Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
COMPAGNIE BELGE DE MANUTENTION NV met als contactadres Skaldenstraat 1, 9042 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024056651) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 18 juli 2025.
De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het exploiteren van een op-en overslagbedrijf met de regularisatie van de gevelbekleding, de tankplaats, wasplaats en de container
• Adres: Daniël Kinetstraat 2, 9000 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 12 sectie P nr. 289A5
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 15 september 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 8 december 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag situeert zich op de site van Compagnie Belge de Manutention (CBM), gelegen aan de Daniël Kinetstraat 2 in het havengebied ter hoogte van het Middendok. De omgeving wordt gekenmerkt door een uitgesproken industrieel karakter met grote opslagloodsen, kantoren, parkeerzones en logistieke infrastructuur. Ten oosten van de site ligt het Middendok en een onbebouwd terrein, terwijl ten noorden, zuiden en westen andere bedrijven gevestigd zijn.
De aanvraag omvat regularisaties van bestaande ingrepen op de bedrijfssite:
Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten
Het betreft het veranderen van een op-en overslagbedrijf.
Voor de hele inrichting:
Compagnie Belge de Manutention (C.B.M.) N.V. maakt deel uit van de groep SEA-Invest. SEA-Invest
is gespecialiseerd in de op- en overslag van bulkgoederen in zeehavens.
C.B.M. is een dienstverlenend bedrijf dat op vraag van klanten droge bulkgoederen op- en
overslaat en tijdelijk stockeert op diverse sites. C.B.M. is nooit eigenaar van de goederen.
Bij C.B.M. gaan er geen bedrijfs- en productieprocessen door.
Voorliggende aanvraag omvat de site van C.B.M. gelegen in de Daniël Kinetstraat 2, 9000
Gent (zie verder als C.B.M. Kinet).
In de Daniël Kinetstraat wordt onderhoud en herstelling van het rollend materieel uitgevoerd
dat gebruikt wordt op de diverse terminals van C.B.M. in de Gentse haven. Naast het
onderhoud van het rollend materieel huisvest de site ook een reeks
metaalbewerkingsactiviteiten (incl. lasactiviteiten). Deze activiteiten zijn gericht ter
ondersteuning van de operationele behoeften van C.B.M.
Naast de technische activiteiten situeren zich in de Daniël Kinetstraat ook sociale ruimtes voor
werknemers en havenarbeiders. De sociale ruimtes omvatten kleedkamers, refter en sanitaire
ruimtes (douches en toiletten). Tevens bevindt zich er ook het magazijn. Dit magazijn fungeert
als een centraalpunt voor de opslag en distributie van materialen, onderdelen en
gereedschappen die nodig zijn voor de technische & operationele activiteiten.
De site Kinet van C.B.M. is gelegen in het Gewestelijk RUP ‘Afbakening Zeehaven Gent’, alsook in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het
gewestplan. De activiteiten die door C.B.M. worden uitgevoerd zijn in overeenstemming met
de bestemming van het gebied gezien deze gebonden zijn aan de werking van de diverse
terminals.
Historiek:
De exploitant beschikt over een basisvergunning Klasse 1 d.d. 28/10/2010 op naam
Compagnie Belge de Manutention (C.B.M.) N.V., alsook de BVBA MBV. Het bedrijf MBV is op
dag van vandaag niet meer actief en voert geen activiteiten meer uit op de site. Voorliggende
aanvraag wordt enkel aangevraagd op naam van C.B.M. nv.
Datum: 28/10/2010
Referentienummer: 181/E/2/CP
Bevoegde overheid: CBS
Onderwerp: Basisvergunning
Situering:
De exploitatie heeft betrekking op volgende percelen:
• GENT 12 AFD, sectie P, perceel 289/00A005
Deze vergunde kadasternummers wijzigen niet met voorliggende aanvraag.
Voor de onderdelen van verandering:
Op de site werd een grondige renovatie uitgevoerd. Zo werd de wasplaats en tankplaats
voorzien van een nieuwe vloeistofdichte verharding. Het uitzicht van de site werd tevens
opgefleurd door wijziging van de gevel van de werkplaats, het magazijn en het
personeelsgebouw.
C.B.M. Kinet wenst nu de vergunningstoestand te actualiseren.
Volgende rubrieken maken deel uit van de aanvraag:
- Uitbreiding van de lozing van bedrijfsafvalwater tot maximaal 6,66 m³/u. (rubriek 3.4.2)
- Uitbreiding van de lozing huishoudelijk afvalwater tot maximaal 990 m³/jaar (rubriek 3.6.1.);
- Herziening van de tankpiste met 2 vulslangen (rubriek 6.5.1)
- Herziening wasplaats voor rollend materieel (rubriek 15.4.1°);
- Uitbreiding aanwezige compressoren tot een totaal geïnstalleerd vermogen van 28,9 kW (rubriek 16.3.2.a)
- Uitbreiding aanwezige metaalbewerkingsinstallaties tot een totaal geïnstalleerd vermogen van 37,02 kW
- Uitbreiding nieuwe ontvettingsbak van 200 liter (rubriek 29.5.7.2.a.1)
- Toevoegen rubriek 29.5.7.1°a.1 met 400 liter (i.k.v. flexibiliteit van oplosmiddel voor het ontvetten van metalen)
- Vermindering totaal geïnstalleerd vermogen stookinstallaties tot een vermogen van
498,7 kWth door wijziging van de aanwezige installaties (rubriek 43)
- CLP-conversie & wijziging vergunde opslag op basis van actuele opslag:
1. Rubriek 6.4.1: 23 712 liter
2. Rubriek 17.1.2.1.2: 2.000 liter
3. Rubriek 17.3.2.1.1.2: 93,088 ton
4. Rubriek 17.3.4.1.a: 0,27 ton
5. Rubriek 17.3.6.1.a: 5,133 ton
6. Rubriek 17.3.7.1.a: 1,456 ton
7. Rubriek 17.3.8.1: 0,624 ton
8. Rubriek 17.4: 5000 liter
9. Verwijdering opslag ontvlambare vloeistoffen
10. Verwijdering opslag zeer licht ontvlambare vloeistoffen
11. Verwijdering opslag rubber en rubberen voorwerpen
Effecten op de omgeving
Voor de effecten op de mobiliteit, de bodem, het watersysteem, lucht, biodiversiteit en
effecten van geluid & trillingen en het risico op zware ongevallen of rampen wordt verwezen
naar de uitgewerkte E-bijlages.
Afwijken van de algemene milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM
C.B.M. Kinet vraagt een afwijking op artikel 4.2.5.1.1 §1 van de VLAREM-voorwaarden,
waarbij normaal een meetgoot vereist is voor debieten > 2 m³/uur of > 20 m³/dag. De lozing
betreft enkel potentieel verontreinigd hemelwater, met piekdebieten enkel bij regenval en
geen continu lozingspatroon. Door maatregelen zoals spillbehandeling wordt verwacht dat het
water nauwelijks of niet verontreinigd is, en er is geen risico op overschrijding van de vergunde
debieten.
C.B.M. Kinet stelt dat een meetgoot geen meerwaarde biedt en dat een bestaand
staalnamepunt voldoende is voor kwaliteitscontrole.
MER-plicht
Volgens het MER-besluit van 2004 zijn geen MER-plichtige activiteiten van toepassing. Om te
staven dat de effecten niet aanzienlijk zijn werden alle E-bijlagen uitgewerkt ook al zijn deze
strikt wettelijk gezien niet allemaal noodzakelijk of relevant voor deze aanvraag.
Energiestudie
Gezien het voorwerp van de aanvraag betrekking heeft op een toekomstig totaalverbruik <
0,1 PJfin werd geen energiestudie toegevoegd aan deze aanvraag. Voor de bespreking van het
energieverbruik wordt verwezen naar de bijlage C6.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Uitbreiding geloosd debiet bedrijfsafvalwater omwille van wijziging van het potentieel verontreinigd oppervlakte en het toepassen van de VMM-rekenregels | klasse 2 | Verandering | 4,662 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Uitbreiding van het geloosde debiet huishoudelijk afvalwater | klasse 3 | Verandering | 300 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | CLP-conversie en vermindering van de opslag brandbare vloeistoffen met 8.288 liter op basis van actuele opslag | klasse 3 | Verandering | -8288 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Herziening tankpiste | klasse 3 | Verandering | 0 verdeelslang |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Herziening wasplaats: verandering vloeistofdichte verharding | klasse 3 | Verandering | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Uitbreiding met 3 nieuwe compressoren, 1 airco en 2 frigo's | klasse 3 | Verandering | 13,9 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | CLP-conversie van vergunde 2.000 liter en vermindering met 120 liter | klasse 2 | Verandering | -120 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | - CLP-conversie van 7.000 liter vergund in rubriek 17.3.6.2 - Verwijdering 128.500 liter vergunde opslag - Toevoegen 104.750 liter (nieuwe opslagtanks) | klasse 2 | Verandering | -19,783 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | CLP-conversie en actualisatie van de opslag op basis van actuele opslag. | klasse 3 | Verandering | 0,27 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | CLP-conversie en actualisatie van de opslag op basis van actuele opslag. | klasse 3 | Verandering | 5,133 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS08 | klasse 3 | Nieuw | 1,456 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | CLP-conversie en actualisatie van de aanwezige opslag | klasse 3 | Verandering | 0,124 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | CLP-conversie + uitbreiding van de opgeslagen producten in kleine verpakkingen | klasse 3 | Verandering | 800 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Uitbreiding metaalbewerkingsinstallaties op basis van actuele toestellen | klasse 3 | Verandering | 7,26 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | klasse 3 | Nieuw | 400 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Uitbreiding met een ontvettingsbad van 200 liter | klasse 3 | Verandering | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Wijziging van de aanwezige stookinstallaties | klasse 3 | Verandering | -106,3 kW |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
15.1.2° | stallen van 42 andere dan personenwagens | 42 voertuigen
15.2. | herstellen van motorvoertuigen | 3 putten
29.5.3.1°a) | Metaalbewerkingsinstallaties voor thermisch behandelen van metalen. | 15 kW
Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:
12.2.1 | Tranformator | 160 kVA
36.4 | opslag rubber en rubberen voorwerpen | 70 ton
17.3.4.1.a | opslag van zeer licht onwlambare en licht ontvlambare vloeistoffen | 500 liter
17.3.5.1 | opslag ontvlambare vloeistoffen | 500 liter
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 17/08/1964 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van burelen en een draadafsluiting met inrijpoort - het bouwen van een hangaar niet inbegrepen. (Litt. D-11-64)
* Op 18/01/1965 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een zagerijloods en een houtopslagplaats. (Litt. S-43-64)
* Op 22/02/1965 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een kantoorgebouw. (Litt. S-46-64)
* Op 16/10/1967 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een betonfabriek. (Litt. F-13-67)
* Op 04/12/1972 werd een vergunning afgeleverd voor oprichten van een hangar. (Litt. D-24-72)
* Op 29/08/1977 werd een vergunning afgeleverd voor uitbreiden kantoor. (KW D-21-77)
* Op 18/10/1984 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een gebouw voorpersoonsverzorging en diensten. (1984/1012)
* Op 07/03/1985 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van onderhoudsloodsen. (1985/30)
* Op 09/07/1987 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods. (1987/473)
* Op 17/12/1996 werd een vergunning afgeleverd voor oprichten dienstgebouw. (1996/719)
* Op 10/11/1999 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een frisomatloods. (1999/227)
* Op 15/12/2011 werd een weigering afgeleverd voor het bouwen van een loods voor het parkeren van 26 personenwagens. (2011/798)
* Op 22/03/2012 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods voor het parkeren van 26 personenwagens. (2012/35)
Milieuvergunningen
* Op 28/10/2010 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het verder exploiteren en veranderen van een werkplaats voor mechanische en thermische metaalbewerking (nv CBM) en voor herstelwerkzaamheden voor voertuigen (bvba MVB)
STOPZETTING ACTIVITEITEN MBV, CBM blijft activiteiten behouden. (181/E/2)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 23 september 2025:
Wij verwijzen naar uw bovenvermelde adviesvraag via het Omgevingsloket van 15/09/2025 met referentie OMV_2024056651.
De aanvraag heeft betrekking op terrein in eigendom van North Sea Port Flanders, uitgegeven in concesse aan de aanvrager.
De werken kunnen gunstig geadviseerd worden.
Voorwaardelijk gunstig advies van Fluxys NV afgeleverd op 15 september 2025:
Zie bestanden in bijlage
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 15 oktober 2025:
Besluit: VOORWAARDELIJK GUNSTIG, mits te voldoen aan de vereisten voor gevelbekledingen
Voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 16 oktober 2025:
zie bijlage
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven.
Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
4.3. Verordeningen
Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024.
Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.
Gewestelijke verordening hemelwater
De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023. (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023)
Zie waterparagraaf.
4.4. Uitgeruste weg
Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste havenweg.
5. WATERPARAGRAAF
5.1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van North Sea Port. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
Het terrein is quasi volledig bebouwd.
5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Om hier concreet uitvoering aan te geven werd het project aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en het algemeen bouwreglement van de stad Gent inzake hemelwater getoetst.
Met deze aanvraag worden een container, een tankplaats en een wasplaats geregulariseerd. Voor het uitvoeren van deze werken was het terrein reeds volledig verhard. Er werd dus geen onbebouwde of onverharde ruimte ingenomen.
Het hemelwater dat op de wasplaats terecht komt, is vervuild afvalwater en valt dus buiten het toepassingsgebied van de GSV. Dit water moet aangesloten worden op de vuilwaterafvoer.
Het hemelwater dat op de container terecht komt, wordt afgevoerd naar de enige groenzone op het perceel. Deze groenzone is voldoende groot om dit hemelwater te laten infiltreren. Dit is conform de GSV.
De werken aan de tankplaats vallen niet onder het toepassingsgebied van de GSV.
Er wordt drinkwater gebruikt voor laagwaardige huishoudelijke toepassingen (toiletten, schoonmaak, …). Bij de eerstvolgende verbouwing van het gelijkvloerse, waarbij die verbouwing tot gevolg heeft dat het afvoerstelsel van afval-en hemelwater kan aangepast worden, moet voor de laagwaardige huishoudelijke toepassingen overgeschakeld worden op hergebruik van hemelwater (plaatsen van een hemelwaterput met pompsysteem dat hergebruik mogelijk maakt). Zie ook aspect hemelwater.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Overstromingen
Het projectgebied is volgens de watertoetskaarten niet overstromingsgevoelig. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
5.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits voorwaarden de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er wordt geen waardevol groen of boom verwijderd.
De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen.
Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.
In dit dossier is het beoordelingskader voor stationaire bronnen van toepassing.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Het afvalwater wordt geloosd in oppervlakte water via IBA/KWS.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 23 september 2025 tot en met 22 oktober 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
De site ligt binnen het gewestplan in een gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven en binnen het gewestelijk RUP “Afbakening Zeehaven Gent”. De ingrepen passen volledig binnen deze bestemming en hebben geen impact op mobiliteit, natuur of erfgoed. De te regulariseren constructies/verhardingen zijn eerder kleinschalig in deze industriële omgeving. Alle gebouwen op de site kregen dezelfde gevelbekleding om een visueel samenhangend geheel te vormen. De aanvraag brengt geen wijzigingen in de schaal of het ruimtegebruik van de site. De aanvraag is functioneel en visueel verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
aspect afval
De voortgebrachte afvalstoffen worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
aspect afvalwater
Situatieschets
Het bedrijf is momenteel vergund voor het lozen van 23IE huishoudelijk afvalwater via een IBA op
oppervlaktewater en het lozen van 272 m³/jaar bedrijfsafvalwater zonder 2C stoffen via een KWS-afscheidermet coalescentiefilter op oppervlaktewater bij Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Gent dd. 28 oktober 2010.
Lozingssituatie
De inrichting is gelegen buiten het zoneringsplan en dient zelf in te staan voor de zuivering van het
eigen afvalwater.
Het bedrijf loost op het Middendok.
Huishoudelijk afvalwater
Het bedrijf vraagt met voorliggende aanvraag een verhoging van het debiet voor het lozen van het
huishoudelijk afvalwater naar 990 m³/jaar.
Er komt een bijkomend lozingspunt met IBA voor het huishoudelijk afvalwater.
Bedrijfsafvalwater
Het bedrijf vraagt een uitbreiding van het lozingsdebiet van het bedrijfsafvalwater naar 6,662 m³/uur
- 16,528 m³/dag - 822,685 m³/jaar. Het zal via een slibvang en een KWS-afscheider met
coalescentiefilter geloosd worden op oppervlaktewater.
Het bedrijf stelt het volgende met betrekking tot het bedrijfsafvalwater:
Alle bedrijfsafvalwaterstromen passeren via een slibvang en een KWS met coalescentiefilter vooraleer geloosd te worden op oppervlaktewater via de openbare riolering. Een luifel beperkt de hoeveelheid potentieel verontreinigd hemelwater afkomstig van de was/tankpiste. Eventuele brandstofspils die per ongeluk zouden ontstaan door het tanken van de voertuigen zullen zo snel mogelijk opgekuist worden a.d.h.v. absorberende korrels. Er wordt voor de wasplaats activiteit geen gebruik gemaakt van detergenten, louter van water onder druk.
VMM baseert zich voor het bepalen van het debiet aan verontreinigd hemelwater (conform de Code
van goede praktijk voor het ontwerp, het onderhoud en de aanleg van rioleringssystemen van 20
augustus 2012), sedert april 2017, op:
- Het langjarig gemiddeld neerslagtotaal (Ukkel 1981-2010) van 0,85 m³/m² voor het jaardebiet;
- Een composietbui met een terugkeerperiode van 2 jaar van 0,0159 m³/m² voor het uurdebiet
en 0,0408 m³/m² voor het dagdebiet;
Deze aanpak sluit aan bij de huidige klimaatveranderingen en is nodig voor het correct inschatten van de hydraulische en ecologische impact op de riolering of ontvangende waterloop.
Op basis van afvloeiing coëfficiënten, metingen, hergebruik en buffering kunnen de debieten bijgesteld worden.
Het aangevraagde debiet bedraagt minder dan 20 m³/dag en moet bijgevolg over geen meetgoot
beschikken; in het Wezerstappenplan waarbij de impact van de lozing op het ontvangende
oppervlaktewater wordt berekend wordt een lozing met dit debiet als niet significant beschouwd voor een verdere impactberekening.
Voor niet relevante sectoren (bv carwashes, tankstations), of bedrijven die een afwijking verkregen
voor de plaatsing van een meetgoot of een evenwaardige meetmogelijkheid is geen impactberekening nodig.
Controle inrichting - meetprogramma
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit
en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat
gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de
hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een
controleput wordt voldoende geacht.
De VMM-Advisering Afvalwater adviseert gunstig voor het lozen van 990 m³/jaar huishoudelijk
afvalwater via 2 lozingspunten met elk een IBA op oppervlaktewater, mits het naleven van de
algemene voorwaarden voor lozing van huishoudelijk afvalwater op oppervlaktewater.
De VMM-Advisering Afvalwater adviseert gunstig voor het lozen van 6,662 m³/uur - 16,528 m³/dag -
822,685 m³/jaar bedrijfsafvalwater zonder 2C stoffen via een KWS-afscheider met coalescentiefilter
op oppervlaktewater, mits het naleven van de algemene en sectorale (52 a & c) voorwaarden voor
lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater.
Bijzondere voorwaarden
De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit
en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat
gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de
hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een
controleput wordt voldoende geacht.
De KWS-afscheider dient conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te
worden.
aspect hemelwater
Er wordt enkel leidingwater gebruikt op het bedrijf. Er zijn nochtans laagwaardige toepassingen (wasplaats, sanitair) waarvoor hemelwater zou kunnen aangewend worden.
Volgende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd:
Het bedrijf onderzoekt de mogelijkheid om hemelwater aan te wenden voor laagwaardige toepassing (wasplaats, sanitair,…).Bij de eerstvolgende verbouwing, waarbij die verbouwing tot gevolg heeft dat het afvoerstelsel van afval-en hemelwater kan aangepast worden, moet voor de laagwaardige toepassingen overgeschakeld worden op hergebruik van hemelwater (plaatsen van een hemelwaterput met pompsysteem dat hergebruik mogelijk maakt).
aspect bodem
De exploitatie beschikt over een werkplaats, tankplaats en afspuitzone, waarbij voornamelijk olie,
brandstof en detergenten een potentiële bron van bodemverontreiniging kunnen zijn.
Volgende bronnen van onderhavige aanvraag hebben een invloed op potentiële emissies naar de
bodem:
- de opslag van diesel (2 bovengrondse dubbelwandige tanks van elk 49.900 liter voor
tankactiviteiten en één van 4.950 liter);
- herziening verharding tankpiste;
- herziening verharding wasplaats.
Verder gebeurt nog een algemene actualisatie van de brandbare en gevaarlijke producten (oliën,
onderhoudsproducten, ruitenvloeistof,..).
Opslag van gevaarlijke/brandbare producten in vaste houders
Met deze vergunningsaanvraag worden twee nieuwe bovengrondse dubbelwandige diesel
opslagtanks van elk 49,9 m³ en één van 4,95 m³ aangevraagd.
De houders moeten gebouwd worden volgens een code van goede praktijk zoals vermeld in bijlage 5.17.2. van Vlarem II.
Het verslag van controle voor ingebruikname van de houder door de deskundige dient voorgelegd te worden conform art. 5.17.4.3.4 van Vlarem II. De controle van het lekdetectiesysteem en systeem tegen overvulling maken deel uit van dit verslag.
Na de installatie, maar voor de ingebruikname van de houder, dient ook gecontroleerd te worden of de vloeistofdichte piste, KWS-afscheider of het opvangsysteem voldoen aan VLAREM. Deze maken immers deel uit van de infrastructuur rond de houder.
Ter staving van de naleving wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen dat het verslag van controle voor ingebruikname van de nieuwe houders binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit dient bezorgd te worden aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Het systeem tegen overvulling moet voldoen aan de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI). De goede werking van het systeem dient jaarlijks getest te worden door de exploitant of zijn aangestelde. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Het algemeen onderzoek van de houder dient te gebeuren volgens de huidige geldende periodiciteiten of ten minste om de periode die de helft of 75% van de berekende of verwachte levensduur overeenkomstig bijlage 5.17.2 bedraagt. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Bij de verlaadactiviteiten van en naar de houder dienen steeds de nodige maatregelen genomen te worden voor voldoende bescherming van bodem en het grond- en/of oppervlaktewater te zorgen in geval van lekken. Naast een vaste vloeistofdichte zone, voorzien van hellingen en eventueel opstaande randen al dan niet gekoppeld aan een calamiteitenopvang, kan een vloeistofdichte vul- en lospuntlekbak of verplaatsbare vloeistofdichte lekbak/vloer toegepast worden om lekken op te vangen
De verlaadprocedure bij de vul- en loszone van de houder dient gekend te zijn bij zowel de exploitant/toezichter als de bestuurder van de tankwagen. De aanwezige beschermings- en preventieve maatregelen moeten gekend zijn bij de gebruikers van de zone. Voldoende sorptiematerialen dienen aanwezig te zijn om in geval van lekken snel te kunnen ingrijpen of te beperken dat de stoffen zich verspreiden naar de omgeving. Dit wordt als opmerking opgenomen.
De bestaande twee gasolietanks zijn beide voorzien van overvulbeveiliging en staan in een
inkuiping. Het verslag van het beperkt onderzoek is aan de aanvraag toegevoegd.
De nodige periodieke beperkte en algemene onderzoeken worden uitgevoerd bij alle vaste
houders. De conformiteitsattesten en de keuringsattesten van de tanks worden
bijgehouden op de exploitatiezetel. De nodige pictogrammen en brandbestrijdingsmiddelen zijn aanwezig. De geldende afstandsregels worden gerespecteerd. De reeds vergunde ondergrondse tanks zijn definitieve buitengebruik gesteld conform de Vlarem voorschriften. De bovengrondse tanks zijn dubbelwandig/voorzien van inkuipig en zijn duidelijk gelabeld. Ze zijn voorzien van overvulbeveiliging/lekdetectie.
Opslag gevaarlijke producten in kleine verpakkingen
De opslag van gevaarlijke producten gebeurt ook deels in kleine verpakkingen waarbij het risico voor milieu en omgeving beperkt is. De producten zijn opgeslagen in technische ruimtes, er is voorzien in gepaste inkuiping. De recipiënten zijn voorzien van duidelijke labels en worden steeds afgesloten bewaard.
Opslag gevaarlijke/brandbare producten in verplaatsbare recipiënten
Alle gevaarlijke en brandbare producten in verplaatsbare recipiënten zijn opgeslagen in technische ruimtes met vloeistofdichte vloeren en voorzien van voldoende inkuiping. De recipiënten zijn voorzien van duidelijke labels en worden gestockeerd conform de geldende afstandsregels.
Transformator
De aanwezige transformator is van het droge type en is niet langer ingedeeld.
Ontvettingstafels
De ontvettafel dient geëxploiteerd te worden volgens de voorwaarden van artikel 5.29.0.9 van Vlarem II. Dit betekent ondermeer dat de baden of opvangrecipiënten moeten ontworpen en gebouwd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van de produkten die ze bevatten.
De gebruikte materialen moeten een voldoende mechanische en chemische weerstand hebben.
In geval er vastgesteld wordt dat een inkuiping, bad of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt of overgeladen. In de inrichting moeten daartoe de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en
neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in
geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.
aspect lucht
Er werden 3 stookinstallaties met een vermogen van 605 kW in totaal verwijderd en vervangen door 2 stookinstallaties (op stookolie) met een vermogen van 180 kW en 318,17 kW respectievelijk.
De stookinstallaties worden steeds met jaarlijkse frequentie onderhouden.
De emissiemeting van de brander (>300 kW) wordt met 5-jaarlijkse frequentie uitgevoerd.
Er zijn geen niet-geleide emissies aanwezig op de site, met uitzondering van de emissie afkomstig
van transport.
Door de verdere elektrificatie van de voertuigen (inclusief toekomstige heavy equipment) zal de
emissie afkomstig van verbrandingsmotoren steeds verder afnemen.
Er worden 3 compressoren bijgeplaatst. Het product van de toelaatbare druk (13 bar) en het volume (500 liter) één van de luchtcompressor (4 kW) is groter is dan 3.000 bar.liter. Bijgevolg dient de luchtcompressor, conform artikel 5.16.3.2, §4 van Vlarem II, onderworpen te worden aan een onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen. Binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit dient het attest van het periodiek onderzoek, conform artikel 5.16.3.2.§4 van Vlarem II, bezorgd te worden aan de dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.
Het gebruikte koelmiddel in de airconditioninginstallaties is (type HKF).
Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De airco dient onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.
Deze elementen worden als opmerking opgenomen.
De opslag van gasflessen betreft een vermindering.
aspect geluid
De grootste activiteit vindt plaats tussen 8 en 16u. Ook buiten deze uren kan uitzonderlijk
activiteit plaatsvinden, dit wegens de volcontinue operatie van de havenactiviteiten.
De activiteiten veroorzaken een zekere geluidsproductie. De voornaamste “luidruchtige”
activiteiten - metaalbewerking - vinden plaats binnen in de gebouwen. Gezien de ligging van de inrichting wordt niet gevreesd voor geluidshinder.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Uitbreiding geloosd debiet bedrijfsafvalwater omwille van wijziging van het potentieel verontreinigd oppervlakte en het toepassen van de VMM-rekenregels | Verandering | 4,662 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Uitbreiding van het geloosde debiet huishoudelijk afvalwater | Verandering | 300 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | CLP-conversie en vermindering van de opslag brandbare vloeistoffen met 8.288 liter op basis van actuele opslag | Verandering | -8288 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Herziening tankpiste | Verandering | 0 verdeelslang |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Herziening wasplaats: verandering vloeistofdichte verharding | Verandering | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Uitbreiding met 3 nieuwe compressoren, 1 airco en 2 frigo's | Verandering | 13,9 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | CLP-conversie van vergunde 2.000 liter en vermindering met 120 liter | Verandering | -120 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | - CLP-conversie van 7.000 liter vergund in rubriek 17.3.6.2 - Verwijdering 128.500 liter vergunde opslag - Toevoegen 104.750 liter (nieuwe opslagtanks) | Verandering | -19,783 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | CLP-conversie en actualisatie van de opslag op basis van actuele opslag. | Verandering | 0,27 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | CLP-conversie en actualisatie van de opslag op basis van actuele opslag. | Verandering | 5,133 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS08 | Nieuw | 1,456 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | CLP-conversie en actualisatie van de aanwezige opslag | Verandering | 0,124 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | CLP-conversie + uitbreiding van de opgeslagen producten in kleine verpakkingen | Verandering | 800 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Uitbreiding metaalbewerkingsinstallaties op basis van actuele toestellen | Verandering | 7,26 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | Nieuw | 400 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Uitbreiding met een ontvettingsbad van 200 liter | Verandering | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Wijziging van de aanwezige stookinstallaties | Verandering | -106,3 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (20240417-0091) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Lozen van bedrijfsafvalwater bestaande uit waswater en potentieel verontreinigd hemelwater (maximaal 6,662 m³/uur, 16,528 m³/dag en 822,685 m³/jaar) | klasse 2 | 6,662 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Lozing van huishoudelijk afvalwater via een IBA | klasse 3 | 990 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen | klasse 3 | 23712 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Verdeelslangen | klasse 3 | 2 verdeelslang |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | stallen van 42 andere dan personenwagens | klasse 2 | 42 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | herstellen van motorvoertuigen | vlarebo : A | klasse 3 | 3 putten |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Wasplaats voor het wassen van 10 voertuigen per dag | klasse 3 | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Compressoren, airco en frigo's | klasse 3 | 28,9 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | 2000 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Opslag van gasolie in vijf bovengrondse opslagtanks (2 x 3500 liter, 2 x 49.900 liter, 1 x 4.950 liter) | vlarebo : A* | klasse 2 | 93,088 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS05 | klasse 3 | 0,27 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS07 | klasse 3 | 5,133 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS08 | klasse 3 | 1,456 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS09 | klasse 3 | 0,624 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen | klasse 3 | 5000 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Metaalbewerkingsinstallaties voor mechanische behandeling van metalen | vlarebo : O | klasse 3 | 37,02 kW |
29.5.3.1°a) | thermisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal met een thermisch vermogen van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Metaalbewerkingsinstallaties voor thermisch behandelen van metalen. | vlarebo : O | klasse 3 | 15 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | vlarebo : O | klasse 3 | 400 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | klasse 3 | 400 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | 2 stookinstallaties | klasse 3 | 498,7 kW |
TERMIJN
De SH worden vergund voor onbepaalde duur.
De IIOA worden vergund tot de einddatum van de basisvergunning: 28/10/2030.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een op-en overslagbedrijf met de regularisatie van de gevelbekleding, de tankplaats, wasplaats en de container aan COMPAGNIE BELGE DE MANUTENTION nv (O.N.:0436864343) gelegen te Daniël Kinetstraat 2, 9000 Gent.
De door het college vergunde plannen zijn de plannen die op de overzichtslijst staan, die is toegevoegd als bijlage aan deze vergunning en er integraal deel van uitmaakt.
Plannen die niet op deze overzichtslijst staan, maken geen deel uit van de vergunning.
Controleer steeds of het om een goedgekeurd plan gaat.
Opgelet, er kunnen voorwaarden betrekking hebben op de plannen.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit (CBM, site Kinet) met inrichtingsnummer 20240417-0091 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Uitbreiding geloosd debiet bedrijfsafvalwater omwille van wijziging van het potentieel verontreinigd oppervlakte en het toepassen van de VMM-rekenregels | Verandering | 4,662 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Uitbreiding van het geloosde debiet huishoudelijk afvalwater | Verandering | 300 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | CLP-conversie en vermindering van de opslag brandbare vloeistoffen met 8.288 liter op basis van actuele opslag | Verandering | -8288 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Herziening tankpiste | Verandering | 0 verdeelslang |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Herziening wasplaats: verandering vloeistofdichte verharding | Verandering | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Uitbreiding met 3 nieuwe compressoren, 1 airco en 2 frigo's | Verandering | 13,9 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | CLP-conversie van vergunde 2.000 liter en vermindering met 120 liter | Verandering | -120 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | - CLP-conversie van 7.000 liter vergund in rubriek 17.3.6.2 - Verwijdering 128.500 liter vergunde opslag - Toevoegen 104.750 liter (nieuwe opslagtanks) | Verandering | -19,783 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | CLP-conversie en actualisatie van de opslag op basis van actuele opslag. | Verandering | 0,27 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | CLP-conversie en actualisatie van de opslag op basis van actuele opslag. | Verandering | 5,133 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS08 | Nieuw | 1,456 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | CLP-conversie en actualisatie van de aanwezige opslag | Verandering | 0,124 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | CLP-conversie + uitbreiding van de opgeslagen producten in kleine verpakkingen | Verandering | 800 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Uitbreiding metaalbewerkingsinstallaties op basis van actuele toestellen | Verandering | 7,26 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | Nieuw | 400 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Uitbreiding met een ontvettingsbad van 200 liter | Verandering | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Wijziging van de aanwezige stookinstallaties | Verandering | -106,3 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (20240417-0091) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Lozen van bedrijfsafvalwater bestaande uit waswater en potentieel verontreinigd hemelwater (maximaal 6,662 m³/uur, 16,528 m³/dag en 822,685 m³/jaar) | klasse 2 | 6,662 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Lozing van huishoudelijk afvalwater via een IBA | klasse 3 | 990 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen | klasse 3 | 23712 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Verdeelslangen | klasse 3 | 2 verdeelslang |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | stallen van 42 andere dan personenwagens | klasse 2 | 42 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | herstellen van motorvoertuigen | vlarebo : A | klasse 3 | 3 putten |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Wasplaats voor het wassen van 10 voertuigen per dag | klasse 3 | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Compressoren, airco en frigo's | klasse 3 | 28,9 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | 2000 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Opslag van gasolie in vijf bovengrondse opslagtanks (2 x 3500 liter, 2 x 49.900 liter, 1 x 4.950 liter) | vlarebo : A* | klasse 2 | 93,088 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS05 | klasse 3 | 0,27 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS07 | klasse 3 | 5,133 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS08 | klasse 3 | 1,456 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | Opslag van gevaarlijke producten met gevarenpictogram GHS09 | klasse 3 | 0,624 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen | klasse 3 | 5000 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Metaalbewerkingsinstallaties voor mechanische behandeling van metalen | vlarebo : O | klasse 3 | 37,02 kW |
29.5.3.1°a) | thermisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal met een thermisch vermogen van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Metaalbewerkingsinstallaties voor thermisch behandelen van metalen. | vlarebo : O | klasse 3 | 15 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | vlarebo : O | klasse 3 | 400 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van andere organische oplosmiddelen volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 15.5 (van 10 l tot en met 1 000 l) | Ontvetten van metalen a.d.h.v. 2 ontvettingsbaden | klasse 3 | 400 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | 2 stookinstallaties | klasse 3 | 498,7 kW |
Verleent de vergunning als volgt:
De stedenbouwkundige handelingen worden vergund voor onbepaalde duur.
De IIOA worden vergund tot de einddatum van de basisvergunning: 28/10/2030.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
1. Voorwaarden VMM:
De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit
en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat
gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de
hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een
controleput wordt voldoende geacht.
De KWS-afscheider dient conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te
worden.
2. Het bedrijf onderzoekt de mogelijkheid om hemelwater aan te wenden voor laagwaardige toepassing (wasplaats, sanitair,…).Bij de eerstvolgende verbouwing, waarbij die verbouwing tot gevolg heeft dat het afvoerstelsel van afval-en hemelwater kan aangepast worden, moet voor de laagwaardige toepassingen overgeschakeld worden op hergebruik van hemelwater (plaatsen van een hemelwaterput met pompsysteem dat hergebruik mogelijk maakt).
3. Het verslag van controle voor ingebruikname van de nieuwe houders voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen moet binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit bezorgd worden aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
4. Binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit dient het attest van onderzoek, conform artikel 5.16.3.2.§4 van Vlarem II, van de compressor met pxV >3.0000bar.liter bezorgd te worden aan de dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Bijzondere voorwaarde voor de geplande werken:
Externe adviezen
De voorwaarden uit het advies van Fluxys NV, afgeleverd op 15 september 2025, moeten strikt nageleefd worden.
De voorwaarden uit het advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 15 oktober 2025, moeten strikt nageleefd worden.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Afval
De voortgebrachte afvalstoffen worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.
Opslag van gevaarlijke/brandbare producten in vaste houders
De houders moeten gebouwd worden volgens een code van goede praktijk zoals vermeld in bijlage 5.17.2. van Vlarem II.
Het systeem tegen overvulling moet voldoen aan de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI). De goede werking van het systeem dient jaarlijks getest te worden door de exploitant of zijn aangestelde. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Het algemeen onderzoek van de houder dient te gebeuren volgens de huidige geldende periodiciteiten of ten minste om de periode die de helft of 75% van de berekende of verwachte levensduur overeenkomstig bijlage 5.17.2 bedraagt.
Bij de verlaadactiviteiten van en naar de houder dienen steeds de nodige maatregelen genomen te worden voor voldoende bescherming van bodem en het grond- en/of oppervlaktewater te zorgen in geval van lekken. Naast een vaste vloeistofdichte zone, voorzien van hellingen en eventueel opstaande randen al dan niet gekoppeld aan een calamiteitenopvang, kan een vloeistofdichte vul- en lospuntlekbak of verplaatsbare vloeistofdichte lekbak/vloer toegepast worden om lekken op te vangen
De verlaadprocedure bij de vul- en loszone van de houder dient gekend te zijn bij zowel de exploitant/toezichter als de bestuurder van de tankwagen. De aanwezige beschermings- en preventieve maatregelen moeten gekend zijn bij de gebruikers van de zone. Voldoende sorptiematerialen dienen aanwezig te zijn om in geval van lekken snel te kunnen ingrijpen of te beperken dat de stoffen zich verspreiden naar de omgeving.
Ontvettingstafels
De ontvettafel dient geëxploiteerd te worden volgens de voorwaarden van artikel 5.29.0.9 van Vlarem II. Dit betekent ondermeer dat de baden of opvangrecipiënten moeten ontworpen en gebouwd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van de produkten die ze bevatten.
De gebruikte materialen moeten een voldoende mechanische en chemische weerstand hebben.
In geval er vastgesteld wordt dat een inkuiping, bad of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt of overgeladen. In de inrichting moeten daartoe de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en
neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in
geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.
Bodemonderzoeken
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
Airconditioninginstallaties
Het gebruikte koelmiddel in de airconditioninginstallaties is (type HKF).
Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De airco dient onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.