Terug
Gepubliceerd op 04/07/2025

2025_CBS_05969 - OMV_2024149726 - aanvraag omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van een Federaal Laboratorium voor de Veiligheid van de Voedselketen - met openbaar onderzoek - Braemkasteelstraat, 9050 Gent - Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 03/07/2025 - 08:32 College Raadzaal
Datum beslissing: do 03/07/2025 - 08:47
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Hafsa El-Bazioui, schepen-voorzitter; Astrid De Bruycker, schepen; Sofie Bracke, schepen; Evita Willaert, schepen; Joris Vandenbroucke, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Burak Nalli, schepen; Filip Watteeuw, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Mathias De Clercq, burgemeester; Christophe Peeters, schepen

Secretaris

Mieke Hullebroeck, algemeen directeur
2025_CBS_05969 - OMV_2024149726 - aanvraag omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van een Federaal Laboratorium voor de Veiligheid van de Voedselketen - met openbaar onderzoek - Braemkasteelstraat, 9050 Gent - Vergunning 2025_CBS_05969 - OMV_2024149726 - aanvraag omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van een Federaal Laboratorium voor de Veiligheid van de Voedselketen - met openbaar onderzoek - Braemkasteelstraat, 9050 Gent - Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen FEDEDIEN met als contactadres Braemkasteelstraat 59, 9050 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024149726) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 13 december 2024.

 

De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het hernieuwen en veranderen van een Federaal Laboratorium voor de Veiligheid van de Voedselketen

• Adres: Braemkasteelstraat 59 en 61, 9050 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 21 sectie A nr. 456G

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 25 maart 2025.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 25 juni 2025.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

 

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

Het betreft het hernieuwen en veranderen van een bestaande en vergunde inrichting, nl. een laboratorium voor voedselveiligheid.

 

Het Federaal Agentschap voor Veiligheid van de Voedselketen (afgekort FAVV) waakt over de veiligheid van de voedselketen en over de kwaliteit van het voedsel dat ter beschikking wordt gesteld aan de consument. Om de nodige analyses te kunnen uitvoeren beschikt het FAVV over 5 laboratoria, waarvan 1 te Gentbrugge (afgekort FLVVG).

 

De stalen die in het laboratorium van Gentbrugge geanalyseerd worden zijn afkomstig van voedingsmiddelen en drinkwater, diervoeders en grondstoffen, dierlijke weefsels en excretieproducten en meststoffen en bodemverbeteraars. Daarnaast worden ook contactmaterialen uit kunststof, keramiek en metaal getest, bv. kommetjes, potten en pannen, …. In het FLVVG worden geen microbiologische analyses uitgevoerd.

 

Het onderzoekscentrum bestaat uit twee afdelingen: de sectie Residu’s en Contaminanten en de sectie Anorganische Chemie. Voor de onderzoeken maakt het FLVVG gebruik van verschillende laboratoria met allerlei analysetoestellen.

 

De inrichting werd op 29 september 2005 door de deputatie vergund als een klasse 2 inrichting.

Met voorliggende aanvraag beoogt de exploitant enerzijds de hernieuwing van de vergunning (verdere exploitatie van de IIOA), die vervalt op 28 september 2025, en anderzijds wordt een verandering aangevraagd. De veranderingen betreft vnl. verminderingen en één regularisatie, nl:

-  Vermindering totale drijfkracht van de koelinstallaties;

-  Vermindering maximale opslagcapaciteit gassen in verplaatsbare recipiënten;

-  Toename thermische ingangsvermogen stookinstallatie centrale verwarming op aardgas. Dit is een rechtzetting, er wordt geen extra vermogen geïnstalleerd.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°b)

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | klasse 2 | Hernieuwing

1,5 m³/uur

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Vermindering van totale drijfkracht met 5 kW van 126 kW naar 121 kW, aanpassing aan de huidige te vergunnen situatie. | klasse 3 | Verandering

-5 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Vermindering van maximale opslagcapaciteit voor gassen in verplaatsbare recipiënten met 10 liter van 4000 liter tot 3990 liter, de actuele opslagcapaciteit. | klasse 2 | Verandering

-10 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | klasse 3 | Hernieuwing

0,996 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | klasse 3 | Hernieuwing

2550 kg

24.3.

laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | klasse 2 | Hernieuwing

2 Labo's

43.1.1°b)

stookinstallaties met een vermogen van 300 kW tot en met 2000 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een ander gebied dan industriegebied en  gestookt wordt met aardgas | Rechtzetten met correctie van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot 599 kW; een toename van 5,8 kW. Vermelding van de juiste nominaal thermische ingangsvermogens per ketel:  266 kW en 333 kW. Indeling volgens rubriek aangepast na VLAREM I. Het betreft een stookinstallatie op aardgas gelegen in ander gebied dan industriegebied. | klasse 3 | Verandering

+5,8 kW

 

Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:

3.2.2°a) | De lozing van max 600 m³/jaar van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering. | 600 m³

12.2.1° | Een transformator met een individueel nominaal vermogen van 400 kVA | 400 kVA

12.3.1° | 40 UPS-batterijen met een vermogen van 65,9 Ah en een klemspanning van 12 V (totaal rubriek: 33.360 Ah). | 33360 Ah

 

Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:

 

Artikel: 5.17.4.1.3 §4 – verbod opslag acetonitrile

 

Omschrijving:

Er wordt een uitzondering gevraagd op sectorale voorwaarde 5.17.4.1.3 §4 voor de opslag van 200 liter acetonitrile.

 

Motivatie:

Acetonitrile is voor verschillende gevalideerde analysestappen een cruciaal product voor de extractie van bepaalde elementen uit stalen, zodat deze gedetecteerd kunnen worden met de gebruikte gevalideerde detectiemethoden.

 

Voorstel:

Toestemming voor de opslag van 200 liter acetonitrile.

 

Artikel 4.2.3.1. – afwijking lozingsnormen

 

Omschrijving:

Er wordt gevraagd om dezelfde lozingsnormen voor afvalwater te mogen hanteren als diegene die momenteel van toepassing zijn in de huidige vergunning. Wanneer de aanpassing van de riolering bij lozingspunt 3 uitgevoerd is, dan zal er onderzocht worden of er andere bijzondere lozingsnormen gevraagd zullen worden.

 

Motivatie:

De huidige bijzondere voorwaarden voor de lozing van bepaalde stoffen in het bedrijfsafvalwater zijn nodig om steeds aan de voorwaarden te voldoen. Wanneer de aanpassingswerken aan de riolering gebeurt zijn, zal er opnieuw bestudeerd worden voor welke stoffen er dan nog bijzondere voorwaarden nodig zijn.

 

Voorstel:

Bijzondere voorwaarden voor de lozing van de stoffen zoals opgenomen in het document "Bijstelling_Voorwaarden_Bedrijfsafvalwater".

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:

 

Stedenbouwkundige vergunningen

Op 30/01/1981 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van een instituut voor hygiëne en epidemiologie. (Litt. K-75-79 (GB 370/39))

 

Milieuvergunningen

* Op 29/09/2005 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor het verder exploiteren van een laboratorium voor een termijn tot en met 28/09/2025. (3165/E/1)

* Op 16/09/2010 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor het veranderen van een labo. (3165/E/2)

* Op 01/08/2013 werd door de deputatie een verzoek tot wijziging van de lozingsnormen toegestaan (3165/E/3)

* Op 05/02/2015 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor het veranderen (door uitbreiding) van een labo voor technische testen en toetsen. (3165/E/4)

* Op 28/07/2016 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor het wijzigen van de bijzondere voorwaarde m.b.t. de ijswaterproductieinstallatie (3165/E/5).

* Op 28/06/2018 werd door de deputatie akte genomen van de mededeling kleine verandering voor het veranderen van een laboratorium voor technische testen en toetsen. (3165/E/6)

 

BEOORDELING AANVRAAG

 

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 31 maart 2025 onder ref. 033372-015/PVH/2025.

 

Voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 14 mei 2025 onder ref. KAGA/BG/TD/7454/52881.

 

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

 

4.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in woongebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.

 

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005 ), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.

 

Het project ligt in het bijzonder plan van aanleg LUSTHOFWIJK, goedgekeurd op 13 april 1989. Volgens dit BPA is de inrichting gelegen deels in een zone voor openbaar nut en deels in een zone voor voortuinstroken.

 

De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.

 

4.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

 

5.       WATERPARAGRAAF

 

5.1.   Ligging project

Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Stad Gent. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.

 

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.

- niet gelegen in een signaalgebied.

 

5.2.   Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Droogte

Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat regenwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkte hoeveelheid water met een vertraging wordt afgevoerd. De plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening dient aan dit principe te beantwoorden.

Zie ook aspect hemelwater.

 

Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

Overstromingen

Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen en/of verhardingen. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.

 

Waterkwaliteit

De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

5.3.   Conclusie

Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van maatregelen de watertoets doorstaat.

 

6.       NATUURTOETS

Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.

 

De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen door stookinstallaties en transport.

 

Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.

In dit dossier is het beoordelingskader voor mobiliteit/stationaire bronnen van toepassing.

 

Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Het huishoudelijk-/bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de riolering.

 

Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.

 

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.

 

8.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 2 april 2025 tot en met 1 mei 2025.

Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.

 

9.       OMGEVINGSTOETS

 

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten

 

ASPECT AFVALSTOFFEN

Afvalstoffen dienen selectief ingezameld in daartoe voorziene afvalrecipiënten en afgevoerd door daartoe erkende inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars (IHM) naar ter zake vergunde verwerkingscentra.

Het afval dat geproduceerd wordt in het laboratorium wordt steeds gesorteerd. Er zijn enkele stromen die als huishoudelijk afval beschouwd worden. Deze worden aan de laadkade verzameld in gesloten afvalcontainers. Daarnaast zijn er bedrijfsafvalstromen waarvan er verschillende van gevaarlijke aard zijn. De gevaarlijke stromen worden opgeslagen in gesloten, geventileerde ruimtes die gemakkelijk bereikbaar zijn voor de erkende ophaler. Het afval wordt opgeslagen in geschikte vaten of containers voorzien door de afvalophaler.

Vloeistofresten van de voorbereiding van de stalen en spoelwater van het reinigen van het labomateriaal wordt opgevangen en als gevaarlijk afval opgehaald.

Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

ASPECT AFVALWATER

De inrichting is gelegen in centraal gebied, de ontvangende (gemengde) riolering is aangesloten op de RWZI van Destelbergen.

 

De lozing van maximum 1,5 m³/uur – 6 m³/dag – 900 m³/jaar bedrijfsafvalwater wordt aangevraagd. Het afvalwater bestaat uit het huishoudelijk afvalwater en het afvalwater van het laboratorium. Het wordt via 2 lozingspunten geloosd op de openbare riolering van de Braemkasteelstraat en de Hazenakker.

 

Het bedrijf stelt het volgende met betrekking tot het lozen van het bedrijfsafvalwater:

 

Lozingspunt 1:

Via LP1 wordt een deel van het bedrijfsafvalwater uit de laboratoria geloosd op de openbare riolering van de Braemkasteelstraat . Het effluent van de septische tanks van de toiletten wordt ook via LP1 geloosd, dit is huishoudelijk afvalwater.

 

Het bedrijfsafvalwater afkomstig uit de laboratoria is beperkt tot twee stromen:

-  Het afvalwater afkomstig van de afwasmachines voor het reinigen van reeds gespoeld, herbruikbaar laboratoriummateriaal.

-  Het spoelwater dat wordt gebruikt bij het reinigen van de vloeren in de laboratoria, specifiek voor het uitspoelen van de dweil.

De totale hoeveelheid bedrijfsafvalwater wordt geraamd op circa 40 m³/jaar, wat overeenkomt met gemiddeld 0,3 m³/dag en maximaal 0,1 m³/uur.

Voorafgaand aan de lozing in de openbare riolering wordt het afvalwater eerst opgevangen in twee bezinkingstanks van elk 5 m³. Deze tanks zijn met elkaar verbonden zodat het water van de eerste naar de tweede kan doorstromen via een overloop. Vanuit de tweede tank stroomt het afvalwater vervolgens naar de openbare riolering. De bezinkingstanks worden jaarlijks geruimd door een erkende firma.

 

Het huishoudelijk afvalwater van de toiletten wordt via drie septische putten, met een gezamenlijke inhoud van 17.500 liter, geloosd op de openbare riolering. Op basis van 37 werknemers (ofwel 33 voltijds equivalenten) wordt de totale hoeveelheid huishoudelijk afvalwater geschat op 175 m³/ jaar.

 

Het bedrijfsafvalwater op LP1 is apart controleerbaar van het huishoudelijk afvalwater op LP1.

 

Er wordt geen hemelwater geloosd via LP1.

 

Volgens het dossier is het bedrijfsafvalwater apart controleerbaar is van het huishoudelijk afvalwater. Daarom moet het debiet van het huishoudelijk afvalwater niet worden meegeteld bij de lozing van het bedrijfsafvalwater. Het effectieve debiet van het bedrijfsafvalwater via LP 1 bedraagt bijgevolg 0,1 m³/uur, 0,3 m³/dag en 40 m³/jaar.

 

Lozingspunt 3:

Via LP3 worden er verschillende afvalwaterstromen geloosd in de openbare riolering van de Hazenakker.

 

Er zijn twee stromen bedrijfsafvalwater:

-  De ene stroom omvat het condenswater van de pulsiegroepen, de compressor en de condensors in de kelder.

-  De andere stroom bedrijfsafvalwater is het water dat via de klokputjes in de vloer in het gebouw in de riolering terecht zou kunnen komen. Deze stroom is zoveel mogelijk beperkt doordat er voor de reiniging van de vloer met een dweil gepoetst wordt en het spoelwater van het dweilen geloosd wordt via afwasbakken in de laboratoria dat via bezinkingstanks naar LP1 gaat.

 

Via LP3 wordt ook huishoudelijk afvalwater geloosd in de openbare riolering. Dit omvat:

-  Het afvalwater van de lavabo’s in de toiletten;

-  Het afvalwater uit de kitchenette met afwasmachine, bij de eetzaal in het bijgebouw. Dit water passeert via een vetafscheider die nog dateert uit de periode waarin in het bijgebouw een grotere keuken was ondergebracht;

-  Het huishoudelijk afvalwater van de conciërgewoning, afkomstig van de keuken en badkamer;

 

Via lozingspunt LP3 wordt ook hemelwater afgevoerd naar de openbare riolering. Dit betreft het hemelwater dat afkomstig is van het dak, de parkeerzone bereikbaar via de Braemkasteelstraat en de laad- en loszones die toegankelijk zijn via de Hazenakker. Het hemelwater dat op het verharde pad rond het gebouw valt, wordt niet opgevangen maar infiltreert rechtstreeks in de bodem via het aangrenzende gras.

 

Via LP3 wordt alles samen geloosd, het bedrijfsafvalwater kan niet apart gecontroleerd worden waardoor alles als bedrijfsafvalwater dient te worden beschouwd.

 

Om in de toekomst het bedrijfsafvalwater afzonderlijk te kunnen bemonsteren, heeft de Regie der Gebouwen een conceptplan opgesteld voor de scheiding van de verschillende afvalwaterstromen. Dit plan voorziet ook in de afkoppeling van het hemelwater, waarbij het hemelwater zal infiltreren via WADI’s. De Regie der Gebouwen schat de uitvoeringstermijn van deze werken op ongeveer 15 maanden. Aangezien het momenteel nog om een conceptplan gaat, worden eventuele stedenbouwkundige ingrepen op dit moment nog niet mee aangevraagd.

 

Het gedeelte van het bedrijfsafvalwater dat geen hemelwater is, wordt geraamd op 380 m³/jaar. De hoeveelheid hemelwater dat mee als bedrijfsafvalwater beschouwd wordt, wordt ingeschat op 300 m³/jaar. De totale hoeveelheid bedrijfsafvalwater geloosd via LP3 bedraagt bijgevolg 680 m³/jaar, wat overeenkomt met gemiddeld 5,7 m³/dag en 1,4 m³/uur.

 

Met het aangepaste debiet van LP1 erbij, bedraagt het totaaldebiet van het bedrijfsafvalwater 1,5 m³/uur – 6 m³/dag – 720 m³/jaar. Het is aangewezen dat het niet-verontreinigde hemelwater van LP3 zo snel mogelijk wordt afgekoppeld van de afvalwaterstroom en wordt geïnfiltreerd zoals beschreven in het dossier. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Het bedrijf heeft analyseresultaten van het bedrijfsafvalwater van lozingspunten 1 en 3 voor de jaren 2023 en 2024 toegevoegd aan het dossier. Op basis van deze resultaten vraagt het bedrijf om de bestaande lozingsnormen, zoals vastgelegd in de huidige vergunning, te mogen behouden. Na de geplande aanpassing van de riolering bij lozingspunt 3 zal onderzocht worden of het aangewezen is om andere, specifieke lozingsnormen op te leggen.

 

De meetresultaten uit 2023 tonen een éénmalige overschrijding, die vermoedelijk het gevolg was van een calamiteit. Aangezien de overige meetresultaten conform de geldende normen zijn, lijkt dit een eenmalig incident. De overschrijding zou mogelijk te wijten zijn aan slibuitspoeling vanuit de bezinktanks. Het is aan te bevelen deze tanks in de toekomst frequenter te reinigen om herhaling te voorkomen. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

De lozingsnormen worden in het dossier aangevraagd als een bijstelling van voorwaarden van Vlarem II. Conform het advies van de VMM, bevoegd voor afvalwater:

-  Kunnen op basis van de analyseresultaten (met uitsluiting van de resultaten van 2023) voor LP1 de bijzondere normen voor Ni, barium, Fe, Mo, MAK i&t, benzob fluorantheen, fenantreen, fluoranteen en pyreen geschrapt worden.

-  Kunnen voor de volgende parameters de normen, op basis van de analyseresultaten beperkt worden tot:

  • AOX: 1000 ùg/l
  • Detergenten: 3 mg/l

-   Kunnen voor lozingspunt 1 de sectorale 21.3.b van toepassing worden gesteld met volgende bijzondere normen:

  • P: 10 mg/l
  • Cd: 0,0008 mg/l
  • Fe : 2 mg/l
  • Hg: 0,15 µg/l
  • Ag: 4 µg/l (zolang de rapportagegrens hoger is dan de norm, is de norm = rapportagegrens)
  • AOX: 1 mg/l
  • Detergenten t: 3 mg/l

-   Kunnen voor lozingspunt 3 op basis van de analyseresultaten volgende normen behouden blijven:

  • Cu: 500 µg/l

-   Kan er akkoord gegaan worden met een verhoogde lozingsnorm voor P t aangezien via lozingspunt 3 zowel huishoudelijk afvalwater als bedrijfsafvalwater wordt geloosd en de lozing op de riolering gebeurt:

  • P t: 10 mg/L (10xIC)

-   Kan de lozingsnorm voor Sr geschrapt worden aangezien er geen norm of indelingscriterium van toepassing is, waardoor het opnemen van een lozingsnorm of toepassen van het Delta-principe dan ook niet meer nodig is.

Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

ASPECT BODEM- EN GRONDWATER

 

Opslag gevaarlijke producten

De vloeibare chemicaliën voor gebruik in het laboratorium worden opgeslagen in een apart opslaglokaal buiten het hoofdgebouw. Dit opslaglokaal is niet toegankelijk voor onbevoegden en is voorzien van natuurlijke ventilatie. De producten staan op rekken met lekbakken onder elk schap. Ook de vloer van het lokaal is voorzien van een inkuiping voor gemorste vloeistoffen.

 

In de laboratoriumruimtes zelf staan tevens veiligheidskasten voor de producten die daar tijdelijk gebruikt worden. Deze veiligheidskasten zijn aangesloten op het ventilatiesysteem en zijn uitgerust met lekbakken (inkuiping) om lekkages veilig op te vangen. Alle gevaarlijke stoffen, zowel vast als vloeibaar, die in verplaatsbare verpakkingen worden bewaard, zijn ingedeeld volgens rubriek 17.4.

Voor vaste stoffen die in het laboratorium gebruikt worden, zijn aparte opslagruimtes voorzien binnen het hoofdgebouw.

 

De opslag van max. 3990 liter gassen in verplaatsbare recipiënten wordt aangevraagd. De losse gasflessen worden bewaard in een open, overdekte opslagplaats (OG1). De flessenbatterijen worden opgeslagen op de locaties OG2 en OG3. Er worden zowel inerte gassen opgeslagen (zoals helium, argon en stikstof) als zuurstofgas. Bij de opslag worden de afstandsregels van Vlarem II gerespecteerd.

 

Voor de noodstroomgenerator is er een tank met maximaal 996 kg diesel voorzien. Deze tank is dubbelwandig en staat in dezelfde ruimte als de noodstroomgenerator. De tank is voorzien van een permanente lekdetectie en systeem tegen overvulling. De tank werd onderworpen aan een periodiek beperkt onderzoek door een erkend milieudeskundige BTV op 22/06/2022. Het keuringsattest werd bij de aanvraag gevoegd. De tank kreeg een groen label. Het beperkt onderzoek dient, conform artikel 5.17.4.3.16. om de 3 jaar herhaald te worden. Het volgende beperkt onderzoek is uit te voeren voor 22/06/2025. Dit wordt opgenomen als opmerking.

Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden. Bij het algemeen onderzoek van ondergrondse houders dient de resterende minimale levensduur van de houder bepaald te worden. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

Vlarebo

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

ASPECT LUCHT

 

Koeling lokalen

De koeling van de laboratoriumlokalen gebeurt via een mechanisch ventilatiesysteem dat gebruikmaakt van ijswater, geproduceerd door een koelinstallatie bestaande uit twee condensors in de kelder en een chiller op het dak. De chiller op het dak werkt op basis van luchtgekoelde buizen waarin koelvloeistof (glycol) circuleert. In bepaalde lokalen wordt de basiskoeling aangevuld met afzonderlijke airconditioningunits. De administratieve bureauruimten worden niet gekoeld.

 

De installaties maken gebruik van verschillende types koelmiddel, waaronder R404A. Sommige koelmiddelen hebben een GWP-waarde die hoger ligt dan de Europese grens van 750 die vanaf 2025 van kracht is voor F-gassen. Er moet worden nagegaan of natuurlijke koelmiddelen (zoals CO₂, ammoniak of propaan) of andere koelmiddelen met een laag Global Warming Potential als alternatief kunnen worden toegepast.

 

De koelinstallaties dienen te voldoen aan de voorwaarden van Vlarem II, artikel 5.16.3.3. inzake bouw, opstelling, attesten, onderhoud en periodieke controles (naargelang de aard en de hoeveelheid koudemiddel). Een logboek moet bijgehouden worden.

 

Deze elementen worden als opmerking opgenomen.

 

Stikstofgenerator en luchtcompressor

Tijdens de staalvoorbereiding en analyse wordt op bepaalde plaatsen stikstofgas gebruikt. Een deel hiervan wordt ter plaatse opgewekt met een stikstofgenerator (SG) in kelder K2. Deze werkt samen met een luchtcompressor (LC) en een adsorptiedroger (AD). Tussen de stappen staan drie buffertanks: één voor samengeperste lucht (1000 l), één voor gedroogde lucht (1000 l) en één voor stikstofgas (500 l). De tanks dienen enkel als tijdelijke buffer, niet voor opslag.

 

Het product van de toelaatbare druk en het volume van de persluchtreservoirs is groter is dan 3.000 bar.liter. Bijgevolg dienen deze persluchtreservoirs, conform artikel 5.16.3.2, §4 van Vlarem II ten minste om de vijf jaar onderworpen te worden aan een periodiek onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd.

Het gunstig verslag van onderzoek dd. 18/01/2024 op de persluchtvaten (2 van1.000 liter bij 16 bar en één van 500 l bij 10 bar) konden worden voorgelegd ), waarmee de naleving van deze verplichting wordt aangetoond.

 

Onder de rubriek 16.3.2.a. wordt een totaal koelvermogen van 121 kW aangevraagd, verdeeld over diverse koelinstallaties en -apparatuur (57 kW), airconditioninginstallaties (56 kW), en een persluchtcompressor met stikstofgenerator (8 kW).

 

Verwarming lokalen

Alle lokalen worden verwarmd via centrale verwarming met twee aardgascondensatieketels: CV1 met een vermogen van 333 kW en CV2 met 266 kW. De stookketels staan op de derde verdieping.

 

Conform hoofdstuk artikel 5.43.2.20 van Vlarem II zijn emissiemetingen verplicht voor elk toestel met een vermogen vanaf 300 kW én indien de installatie meer dan 100 bedrijfsuren per jaar in bedrijf is.  En dit om de vijf jaar ingeval van stook met gasvormige brandstoffen. De stookinstallaties werden voor het laatst en met goed gevolg gekeurd op 22/10/2024.

 

De stookinstallaties worden ook periodiek onderhouden conform het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater van kracht. De attesten hiervan werden toegevoegd aan de aanvraag.

 

Deze elementen worden als opmerking opgenomen.

 

ASPECT GELUID

De inrichting bevindt zich, conform het geldende BPA, in een zone bestemd voor openbaar nut. De dichtstbijzijnde woningen liggen aan de Hazenakker en de Braemkasteelstraat, op een minimale afstand van 30 meter. De werkuren zijn van 7.00 tot 19.00 uur, met geen activiteiten in het weekend. Sommige analysetoestellen werken echter continu.

 

De voornaamste bronnen van geluidsemissies zijn de technische installaties. De geluidsbronnen worden beschreven in de akoestische studie die werd toegevoegd aan de aanvraag. Voor de meeste geluidsbronnen zit de geluidsproductie ver onder de geluidsnormen voor dag en avond/nacht. Er zijn twee geluidsbronnen die een aanzienlijk groter effect hebben op de omgeving dan de andere bronnen. Het gaat over buitenunit 5 aan de laadkade en over de chiller op het dak. Er wordt een saneringsstudie besteld bij de deskundige die het akoestisch onderzoek uitvoerde om te bekijken welke maatregelen er genomen kunnen worden om de effecten van deze twee bronnen te beperken. De maatregelen die voortvloeien uit deze saneringsstudie, dienen ter beperking van de geluidseffecten te worden opgevolgd en uitgevoerd. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

Het specifieke geluid van de (buitenunits van deze) installaties dient te voldoen aan de geluidsbepalingen van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II. De installaties dienen zodanig te worden opgesteld; uitgerust, ingesteld of aangepast/akoestisch geïsoleerd dat er zich geen overschrijdingen van geluidsnormen in de buurt voordoen. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

ASPECT BRANDVEILIGHEID

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 033372-015/PVH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

ASPECT BIJSTELLING SECTORALE VOORWAARDEN

Artikel 4.2.3.1. – afwijking lozingsnormen

Er wordt een bijstelling gevraagd van de sectorale voorwaarden van artikel 4.2.3.1. m.b.t. de lozingsnormen. Er wordt gevraagd om dezelfde lozingsnormen voor afvalwater te mogen hanteren als diegene die momenteel van toepassing zijn in de huidige vergunning.

Deze bijstelling wordt behandeld onder het “aspect ‘afvalwater” en de aangepaste lozingsnormen worden als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

Artikel: 5.17.4.1.3 §4 – verbod opslag acetonitrile

Er wordt een bijstelling gevraagd op sectorale voorwaarde 5.17.4.1.3 §4  inzake het verbod op de opslag van acetonitrile. Er wordt gevraagd een maximale opslagcapaciteit van 200 liter acetonitrile toe te staan. Dit product wordt uitsluitend gebruikt voor laboratoriumtoepassingen: acetonitrile is voor verschillende gevalideerde analysestappen een cruciaal product voor de extractie van bepaalde elementen uit stalen, zodat deze gedetecteerd kunnen worden met de gebruikte gevalideerde detectiemethoden. De opslag gebeurt in glazen flessen van 2,5 liter binnen een inkuiping in een afgesloten solventenlokaal. Dit lokaal is voorzien van ventilatie. Dag voorraden binnen het labo worden opgeslagen in een veiligheidskast. De afwijking kan worden toegestaan.

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°b)

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Hernieuwing

1,5 m³/uur

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Vermindering van totale drijfkracht met 5 kW van 126 kW naar 121 kW, aanpassing aan de huidige te vergunnen situatie. | Verandering

-5 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Vermindering van maximale opslagcapaciteit voor gassen in verplaatsbare recipiënten met 10 liter van 4000 liter tot 3990 liter, de actuele opslagcapaciteit. | Verandering

-10 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Hernieuwing

0,996 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Hernieuwing

2550 kg

24.3.

laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Hernieuwing

2 Labo’s

43.1.1°b)

stookinstallaties met een vermogen van 300 kW tot en met 2000 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een ander gebied dan industriegebied en  gestookt wordt met aardgas | Rechtzetten met correctie van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot 599 kW; een toename van 5,8 kW. Vermelding van de juiste nominaal thermische ingangsvermogens per ketel:  266 kW en 333 kW. Indeling volgens rubriek aangepast na VLAREM I. Het betreft een stookinstallatie op aardgas gelegen in ander gebied dan industriegebied. | Verandering

+5,8 kW

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20241112-0016) is:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°b)

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | De lozing van max. 1,5 m³/uur, 6 m³/dag en 720 m³/jaar bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen via LP1 en LP3 in de openbare riolering. | klasse 2

1,5 m³/uur

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Diverse koelinstallaties en -apparatuur (57 kW), airconditioningsinstallaties (56 kW) en een persluchtcompressor en stikstofgenerator (8 kW) (totaal rubriek: 121 kW). | klasse 3

121 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | De opslag van max. 3990 liter gassen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 2

3990 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 996 kg diesel in een bovengrondse houder. | klasse 3

0,996 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van 2.200 l en 350 kg gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen in kleinverpakkingen, waarvan max. 200 l acetonitrile. | klasse 3

2550 kg

24.3.

laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Twee laboratoria die scheikundige bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, kwaliteitscontrole op producten, waar afvalwater, eigen aan de laboratoriumtechnieken, gegenereerd wordt | vlarebo : O | klasse 2

2 Labo’s

43.1.1°b)

stookinstallaties met een vermogen van 300 kW tot en met 2000 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een ander gebied dan industriegebied en  gestookt wordt met aardgas | 2 stookinstallaties op aardgas met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 266 kW en 333 kW (totaal nominaal thermisch ingangsvermogen rubriek: 599 kW). | klasse 3

599 kW

 

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van een Federaal Laboratorium voor de Veiligheid van de Voedselketen aan Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen fededien (O.N.:0267387230) gelegen te Braemkasteelstraat 59 en 61, 9050 Gent.

 

De rubrieken voor de inrichting/activiteit Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Gentbrugge met inrichtingsnummer 20241112-0016 beslist het college als volgt:

 

Vergunde rubrieken:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°b)

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Hernieuwing

1,5 m³/uur

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Vermindering van totale drijfkracht met 5 kW van 126 kW naar 121 kW, aanpassing aan de huidige te vergunnen situatie. | Verandering

-5 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Vermindering van maximale opslagcapaciteit voor gassen in verplaatsbare recipiënten met 10 liter van 4000 liter tot 3990 liter, de actuele opslagcapaciteit. | Verandering

-10 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Hernieuwing

0,996 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Hernieuwing

2550 kg

24.3.

laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Hernieuwing

2 Labo's

43.1.1°b)

stookinstallaties met een vermogen van 300 kW tot en met 2000 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een ander gebied dan industriegebied en  gestookt wordt met aardgas | Rechtzetten met correctie van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot 599 kW; een toename van 5,8 kW. Vermelding van de juiste nominaal thermische ingangsvermogens per ketel:  266 kW en 333 kW. Indeling volgens rubriek aangepast na VLAREM I. Het betreft een stookinstallatie op aardgas gelegen in ander gebied dan industriegebied. | Verandering

5,8 kW

 

 De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20241112-0016) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°b)

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | De lozing van max. 1,5 m³/uur, 6 m³/dag en 720 m³/jaar bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen via LP1 en LP3 in de openbare riolering. | klasse 2

1,5 m³/uur

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Diverse koelinstallaties en -apparatuur (57 kW), airconditioningsinstallaties (56 kW) en een persluchtcompressor en stikstofgenerator (8 kW) (totaal rubriek: 121 kW). | klasse 3

121 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | De opslag van max. 3990 liter gassen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 2

3990 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 996 kg diesel in een bovengrondse houder. | klasse 3

0,996 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van 2.200 l en 350 kg gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen in kleinverpakkingen, waarvan max. 200 l acetonitrile. | klasse 3

2550 kg

24.3.

laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Twee laboratoria die scheikundige bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, kwaliteitscontrole op producten, waar afvalwater, eigen aan de laboratoriumtechnieken, gegenereerd wordt | vlarebo : O | klasse 2

2 Labo's

43.1.1°b)

stookinstallaties met een vermogen van 300 kW tot en met 2000 kW, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een ander gebied dan industriegebied en  gestookt wordt met aardgas | 2 stookinstallaties op aardgas met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 266 kW en 333 kW (totaal nominaal thermisch ingangsvermogen rubriek: 599 kW). | klasse 3

599 kW


 

Artikel 2

Legt volgende voorwaarden op:

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

Hemelwater

Conform het voorstel van het bedrijf in het dossier dient het hemelwater van LP3 te worden afgekoppeld van de afvalwaterstroom en te worden aangesloten op wadi’s.

 

Lozen van het bedrijfsafvalwater

a) In afwijking en/of ter aanvulling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden mogen de volgende emissiegrenswaarden niet worden overschreden:

Voor lozingspunt 1:

-       P: 10 mg/l

-       Cd: 0,0008 mg/l

-       Fe o : 2 mg/l

-       Hg: 0,15 µg/l

-       Ag: 4 µg/l (zolang de rapportagegrens hoger is dan de norm, is de norm = rapportagegrens)

-       AOX: 1 mg/l

-       Detergenten t: 3 mg/l

Voor lozingspunt 3:

-       Cu: 500 µg/l

-       Pt: 10 mg/l

De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van Vlarem II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.

b) De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.

c) Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

d) De bezinktanks van LP1 dienen vaker gereinigd te worden dan 1x per jaar om aan de lozingsnormen te kunnen voldoen.

 

Geluid

Het specifieke geluid van de (buitenunits van deze) installaties dient te voldoen aan de geluidsbepalingen van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II. De installaties dienen zodanig te worden opgesteld; uitgerust, ingesteld of aangepast/akoestisch geïsoleerd dat er zich geen overschrijdingen van geluidsnormen in de buurt voordoen.

 

De maatregelen die voortvloeien uit de saneringsstudie, dienen ter beperking van de geluidseffecten worden opgevolgd en uitgevoerd.

 

Brandveiligheid

De voorwaarden uit het advies (met referentie 033372-015/PVH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.

 

 

Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:

Artikel: 5.17.4.1.3 §4: In afwijking van de bepalingen van art. 5.17.4.1.3 §4   van Vlarem II mag binnen de inrichting maximum 200 liter acetonitrile worden opgeslagen.

Artikel: Artikel 4.2.3.1.: De lozingsnormen worden opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

 

Artikel 3

Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:

Afval

Er dient een afvalstoffenregister bijgehouden te worden.

 

Opslag gevaarlijke producten

Het beperkt onderzoek op de bovengrondse dieseltank dient, conform artikel 5.17.4.3.16. om de 3 jaar herhaald te worden. . Het volgende beperkt onderzoek is uit te voeren voor 22/06/2025.

Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden. Bij het algemeen onderzoek van ondergrondse houders dient de resterende minimale levensduur van de houder bepaald te worden.

 

Vlarebo

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.

 

Koelinstallatie

Er moet worden nagegaan of natuurlijke koelmiddelen (zoals CO₂, ammoniak of propaan) of andere koelmiddelen met een laag Global Warming Potential als alternatief kunnen worden toegepast.

 

De koelinstallaties dienen te voldoen aan de voorwaarden van Vlarem II, artikel 5.16.3.3. inzake bouw, opstelling, attesten, onderhoud en periodieke controles (naargelang de aard en de hoeveelheid koudemiddel). Een logboek moet bijgehouden worden.

 

Stookinstallaties

De emissiemetingen op de stookinstallaties dienen, conform artikel 5.43.2.23. om de vijf jaar herhaald te worden. De stookinstallaties dienen tevens jaarlijks onderhouden en gecontroleerd te worden conform het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater.