tafel zitten.
Want als we inclusief onderwijs ernstig nemen, dan moeten we ook de drempels in de inschrijvingsprocedure onder ogen durven zien. Ouders mogen niet de last dragen van een systeem dat nog niet is meegegroeid. Ik noemde al de pioniersscholen waarvoor het Stedelijk Onderwijs zich kandidaat zal stellen. Deze scholen zullen regelluwte krijgen, en het is het voornemen om na te gaan of bijzondere aandacht kunnen geven aan deze groep leerlingen bij het aanmeldproces. Ik hoop dat er in het kader van die regelluwte vanuit Vlaanderen ook zal gekeken worden naar het aanmeldproces, want dit overstijgt de individuele school natuurlijk. Maar het is wel één van de voorwaarden om de weg naar ‘scholen voor iedereen’ te kunnen plaveien.
En we moeten blijven investeren in toegankelijke infrastructuur, in ondersteuning voor scholen, in samenwerking tussen partners. Want inclusief onderwijs is geen slogan. Het is een werkwoord. En het vraagt inzet van iedereen.
wo 14/01/2026 - 09:55Ouders van kinderen met een motorische beperking moeten, in hun zoektocht naar een reguliere school, een aanzienlijk zwaarder traject doorlopen dan andere ouders.
Er wordt van hen verwacht dat ze :
Dit betekent concreet dat ouders van een kind met extra zorgnoden meer scholen moeten bezoeken, meer gesprekken moeten voeren en meer administratie moeten doorlopen, bovenop de intensieve zorg die het kind al nodig heeft.
Beantwoord samen met IR 6 2026_MV_00023 - Mondelinge vraag van raadslid Lies Vanpeperstraete: Toegankelijke scholen
Beste collega’s Vanpeperstraete en Baert
Dank jullie wel om dit thema op de agenda te zetten. Jullie vragen vertrekken vanuit een gezin dat vandaag op zoek is naar een school voor hun dochter met een beperking. Ze hebben zich ook rechtsreeks tot mij gewend, en hun verhaal raakt. Niet alleen omdat het over een kind gaat, maar omdat het staat voor een bredere realiteit, van te veel ouders en te veel kinderen. Ouders die al zoveel zorg dragen, en daarbovenop nog eens door een ingewikkeld parcours moeten om een plek te vinden waar hun kind welkom is. Dat mogen we niet aanvaarden.
Mevrouw Baert. U vroeg: ‘We ijveren toch allemaal voor een inclusief onderwijs, ook in onze stad?’ Ja, absoluut. Dat voel ik overal. Bij ouders, bij scholen, bij partners, in het beleid. Maar tegelijk moeten we eerlijk zijn: tussen de ambitie en de dagelijkse praktijk zit nog een kloof.
Ik nam enkele weken geleden deel aan een rondetafel van de Stedelijke Adviesraad voor Personen met een Handicap. De Adviesraad koos “Recht op onderwijs” als één van de belangrijkste pijlers in haar memorandum voor de komende legislatuur. Het gesprek was een uitwisseling over toegankelijk en inclusief onderwijs, waar de komende jaren op verder gebouwd kan worden. Daar zaten ouders, ervaringsdeskundigen, het Stedelijk Onderwijs (Stedelijk CLB, SOG en Pilar), en organisaties samen met mezelf rond de tafel. Het was een warm, eerlijk en constructief gesprek. Er werd niet alleen benoemd waar kansen liggen, maar er werd ook echt benoemd wat moeilijk loopt. Dat biedt kansen om de volgende jaren concrete acties op te zetten. Ook op het LOP Basisonderwijs kwam dit uitgebreid aan bod in een overleg tussen de verschillende onderwijspartners in de stad. Dat zal een vervolg krijgen in een werkgroep die wordt opgestart.
Minister Demir publiceerde eerder de nota Scholen voor Iedereen. Die nota stippelt het pad uit richting 2040 om Vlaanderenbreed tot inclusief onderwijs te komen. Het heeft er mee voor gezorgd dat het bestaande debat zich sneller zal moeten vertalen naar concreet beleid en dat is op zich een goede zaak. Er zijn nog heel wat vraagtekens en er bestaat niet bij iedereen overeenstemming over wat moet worden begrepen onder ‘inclusief onderwijs’, maar ook hiermee zetten we een stap in een richting die meer kinderen echte kansen zal bieden. De invulling van ‘inclusiviteit’ zit op een spectrum. Sommigen willen totale inclusie en de afschaffing van het buitengewoon onderwijs, anderen zien dat meer als een toenadering tussen gewoon en buitengewoon onderwijs. Stedelijk Onderwijs wil alvast verschillende dossiers indienen om één of meerdere scholen te laten deelnemen als pioniersschool aan het proefproject in het kader van ‘Scholen voor iedereen’.
Dus ‘ja!’, we ijveren allemaal voor inclusief onderwijs. Dat besef is overal aanwezig. In de bredere samenleving, binnen onderwijs en bij onderwijspartners. Maar wanneer het gaat over het omzetten van een recht in de praktijk zien we verschillende snelheden en draagkracht bij scholen.
Binnen het onderwijs bestaan vandaag al mooie verhalen van ouders, kinderen en schoolteams die elkaar vinden en samen een volwaardig traject uitbouwen. Het kan dus. Maar tegelijk zijn er de drempels waar zowel ouders als scholen op botsen.
Ik ontvang weinig signalen dat kinderen met een beperking niet welkom zouden zijn in het gewoon onderwijs. In onze scholen zitten heel wat kinderen met zichtbare en minder zichtbare beperkingen: kinderen met ASS, ADD, maar evengoed met leerstoornissen … Soms met een verslag, soms zonder. Soms met leersteun, soms zonder.
Scholen hebben doorheen de jaren zelf ervaring en expertise opgebouwd om hen te ondersteunen en eerlijke kansen te bieden in het onderwijs. Ze worden ondersteund door CLB, door de leersteuncentra — voor onze stedelijke scholen is dat LSC Pilar — en door de pedagogische begeleiding. Er zijn vormingen, er is overleg, er is ervaring.
Er is geen specifieke begeleiding om ouders toe te leiden naar – wat u noemt, mevrouw Vanpeperstraete ’een ‘goede school’. Scholen zijn – zoals u zelf aangeeft – verplicht om redelijke aanpassingen door te voeren. Daarover bestaat wel debat. Ik verwijs naar het gesprek met SAPH waar ik aanwezig was. Daar werd gesteld dat inderdaad niet elke aanpassing als ‘redelijk’ kan beschouwd worden. Maar tegelijk werd daaraan gekoppeld dat veel van wat we ‘redelijke aanpassingen’ noemen, zouden moeten kunnen verschuiven naar de brede basiszorg die elke school moet uitrollen. Omdat het de weg is naar meer inclusief onderwijs, en omdat ook andere leerlingen daar baat bij hebben. In het gesprek werd ook gewezen op het belang van kennis: goed weten wat het wettelijk kader is, wat er allemaal mogelijk is, en dat redelijke aanpassingen soms ook écht in kleine wijzigingen kunnen schuilen. Dat alles natuurlijk samen met de ervaringsdeskundigen, de ouders en leerlingen zelf. En dat gebeurt ook echt op scholen, zoals ook benoemd werd rond de tafel.
Jullie vertrekken in deze van een situatie voor kinderen met een motorische beperking. Deze mensen ervaren een bijkomende drempel: de toegankelijkheid van schoolgebouwen. Veel scholen zijn oud. Soms is er geen lift. Soms is er wel een lift, maar zijn bepaalde delen van het gebouw toch niet bereikbaar. Soms zijn er drempels, smalle doorgangen, trappen, beperkte circulatie. Ook daar ligt dus werk op de plank.
Toegankelijkheid is geen extraatje. Het is een basisvoorwaarde. Onze ambitie is helder: elke leerling moet zich welkom, veilig en vrij kunnen bewegen in onze schoolgebouwen. We starten met een stadsbreed project rond fysieke toegankelijkheid — drempels weg, vlotte circulatie, liften waar nodig — en bouwen verder richting zintuiglijke, cognitieve en participatieve toegankelijkheid. Nieuwbouw en renovaties worden afgestemd op de GRO-duurzaamheidsmeter en het Vlaams Toegankelijkheidscharter. Bij nieuwe schoolgebouwen streven we steeds de hoogste toegankelijkheidsnormen na. Ook bij renovaties gaat aandacht naar toegankelijkheid, waarbij het realiseren wel veelal samenhangt met de grootte van het project. We voorzien deze legislatuur ook middelen via het MAKE-T fonds (dat staat voor Meervoudig gebruik, Asbestsanering, Klimaatbewustheid, Erfgoedrenovatie en Toegankelijkheid). Zo maken we van elke school een plek waar elk kind kan groeien.
Maar ook … We moeten telkens nagaan wat er hier en nu kan gebeuren. Het is niet omdat de lift er niet is, dat je zomaar kan weigeren. Scholen moeten out of the box durven denken. In goed overleg met het team, maar ook het gezin zelf.
Mevrouw Baert. U maakt de link met de aanmeldprocedure.
De organisatie van de inschrijvingen in onderwijs zijn geregeld in een Vlaams decreet. De Gentse scholen maken daarover netoverschrijdend bijkomende afspraken, binnen de grenzen van dat decreet, in het LOP Basisonderwijs. Er is Vlaams geen specifieke aandacht voor kinderen met beperkingen. Dat is niet logisch. Dat is niet rechtvaardig. En dat moeten we durven zeggen.
Maar het is niet iets wat we lokaal kunnen oplossen. De pen van het inschrijvingsdecreet ligt bij de Vlaamse regering.
Wat we wél kunnen doen, is dit blijven aankaarten. In het LOP. Bij collega’s in het Vlaams Parlement. En in elk overleg waar we mee aan tafel zitten.
Want als we inclusief onderwijs ernstig nemen, dan moeten we ook de drempels in de inschrijvingsprocedure onder ogen durven zien. Ouders mogen niet de last dragen van een systeem dat nog niet is meegegroeid. Ik noemde al de pioniersscholen waarvoor het Stedelijk Onderwijs zich kandidaat zal stellen. Deze scholen zullen regelluwte krijgen, en het is het voornemen om na te gaan of bijzondere aandacht kunnen geven aan deze groep leerlingen bij het aanmeldproces. Ik hoop dat er in het kader van die regelluwte vanuit Vlaanderen ook zal gekeken worden naar het aanmeldproces, want dit overstijgt de individuele school natuurlijk. Maar het is wel één van de voorwaarden om de weg naar ‘scholen voor iedereen’ te kunnen plaveien.
En we moeten blijven investeren in toegankelijke infrastructuur, in ondersteuning voor scholen, in samenwerking tussen partners. Want inclusief onderwijs is geen slogan. Het is een werkwoord. En het vraagt inzet van iedereen.
wo 14/01/2026 - 09:59In de pers konden we vernemen dat het Rode Kruis net voor de kerst 40 sheltersuits gedoneerd heeft aan de stad en de dienst Outreachend werk, m.o.o. verdeling onder de daklozen.
Uiteraard is dit geen structurele oplossing, daar zijn zowel het Rode Kruis als wijzelf ons heel erg van bewust.
In die wetenschap zijn we benieuwd naar de inzet van deze wind- en waterdichte jassen met aanritsbare slaapzak.
Werden deze sheltersuits ondertussen allemaal reeds uitgedeeld onder de daklozen?
Hoewel het aannemelijk dat iedere dakloze recht heeft op dergelijke uitrusting, zal de dienst allicht wel zelf selecteren wie wel/niet dergelijke sheltersuit krijgt?
Hoe is het Rode Kruis bij Gent uitgekomen?
Hebben we al zicht hoe daklozen zelf het gebruik ervan evalueren?
Collega Vanonckelen, bedankt voor je vragen over de sheltersuits. Ik was zelf ook wat verrast over dit plotse aanbod vanuit het Rode Kruis, ik was meer dan aangenaam verrast als je ziet wat een kwalitatieve sheltersuits er hier geschonken worden door het RK. Maar, laat ons eerlijk blijven, zoals je terecht opmerkt is dat uiteraard voor geen enkele dakloze een structurele oplossing. De sheltersuits zijn een tijdelijke oplossing om overdag en ’s nachts de gure winterkoude door te komen. Het is anderzijds – gezien de omstandigheden waarin vele daklozen moeten overleven - kwalitatief een heel degelijke oplossing om aan de ergste kou en regen en wind het hoofd te bieden. Ik reken het persoonlijk tot de categorie “noodhulp onder protest” : we geven in een gelijkaardige context voedselhulp aan mensen , gezinnen in precaire leefomstandigheden: we willen voorkomen dat deze gezinnen honger lijden, en tegelijkertijd moeten we blijven aantonen en protesteren dat armoede een onrecht is. Trek wat mij betreft gerust de parallel naar deze sheltersuits.
Na deze globale beschouwing wil ik even stilstaan bij je verschillende vragen:
1. Zijn alle sheltersuits intussen uitgedeeld?
We hebben er nog enkele in één maat. Die delen we momenteel nog verder uit tijdens onze vorstpatrouilles.
2. Selectie wie er één gekregen heeft?
Uiteraard wel, dacht ikzelf spontaan. Maar hoe doe je dat dan?
De mensen van outreachend werk hanteren inderdaad enkele criteria bij het uitdelen. Ze geven absolute prioriteit aan gasten waarvan ze weten dat hun situatie het meest precair is en die effectief buiten slapen. Dit is de logica zelve, lijkt me: niet iedere dakloze brengt de nacht door op straat, of moet de nacht op straat doorbrengen. Dus sofaslapers, mensen die naar de nachtopvang gaan, … komen niet in aanmerking.
Daarnaast hebben we rekening gehouden met wie in staat zou zijn om er goed voor te zorgen. We willen vermijden dat de gasten de sheltersuits snel weer kwijt zouden spelen. … ik vertelde hier vroeger in deze commissie al hoe ik tijdje terug versteld stond van de ongelooflijke orde en netheid waarmee een dakloze zijn locker georganiseerd had, bij anderen is dat veel minder het geval. Niet iedere dakloze heeft dezelfde vaardigheid om goed voor zijn gerief te zorgen, deze vaststelling zal wel niemand verwonderen. Hoe divers zijn we daar zelf ook in?
Daarnaast biedt de dienst Outreachend werk de daklozen ook de mogelijkheid om de sheltersuit door de dienst te laten wassen zodat ze die lang kunnen blijven gebruiken.
Voor de andere gasten blijft de dienst natuurlijk ‘gewone’ winterslaapzakken voorzien.
3. Hoe is Rode Kruis bij ons terechtgekomen?
Dat is een samenloop van verschillende factoren, ik ga de voornaamste opsommen (niet in volgorde van belangrijkheid):
Mogelijks zijn er nog bijkomende factoren maar dit zijn bij bevraging alvast de zaken waar door de dienst naar verwezen werd.
4. Hoe worden ze ervaren?
De sheltersuits worden door de collega’s en de gasten positief ervaren. Het feit dat de Sheltersuit in een rugzak zit, maakt het gemakkelijk om die mee te nemen. Ze zijn verrassend licht. Ook de mogelijkheid om de jas af te ritsen van het slaapzakgedeelte wordt als een plus gezien. Zorgt ervoor dat de jas ook apart gebruikt kan worden en maakt het eenvoudiger om slaapzakgedeelte op te bergen. De sheltersuits zijn gemaakt uit gerecycleerd materiaal waardoor ze er ook niet allemaal hetzelfde uitzien. Dus behalve het feit dat ze beschermen tegen de koude (tot -10 graden collega’s) tegen de wind en de regen zijn ze ook erg gebruiksvriendelijk en dat is uiteraard voor veel van onze daklozen ook een grote meerwaarde.
Ik wil bij deze graag het Rode Kruis bedanken voor deze mooie gift. En de Dienst Outreachend Werk om – zoals ik ze ken – altijd snel te schakelen in het belang van onze meest kwetsbare stadsgenoten. Merci.
vr 16/01/2026 - 15:51Half december stuurde minister Van Bossuyt, minister van Maatschappelijk Integratie, een omzendbrief naar de OCMW's waarin richtlijnen aangereikt worden hoe om te gaan met agressie van steunvragers, met de erg tragische gebeurtenis van 13 augustus als insteek.
“Elke aantoonbare vorm van agressie tegenover OCMW-medewerkers moet leiden tot het intrekken of niet toekennen van het leefloon”, stelde de minister naar aanleiding van deze OMB.
Hoewel we geenszins ontkennen dat we agressie tegenover hulpverleners niet mogen dulden, waren wij toch zeer verbaasd over de toonzetting van de communicatie van de minister, die geenszins overeen lijkt te komen met de Omzendbrief zelf. De toon van deze omzendbrief is immers veel gematigder en lijkt overeen te komen met hoe onze diensten nu al werken, in overeenstemming met het agressieprotocol.
Klopt het dat het Gents agressieprotocol in lijn ligt met de richtlijnen van de omzendbrief?
Hoe kijken onze diensten naar de richtlijnen en goede praktijken die aanbevolen worden?
Welke andere hefbomen kan deze regering onze diensten wél aanreiken om het werk van onze medewerkers veiliger en gemakkelijker te maken?
In augustus vorig jaar werden we keihard met de neus op de feiten gedrukt. De moord op Erik deed ons, en alle maatschappelijk werkers zelf in het bijzonder, beseffen hoe kwetsbaar zij zijn. Het zette – op een dramatische manier – op scherp waarom een sterk veiligheidsbeleid en een nultolerantie essentieel is.
Voor het ocmw Gent is de veiligheid van onze medewerkers altijd al een prioriteit. Daarom zetten we daar al jaren op in, onder meer met ons agressieprotocol en onze werkgroep van maatschappelijk werkers die rond agressie en wangedrag werken. We hanteren daarbij een nultolerantie. We tolereren geen enkele vorm van wangedrag. Agressie mag nooit genormaliseerd worden. Elke vorm van agressie moet volgens onze protocollen systematisch geregistreerd en aangepakt worden, weliswaar op maat van de situatie.
Maar het is meer dan dat. Een sterk veiligheidsbeleid, beste raadsleden, betekent niet dat wij gewoon ons deur dicht doen. Daar is niemand bij gebaat, ook niet de samenleving waarin de persoon in kwestie zonder begeleiding wordt losgelaten. De beste preventie van agressie, de beste bescherming van zowel onze medewerkers als onze cliënten, is een sterke eerste lijn. We investeren deze legislatuur jaarlijks 6,5 mio euro in het versterken van die eerste lijn. 6,5 mio euro die nodig is om al die extra Gentenaars die op het OCMW aangewezen zijn, goed te onthalen en kwalitatief te begeleiden.
1. Gelijkenissen en verschillen omzendbrief – huidige protocollen
Mevrouw Van Onckelen en mevrouw Roegiers, u vraagt beiden of ons Gentse agressieprotocol in lijn licht met de omzendbrief van minister Van Bossuyt. Wel, dat is inderdaad zo. De omzendbrief formaliseert grotendeels een praktijk die we in Gent al jaren toepassen. In die zin hebben wij dit schrijven met positieve belangstelling onthaald.
Ik licht graag toe: de kernlijn van het Gentse agressieprotocol stelt dat we een nultolerantie hanteren voor elke vorm van agressie. Op basis daarvan kan – zelfs moet - de medewerker steeds optreden en indien nodig de hulpverlening onmiddellijk stopzetten. Dit kan gaan van het aanspreken van de cliënt, het gesprek onderbreken, de toegang tot onze gebouwen ontzeggen,…
Wanneer agressie het sociaal onderzoek onmogelijk maakt, kan er eenvoudigweg niet nagegaan worden of iemand nog recht heeft op een leefloon, en kan dat dus leiden tot een negatieve beslissing. Dit principe wordt door deze omzendbrief bevestigd.
Want veel aanbevelingen en goede prakijken die worden vermeld in de omzendbrief zijn dus herkenbaar, want die worden al toegepast in Gent:
Er is een kader rond agressie en een werkgroep wangedrag/agressie die naar aanleiding van de tragedie in augustus wordt verfijnd en geactualiseerd.
Er zijn richtlijnen rond het inrichten van infrastructuur en deze worden toegepast
Er zijn opleidingen rond grenzen stellen in hulpverlening, briefings rond de kaders en intervisie binnen en over de teams.
Er is samenwerking met de politie voor het ontvangen van bepaalde cliënten
2. Registratie en rapportering aan het BCSD
Raadslid Roegiers, u informeerde ook naar registratie. Op het moment dat we een verslag negatief voorleggen omwille van agressie, wordt dit duidelijk verwoord in het verslag. Wij kunnen op dit moment aanduiden dat dit een negatieve beslissing is omwille van agressie, maar deze data kunnen we momenteel niet ontsluiten en rapporteren, want dit zit niet opgenomen in de softwarewijzigingen die vooral door wetswijzigingen worden aangestuurd.
vr 16/01/2026 - 12:53Op 1 januari trad de nieuwe regeling rond de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd in werking. De eerste dag dat mensen die geschorst werden van de werkloosheid, zich konden aanmelden bij lokale OCMW, was globaal geen overrompeling, aldus VVSG in een persbericht. Maar dat is absoluut geen uitspraak die geldt voor de komende weken, wordt eraan toegevoegd.
Opvallende vaststellingen zijn dat veel mensen aangeven dat het sociaal onderzoek confronterend aanvoelt en dat sommige mensen ook recht zouden hebben op een andere uitkering, zonder daarvoor al een aanvraag in te dienen.
Hoe verloopt de instroom bij ons Gentse OCMW? Zijn onze diensten voorlopig voldoende voorbereid?
Doet ons OCMW gelijkaardige vaststellingen als VVSG? Zijn er andere, bijkomende vaststellingen?
De inschatting op voorhand was dat een derde van de mensen die geschorst zouden worden, recht zouden hebben op leefloon, een derde op een andere vorm van uitkering, en een derde geen enkel recht zou hebben. Volgen de bevindingen van ons OCMW die inschattingen?
Beste collega’s,
Sinds 1 januari geldt de beperking van werkloosheid in tijd, een maatregel waar we ons het voorbije jaar intensief op hebben voorbereid. Ondanks beperkte informatie hebben onze diensten voortdurend gemonitord en een plan uitgewerkt om instromende cliënten goed op te vangen en tegelijk de basiswerking van het OCMW te garanderen. Dankzij een proactieve aanpak – extra aanwervingen, samenwerking met uitbetalingsinstellingen en de oprichting van een aparte onthaalcel sinds 1 december – konden we een massale toeloop vermijden. Mijn waardering voor de inzet van de dienst is dan ook bijzonder groot.
We kunnen stellen dat het vele voorbereidende werk loont. Door de creatie van een parallel onthaaltraject kunnen we de welzijnsbureaus voorlopig ontzien. Minder zichtbaar, maar wel talrijk is het aantal contactnamen met de specifieke onthaal-cel. In 2025 namen al 100 personen contact op, in 2026 72. Dat is goed voor 278 contactnames (2025:184, 2026: 94). Van die 172 personen die contactnamen, zijn er momenteel 120 leefloonaanvragen in onderzoek. Als je weet dat het geschatte aantal voor de maand januari 150 bedraagt, dan zitten we daar niet veraf.
Maar, eigenlijk is het momenteel te vroeg om de vraag naar de inschattingen te beantwoorden. In de ramingen hebben we steeds rekening gehouden met de derdes, wat voor januari zou neerkomen op een 150-tal mensen. We schatten in dat een deel van deze groep pas bij ons zal aankloppen in de loop van februari, wanneer ze op het einde van de maand hun betaling niet meer ontvingen. Pas eind februari zullen we dus een beter beeld hebben hoe de feitelijke situatie zich verhoudt tot de ramingen.
Alle vacatures staan open en zijn grotendeels ingevuld. De aanwervingen lopen dus vlot.
Die extra aanwervingen spelen een zeer belangrijke rol in het behapbaar houden van de werkdruk. Nu, de werkdruk van onze maatschappelijk werkers is steeds een aandachtspunt, wetende dat de maatschappelijk werkers tussen de 50 en 60 dossiers opvolgen per maand. Daarbij komt dat de dossiers vaak erg complex zijn én dat er ondertussen heel wat nieuwe federale regelgeving geïmplementeerd moet worden. Bovendien zijn er steunmaatregel, zoals PASOA, die geschrapt worden, wat geen fijne boodschappen zijn om mee te delen aan cliënten. Het aantal maatschappelijk werkers groeit mee met het aantal dossiers, maar de basisfinanciering is ondermaats. Mochten we enkel op de basisfinanciering terugvallen, dan zou elke maatschappelijk werker 130 dossiers moeten opvolgen per maand. Dat is natuurlijk onmogelijk!
Daarbij komt nog dat de diensten op de tweedelijn, zoals onze psychologische en juridische dienst, niet structureel gefinancierd worden. Het maatschappelijk werk stond al onder de druk en de combinatie van wat ik zonet opsomde zal dit niet verbeteren.
We blijven waakzaam en zijn voorbereid om snel bij te sturen als de draagkracht van het OCMW onder druk komt te staan. Tijdig en kwalitatief de aanvragen opvangen staat centraal.
De vragen rond activering raken sterk aan de mondelinge vraag van collega Taeldeman tijdens het vragenuurtje in december. Staat u mij toe hiernaar terug te grijpen. Vanaf het moment dat mensen een leefloon ontvangen, is het OCMW de primaire activeringspartner. Activering en leefloon zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We hanteren een breed begrip van activering: het gaat niet enkel om betaalde arbeid, maar ook om vele tussenstappen hierheen. Dit activeringstraject wordt voor iedereen die een leefloon krijgt vastgelegd in het GPMI.Gent beschikt over een heel breed activeringsaanbod, gaande van een aantal uren begeleid vrijwilligerswerk, over Jobteam, tot sollicitatietraining voor de reguliere arbeidsmarkt. Kortom; een aanbod op maat van een brede doelgroep.
Uit de huidige informatie weten we dat bij de eerste twee golven veel mensen een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, vaak met een arbeidsbeperking (aandoening van cognitieve, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, waardoor u het moeilijk hebt om werk te vinden of om uw job uit te voeren. Voorbeelden zijn autisme, slechthorendheid, slechtziendheid, epilepsie, een spierziekte, chronische depressie). Personen met het VDAB-label “Welzijn” zijn tijdelijk vrijgesteld van actief zoekgedrag naar regulier werk en worden in hun activeringstraject begeleid via het OCMW. Personen zonder “Welzijn”-label die een leefloon aanvragen, worden binnen drie maanden doorverwezen naar onze Dienst Werk en Activering. Binnen de dienst zijn er 5 nieuwe en ingevulde plaatsen om deze mensen te begeleiden. Op die manier engageren wij ons in elk geval om mensen intensief en op maat te begeleiden richting werk.
Tot voor kort had VDAB de opdracht om deze groep langdurig werkzoekenden naar werk te begeleiden. Die verantwoordelijkheid verschuift nu naar ons, zonder dat daar extra middelen tegenover staan. Het actieplan ‘Vlaanderen Werkt!’ voorziet nog een minimale rol voor VDAB: betrokkenen worden vooraf geïnformeerd en er worden jobdates georganiseerd om een ‘laatste jobaanbod’ te doen. In theorie blijft het traject bij VDAB doorlopen, maar zonder actieve opvolging. Gezien VDAB deze mensen soms tientallen jaren begeleidde zonder resultaat, biedt het idee dat zij ‘verder gebruik kunnen maken van het aanbod van VDAB’ weinig perspectief. Wij zullen deze groep intensiever moeten begeleiden om wél stappen vooruit te zetten, maar dat gebeurt momenteel zonder bijkomende financiering, wat een structureel knelpunt vormt.
wo 04/02/2026 - 16:29Met de temperaturen van de laatste weken is het noodzakelijk dat we als stad onze verantwoordelijkheid tegenover dak- en thuisloze Gentenaren opnemen, ook al binden bovenlokale overheden nu net in op deze ondersteuning.
We konden vernemen dat de stad bijkomend aan het huidige aanbod extra hotelkamers voor de opvang van daklozen in gebruik heeft genomen.
Ook de NMBS houdt verschillende stations bewust open, zoals het station van Gent-Sint-Pieters.
Welke pistes werden nog onderzocht rond uitbreiding van de opvang in brede zin, en waarom werd precies voor deze piste gekozen?
Opvang in een hotel is minder evident voor een deel van de daklozen, hoe gebeurt de toeleiding?
Het hotel dat de opvang doet bevindt zich eerder aan de rand van de stad, hoe gebeurt de begeleiding/opvolging van de daklozen?
Hoe wordt deze opvangvorm door de daklozen zelf geëvalueerd, hebben we daar zicht op?
Wat is de situatie in de stations Gent-Sint-Pieters en Dampoort? Wie monitort dit? Is er overleg tussen het stadsbestuur en de NMBS?
Dankuwel mevrouw Vanonckelen voor deze vragen. Een hele boterham. Ik zal ze samen met u overlopen, maar eerst moet er mij nog iets heel belangrijk van het hart.
Uw vragen gaan over opvang. Terecht. Want we zetten deze winter opnieuw in op opvang voor heel wat mensen. Mensen die zich in een moeilijk situatie bevinden. Maar ik wil toch benadrukken dat mijn focus blijft liggen op het aanbieden van structurele oplossingen. Wonen. In een goed huis, van goede kwaliteit, met woonzekerheid. Betaalbaar. Vanuit een stabiele woonsituatie kunnen we best een kwalitatief leven uitbouwen. Voor een gezin zorgen, gaan werken.
En wat voor mij, als schepen van gezondheid ook heel belangrijk is: mensen een plaats bieden waar ze rust kunnen vinden, waar ze niet in constante stress moeten leven, waar zij en hun kinderen kunnen leven en opgroeien. In een gezonde omgeving. Een veilige plaats waar ze voor andere mensen zorgen. Voor zichzelf kunnen zorgen.
Maar in bepaalde situaties is opvang nog altijd nodig. Omdat we bijvoorbeeld een antwoord moeten bieden op acute noodsituaties. Dat was en is ook deze winter weer het geval.
Uw eerste vraag ging over de onderzochte pistes rond opvang. Dat waren er heel wat.
We hebben een screening gedaan van alle leegstaande panden en panden die leeg zouden komen te staan. We gebruikten daarbij een lijst met minimale kwaliteitseisen. Dat gaat dan bijvoorbeeld over goed sanitair, bereikbaarheid en brandveiligheid. De panden die in aanmerking kwamen, werden dan ook bezocht en grondig bekeken. Geen enkel pand was instapklaar. Vaak was er nog een grote renovatiekost aan verbonden. En vooral, die renovatie zou te lang duren.
Half november start de 'warme winter'. Voor wie die term niet kent: dit slaat op het moment dat het een pak kouder wordt. We schakelen dan een versnelling hoger op het vlak van daklozenbeleid. We hebben toen, net als eerdere jaren, hotelkamers ingeschakeld, omdat de druk op de reguliere nachtopvang te groot werd. Dit werd heel positief ervaren. Mensen kunnen er langere tijd blijven en ook overdag kunnen ze er blijven. Ze moeten niet telkens de straat weer op. Daardoor kunnen ze meer rust ondervinden. Ik heb toen beslist om die hotelopvang verder op te schalen. Dit was een weloverwogen beslissing. Het opknappen van de leegstaande panden zou te traag en te duur geweest zijn. In het hotel konden we heel snel schakelen en meteen 30 bedden vrijmaken.
U vroeg ook hoe de toeleiding gebeurt in de hotelopvang.
Die wordt heel nauw opgevolgd en gecoördineerd door het OCMW, samen met de nachtopvanglocaties Huize Triest en het CAW. Zij kennen de mensen, zij kunnen best een goede inschatting maken.
Bij de selectie hanteren we duidelijke criteria. Het gaat in de eerste plaats om mensen die de voorbije maanden zeer vaak in de nachtopvang verbleven hebben. Daarnaast kijken we ook expliciet naar extra kwetsbare mensen, bijvoorbeeld door hun problematiek of omdat het om gezinnen gaat.
Door die aanpak creëren we opnieuw ruimte in de reguliere nachtopvang. Die plaatsen kunnen dan gebruikt worden door mensen die er minder frequent nood aan hebben, of door mensen met een zó complexe problematiek dat er ’s avonds en ’s nachts professionele begeleiding nodig is, gewoon uit veiligheidsoverwegingen.
Wat we met die hotelopvang willen doen, is mensen voor een iets langere periode 24 uur op 24 een dak boven het hoofd geven. Dat geeft hen — en ook de hulpverlening — wat ademruimte. Van daaruit kan er rustiger en gerichter gewerkt worden aan de volgende stappen in hun traject. Dat is vanuit de beperkingen van de klassieke nachtopvang vaak moeilijker.
U vroeg ook naar de begeleiding en opvolging.
Elke gebruiker van de nachtopvang loopt sowieso een traject rond dakloosheid. Ze doen dit met de hulpverlener die hen toeleidt naar de nachtopvang.
Daarnaast gaan verschillende hulpverleners langs in het hotel om hun cliënt te zien, in functie van het traject uit dakloosheid.
Er is ook zeer frequent een straathoekwerker aanwezig. Die kan ook preventief werken en ervoor zorgen dat alles beheersbaar blijft. Die persoon is ook een aanspreekpunt, zowel voor het hotelpersoneel als voor de mensen die er verblijven. De straathoekwerker kan snel ingrijpen of bijsturen waar nodig.
We werken telkens met cycli van maximaal veertien dagen. Ik zei het al meermaals: ik wil mensen zoveel mogelijk rust bieden. Op die manier is er minder dagdagelijkse stress. Als er een verlenging nodig is, na die twee weken, dan kan dat na overleg tussen de gebruiker en de hulpverlener.
Mevrouw Vanonckelen, u vroeg ook naar een evaluatie hiervan. We zijn nog maar net gestart, dus het is niet zo dat er al een formele evaluatie plaats vond. Dat zal wel gebeuren. We deden wel al een korte bevraging van de toeleiders en de gebruikers. Zij zijn heel positief over de inzet van hotelbedden. Ze waarderen vooral de rust van het langere verblijf. Niet elke dag moeten inbellen stellen ze op prijs. Ze ervaren ook meer autonomie. Ze kunnen bijvoorbeeld kiezen wanneer ze zich wassen of iets eten. Dat is echt een meerwaarde.
Die rust en autonomie zorgt zelfs al voor kleine successen in het traject uit dakloosheid. We zien bijvoorbeeld dat gebruikers van de hotelopvang al meer medische opvolging aanvragen, activeringstrajecten naar werk opstarten of meer contact zoeken met maatschappelijk werkers. Dit zijn kleine successen, maar ze zijn van groot belang voor het welzijn van de mensen.
En dan ben ik bij uw laatste vraag gekomen, over de stations Gent-Sint-Pieters en Dampoort.
Hiervoor is er structureel overleg voorzien, met verschillende stadsdiensten en vertegenwoordigers van de NMBS. Zo kunnen we de situatie goed monitoren en zijn we op de hoogte van het aantal slapers in het station en de situatie tijdens de nacht.
Overdag zijn er heel wat hulpverleners actief in de stations: de vaste straathoekwerkers, de vindplaatsgerichte werkers, de straatverpleegster en mobiel team GGZ. Zij spreken actief dakloze personen aan. En ze zijn ook de aanspreekfiguren voor het NMBS-personeel. Tijdens de vorstpatrouilles gaan de straathoekwerkers ook ’s avonds en/of ‘s nachts langs in de stations.
Collega's, dit was een hele boterham. Het is ook niet niks, wat we allemaal doen rond opvang.
Maar ik wil toch nog graag afsluiten met te vermelden dat opvang maar een heel klein stukje van de puzzel is. Een klein onderdeeltje van mijn beleid rond dak- en thuisloosheid.
Ik zal altijd zoveel als mogelijk toeleiden naar wonen. Daarom voorzie ik ook in alle initiatieven voldoende begeleiding. Zodat mensen uit dakloosheid geraken. We doen dit bij de opvanglocaties zelf, maar bijvoorbeeld ook in de dagopvang. In de Pannestraat, een van de inloopcentra, zijn er sinds deze winter tal van groepswerkingen. Die zijn gericht op zoeken naar woningen, op Nederlands leren, digitale vaardigheden aanleren, en ook, zoals je van mij als schepen van gezondheid kan verwachten, sessies gericht op mentaal welzijn. Want, we geven mensen niet alleen opvang. We geven ze ook perspectief.
do 15/01/2026 - 11:58Op 1 januari 2026 startte de eerste fase van de beperking van de werkloosheid in de tijd, werknemers die meer dan 20 jaar werkloos zijn verloren hun uitkering.
Het OCMW heeft zich hier goed op voorbereid. Door continue monitoring werden verschillende stappen uitgewerkt om aan de slag te gaan met deze grote uitdaging.
Zo werd de personeelscapaciteit uitgebreid met 33 extra medewerkers, waaronder onthaalmedewerkers, maatschappelijk werkers, activeringsbegeleiders, …. . Op vlak van communicatie werd er heel wat ondernomen om de mensen proactief te informeren.
Het ontvangen van leefloon en activering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Wat zijn de bevindingen/ervaringen van de laatste weken ?
Zijn alle vacatures ondertussen ingevuld ?
Verwacht men een uitstroom van maatschappelijk werkers als gevolg van de toenemende werkdruk ?
Mensen die 20 jaar of langer werkloos zijn, staan ver van de arbeidsmarkt. Wat is het plan van aanpak om deze mensen te activeren op maat van ieder zijn kunnen ?
Wat is de rol van de VDAB in deze hervorming ?
Zal vanaf een bepaalde instroom andere vormen van dienstverlening tijdelijk worden stilgelegd ? Zo ja, welke keuzes zullen er gemaakt worden ?
Beste collega’s,
Sinds 1 januari geldt de beperking van werkloosheid in tijd, een maatregel waar we ons het voorbije jaar intensief op hebben voorbereid. Ondanks beperkte informatie hebben onze diensten voortdurend gemonitord en een plan uitgewerkt om instromende cliënten goed op te vangen en tegelijk de basiswerking van het OCMW te garanderen. Dankzij een proactieve aanpak – extra aanwervingen, samenwerking met uitbetalingsinstellingen en de oprichting van een aparte onthaalcel sinds 1 december – konden we een massale toeloop vermijden. Mijn waardering voor de inzet van de dienst is dan ook bijzonder groot.
We kunnen stellen dat het vele voorbereidende werk loont. Door de creatie van een parallel onthaaltraject kunnen we de welzijnsbureaus voorlopig ontzien. Minder zichtbaar, maar wel talrijk is het aantal contactnamen met de specifieke onthaal-cel. In 2025 namen al 100 personen contact op, in 2026 72. Dat is goed voor 278 contactnames (2025:184, 2026: 94). Van die 172 personen die contactnamen, zijn er momenteel 120 leefloonaanvragen in onderzoek. Als je weet dat het geschatte aantal voor de maand januari 150 bedraagt, dan zitten we daar niet veraf.
Maar, eigenlijk is het momenteel te vroeg om de vraag naar de inschattingen te beantwoorden. In de ramingen hebben we steeds rekening gehouden met de derdes, wat voor januari zou neerkomen op een 150-tal mensen. We schatten in dat een deel van deze groep pas bij ons zal aankloppen in de loop van februari, wanneer ze op het einde van de maand hun betaling niet meer ontvingen. Pas eind februari zullen we dus een beter beeld hebben hoe de feitelijke situatie zich verhoudt tot de ramingen.
Alle vacatures staan open en zijn grotendeels ingevuld. De aanwervingen lopen dus vlot.
Die extra aanwervingen spelen een zeer belangrijke rol in het behapbaar houden van de werkdruk. Nu, de werkdruk van onze maatschappelijk werkers is steeds een aandachtspunt, wetende dat de maatschappelijk werkers tussen de 50 en 60 dossiers opvolgen per maand. Daarbij komt dat de dossiers vaak erg complex zijn én dat er ondertussen heel wat nieuwe federale regelgeving geïmplementeerd moet worden. Bovendien zijn er steunmaatregel, zoals PASOA, die geschrapt worden, wat geen fijne boodschappen zijn om mee te delen aan cliënten. Het aantal maatschappelijk werkers groeit mee met het aantal dossiers, maar de basisfinanciering is ondermaats. Mochten we enkel op de basisfinanciering terugvallen, dan zou elke maatschappelijk werker 130 dossiers moeten opvolgen per maand. Dat is natuurlijk onmogelijk!
Daarbij komt nog dat de diensten op de tweedelijn, zoals onze psychologische en juridische dienst, niet structureel gefinancierd worden. Het maatschappelijk werk stond al onder druk en de combinatie van wat ik zonet opsomde zal dit niet verbeteren.
We blijven waakzaam en zijn voorbereid om snel bij te sturen als de draagkracht van het OCMW onder druk komt te staan. Tijdig en kwalitatief de aanvragen opvangen staat centraal.
De vragen rond activering raken sterk aan de mondelinge vraag van collega Taeldeman tijdens het vragenuurtje in december. Staat u mij toe hier terug naar te grijpen. Vanaf het moment dat mensen een leefloon ontvangen, is het OCMW de primaire activeringspartner. Activering en leefloon zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We hanteren een breed begrip van activering: het gaat niet enkel om betaalde arbeid, maar ook om vele tussenstappen hierheen. Dit activeringstraject wordt voor iedereen die een leefloon krijgt vastgelegd in het GPMI. Gent beschikt over een heel breed activeringsaanbod, gaande van een aantal uren begeleid vrijwilligerswerk, over Jobteam, tot sollicitatietraining voor de reguliere arbeidsmarkt. Kortom; een aanbod op maat van een brede doelgroep.
Uit de huidige informatie weten we dat bij de eerste twee golven veel mensen een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, vaak met een arbeidsbeperking (aandoening van cognitieve, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, waardoor u het moeilijk hebt om werk te vinden of om uw job uit te voeren. Voorbeelden zijn autisme, slechthorendheid, slechtziendheid, epilepsie, een spierziekte, chronische depressie). Personen met het VDAB-label “Welzijn” zijn tijdelijk vrijgesteld van actief zoekgedrag naar regulier werk en worden in hun activeringstraject begeleid via het OCMW. Personen zonder “Welzijn”-label die een leefloon aanvragen, worden binnen drie maanden doorverwezen naar onze Dienst Werk en Activering. Binnen de dienst zijn er 5 nieuwe en ingevulde plaatsen om deze mensen te begeleiden. Op die manier engageren wij ons in elk geval om mensen intensief en op maat te begeleiden richting werk.
Tot voor kort had VDAB de opdracht om deze groep langdurig werkzoekenden naar werk te begeleiden. Die verantwoordelijkheid verschuift nu naar ons, zonder dat daar extra middelen tegenover staan. Het actieplan ‘Vlaanderen Werkt!’ voorziet nog een minimale rol voor VDAB: betrokkenen worden vooraf geïnformeerd en er worden jobdates georganiseerd om een ‘laatste jobaanbod’ te doen. In theorie blijft het traject bij VDAB doorlopen, maar zonder actieve opvolging. Gezien VDAB deze mensen soms tientallen jaren begeleidde zonder resultaat, biedt het idee dat zij ‘verder gebruik kunnen maken van het aanbod van VDAB’ weinig perspectief. Wij zullen deze groep intensiever moeten begeleiden om wél stappen vooruit te zetten, maar dat gebeurt momenteel zonder bijkomende financiering, wat een structureel knelpunt vormt.
wo 14/01/2026 - 12:04Eind vorig jaar is er beslist dat de gebouwen van heel wat Open Huizen de komende jaren vervreemd zullen worden.
Omdat verschillende gebouwen vaak verouderd zijn en stevige investeringen vergen, wordt er geopteerd om verschillende werkingen te clusteren in minder gebouwen, waar ik mij persoonlijk volledig in kan vinden.
Voor veel bezoekers en vrijwilligers zijn de Open Huizen soms de enige plek waar ze andere ontmoeten, en tegen betaalbare prijzen een gezellige namiddag kunnen doorbrengen. De ongerustheid bij die mensen is dan ook bijzonder groot.
Ik begrijp dat deze mensen ongerust zijn en zich vragen stellen.
In het Open Huis Ter Biest staan er bijvoorbeeld twee biljarttafels. Deze werden de voorbije 14 jaar door een trouwe bezoeker verzorgd. Deze persoon zou die twee biljarttafels graag zien mee verhuizen naar een nieuwe locatie.
Zijn er al termijnen gekend van bepaalde Open Huizen wanneer zij de huidige locatie zullen verlaten?
Op welke manier wordt er met de Open Huizen gecommuniceerd over het verder traject op maat van hun Open Huis?
Hoe zullen de vrijwilligers en bezoekers hun weg vinden naar andere ontmoetingsplaatsen in de buurt? Zullen de vrijwilligers nog verder vrijwilligerswerk kunnen blijven doen?
Kan er rekening gehouden worden met specifieke vragen van vrijwilligers zoals het verhuizen van de twee biljarttafels ?
Beste raadslid De Beule, beste raadslid Naeyaert,
Bedankt om uw vragen te stellen en bezorgdheden te delen. Het is goed dat we tijdens deze commissie hier even bij stil staan, want ik kan niet genoeg benadrukken dat we de denkoefening rond de Open Huizen met veel zorg doen. Een gebouw vervreemden is één ding, zomaar bezoekers en vrijwilligers aan hun lot overlaten iets heel anders. Dat gaan we absoluut niet doen.
Eerst nog even deze oefening kaderen:
De plannen voor de Open Huizen kaderen in een ruimer vraagstuk: hoe maken we buurten leeftijdsvriendelijker? Daarbij willen we in elke buurt een plek voor ontmoeting, maar ook meer hulp- en dienstverlening voor ouder wordende Gentenaars. Daarom komen er bijvoorbeeld drie extra lokale dienstencentra. Twee daarvan zijn Open Huizen die we uitbouwen en professionaliseren tot volwaardige lokale dienstencentra, met meer dienstverlening voor ouderen en meer ondersteuning voor de vrijwilligers.
Voor andere Open Huizen bekijken we hoe we activiteiten stap voor stap kunnen toeleiden naar een lokaal dienstencentrum of een andere buurtvoorziening vlakbij, nog andere zullen gewoon op de huidige locatie blijven.
En daarom wil ik graag eerst wat foutieve informatie of berichten de wereld uit helpen.
Info dat het OH Mariakerke zou moeten verhuizen klopt niet, dit blijft op huidige locatie bestaan.
Het klopt niet dat deze open huizen zomaar sluiten. We maken een doordachte oefening waarbij we alle ontmoetingsplekken in de buurt in kaart brengen, samenwerkingen zien en zorgen dat zowel gebruikers als vrijwilligers een plek in hun buurt gegarandeerd zien.
Om enkele concrete voorbeelden te geven:
De werking van Open Huis Nieuw Gent kantelt in het buurtcentrum op het Rerum Novarumplein, dat een buurthuis wordt.
De locatie van Open Huis Jan Yoens verdwijnt door de bouw van nieuwe sociale woningen op die plek. Open Huis De Blomme ligt op enkele straten hiervandaan en de vrijwilligers en gebruikers kunnen daar terecht (vele doen zelfs daar ook al vrijwilligerswerk).
Open Huis De Blomme zal zelf, net als het buurtcentrum van de Stad in die wijk, in een later stadium mee verhuizen naar een nieuwe locatie waar alle buurtgerichte infrastructuur wordt samengebracht. De mogelijke pistes hiervoor zijn nog in onderzoek, tot dan zal de werking daar gegarandeerd blijven.
Open Huis Krekelberg weet ook al langer dat zij op lange termijn niet op hun huidige plek kunnen blijven , maar de werking is heel actief en willen we graag verderzetten in de onmiddellijke omgeving, bijvoorbeeld in de Heilig Hart kerk. We bekijken samen met hen de modaliteiten van een verhuis op termijn.
Ook van een aantal andere Open Huizen zal het gebouw de komende jaren een andere bestemming krijgen. Voor elk van deze open huizen (OH Azalea, OH Bassijn, OH Ter Biest, OH Otterken en OH Robinia) werken onze diensten aan een aanpak op maat, in overleg met de vrijwilliger.
Open Huis Wondelgem zal pas verhuizen als er ruimte wordt voorzien in de plint van de nieuwe sociale woningen in Wondelgem. Dit zal sowieso niet de komende jaren gerealiseerd worden.
Voor alle duidelijkheid: verschillende van die beslissingen zijn in het verleden al gevallen, en staan los van de meest recente beslissing. Die Open Huizen en hun voorzitters zijn dus al langer op de hoogte van een verhuis of samenvloeien met een andere ontmoetingsplaats.
Er ligt dus geen timing vast, net omdat we deze trajecten in overleg doen met iedereen die betrokken is en omdat de timing van een andere bestemming vaak nog niet duidelijk is.
Ik realiseer mij dat dit een grote verandering is voor iedereen die bij de Open Huizen betrokken is, en de werkingen zoals we ze vandaag kennen niet helemaal in dezelfde vorm ergens anders kunnen verdergezet worden maar we proberen in die gewijzigde situatie toch zoveel mogelijk van de activiteiten en vooral de sociale netwerken te behouden. Daarom willen we samen met veel zorg een traject op maat van elk Open Huis aangaan en samen het goede moment kiezen om het gebouw te verlaten.
Hoe gaan we te werk?
Alle Open Huizen, zowel hun vrijwilligers als hun gebruikers, worden opgevolgd door een medewerker van OTV of LDC. De eerste gesprekken met de voorzitters van alle Open Huizen hebben reeds plaats gevonden en de komende tijd zullen er nog veel gesprekken volgen, zowel individueel als in groep.
De gebruikers gaan we informeren over andere ontmoetingsplaatsen in hun buurt. We hebben een enorm mooi aanbod binnen onze LDC’s en buurtcentra. We hebben extra aandacht voor kwetsbare gebruikers en laten hen niet los.
Vrijwilligers kunnen hun inzet verderzetten binnen hun eigen buurt in een LDC of buurthuis. Maar daarnaast kunnen er ook uiteraard nog andere pistes van vrijwilligerswerk met hen bekeken worden. We begeleiden hen hierin en leiden toe naar andere diensten, organisaties of verenigingen die vrijwilligers heel graag zien komen.
Wat de inboedel van de open huizen betreft, zoals de biljarttafels waarnaar verwezen wordt, hebben we nog geen afspraken gemaakt. We zullen dit per locatie bekijken en zoeken naar de mogelijkheden van een herbestemming van het materiaal. Vanzelfsprekend hopen we dat we zoveel mogelijk aan de specifieke wensen van de mensen kunnen voldoen en zullen we dit dan ook onderdeel laten uitmaken van de trajecten die de diensten samen met alle betrokkenen van de Open Huizen lopen. Want mijn grootste zorg is vanzelfsprekend de vrijwilligers en de bezoekers.
wo 04/02/2026 - 16:00Vorige maand verspreidde de minister van maatschappelijke integratie een omzendbrief gericht aan alle OCMW-voorzitters over omgaan met agressie (https://www.mi-is.be/sites/default/files/documents/Omzendbrief%20over%20omgaan%20met%20agressie%20in%20de%20OCMW%E2%80%99s_0.pdf). De aanleiding voor de omzendbrief is de moord op een Gentse OCMW-medewerker tijdens een huisbezoek op 13 augustus. De omzendbrief werd opgesteld na overleg ter zake met een aantal OCMW’s in combinatie met plaatsbezoeken ook.
De omzendbrief stipuleert duidelijk dat het niet meewerken met het sociaal onderzoek – met name door agressief, intimiderend of bedreigend gedrag, fysiek, verbaal en non-verbaal – een grond is of kan zijn voor een negatieve beslissing over het verlenen van steun, aangezien in die omstandigheden de benodigde informatie niet kan verzameld worden om te beoordelen of aan de voorwaarden voldaan is. Verder moedigt de omzendbrief de OCMW’s aan om een kader uit te werken over de aanpak van agressie en worden een aantal goede praktijken gedeeld (o.a. een gespecialiseerd agressie-coach, gesloten loketten, een checklist voor huisbezoeken, goede contacten met relevante politie-eenheid, sensibiliseringscampagnes). Na de tragische moord in augustus startte het stadsbestuur sowieso al een doorlichting van het al voorhanden zijnde agressiekader op.
De schepen reageerde al in de pers op de omzendbrief (https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/12/18/agressie-tegen-ocmw-medewerkers-heeft-voortaan-gevolgen-voor-lee/): “(…) Het is goed dat de minister nu een duidelijk kader schept,” en “(…) wanneer mensen echt niet meewerken en onze medewerkers in gevaar komen, dan moeten we ook een duidelijke lijn durven trekken." Tegelijk vroeg de schepen aandacht voor de complexiteit van sommige situaties en pleitte ze voor een gelaagde aanpak met politiebegeleiding tijdens consultaties als laatste redmiddel.
1. Hoe zal de nieuwe omzendbrief in de werking van het Gentse OCMW geïmplementeerd worden? Wat zal het verschil zijn met de huidige aanpak (zowel in de praktijk als qua formulering van het agressiekader)?
2. Kunnen uitingen van agressie tijdens het sociaal onderzoek (nog) duidelijker gesignaleerd worden aan de leden van het BCSD? Zullen negatieve beslissingen ten gevolge van agressie systematisch geregistreerd worden?
In augustus vorig jaar werden we keihard met de neus op de feiten gedrukt. De moord op Erik deed ons, en alle maatschappelijk werkers zelf in het bijzonder, beseffen hoe kwetsbaar zij zijn. Het zette – op een dramatische manier – op scherp waarom een sterk veiligheidsbeleid en een nultolerantie essentieel is.
Voor het ocmw Gent is de veiligheid van onze medewerkers altijd al een prioriteit. Daarom zetten we daar al jaren op in, onder meer met ons agressieprotocol en onze werkgroep van maatschappelijk werkers die rond agressie en wangedrag werken. We hanteren daarbij een nultolerantie. We tolereren geen enkele vorm van wangedrag. Agressie mag nooit genormaliseerd worden. Elke vorm van agressie moet volgens onze protocollen systematisch geregistreerd en aangepakt worden, weliswaar op maat van de situatie.
Maar het is meer dan dat. Een sterk veiligheidsbeleid, beste raadsleden, betekent niet dat wij gewoon ons deur dicht doen. Daar is niemand bij gebaat, ook niet de samenleving waarin de persoon in kwestie zonder begeleiding wordt losgelaten. De beste preventie van agressie, de beste bescherming van zowel onze medewerkers als onze cliënten, is een sterke eerste lijn. We investeren deze legislatuur jaarlijks 6,5 mio euro in het versterken van die eerste lijn. 6,5 mio euro die nodig is om al die extra Gentenaars die op het OCMW aangewezen zijn, goed te onthalen en kwalitatief te begeleiden.
1. Gelijkenissen en verschillen omzendbrief – huidige protocollen
Mevrouw Van Onckelen en mevrouw Roegiers, u vraagt beiden of ons Gentse agressieprotocol in lijn licht met de omzendbrief van minister Van Bossuyt. Wel, dat is inderdaad zo. De omzendbrief formaliseert grotendeels een praktijk die we in Gent al jaren toepassen. In die zin hebben wij dit schrijven met positieve belangstelling onthaald.
Ik licht graag toe: de kernlijn van het Gentse agressieprotocol stelt dat we een nultolerantie hanteren voor elke vorm van agressie. Op basis daarvan kan – zelfs moet - de medewerker steeds optreden en indien nodig de hulpverlening onmiddellijk stopzetten. Dit kan gaan van het aanspreken van de cliënt, het gesprek onderbreken, de toegang tot onze gebouwen ontzeggen,…
Wanneer agressie het sociaal onderzoek onmogelijk maakt, kan er eenvoudigweg niet nagegaan worden of iemand nog recht heeft op een leefloon, en kan dat dus leiden tot een negatieve beslissing. Dit principe wordt door deze omzendbrief bevestigd.
Want veel aanbevelingen en goede prakijken die worden vermeld in de omzendbrief zijn dus herkenbaar, want die worden al toegepast in Gent:
Er is een kader rond agressie en een werkgroep wangedrag/agressie die naar aanleiding van de tragedie in augustus wordt verfijnd en geactualiseerd.
Er zijn richtlijnen rond het inrichten van infrastructuur en deze worden toegepast
Er zijn opleidingen rond grenzen stellen in hulpverlening, briefings rond de kaders en intervisie binnen en over de teams.
Er is samenwerking met de politie voor het ontvangen van bepaalde cliënten
2. Registratie en rapportering aan het BCSD
Raadslid Roegiers, u informeerde ook naar registratie. Op het moment dat we een verslag negatief voorleggen omwille van agressie, wordt dit duidelijk verwoord in het verslag. Wij kunnen op dit moment aanduiden dat dit een negatieve beslissing is omwille van agressie, maar deze data kunnen we momenteel niet ontsluiten en rapporteren, want dit zit niet opgenomen in de softwarewijzigingen die vooral door wetswijzigingen worden aangestuurd.
wo 04/02/2026 - 15:56Ik kaartte in deze commissie in september de stopzetting aan van de federale participatiemiddelen (PAS/PASOA) vanuit de POD MI
Deze vraag maakte ook elders verontwaardiging los, want in totaal gaat het over een besparing van 15 miljoen euro die rechtstreeks bij mensen, ook kinderen, in kansarmoede wordt weggehaald.
Ik hoor dan ook graag naar de evolutie in dit dossier.
De schepen liet weten in overleg te zullen gaan met bevoegde minister Van Bossuyt. Heeft dit overleg reeds plaatsgevonden en wat was het resultaat?
Werd het wegvallen van deze middelen binnen VVSG reeds aangekaart?
De Brusselse OCMW's trekken naar de raad van state om de beslissing aan te vechten; overweegt ons OCMW een gelijkaardige stap, al dan niet samen met andere OCMW's?
Beste collega Vanonckelen,
De deelname van alle mensen aan onze samenleving vind ik ontzettend belangrijk. Mensen met minder mogelijkheden tot maatschappelijke participatie verdienen bijzondere aandacht. De PASOA-middelen vormden een belangrijke hefboom om financiële drempels weg te nemen bij mensen met beperkt budget.
U hoort mij spreken in de verleden tijd, collega. De bevoegde minister Anneleen Van Bossuyt besliste vorig jaar om deze steun stop te zetten: een bijzonder asociale beslissing die ik meermaals publiekelijk heb afgekeurd. Helaas is dit alweer een maatregel waar we als lokaal bestuur machteloos tegenover staan. Het komt immers de minister toe te kiezen of ze gezinnen in armoede op het vlak van sociale participatie wil ondersteunen. Mocht ik in haar schoenen staan, dan zou ik dat vanzelfsprekend wél doen. De minister koos er echter voor deze steun wel te schrappen. Waarvan akte.
We hebben dit inderdaad ook aangekaart bij de VVSG. Die heeft dit punt na de beslissing van de minister geagendeerd tijdens het vaste overleg met de POD MI. De POD MI heeft dit punt niet prioritair op haar actief op te volgen punten staan.
Er is vanuit VVSG geprobeerd om gezamenlijk te communiceren met de Brusselse OCMW’s, maar zij hebben ervoor gekozen om zelfstandig verdere stappen te ondernemen. Na overleg en rondvraag bij de minister is vastgesteld dat er geen bijkomende elementen beschikbaar waren die de genomen beslissing konden wijzigen. Wij waren niet vooraf geïnformeerd over de demarche van de Brusselse OCMW’s, net zoals de VVSG dat niet was.
Hoewel het aanvechten van deze beslissing een zekere symbolische waarde kan hebben, kies ik er in mijn prioriteiten voor om te focussen op dossiers waar ik daadwerkelijk impact kan realiseren. Indien de Raad van State de beslissing zou vernietigen, kan Stad Gent zich daarbij aansluiten, al wordt volgens de VVSG de kans op een dergelijke uitspraak als zeer beperkt ingeschat.
wo 14/01/2026 - 11:57Recent heeft de minister van onderwijs een verbod ingevoerd op reclame voor commerciële bijlessen of doorverwijzing naar dergelijke bijlessen door scholen of leerkrachten. De minister beagrumenteert het verbod als volgt: "Wie extra ondersteuning nodig heeft, mag niet het gevoel krijgen dat de oplossing buiten de school ligt of alleen bereikbaar is voor wie het kan betalen.” Uit onderzoek door Willem De Cort (KULeuven) was eerder gebleken dat één op vijf leerlingen die dergelijke bijlessen volgt, doorverwezen werd door een school of leerkracht.
Gratis bijlesinitiatieven via bijvoorbeeld vrijwilligers blijven uiteraard wel mogelijk. De Cort pleit bijvoorbeeld voor meer huiswerkklassen, die effectief zijn en minder personeel vragen of ook door oudere leerlingen kunnen begeleid worden. Het stadsbestuur ondersteunt en promoot al langer gratis studieondersteuningsinitiatieven met vrijwilligers (met voor dit schooljaar: https://stad.gent/sites/default/files/media/documents/20240830_PU_brochure%20studieondersteuning%202025-2026_DEF.pdf, met ook enkele huiswerkklassen).
1. Werden er tot nog toe binnen het stedelijk onderwijsnet leerlingen soms of wel vaker doorverwezen naar commerciële bijlessen? Werd er binnen het stedelijk onderwijsnet – door individuele scholen, leekrachten of andere betrokkenen – reclame gemaakt voor commerciële bijlessen?
2. In welke mate wordt er binnen de scholen van het stedelijk onderwijsnet ingezet op bijvoorbeeld huiswerkklassen voor leerlingen die hier nood aan hebben (los dus van de niet-schoolgebonden initiatieven)? Ziet de schepen hier nog mogelijkheden?
Beste collega Deene
De bezorgdheid over de commercialisering van bijlessen en de ongelijkheid waartoe die leidt is gekend en terecht. Het Stedelijk Onderwijs heeft al langer een kader daartoe ontwikkeld.
De leerlingen mogen niet doorverwezen worden naar commerciële bijlessen. Als individuele personeelsleden dit al zouden doen, en men komt dit te weten, dan worden die personeelsleden daarop aangesproken. Onze scholen verwijzen wel door naar gratis initiatieven studieondersteuning – in regie van het Onderwijscentrum Gent – die er bestaan in onze stad.
We gaan ervan uit dat de onderwijstijd, gecombineerd met het GOK-beleid en beleid rond leerlingenbegeleiding, moet volstaan. Kinderen die niet helemaal mee zijn, kunnen in de lestijd rekenen op extra uitleg of ondersteuning. We zien dat dus als deel van de geïntegreerde werking, wat deel uitmaakt van de eerstelijnszorg. Als een kind meer nodig heeft, kan er geschakeld worden naar verhoogde zorg. In ons secundair onderwijs spreken we ook wel van remediëringslessen.
U vraagt naar huiswerkklassen e.d. Ik wil graag verduidelijken dat er op de scholen naschools tijd wordt voorzien om huiswerk te maken, maar dat is geen bijles.
In het basisonderwijs zorgen de Begeleiders Buitenschoolse Opvang voor de organisatie ervan. Op sommige scholen wordt ook beroep gedaan op vrijwilligers om leerlingen te ondersteunen, zowel binnen als buiten de schooltijd.
In het secundair onderwijs bestaat die georganiseerde studie ook. Leerlingen kunnen er studeren of huiswerk maken.
Dus, samengevat. Reeds voor het initiatief van de minister was er al een duidelijk kader bij het SOG: doorverwijzen naar of reclame maken voor commerciële bijlessen kan niet. En er wordt buiten de lestijden ruimte gemaakt voor huiswerk en studie zowel in het basis- als het secundair onderwijs.
do 15/01/2026 - 09:37In de meerjarenbegroting van de stad gent zijn verschillende besparingsmaatregelen voorzien met een impact op SodiGent. Zo zou ondermeer de werkingstoelage voor gepensioneerde leden worden geschrapt, wordt het aantal personeelsleden die door de stad betaald worden verminderd en zal tot slot het stedelijk onderwijs vanaf 2026 niet langer aansluiten bij Sodigent.
Daarbij heb ik volgende vragen voor de schepen:
Ik herhaal kort nog even:
We hebben gerichte ingrepen gedaan:
De concrete impact op het budget van Sodigent is
Er zijn momenteel 3578 aangesloten gepensioneerden. Ik ben ervan overtuigd dat het aanbod nog steeds aantrekkelijk blijft.
De medewerkers van het Stedelijk Onderwijs zullen inderdaad niet langer bij Sodigent kunnen aansluiten.
De stad Gent stelt vandaag verschillende open huizen ter beschikking. Dit zijn laagdrempelige ontmoetingsplekken, voornamelijk voor 55-plussers, met een belangrijke sociale, verbindende en preventieve functie in de buurt. Ze worden in grote mate gedragen door vrijwilligers.
Tijdens de bespreking van het meerjarenplan werd duidelijk dat de stad een aanzienlijk deel van haar stedelijk patrimonium wil verkopen, verpachten of herbestemmen. In dat kader werd ook expliciet aangegeven dat deze strategie gevolgen kan hebben voor bestaande functies, zoals open huizen, buurthuizen en bibliotheken.
In de lijst van te vervreemden panden zien we dat er een tiental open huizen die daarin zijn opgenomen, effectief dreigen te verdwijnen of hun huidige werking verliezen. Dat wordt intussen ook bevestigd in de praktijk. Zo lazen we recent dat Open Huis Azalea en Open Huis Ter Biest een nieuwe invulling krijgen als kinderopvanglocatie. Daarnaast kregen ook andere open huizen te maken met huuropzeg of verhuisplannen, zoals Open Huis Bassijn + bolbaan, Open Huis De Blomme en Jan Yoens.
De stad stelt dat diensten die verdwijnen een nieuw onderkomen zullen krijgen in de buurt. Het is echter onduidelijk hoe deze beslissingen tot stand komen, hoe het overleg met de betrokkenen verloopt, wie daarbij wordt betrokken en tegen wanneer dit alles wordt uitgevoerd. Bovendien stellen we vast dat niet alle betrokken locaties expliciet opduiken in de lijst van te vervreemden panden. Zo stond het open huis in Mariakerke niet op die lijst, terwijl we ook daar signalen ontvangen dat een verhuis zou worden voorbereid.
Gezien het grote belang van open huizen voor hun gebruikers, vrijwilligers en de buurt, is transparantie over deze procedures en beslissingen essentieel.
Hoe verloopt concreet de procedure wanneer een open huis of buurthuis wordt herbestemd, verkocht of moet verhuizen?
Wordt er telkens een participatietraject voorzien?
a. Zo ja, hoe wordt dat georganiseerd en hoe worden de resultaten ervan meegenomen in de besluitvorming?
b. Welke betrokken actoren worden hierin meegenomen?
Kan de schepen bevestigen of het open huis in Mariakerke effectief zal moeten verhuizen, ondanks het feit dat dit pand niet voorkomt op de lijst van te vervreemden panden?
a. Indien ja, hoe verloopt of zal het overleg hierover verlopen en wat is de timing van deze beslissing?
Zijn er nog Open Huizen die zullen verdwijnen of worden herbestemd die niet op de lijst van te vervreemden panden stonden?
Beste raadslid De Beule, beste raadslid Naeyaert,
Bedankt om uw vragen te stellen en bezorgdheden te delen. Het is goed dat we tijdens deze commissie hier even bij stil staan, want ik kan niet genoeg benadrukken dat we de denkoefening rond de Open Huizen met veel zorg doen. Een gebouw vervreemden is één ding, zomaar bezoekers en vrijwilligers aan hun lot overlaten iets heel anders. Dat gaan we absoluut niet doen.
Eerst nog even deze oefening kaderen:
De plannen voor de Open Huizen kaderen in een ruimer vraagstuk: hoe maken we buurten leeftijdsvriendelijker? Daarbij willen we in elke buurt een plek voor ontmoeting, maar ook meer hulp- en dienstverlening voor ouder wordende Gentenaars. Daarom komen er bijvoorbeeld drie extra lokale dienstencentra. Twee daarvan zijn Open Huizen die we uitbouwen en professionaliseren tot volwaardige lokale dienstencentra, met meer dienstverlening voor ouderen en meer ondersteuning voor de vrijwilligers.
Voor andere Open Huizen bekijken we hoe we activiteiten stap voor stap kunnen toeleiden naar een lokaal dienstencentrum of een andere buurtvoorziening vlakbij, nog andere zullen gewoon op de huidige locatie blijven.
En daarom wil ik graag eerst wat foutieve informatie of berichten de wereld uit helpen.
Info dat het OH Mariakerke zou moeten verhuizen klopt niet, dit blijft op huidige locatie bestaan.
Het klopt niet dat deze open huizen zomaar sluiten. We maken een doordachte oefening waarbij we alle ontmoetingsplekken in de buurt in kaart brengen, samenwerkingen zien en zorgen dat zowel gebruikers als vrijwilligers een plek in hun buurt gegarandeerd zien.
Om enkele concrete voorbeelden te geven:
De werking van Open Huis Nieuw Gent kantelt in het buurtcentrum op het Rerum Novarumplein, dat een buurthuis wordt.
De locatie van Open Huis Jan Yoens verdwijnt door de bouw van nieuwe sociale woningen op die plek. Open Huis De Blomme ligt op enkele straten hiervandaan en de vrijwilligers en gebruikers kunnen daar terecht (vele doen zelfs daar ook al vrijwilligerswerk).
Open Huis De Blomme zal zelf, net als het buurtcentrum van de Stad in die wijk, in een later stadium mee verhuizen naar een nieuwe locatie waar alle buurtgerichte infrastructuur wordt samengebracht. De mogelijke pistes hiervoor zijn nog in onderzoek, tot dan zal de werking daar gegarandeerd blijven.
Open Huis Krekelberg weet ook al langer dat zij op lange termijn niet op hun huidige plek kunnen blijven, maar de werking is heel actief en willen we graag verderzetten in de onmiddellijke omgeving, bijvoorbeeld in de Heilig Hart kerk. We bekijken samen met hen de modaliteiten van een verhuis op termijn.
Ook van een aantal andere Open Huizen zal het gebouw de komende jaren een andere bestemming krijgen. Voor elk van deze open huizen (OH Azalea, OH Bassijn, OH Ter Biest, OH Otterken en OH Robinia) werken onze diensten aan een aanpak op maat, in overleg met de vrijwilliger.
Open Huis Wondelgem zal pas verhuizen als er ruimte wordt voorzien in de plint van de nieuwe sociale woningen in Wondelgem. Dit zal sowieso niet de komende jaren gerealiseerd worden.
Voor alle duidelijkheid: verschillende van die beslissingen zijn in het verleden al gevallen, en staan los van de meest recente beslissing. Die Open Huizen en hun voorzitters zijn dus al langer op de hoogte van een verhuis of het samenvloeien met een andere ontmoetingsplaats.
Er ligt dus geen timing vast, net omdat we deze trajecten in overleg doen met iedereen die betrokken is en omdat de timing van een andere bestemming vaak nog niet duidelijk is.
Ik realiseer mij dat dit een grote verandering is voor iedereen die bij de Open Huizen betrokken is, en de werkingen zoals we ze vandaag kennen niet helemaal in dezelfde vorm ergens anders kunnen verdergezet worden maar we proberen in die gewijzigde situatie toch zoveel mogelijk van de activiteiten en vooral de sociale netwerken te behouden. Daarom willen we samen met veel zorg een traject op maat van elk Open Huis aangaan en samen het goede moment kiezen om het gebouw te verlaten.
Hoe gaan we te werk?
Alle Open Huizen, zowel hun vrijwilligers als hun gebruikers, worden opgevolgd door een medewerker van OTV of LDC. De eerste gesprekken met de voorzitters van alle Open Huizen hebben reeds plaats gevonden en de komende tijd zullen er nog veel gesprekken volgen, zowel individueel als in groep.
De gebruikers gaan we informeren over andere ontmoetingsplaatsen in hun buurt. We hebben een enorm mooi aanbod binnen onze LDC’s en buurtcentra. We hebben extra aandacht voor kwetsbare gebruikers en laten hen niet los.
Vrijwilligers kunnen hun inzet verderzetten binnen hun eigen buurt in een LDC of buurthuis. Maar daarnaast kunnen er ook uiteraard nog andere pistes van vrijwilligerswerk met hen bekeken worden. We begeleiden hen hierin en leiden toe naar andere diensten, organisaties of verenigingen die vrijwilligers heel graag zien komen.
Wat de inboedel van de open huizen betreft, zoals de biljarttafels waarnaar verwezen wordt, hebben we nog geen afspraken gemaakt. We zullen dit per locatie bekijken en zoeken naar de mogelijkheden van een herbestemming van het materiaal. Vanzelfsprekend hopen we dat we zoveel mogelijk aan de specifieke wensen van de mensen kunnen voldoen en zullen we dit dan ook onderdeel laten uitmaken van de trajecten die de diensten samen met alle betrokkenen van de Open Huizen lopen. Want mijn grootste zorg is vanzelfsprekend de vrijwilligers en de bezoekers.
di 03/02/2026 - 15:56