Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
CONFIDAS NV met als contactadres Booiebos 29, 9031 Gent heeft een aanvraag (OMV_2025117978) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 31 oktober 2025.
De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het bouwen van een nieuwe opslagplaats en uitbreiding bestaande kantoren en het veranderen van een confiserie-suikerbakkerij die “pâtes de fruits” produceert voor groothandels, chocolatiers en retail
• Adres: Booiebos 29, 9031 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 27 sectie D nr. 1150A
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 17 november 2025.
De aanvraag volgde de vereenvoudigde procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 15 december 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit
De aanvraag betreft de uitbreiding en herinrichting van de bedrijfsgebouwen van Confidas nv, gelegen te Booiebos 29, 9031 Drongen. Het perceel maakt deel uit van het regionaal bedrijventerrein Drongen I en is bestemd als industriegebied. De bestaande loodsen en kantoren/sociale lokalen hebben een bruto vloeroppervlakte van 1845,5 m².
De aanvraag is een herneming van een recent geweigerde omgevingsvergunning, zie historiek. Er waren geen principiële bezwaren tegen de uitbreidingen voor het bedrijf maar
- de verhardingsgraad op het perceel lag te hoog, waardoor er onvoldoende ruimte was voor infiltratie van hemelwater. De aanvraag was daardoor ook strijdig met het algemeen bouwreglement van de stad Gent en doorstond de watertoets niet.
- daarnaast was het fietsparkeren ontoereikend, zowel qua aantallen als qua inrichting van de fietsenstalling.
- ten slotte waren er ook voor het milieuluik verschillende zaken onduidelijk en/of onvolledig.
Met deze aanvraag wordt tegemoetgekomen aan de weigeringsargumenten. De uitbreiding van het bedrijfsgebouw wijzigt niet.
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
Aan de achterzijde van het perceel wordt, tegen en in het verlengde van de bestaande loodsen, een nieuw magazijn van 781,9 m² opgericht, uitsluitend bestemd voor de opslag van eindproducten. Deze loods wordt afgewerkt met een plat dak en heeft een hoogte van 8,5 m.
Aan de voorzijde worden de bestaande kantoren en sociale lokalen uitgebreid en heringericht. Het inkomvolume wordt gesloopt en vervangen door een uitbreiding over twee bouwlagen met een totale oppervlakte van 496,1 m². De straatgevel krijgt een transparant karakter met beglazing. Deze uitbreiding wordt ook afgewerkt met een plat dak met een hoogte van 8,5 m.
De gevelbekleding van bestaande en nieuwe volumes wordt volledig vernieuwd in uniforme stalen sandwichpanelen, waardoor een architecturaal samenhangend geheel ontstaat.
De buitenaanleg wordt herzien met een nieuwe circulatie in éénrichtingslus met een afzonderlijke in- en uitrit (elk 6 m breed). Langsheen de circulatie worden 30 autoparkeerplaatsen aangelegd in waterdoorlatende materialen. Per 5 parkeerplaatsen wordt een boom voorzien. Rechts vooraan voorziet men een overdekte fietsenstalling met ruimte voor 20 fietsen waarvan 2 voor grote formaten. De fietsenstalling is een houten constructie van
12,5 m lang en 2,5 m breed en 2,5 m hoog. Er is ruimte voorzien om de fietsenstalling in de toekomst uit te breiden. De fietsenstalling is afsluitbaar met schuifpoorten.
Voor het hemelwaterbeheer worden bovengrondse infiltratievoorzieningen en een regenwaterput van 20.000 liter geplaatst. Het dak van het magazijn wordt uitgerust met zonnepanelen; het dak van de kantoren dient voor regenwateropvang.
In vergelijking met de voorgaande aanvraag worden waar mogelijk de verhardingen wat versmald waardoor er meer ruimte is voor groen en waterinfiltratie.
Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten
Het betreft het veranderen van een confiserie-suikerbakkerij die “pâtes de fruits” produceert voor groothandels, chocolatiers en retail.
De activiteiten werden oorspronkelijk vergund op 25 februari 1992 voor een termijn van 20 jaar. Op 21 januari 2011 werd er akte genomen van een melding klasse 3 voor het verder exploiteren van de activiteiten.
De huidige geplande uitbreiding van de productiecapaciteit gaat niet gepaard met een toename van het geïnstalleerd vermogen van de productielijn. Deze zal echter wel intensiever gebruikt worden, en er zal een toename zijn van de opslag van grondstoffen en eindproducten, van het transport en van het aantal werknemers.
In het vernieuwde kantoorgedeelte zal een warmtepomp geplaatst worden voor verwarming en comfortkoeling.
De overige wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie betreffen een regularisatie van reeds aanwezige, maar nog niet vergunde activiteiten, meer bepaald:
- Het lozen van bedrijfsafvalwater
- Het stallen van voertuigen
- Koelinstallaties
- Compressoren
- Opslag van onderhoudsproducten
- Labo voor kwaliteitscontrole
- Stookinstallatie en stoomketel
Voor de opslag van verpakkingsmaterialen (kunststof, hout en karton) worden de drempelwaarden van klasse 3 niet overschreden:
- Max. 10 ton kartonverpakkingen
- Max. 20 m³ houten paletten
- Max. 5 ton verpakkingsmateriaal.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Lozen van het mengsel van bedrijfsafvalwater (reinigingswater productie-installaties en productieruimte) en huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering met een maximum debiet van 0,6 m³/u, 4,5 m³/dag, 1000 m³/jaar | klasse 3 | Nieuw | 0,6 m³/uur |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen: 1 vrachtwagen, 1 bestelwagen, 1 heftruck, 1 stapelaar en 1 kuismachine | klasse 3 | Nieuw | 5 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 persluchtcompressoren (totaal: 10kW) en verschillende koelinstallaties voor ruimte- en productkoeling (totaal: 82,1 kW - GWP 153,34 kW) | klasse 3 | Nieuw | 92,1 kW |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van niet ontvlambare reinigings- en onderhoudsproducten in verplaatsbare recipiënten van max. 30 liter of 30 kg | klasse 3 | Nieuw | 100 liter |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo voor kwaliteitscontrole (zonder lozing van afvalwater) | klasse 3 | Nieuw | 1 labo |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren (waterinhoud van 25 l tot en met 500 l) | Stoomketel 12 bar | klasse 3 | Nieuw | 55 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallatie centrale verwarming (237 kW) en stoomketel (279 kW) op stookolie | klasse 3 | Nieuw | 516 kW |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
17.3.2.1.1.1°b) | Opslag van stookolie in een ondergrondse vaste houder met inhoud van 9800 liter (8330 kg) | 8,33 ton
45.8.1°a) | Productielijn voor het bereiden van "pâtes de fruits" op basis van suiker | 10,67 kW
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
* Op 25/09/2025 werd een weigering afgeleverd voor het bouwen van een nieuwe opslagplaats en de uitbreiding van de bestaande kantoren en de verandering door uitbreiding van de exploitatie van een confiserie-suikerbakkerij. (OMV_2024159720)
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 14/05/1991 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een suikerfabriek. (1991/10012)
* Op 02/02/1995 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een magazijn/werkplaats. (1994/90103)
Milieuvergunningen
* Op 25/02/1992 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een confiserie - suikerbakkerij. (91/E/1)
* Op 10/02/2011 werd door het college van burgemeester en schepenen akte genomen voor het exploiteren van een confiserie-suikerbakkerij. (91/E/2)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Voorwaardelijk gunstig advies van Elia Asset afgeleverd op 10 december 2025 onder ref. 483247-KVR.
zie integraal advies op het omgevingsloket
Voorwaardelijk gunstig advies van Watering Oude Kale en Meirebeek afgeleverd op 25 november 2025:
Het bestuur is van mening dat deze aanvraag geen hinder vormt voor het onderhoud van de waterloop. Het is wel belangrijk dat de gracht toegankelijk blijft wanneer een onderhoud nodig blijkt. Dit wil zeggen dat een kraan op de parkeerstrook wordt toegelaten om het onderhoud uit te voeren.
Deze gracht is momenteel niet opgenomen in het jaarlijst onderhoud. Dit zal dus eerder uitzonderlijk zijn, maar moet bij overlast of uitzonderlijk onderhoud toegankelijk zijn.
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 1 december 2025 onder ref. 007759-008/MN/2025:
GUNSTIG, mits te voldoen aan de vermelde maatregelen en reglementeringen. (zie integraal advies op het omgevingsloket)
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in industriegebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).
Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de ander industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
4.3. Verordeningen
Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024.
Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.
Gewestelijke verordening hemelwater
De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023. (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023)
Zie waterparagraaf.
4.4. Uitgeruste weg
Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gemeenteweg.
5. WATERPARAGRAAF
5.1. Ligging project
Het project situeert zich in het afstroomgebied van een waterloop zonder naam met provinciaal nummer ODO030 (beheer: Watering Oude Kale en Meirebeek).
Het perceel waarop voorliggend project zich situeert ligt naast de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
Het terrein is momenteel bebouwd.
5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Om hier concreet uitvoering aan te geven werd het project aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) en het algemeen bouwreglement van de stad Gent (ABR) inzake hemelwater getoetst:
De uitbreidingen (nieuwbouw + renovatie) worden voorzien van een gescheiden rioleringsstelsel.
Het hemelwater dat op een deel van de verharding en de fietsenstalling valt kan natuurlijk infiltreren in de niet verharde bodem.
Een hemelwaterput (20 m³) wordt ter hoogte van de kantoorgebouwen geplaatst. Het hemelwater wordt hergebruikt voor het sanitair van de kantoren, sociale lokalen en enkele dienstkranen voor onderhoud. Het volume van de hemelwaterput is kleiner dan deze opgelegd door de GSVH. Het dossier bevat voldoende informatie om de afwijking toe te staan.
Er wordt een afwijking aangevraagd op de aanleg van groendaken (ABRH). De motivatie opgenomen in het dossier wordt aanvaard.
Er worden 2 infiltratiekommen voorzien die niet dieper worden aangelegd dan 50 cm. Ze worden voorzien van een overloop (gracht, riolering). De dimensionering van de voorzieningen voldoen aan de GSVH.
Er kan voldaan worden aan de GSV en het ABR inzake hemelwater.
De voorwaarden die voortvloeien uit de verordening moeten worden ontworpen en uitgevoerd conform de richtlijnen zoals uiteengezet in het Technisch Achtergronddocument bij de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening Hemelwater!
Een grondwaterbemaling kan noodzakelijk zijn voor de bouwkundige werken of de aanleg van de openbare nutsvoorzieningen. Bij bemaling moet volgens Vlarem minstens een melding van de activiteit gebeuren. Ze kan evenwel vergunningsplichtig zijn en zelfs merplichtig naargelang de ligging, de diepte van de grondwaterverlaging en het opgepompte debiet. De akte of vergunning moet verleend zijn door de bevoegde instantie vooraleer de bemalingswerken kunnen gestart worden.
In een aanvraagdossier voor een vergunning of melding moeten steeds de effecten naar de omgeving onderzocht worden, op basis van de gemodelleerde debieten en het bemalingsconcept, en moet steeds vermeld worden op welke manier zal omgegaan worden met het opgepompte bemalingswater (toepassing van de bemalingscascade). De bemalingsinstallatie dient geplaatst te worden door een erkend boorbedrijf.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Met de waterloopbeheerder werden afspraken gemaakt omtrent het onderhoud van de aanpalende waterloop.
Overstromingen
Het projectgebied is volgens de watertoetskaarten niet overstromingsgevoelig. De waterloop en de riolering waarin de infiltratievoorzieningen overlopen zijn dit wel. De voorwaarden uit de gewestelijke verordening hemelwater dienen strikt opgevolgd te worden om verdere overstromingen te voorkomen.
Waterkwaliteit
Er wordt geen significante impact op de kwaliteit van het oppervlakte-en grondwater verwacht, mits naleving van de voorwaarden voortvloeiend uit Vlarem II.
5.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Het volledige perceel wordt verhard, waardoor het resterende, minder waardevolle grasland volledig wordt ingenomen. Achteraan is een infiltratiezone voorzien. Langs de linker perceelsgrens (naast de waterloop) wordt niet meer verhard dan in de huidige toestand. De eerste twee meter naast de gracht wordt nu aangelegd als parkeerzone met grasdallen, wat een verbetering betekend.
Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.
In dit dossier is het beoordelingskader voor mobiliteit van toepassing. Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%.
Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de openbare riolering die is aangesloten op een openbare zuiveringsinstallatie.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. BEKENDMAKING
De aanvraag volgt de vereenvoudigde procedure en moest dus niet aan een openbaar onderzoek worden onderworpen.
9. OMGEVINGSTOETS
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
De aanvraag betreft de uitbreiding en herinrichting van de bedrijfsgebouwen van Confidas, gelegen op het regionaal bedrijventerrein Drongen I. Aan de achterzijde van het perceel wordt, aansluitend op de bestaande loodsen, een nieuw magazijn van 781,9 m² voorzien. Aan de voorzijde worden de kantoren en sociale lokalen uitgebreid door de sloop van het huidige inkomvolume en de oprichting van een nieuwe kantoorvleugel over twee bouwlagen met een totale oppervlakte van 496,1 m². Deze uitbreidingen sluiten logisch aan op de bestaande bebouwing, zorgen voor een efficiënt ruimtegebruik binnen het industriegebied en behouden het ondergeschikt karakter van de kantoorfunctie ten opzichte van de productieactiviteiten. Door de uniforme gevelafwerking ontstaat bovendien een samenhangend architecturaal geheel. De volumetrie van de uitbreidingen is inpasbaar in deze industriezone.
Naast de uitbreidingen wordt ook de omgevingsaanleg herzien. Rond het gebouw wordt een circulatielus in asfalt aangelegd, met daarnaast parkeerzones in grind. Hierdoor wordt een zeer hoge mate van verharding op het perceel gerealiseerd. Dit gaf in de voorgaande aanvraag nog aanleiding tot een weigeringsgrond, omdat er te weinig ruimte resteerde voor waterinfiltratie. In deze aanvraag wordt waar mogelijk de verharding nog beperkt, waardoor de smalle groenstroken nu wel kunnen instaan om het hemelwater van de verhardingen voldoende te kunnen verwerken. Ook het voorziene infiltratiebekken is nu voldoende ruim gedimensioneerd, zie ook waterparagraaf. Er worden nu ook een aantal bomen aangeplant tussen de parkeerplaatsen, dit wordt positief onthaald.
Mobiliteit
De aanvraag werd beoordeeld op basis van de fiets- en autoparkeerrichtlijnen van Stad Gent. Voor het project worden 32 autoparkeerplaatsen voorzien (30 voor werknemers en 2 voor bezoekers), wat in lijn ligt met de richtlijnen. De voorgestelde plannen voldoen niet wat betreft het aantal fietsparkeerplaatsen, want er worden er slechts 22 (20 werknemers + 2 bezoekers) fietsparkeerplaatsen voorzien terwijl de richtlijnen een minimum van 34 fietsparkeerplaatsen voor werknemers en 2 voor bezoekers vraagt.
In de verantwoordingsnota wordt bijkomend gemotiveerd waarom gekozen wordt voor deze aantallen: “Gezien het huidige aantal medewerkers (25) en de verwachte groei tot maximaal 45 personeelsleden, worden reeds 32 autoparkeerplaatsen voorzien. In een eerste fase worden 20 overdekte fietsparkeerplaatsen ingericht, waarvan 2 voor buitenmaatse fietsen. Naast de voorziene fietsenstalling blijft ruimte vrij voor een eventuele uitbreiding, mocht dit in de toekomst noodzakelijk blijken.”
Op basis van het huidige personeelsbestand (25 medewerkers) volstaan 20 fietsparkeerplaatsen voor werknemers en kan hiermee akkoord worden gegaan. In kader van het toekomstig personeelsbestand dient voorzien te worden in bijkomende fietsparkeerplaatsen.
De geplande fietsenstalling voldoet grotendeels aan de vereisten: deze is voldoende ruim gedimensioneerd en kan afgesloten worden. Er is ruimte voor buitenmaatse fietsen. Er worden twee aparte fietsparkeerplaatsen voor bezoekers voorzien nabij de ingang. Er resteert wel nog onduidelijkheid over de verlichting en laadpunten voor elektrische fietsen. Voor de inrichting van de fietsenstalling worden via bijzondere voorwaarde nog enkele richtlijnen opgelegd.
Wat de circulatie betreft, wordt een eenrichtingslus rond het gebouw ingevoerd met twee aangepaste en versmalde opritten (6 m), wat de verkeersveiligheid verbetert en manoeuvres langs het fietspad vermijdt. Het vrachtverkeer blijft beperkt tot één beweging per dag, en laden en lossen gebeurt volledig op eigen terrein.
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect afval
De voortgebrachte afvalstoffen worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. De afvalstromen worden gescheiden ingezameld en opgehaald door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker.
Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Aspect afvalwater
De inrichting ligt in centraal gebied volgens het zoneringsplan van Stad Gent. Het huishoudelijk afvalwater, afkomstig van de sanitaire voorzieningen, wordt samen met het bedrijfsafvalwater (reinigingswater van de productie-installaties en van de productieruimte) geloosd in de openbare riolering van Booiebos die is aangesloten op een openbare zuiveringsinstallatie. De afvalwaterstromen kunnen niet apart bemonsterd worden, daarom wordt de lozing in zijn geheel als bedrijfsafvalwater beschouwd.
Voor het lozen van het bedrijfsafvalwater (1000 m³/jaar – 4,5 m³/dag – 0,6 m³/uur) wordt rubriek 3.4.1°a) aangevraagd.
Het bedrijfsafvalwater moet te allen tijde voldoen aan de algemene en sectorale lozingsnormen van Vlarem II. Voor parameters die niet opgenomen zijn bij de sectorale parameters mag er niet geloosd worden boven de indelingscriteria (vermeld in de kolom 'indelingscriterium GS’ (gevaarlijke stoffen) van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem). Dit wordt als opmerking opgenomen.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
Aspect lucht
Er worden 2 airco’s, 4 koelinstallaties en 2 warmtepompen gebruikt. De gebruikte koelmiddelen in deze toestellen zijn R407C, R134A en R410A (type HKF) en R449A en R513A (type HFO/HFK-mengsels). Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De airco’s en koelinstallaties worden periodiek onderworpen aan onderhoud en lekdichtheidscontroles. Een logboek wordt bijgehouden.
Ook de nieuwe warmtepomp dient onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Omdat deze een hoeveelheid koelmiddel in ton CO2-equivalent ≥ 5 ton bevat, moet deze conform Vlarem II iedere 12 maanden onderzocht worden op goed functioneren en op mogelijke lekverliezen door een erkende koeltechnicus. Wanneer een permanent lekdetectiesysteem aanwezig is mag de controlefrequentie worden gehalveerd.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijde beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.
Deze elementen worden als opmerking opgenomen.
Er zijn twee luchtcompressoren (2 x 5 kW) met een persluchthouder waarbij het product van de toelaatbare druk (11 bar) en het volume (500 liter) groter is dan 3000 bar.liter. De luchtcompressoren worden periodiek onderworpen aan een onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen.
Bij de exploitatie wordt gebruik gemaakt van één stookinstallatie voor verwarming en één stoomketel met een totaal nomimaal thermisch ingangsvermogen van 516 kW. Beide toestellen werken op stookolie en hebben elk een eigen schoorsteen.
Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 300 kW zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing. Gezien de installaties jaarlijks onderhouden worden, wordt geen onmiddellijke hinder verwacht bij het gebruik ervan.
Aspect geluid
De koelgroepen van de koelinstallaties werden waar mogelijk op het dak of binnen geplaatst. Er is slechts één koelgroep die zich aan de zijkant van het gebouw bevindt.
Om de geluidshinder van airco’s, warmtepompen en koelinstallaties tot een minimum te beperken kunnen, naast een doordachte keuze van de locatie, volgende milderende maatregelen genomen worden:
- Voorzie lokale akoestische afschermingen rond het toestel
- Pas processturing toe waarbij de ventilatortoerentallen in de nachtperiode worden beperkt tot 70% of laat bepaalde installaties enkel werken op specifieke tijdstippen (bijv. uitschakelen tijdens de nachturen).
De productieactiviteiten zullen in de toekomst uitgebreid worden van 7-17 u naar 6-18 u, enkel op weekdagen. Verder geeft de exploitant aan dat het laden en lossen van voertuigen van maandag tot en met vrijdag tussen 7u en 18u gebeurt. Er wordt ook gevraagd aan de chauffeurs om de motor van de vracht- of bestelwagen uit te schakelen tijdens het laden en lossen en tijdens wachttijden.
Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II en rustverstorende werkzaamheden zijn op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur verboden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Aspect bodem
De opslag van stookolie in een ondergrondse, enkelwandige tank van 9800 liter blijft ongewijzigd. Omwille van de CLP-wetgeving werd de geakteerde rubriek vertaald naar rubriek 17.3.2.1.1.1°b).
Er is geen lekdetectiesysteem. Als systeem tegen overvulling is er een elektrische sonde. Het vullen van de tank gebeurt onder toezicht van een vertegenwoordiger van de exploitant.
De ondergrondse houder wordt om de 2 jaar onderworpen aan een beperkt onderzoek en een dichtsheidsbeproeving door een erkend deskundige. In dergelijk onderzoek wordt o.a. de goede werking van systeem tegen overvulling gecontroleerd. De ondergrondse houder dient ook ten minste om de 15 jaar onderworpen te worden aan een algemeen onderzoek. Een conformiteitsattest dd. 12/06/2025 werd aan de aanvraag toegevoegd.
De lopende prototypekeuring van het systeem tegen overvulling dient uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden om te voldoen aan de nieuwe, strengere eisen van bijlage 5.17.7 van Vlarem II. Bij het algemeen onderzoek van ondergrondse houders dient de resterende minimale levensduur van de houder bepaald te worden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 007759-008/MN/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Lozen van het mengsel van bedrijfsafvalwater (reinigingswater productie-installaties en productieruimte) en huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering met een maximum debiet van 0,6 m³/u, 4,5 m³/dag, 1000 m³/jaar | Nieuw | 0,6 m³/uur |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen: 1 vrachtwagen, 1 bestelwagen, 1 heftruck, 1 stapelaar en 1 kuismachine | Nieuw | 5 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 persluchtcompressoren (totaal: 10kW) en verschillende koelinstallaties voor ruimte- en productkoeling (totaal: 82,1 kW - GWP 153,34 kW) | Nieuw | 92,1 kW |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van niet ontvlambare reinigings- en onderhoudsproducten in verplaatsbare recipiënten van max. 30 liter of 30 kg | Nieuw | 100 liter |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo voor kwaliteitscontrole (zonder lozing van afvalwater) | Nieuw | 1 labo |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren (waterinhoud van 25 l tot en met 500 l) | Stoomketel 12 bar | Nieuw | 55 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallatie centrale verwarming (237 kW) en stoomketel (279 kW) op stookolie | Nieuw | 516 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer ) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Lozen van het mengsel van bedrijfsafvalwater (reinigingswater productie-installaties en productieruimte) en huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering met een maximum debiet van 0,6 m³/u, 4,5 m³/dag, 1000 m³/jaar | klasse 3 | 0,6 m³/uur |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen: 1 vrachtwagen, 1 bestelwagen, 1 heftruck, 1 stapelaar en 1 kuismachine | klasse 3 | 5 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 persluchtcompressoren (totaal: 10kW) en verschillende koelinstallaties voor ruimte- en productkoeling (totaal: 82,1 kW - GWP 153,34 kW) | klasse 3 | 92,1 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van stookolie in een ondergrondse vaste houder met inhoud van 9800 liter (8330 kg) | klasse 3 | 8,33 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van niet ontvlambare reinigings- en onderhoudsproducten in verplaatsbare recipiënten van max. 30 liter of 30 kg | klasse 3 | 100 liter |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo voor kwaliteitscontrole (zonder lozing van afvalwater) | klasse 3 | 1 labo |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren (waterinhoud van 25 l tot en met 500 l) | Stoomketel 12 bar | klasse 3 | 55 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallatie centrale verwarming (237 kW) en stoomketel (279 kW) op stookolie | klasse 3 | 516 kW |
45.8.1°a) | bereiden van voedingsproducten op basis van plantaardige melen (brood, banket, koek, biscuit, deegwaren, enzovoort) of op basis van suiker of cacao, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Productielijn voor het bereiden van "pâtes de fruits" op basis van suiker | klasse 3 | 10,67 kW |
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe opslagplaats en uitbreiding bestaande kantoren en het veranderen van een confiserie-suikerbakkerij die “pâtes de fruits” produceert voor groothandels, chocolatiers en retail aan CONFIDAS nv (O.N.:0423032737) gelegen te Booiebos 29, 9031 Gent.
De door het college vergunde plannen zijn de plannen die op de overzichtslijst staan, die is toegevoegd als bijlage aan deze vergunning en er integraal deel van uitmaakt.
Plannen die niet op deze overzichtslijst staan, maken geen deel uit van de vergunning.
Controleer steeds of het om een goedgekeurd plan gaat.
Opgelet, er kunnen voorwaarden betrekking hebben op de plannen.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit met inrichtingsnummer beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Lozen van het mengsel van bedrijfsafvalwater (reinigingswater productie-installaties en productieruimte) en huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering met een maximum debiet van 0,6 m³/u, 4,5 m³/dag, 1000 m³/jaar | Nieuw | 0,6 m³/uur |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen: 1 vrachtwagen, 1 bestelwagen, 1 heftruck, 1 stapelaar en 1 kuismachine | Nieuw | 5 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 persluchtcompressoren (totaal: 10kW) en verschillende koelinstallaties voor ruimte- en productkoeling (totaal: 82,1 kW - GWP 153,34 kW) | Nieuw | 92,1 kW |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van niet ontvlambare reinigings- en onderhoudsproducten in verplaatsbare recipiënten van max. 30 liter of 30 kg | Nieuw | 100 liter |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo voor kwaliteitscontrole (zonder lozing van afvalwater) | Nieuw | 1 labo |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren (waterinhoud van 25 l tot en met 500 l) | Stoomketel 12 bar | Nieuw | 55 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallatie centrale verwarming (237 kW) en stoomketel (279 kW) op stookolie | Nieuw | 516 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer ) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Lozen van het mengsel van bedrijfsafvalwater (reinigingswater productie-installaties en productieruimte) en huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering met een maximum debiet van 0,6 m³/u, 4,5 m³/dag, 1000 m³/jaar | klasse 3 | 0,6 m³/uur |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen: 1 vrachtwagen, 1 bestelwagen, 1 heftruck, 1 stapelaar en 1 kuismachine | klasse 3 | 5 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 persluchtcompressoren (totaal: 10kW) en verschillende koelinstallaties voor ruimte- en productkoeling (totaal: 82,1 kW - GWP 153,34 kW) | klasse 3 | 92,1 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van stookolie in een ondergrondse vaste houder met inhoud van 9800 liter (8330 kg) | klasse 3 | 8,33 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van niet ontvlambare reinigings- en onderhoudsproducten in verplaatsbare recipiënten van max. 30 liter of 30 kg | klasse 3 | 100 liter |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo voor kwaliteitscontrole (zonder lozing van afvalwater) | klasse 3 | 1 labo |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren (waterinhoud van 25 l tot en met 500 l) | Stoomketel 12 bar | klasse 3 | 55 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Stookinstallatie centrale verwarming (237 kW) en stoomketel (279 kW) op stookolie | klasse 3 | 516 kW |
45.8.1°a) | bereiden van voedingsproducten op basis van plantaardige melen (brood, banket, koek, biscuit, deegwaren, enzovoort) of op basis van suiker of cacao, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Productielijn voor het bereiden van "pâtes de fruits" op basis van suiker | klasse 3 | 10,67 kW |
Legt volgende voorwaarden op:
BIJZONDERE VOORWAARDEN VOOR DE GEPLANDE WERKEN:
Extern advies
De voorwaarden uit het advies van Elia Asset, afgeleverd op 10 december 2025 met kenmerk 483247-KVR., moeten strikt nageleefd worden.
De voorwaarden uit het advies van Watering Oude Kale en Meirebeek, afgeleverd op 25 november 2025, moeten strikt nageleefd worden.
De voorwaarden uit het advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 1 december 2025 met kenmerk 007759-008/MN/2025, moeten strikt nageleefd worden.
Watertoets
De voorwaarden die voortvloeien uit de verordening moeten worden ontworpen en uitgevoerd conform de richtlijnen zoals uiteengezet in het Technisch Achtergronddocument bij de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening Hemelwater!
Fietsparkeren
* De fietsparkeerplaatsen hebben een as-op-as-afstand van 50cm en kunnen voorzien worden in een hoog-laag-systeem (geen systeem op één niveau want daar is een as-op-as-afstand van 75 cm vereist).
* De plaatsen voor buitenmaatse fietsen moeten op de grond te gemarkeerd worden, zodat deze duidelijk te onderscheiden zijn van de zone voor reguliere fietsen.
* De fietsenberging moet goed verlicht worden. Dit kunnen we niet afleiden uit de plannen.
* Er moeten oplaadpunten voor elektrische fietsen voorzien worden.
* De uitbreidbaarheid van de fietsenstallingen van 20 naar 34 (+14 fietsparkeerplaatsen) is opgenomen in de plannen in kader van het toekomstig personeelsbestand. De uitvoering van deze toekomstige fietsenstallingen dient ook te voldoen aan de voorwaarden opgenomen in de parkeerrichtlijnen.
Riolering
Volgens het zoneringsplan is het perceel gelegen binnen centraal gebied of collectief geoptimaliseerd buitengebied: er is riolering aanwezig en die is aangesloten op een waterzuivering. Het is verplicht om afvalwater aan te sluiten op de riolering.
Wettelijke bepaling rioolaansluiting:
De regels rond de rioolaansluiting zijn terug te vinden in het Algemeen en het Bijzonder Waterverkoopreglement. Deze reglementen zijn terug te vinden op www.farys.be/wettelijke-bepalingen.
Op www.farys.be/nl/rioolaansluiting vindt u meer info over :
- de specificaties en prijzen van de rioolaansluiting
- de belangrijkste aspecten voor de aanleg van de privéwaterafvoer (onder “Mijn privéwaterafvoer”).
Aanwezige (wacht)aansluiting(en) dienen steeds gebruikt/(her)bruikt te worden. Je bent gebonden door de locatie, de diepteligging en het type aansluiting, namelijk afvalwater (=DWA) of regenwater (=RWA) ter hoogte van de rooilijn.
Je dient het ontwerp en de aanleg van de privéwaterafvoer -op privéterrein- hierop af te stemmen.
Hoe je nagaat of er al een rioolaansluiting aanwezig is, vind je terug op www.farys.be/nl/rioolaansluiting.
De aansluiting van afvalwater (DWA) op het rioleringsnet is verplicht als een riolering aanwezig is. De aansluiting van het regenwater (RWA) op het rioleringsnet is niet verplicht.
Privéwaterafvoer:
De keuring van de privéwaterafvoer is verplicht bij nieuwbouw en herbouw of het realiseren van een bijkomende huisaansluiting. Meer informatie vind je op www.farys.be/keuring-privéwaterafvoer.
Om geurhinder als gevolg van de eigen privéwaterafvoer te voorkomen werden er enkele richtlijnen opgesteld, die je kan terugvinden op www.farys.be/nl/rioolaansluiting (onder “Mijn privéwaterafvoer”).
De openbare riolering kan onder druk komen te staan. Dit betekent dat het waterpeil in de buizen en aansluitingen kan stijgen tot het maaiveld niveau. Houd hier rekening mee bij de aanleg van de privéwaterafvoer.
Je bent verplicht om een septische put te plaatsen:
* enkel voor zwart/fecaal afvalwater
* van minimaal 2000 liter tot 5 IE (IE = inwonerequivalent)
* +300 l/ IE tem 10 IE
* +225 l/IE vanaf de 11e IE
Een hulpmiddel om het aantal IE van gebouwen te bepalen is terug te vinden op de technische toelichting van deel 4 van de code van goede praktijk https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/publicaties/code-goede-praktijk-rioleringssystemen/Deel4_DWAsystemen_07_2014.pdf
De interne riolering moet zo ontworpen worden dat een toekomstige aansluiting op een gescheiden rioleringsstelsel mogelijk is (afzonderlijke aansluitingen voor regenwater en afvalwater).
Er is nog geen aparte regenwaterafvoer (RWA)-aansluiting mogelijk. Voor zover het niet mogelijk is om het regenwater in de gracht te lozen is de RWA-leidingen naar de straat is te voorzien als wachtaansluiting. Voorlopig moeten het regen- en afvalwater gezamenlijk naar de riolering afgevoerd worden. Bovendien moeten de RWA-, en DWA-afvoeren naast elkaar worden aangeboden met een tussenafstand van 40 tot 60 cm. Hierbij loopt het DWA-gedeelte in een rechte lijn door naar de openbare riolering.
Bij een toekomstige aanleg van het openbaar domein zal de riolering gescheiden worden.
Er moet blijvend voorzien worden in een septische put. Alle en enkel de toiletten zijn hierop aan te sluiten.
Openbaar domein
Oprit:
Er kunnen 2 opritten toegestaan worden met breedtes van 11,6m tussen rijweg en fietspad en 7,7m tussen fietspad en perceelsgrens. Alle parkeerplaatsen op het private domein moeten via deze oprit(ten) bereikbaar zijn. Zie opmerkingen.
De openbare, groene bermen mogen in geen geval verhard worden of voorzien van andere private materialen door de bouwheer. Ook halfverhardingen/steenslag - zowel nieuwe als bestaande - zijn niet toegelaten. In het geval van inbreuken kan de stad deze verhardingen/materialen opbreken op kosten van de bouwheer.
BIJZONDERE VOORWAARDEN VOOR DE INGEDEELDE INRICHTING OF ACTIVITEIT:
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 007759-008/MN/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Openbaar domein:
De bouwheer/vergunninghouder is steeds verantwoordelijk voor beschadigingen aan de inrichting van het openbaar domein, groenaanleg, bermen, trottoirs, boordstenen, (straat)kolken en de rijweg, die te wijten zijn aan de bouwactiviteit. De dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen herstelt deze beschadigingen op kosten van de bouwheer/vergunninghouder.
De bouwheer/vergunninghouder moet voor de aanvang van de werken een tegensprekelijke plaatsbeschrijving opmaken van de omliggende trottoirs en wegenis met bijzondere aandacht voor de (straat)kolken.
Deze dient bezorgd te worden aan de dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen, via afgifte op het Stadskantoor Gent, Woodrow Wilsonplein 1, 9000 Gent, tel.: 09/266 79 00, via e-mail: wegen@stad.gent of per post aan Stad Gent t.a.v. Dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen, Botermarkt 1, 9000 Gent.
Deze dient ten laatste twee weken voor aanvang van de werken verstuurd of afgegeven te worden, indien deze laattijdig ingediend wordt kan deze niet als tegensprekelijk beschouwd worden.
U kan dit door een architect of landmeter laten doen maar u mag dit ook zelf opnemen. (u maakt een aantal algemene foto’s vergezeld van detailfoto’s met reeds aanwezige schade aan het openbaar domein. Bij elke foto zet u een beschrijving en u voegt een plannetje toe met aanduiding van de positie van de foto’s).
In functie van een werfzone op het openbaar domein is een vergunning Inname Publieke Ruimte noodzakelijk. U vraagt dit digitaal aan via de website www.stad.gent (typ tijdelijke werfzone in het zoekveld).
Oprit:
Het is de bouwheer niet toegestaan om zelf opritten op openbaar domein aan te passen.
Na het beëindigen van de werken zullen de bestaande opritten op het openbaar domein aangepast worden door de Stad Gent op kosten van de bouwheer volgens het geldende retributiereglement. Opritten op openbaar domein, die niet aangelegd zijn door de stad kunnen worden opgebroken. Dit dient, na de werken, verplicht aangevraagd te worden, het aanvraagformulier kan u downloaden via de website www.stad.gent (typ trottoirs en opritten in het zoekveld).
Dit document dient bezorgd te worden aan de Dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen, Stadskantoor Gent, Woodrow Wilsonplein 1, 9000 Gent, tel.: 09/266.79.00, mail: wegen@stad.gent. Of met de post; Dienst Wegen, Bruggen en Waterlopen, Botermarkt 1, 9000 Gent.
Bemaling
Een grondwaterbemaling kan noodzakelijk zijn voor de bouwkundige werken of de aanleg van de openbare nutsvoorzieningen. Bij bemaling moet volgens Vlarem minstens een melding van de activiteit gebeuren. Ze kan evenwel vergunningsplichtig zijn en zelfs merplichtig naargelang de ligging, de diepte van de grondwaterverlaging en het opgepompte debiet. De akte of vergunning moet verleend zijn door de bevoegde instantie vooraleer de bemalingswerken kunnen gestart worden.
In een aanvraagdossier voor een vergunning of melding moeten steeds de effecten naar de omgeving onderzocht worden, op basis van de gemodelleerde debieten en het bemalingsconcept, en moet steeds vermeld worden op welke manier zal omgegaan worden met het opgepompte bemalingswater (toepassing van de bemalingscascade). De bemalingsinstallatie dient geplaatst te worden door een erkend boorbedrijf.
Grondverzet
Indien grondverzet plaatsvindt, moet dit gebeuren overeenkomstig de regels m.b.t. het gebruik van de uitgegraven bodem (Hoofdstuk XIII VLAREBO). Als algemeen principe geldt dat voor iedere partij reeds uitgegraven bodem die groter is dan 250 m³ en die niet ter plaatse wordt gebruikt, een technisch verslag moet opgemaakt worden. Deze verplichting geldt ook voor een partij samengesteld uit verschillende partijen uitgegraven bodem kleiner dan 250 m³ waarvoor er geen verplichting tot technisch verslag was, en ook voor een partij groter dan 250 m³ die in verschillende partijen kleiner dan 250 m³ wordt afgevoerd en gebruikt (artikel 173, §2).
Afval en afvalwater
- Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.
- Het bedrijfsafvalwater moet te allen tijde voldoen aan de algemene en sectorale lozingsnormen van Vlarem II. Voor parameters die niet opgenomen zijn bij de sectorale parameters mag er niet geloosd worden boven de indelingscriteria (vermeld in de kolom 'indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem).
Airco’s, koelinstallaties en warmtepompen
- Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
- De installaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II.
- De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd.
- Een logboek moet bijgehouden worden.
Geluid
- Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II en rustverstorende werkzaamheden zijn op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur verboden.
Stookolietank
- Naast het tweejaarlijkse beperkt onderzoek moet de ondergrondse houder ook ten minste om de 15 jaar onderworpen worden aan een algemeen onderzoek, eveneens door een erkend deskundige.
- Bij het algemeen onderzoek dient de resterende minimale levensduur van de houder bepaald te worden.
- De lopende prototypekeuring van het systeem tegen overvulling dient uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden om te voldoen aan de nieuwe, strengere eisen van bijlage 5.17.7 van Vlarem II.