Net voor de zomervakantie bracht de Vlaamse Onderwijsraad een uitgebreid advies uit over de uitdagingen in de eerste graad B-stroom, onder de titel “Boost voor de B-stroom". Het advies is gebaseerd op een bevraging van verschillende betrokkenen: leerlingen in de B-stroom, hun ouders, leerkrachten die in de B-stroom werken en schooldirecties. Daaruit komen een aantal uitdagingen naar voor: één daarvan is de negatieve connotatie van de B-stroom, die door de benaming nog versterkt wordt. Dat komt ook naar voor uit een recent advies van de Scholierenkoepel over arbeidsmarktgericht onderwijs. Andere uitdagingen zijn, volgens de Vlor, capaciteitstekorten in verschillende regio’s en de vele leer- en zorgnoden in deze klassen.
De VLOR doet verschillende aanbevelingen om deze uitdagingen aan te pakken. Een aantal concrete voorbeelden, zijn: een centrale monitoring van de capaciteitsnoden; een nieuwe, minder stigmatiserende naam voor de B-stroom, meer mogelijkheden om multidisciplinaire teams in te zetten en – opvallend – structurele investering in brugfigurenwerking: iets wat we in Gent natuurlijk al langer doen.
De aanbevelingen zijn natuurlijk voor een groot stuk gericht aan de Vlaamse Regering. Maar er zijn ook een aantal zaken waar we in Gent mee aan de slag kunnen. Vandaar de volgende vragen:
Beste raadslid Vanonckelen,
Bedankt voor uw vraag. Met dit advies zette de VLOR een belangrijk thema op de kaart. De B-stroom richt zich op leerlingen zonder getuigschrift basisonderwijs. Scholen signaleren al jaren knelpunten, het VLOR-advies brengt die in beeld en geeft richting aan beleid.
Voor het antwoord op deze vraag informeerde ik me bij het Stedelijk Onderwijs en het Onderwijscentrum, dat zicht heeft op de situatie in de verschillende netten.
De Gentse scholen bevestigen in grote lijnen wat de VLOR schrijft. Leerlingen in de B-stroom groeien vaker op in kansarmoede. Schoolmoeheid en problematische afwezigheden komen er veel vaker voor. Aangezien de B-stroom zich richt op leerlingen zonder getuigschrift basisonderwijs zijn er uiteraard véél leerlingen met leervertraging of met leernoden. Het aantal zorgvragen ligt volgens de bevraagde scholen hoger, en scholen melden meer gedragsproblemen.
Kortom: schoolteams krijgen er te maken met een mix van uitdagingen. Spijbelen, schoolmoeheid of lastig gedrag zijn vaak symptomen van dieperliggende problemen: zoals ook de brugfiguren aangeven: een gebrek aan motivatie, een laag welbevinden of een problematische gezinssituatie. Door wachtlijsten in de welzijnssector en druk op de CLB’s krijgen jongeren vaak te laat hulp. Ook bij de NAFT-trajecten (Naadloze Flexibele Trajecten), gefinancierd door Vlaanderen, zijn er wachtlijsten: ze bieden intensieve begeleiding bij schooluitval en kunnen zowel individueel als voor groepen ingezet worden. Daarom organiseren scholen uit noodzaak soms ook zélf projecten, omdat hun leerlingen nu eenmaal niet kunnen wachten.
Dus, raadslid Vanonckelen, de uitdagingen die de VLOR beschrijft, zijn ook in Gent voelbaar en ze staan zeker op mijn radar.
Dan uw vragen over het Gentse beleid. Eerst een kanttekening: ik steun de adviezen van de VLOR volledig. In Gent zijn we met veel aanbevelingen al bezig, maar u zei het zelf al: heel wat aanbevelingen zijn gericht aan de Vlaamse Regering. We doen in Gent wat we kunnen, maar – en we moeten dat hier te vaak zeggen: wij kunnen niet alle gaten dichtrijden die Vlaanderen laat vallen. Mijn pleidooi is dus dat de Vlaamse Regering het advies ter harte neemt, en structureel beleid gaat voeren om scholen te versterken: bijvoorbeeld door te investeren in multidisciplinaire teams, in brugfiguren, en dat ze maatregelen gaat nemen om opleidingen in de B-stroom en het beroepsgericht onderwijs meer te waarderen.
Terug naar Gent. Wat capaciteit betreft: de VLOR vraagt om monitoring op Vlaams niveau. Dat onderschrijf ik. Net als voor het buitengewoon onderwijs is het belangrijk om goed te weten waar capaciteit tekort is, om te kunnen investeren waar dat nodig is. In Gent volgt het LOP capaciteit en aanmeldingen op. Globaal waren er bij de laatste aanmeldperiode genoeg plaatsen in 1B, al moeten daar wel kanttekeningen bij gemaakt worden: zo moeten kinderen die zich aanmelden voor de B-stroom vaak al een keuze maken in functie van toekomstige richtingen. Hoewel er over heel Gent genoeg plaats is voor 1B, komt niet elke leerling op de school terecht waar ze vanaf het derde jaar de richting kunnen kiezen die zij willen. Het LOP Gent Secundair heeft een focusgroep waar scholen met een B-stroom regelmatig uitwisselen en samen nadenken over oplossingen.
Dan de initiatieven van de stad. Een aantal aanbevelingen die de Vlaamse Onderwijsraad naar voor schuift, zijn belangrijk voor élke school en élke klas, maar, gezien de specifieke uitdagingen, extra belangrijk in de B-stroom. Denk aan het belang van goede basiszorg op school, een verbindend schoolklimaat, en een goed partnerschap met ouders. Op al die zaken zetten we als stad bijkomend in via het flankerend onderwijsbeleid, dus via de werking van het Onderwijscentrum en verschillende partners die we subsidiëren.
De scholen in het eigen Stedelijk Onderwijs nemen ook initiatieven in lijn met het advies van de VLOR: sommige scholen investeren extra onderwijsmiddelen om kleinere klassen te maken, of gaan zelf aan de slag met alternatieve benamingen voor de B-stroom. Ik ondersteun dat volledig en wil deze legislatuur ook verder in gesprek gaan om te zien hoe we hier in Gent verder richting kunnen geven, liefst over de netten heen.
Ten slotte: de brugfiguren. De VLOR beveelt aan om in de B-stroom brugfiguren in te zetten om te bouwen aan partnerschap met gezinnen. In het Gentse secundair onderwijs kozen we er tien jaar geleden al voor om brugfiguren in de B-stroom in te zetten. Hun werk gaat heel breed en wordt sterk gewaardeerd. Ze gaan bijvoorbeeld op huisbezoek voor de start van het secundair onderwijs, ondersteunen de school in het organiseren van laagdrempelige infomomenten, leiden ouders toe naar de oudercontacten… Ook belangrijk – want daar hapert het vaak: brugfiguren “verzachten” de lastige overgangen: tussen lager en secundair onderwijs, en binnen het secundair. Brugfiguren in basis en secundair onderwijs hebben nauw contact met elkaar en overleggen (uiteraard rekening houdend met ambtsgeheim en privacywetgeving) en gaan soms samen op huisbezoek. Brugfiguren laten hun leerlingen niet zomaar los.
U vraagt hoe de brugfigurenwerking er de komende jaren zal uitzien. Aangezien de noden zo hoog zijn en de brugfiguren zo’n belangrijke rol spelen, kozen we ervoor om de werking de komende jaren uit te breiden: we zullen 3 VTE extra brugfiguren toevoegen, en 1 VTE extra trajectbrugfiguur. Met de extra brugfiguren willen we inderdaad de focus op de B-stroom leggen. Zo kan elke school met een B-stroom rekenen op een brugfiguur. Het werk van de trajectbrugfiguren is niet specifiek gericht op de B-stroom: alle scholen zonder “eigen” brugfiguur kunnen beroep doen op de trajectbrugfiguren om hen te ondersteunen op maat.
wo 10/09/2025 - 14:14