Terug
Gepubliceerd op 18/07/2025

2025_CBS_06351 - OMV_2025007135 - aanvraag omgevingsvergunning voor het exploiteren van een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag - met openbaar onderzoek - Akkerhage, 9000 Gent - Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 17/07/2025 - 08:32 College Raadzaal
Datum beslissing: do 17/07/2025 - 08:53
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Hafsa El-Bazioui, schepen-voorzitter; Astrid De Bruycker, schepen; Sofie Bracke, schepen; Evita Willaert, schepen; Joris Vandenbroucke, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Burak Nalli, schepen; Filip Watteeuw, schepen; Christophe Peeters, schepen; Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Mathias De Clercq, burgemeester; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur

Secretaris

Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur
2025_CBS_06351 - OMV_2025007135 - aanvraag omgevingsvergunning voor het exploiteren van een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag - met openbaar onderzoek - Akkerhage, 9000 Gent - Vergunning 2025_CBS_06351 - OMV_2025007135 - aanvraag omgevingsvergunning voor het exploiteren van een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag - met openbaar onderzoek - Akkerhage, 9000 Gent - Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

PETIT FORESTIER BELGIQUE BV met als contactadres Lochtemanweg 58, 3580 Beringen heeft een aanvraag (OMV_2025007135) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 20 januari 2025.

 

De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het exploiteren van een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag

• Adres: Akkerhage 8, 9000 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 8 sectie H nr. 602K2

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 3 april 2025.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 7 juli 2025.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

 

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

Het betreft het exploiteren van een logistiek bedrijf.

 

Het voorwerp van de aanvraag betreft de activiteiten die door het bedrijf Petit Forestier zullen worden uitgeoefend. Petit Forestier heeft een deel van het gebouw overgenomen van het bedrijf Carrier, dat vergund was onder een omgevingsvergunning klasse 3.

 

Petit Forestier is een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag. Het bedrijf betreft een parking voor ca. 40 koelwagens. Er zijn momenteel 3 vaste medewerkers aanwezig op dagelijkse basis (2 techniekers en 1 depotmanager). In de nabije toekomst wordt dit uitgebreid met 2 extra medewerkers.

 

Petit Forestier is een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag. Het bedrijf beschikt over een depot gelegen te Akkerhage 9 in Gent, dat gebruikt wordt voor de stockage, het onderhoud, de herstelling en het reinigen van de koelwagens.

Op het terrein is ruimte voorzien voor de parking van ongeveer 40 koelwagens. Momenteel zijn er 3 vaste medewerkers actief op dagelijkse basis (2 techniekers en 1 depotmanager). In de nabije toekomst is een uitbreiding voorzien met 2 bijkomende medewerkers.

Er is een kantoorruimte met airco's voor het personeel. Er zijn ook 3 ateliers:

- 1 werkplaats voor vrachtwagens

- 1 werkplaats voor lichte vracht-

- 1 atelier voor opslag koelmeubelen

 

De kantoorruimte op het gelijkvloers en de eetzaal op de eerste verdieping worden eigendom van Petit Forestier. De overige delen van het gelijkvloers en de eerste verdieping staan momenteel nog te koop.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater | klasse 2 | Nieuw

4,7 m³/uur

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van 4950 liter motorolie, 4800 liter afvalolie en 2 vaten van 200 liter met motorolie en transmissieolie | klasse 3 | Nieuw

10150 liter

15.1.2°

al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Stallen van 40 koelvoertuigen | klasse 2 | Nieuw

40 voertuigen

15.3.2°

autoherstelwerkplaats met meer dan 4 schouwputten of hefbruggen volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Werkplaats met 4 hefkolommen en werkplaats met 2 werkputten en 1 hefbrug | klasse 2 | Nieuw

7 schouwputten of hefbruggen

15.4.2°a)

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan het industriegebied waarin minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen | Wasplaats waar 5 voertuigen per dag worden gewassen | klasse 3 | Nieuw

5 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | - Eén grote compressor C1 (3 kW) met drukvat van 270 liter en werkdruk van 11 BAR

- Eén kleine compressor C2 (1,5 kW) met drukvat van 90 liter en werkdruk van 10 BAR

- 3 airco buitenunits van elk (2 kW) | klasse 3 | Nieuw

10,5 kW

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Dieseltank 1.500 liter | klasse 3 | Nieuw

1,249 ton

17.3.2.1.2.1°

overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | klasse 3 | Nieuw

0,2 ton

17.3.4.1°b)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan in­dustrie­gebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ontvetter. | klasse 3 | Nieuw

0,2 ton

17.3.5.1°b)

giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 10 kg tot en met 200 kg als de inrichting volledig of gedeeltekijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | klasse 3 | Nieuw

200 kg

17.3.7.1°b)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | klasse 3 | Nieuw

0,2 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen: poets- en onderhoudsproducten voor de garage, ook onderhoudsproducten voor koelwagens. | klasse 3 | Nieuw

100 liter

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:

 

Stedenbouwkundige vergunningen

* Op 28/05/1966 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een verkoopsmagazijn. (Litt. O-4-66)

* Op 16/09/1966 werd een vergunning afgeleverd voor het aanbrengen van een luifel aan de in opbouw zijnde verkoopshal noord-west gevel op de groothandelsmarkt. (Litt. O-14-66)

* Op 30/06/1978 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van 2 middelmatige verkoopsmagazijnen. (Litt. O-19-77)

* Op 17/01/1985 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een gasontspanningskabine. (1984/1569)

* Op 15/10/1987 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een werkhall. (1987/1289)

 

BEOORDELING AANVRAAG

 

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

 

Voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 14 mei 2025 onder referentie KAGA/BG/TD/124875/52939

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 30 april 2025 onder referentie 000693-002/MN/2025

 

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

4.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).

In de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn de voorzieningen toegelaten, welke gericht zijn op het algemeen belang en die ten dienste van de gemeenschap worden gesteld. Woongelegenheid kan toegestaan worden voor zover die noodzakelijk is voor de goede werking van de inrichtingen (artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen).

 

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.

 

Het project ligt in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'AKKERHAGESTRAAT-OTTERGEMSESTEENWEG' (Besluit tot goedkeuring door de Deputatie op 12 januari 2006). De locatie is volgens dit RUP gelegen in zone voor bedrijven en zone voor lokale wegenis.

 

4.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

 

5.       WATERPARAGRAAF

 

5.1.   Ligging project

Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.

- niet gelegen in een signaalgebied.

 

5.2.   Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Droogte

 

Er wordt geen nieuwe bebouwing voorzien.

 

Er wordt drinkwater gebruikt voor laagwaardige huishoudelijke toepassingen (toiletten, schoonmaak, …). Bij de eerstvolgende verbouwing van het gelijkvloerse, waarbij die verbouwing tot gevolg heeft dat het afvoerstelsel van afval-en hemelwater kan aangepast worden, moet voor de laagwaardige huishoudelijke toepassingen overgeschakeld worden op hergebruik van hemelwater (plaatsen van een hemelwaterput met pompsysteem dat hergebruik mogelijk maakt). Zie ook aspect hemelwater/afvalwater.

 

Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

Overstromingen

Er worden geen wijzigingen aangebracht aan <<gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf>>. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.

 

Waterkwaliteit

De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

5.3.   Conclusie

Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen de watertoets doorstaat.

 

6.       NATUURTOETS

Er worden geen wijzigingen aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezig waardevol groen.

 

De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen door verkeersbewegingen.

 

Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%.

 

Het huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de riolering die aangesloten is op een RWZI.

 

Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Hieruit wordt besloten dat de aanvraag <<mits voorwaarden>> de natuurtoets doorstaat.

 

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.

 

8.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 11 april 2025 tot en met 10 mei 2025.

Gedurende dit openbaar onderzoek werd 1 bezwaarschrift ingediend.

 

Het bezwaar wordt als volgt samengevat en besproken:

 

Verkeersgeneratie en impact transport op de omgeving

Het bezwaar betreft de negatieve impact van het koelwagenverkeer op de mobiliteit en leefkwaliteit in de omliggende woonbuurten.

Het bedrijf rijdt dagelijks meerdere keren met koelwagens door de omliggende woonstraten. Dit zorgt voor veel overlast. Toch is er geen MOBER (mobiliteitseffectenrapport) of mobiliteitsstudie uitgevoerd, terwijl dit bij een transportbedrijf van deze grootte wel verwacht mag worden.

De aanvrager zegt dat het bedrijf in een industriezone ligt dicht bij de E17 en E40, waar al veel zwaar verkeer is. Maar dit argument houdt geen rekening met het feit dat de koelwagens ook vaak door woonwijken rijden. Het bestaande vrachtverkeer mag geen excuus zijn om nog meer verkeer toe te staan zonder grondig onderzoek naar de gevolgen.

 

Het bedrijf is gelegen in een zone voor bedrijven die specifiek bestemd is voor activiteiten met vrachtverkeer. Bovendien ligt de site vlak bij de E17 en E40, zodat het meeste verkeer snel via hoofdwegen en autosnelwegen kan worden afgevoerd. Het dichtste woongebied bevindt zich aan de overzijde van de autosnelweg, waardoor er een duidelijke scheiding is tussen de woonomgeving en het bedrijf.

Volgens de regelgeving is een MOBER of mobiliteitsstudie enkel verplicht vanaf 200 parkeerplaatsen. In dit geval gaat het om ongeveer 40 parkeerplaatsen, zodat geen wettelijke verplichting bestaat om zo’n studie op te maken.

Tot slot wordt opgemerkt dat de aangevraagde activiteit zeer gelijkaardig is in type en omvang aan eerder vergunde activiteiten op deze locatie. Daardoor zal er in vergelijking met de bestaande situatie weinig verschil zijn in verkeersbelasting. Om deze redenen kan het bezwaar niet worden weerhouden.

 

9.       OMGEVINGSTOETS

 

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten

 

ASPECT AFVALSTOFFEN

Afvalstoffen dienen selectief ingezameld in daartoe voorziene afvalrecipiënten en afgevoerd door daartoe erkende inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars (IHM) naar ter zake vergunde verwerkingscentra.

 

De afvalstoffen die voortkomen uit de werkzaamheden worden volgens de aanvraag selectief worden ingezameld in daartoe voorziene afvalrecipiënten. De afvalstromen worden, op regelmatige basis, afgevoerd naar daartoe erkende/vergunde bedrijven. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

ASPECT AFVALWATER

 

Lozingssituatie

De inrichting is gelegen in centraal gebied, de ontvangende riolering is aangesloten op de RWZI van Gent.

 

Huishoudelijk afvalwater

Er is een beperkte hoeveelheid huishoudelijk afvalwater (< 600 m³) die niet ingedeeld is en in hoofdzaak afkomstig is van de sanitaire installaties. De lozing gebeurt op de openbare riolering. De lozing dient te voldoen aan de bepalingen van afdeling 6.2.2. van Vlarem II.

 

Bedrijfsafvalwater

Het bedrijf vraagt voor het lozen van bedrijfsafvalwater volgende rubriek aan:

Rubriek 3.4.2. : het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet één of meer van de in bijlage 2C bij titel II van het Vlarem bedoelde gevaarlijke stoffen bevat (in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in kolom ‘indelingscriteria GS (gevaarlijke stoffen)’ van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, met een debiet van meer dan  2 m³/uur tot en met 100 m³/uur.

 

Het debiet van het bedrijfsafvalwater bedraagt 4,7 m³/uur – 11,92 m³/dag – 420,5 m³/jaar en is afkomstig van de wasplaats. Het wordt via een KWS-afscheider geloosd op de openbare riolering.

 

Het bedrijf stelt het volgende over het bedrijfsafvalwater

Er ontstaat bedrijfsafvalwater ter hoogte van de open wasplaats. Dit is enerzijds afkomstig van tijdens het wassen van de koelwagens. Er worden max. 1-2 voertuigen per dag gewassen en max. 1 per uur waarbij ca. 250 liter water per voertuig wordt gebruikt. Het bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd via een slipvang en KWS-afscheider naar de openbare riolering. Dit komt neer op een lozing van max 0.25 m3/u (max 1 voertuigen), 0.5 m3/dag (max 2 voertuigen) en 182.5 m3/jaar (365 dagen).

 

Anderzijds dient het hemelwater dat op de open wasplaats valt ook als potentieel verontreinigd beschouwd te worden. De volledige oppervlakte van de wasplaats bedraagt ca. 280 m2. Dit water loopt via een KWS-afscheider naar de openbare riolering.

 

Voor de berekening van de geschatte lozing van potentieel verontreinigd hemelwater, wordt de berekening van VMM gehanteerd die rekening houdt met piekdebieten bij regenweer.

 

- Lozing per uur: 0,0159 m3 x 280 m2 = 4,45 m3

- Lozing per dag: 0,0408 m3 x 280 m2 = 11,42 m3
- Lozing per jaar: 0,85 m3 x 280 m2 = 238 m3

 

Het totale lozingsdebiet bedrijfsafvalwater van enerzijds het waswater en anderzijds het potentieel verontreinigd hemelwater wordt bijgevolg ingeschat op max. 4,70 m3/u 11,92 m3/dag 420,5 m3/jaar.

 

VMM baseert zich voor het bepalen van het debiet aan verontreinigd hemelwater (conform de Code van goede praktijk voor het ontwerp, het onderhoud en de aanleg van rioleringssystemen van 20 augustus 2012), sedert april 2017, op:-

-       Het langjarig gemiddeld neerslagtotaal (Ukkel 1981-2010) van 0,85 m3/m2 voor het jaardebiet;

-       Een composietbui met een terugkeerperiode van 2 jaar van 0,0159 m3/m2 voor het uurdebiet en 0,0408 m3/m2 voor het dagdebiet;

 

Deze aanpak sluit aan bij de huidige klimaatveranderingen en is nodig voor het correct inschatten van de hydraulische en ecologische impact op de riolering of ontvangende waterloop.

 

Op basis van afvloeiing coëfficiënten, metingen, hergebruik en buffering kunnen de debieten bijgesteld worden. De debieten zijn correct berekend.

 

Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een controleput wordt voldoende geacht. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

De goede werking van de koolwaterstofafscheider moet altijd verzekerd zijn. De KWS-afscheider dient zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant dient hiervoor om de drie maanden de afscheider te inspecteren. Van de inspecties dient een logboek bijgehouden te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

ASPECT HEMELWATER

Het is niet duidelijk of het hemelwater van het gebouw wordt opgevangen en hergebruikt. Er wordt drinkwater gebruikt voor laagwaardige huishoudelijke toepassingen (sanitaire installaties, wassen van voertuigen, …). Conform art. 4.2.1.3.§5 van Vlarem II dient prioriteit gegeven te worden aan hergebruik van hemelwater waar mogelijk. Bij toekomstige verbouwingen dient onderzocht te worden wat de mogelijkheden zijn voor hemelwaterhergebruik (o.a. sanitair). Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

ASPECT BODEM

Werkplaats/wasplaats

De vloer van zowel de werkplaats en wasplaats is effen, vloeistofdicht en onbrandwaar zodat geen doordringing van producten naar de bodem of het grondwater mogelijk is. In de werkplaats is steeds voldoende absorptiemateriaal aanwezig. De wasplaats bevindt zich achter de bedrijfshal, de afvoer loopt af naar de openbare riolering via een KWS-afscheider die regelmatig wordt geleegd. De nodige maatregelen worden genomen om het morsen van vloeibare producten en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

Opslag gevaarlijke producten

De opslag van verplaatsbare recipiënten met gevaarlijke stoffen, zoals grotere vaten en bidons met onder andere oliën en antivries, vindt plaats op lekbakken. Gevaarlijke producten in kleinere verpakkingen, waaronder poets- en onderhoudsproducten voor de garage en onderhoudsproducten voor de koelwagens, worden opgeslagen in veiligheidskasten die voorzien zijn van een inkuiping.

 

Daarnaast worden 1.500 liter diesel, 4.950 liter motorolie en 4.800 liter afvalolie opgeslagen in bovengrondse dubbelwandige tanks. Conform artikel 5.17.4.3.16 van Vlarem II dienen deze tanks ten minste om de drie jaar aan een beperkt onderzoek te worden onderworpen. Volgens de aanvraag worden de tanks periodiek aan de vereiste keuringen onderworpen, doch konden de verslagen van de beperkte onderzoeken niet worden voorgelegd.

Ter staving van de naleving van deze verplichting wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de verslagen van het beperkt onderzoek op de bovengrondse dubbelwandige tanks (1.500 liter diesel, 4.950 liter motorolie en 4.800 liter afvalolie) binnen een termijn van drie maanden na datum van dit besluit dienen te worden bezorgd aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent), met vermelding van het dossiernummer.

 

Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden. Bij het algemeen onderzoek van ondergrondse houders dient de resterende minimale levensduur van de houder bepaald te worden. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

Vlarebo

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

ASPECT LUCHT

Compressor

Bij de exploitatie worden twee persluchtcompressoren gebruikt, met vermogens van respectievelijk 3 kW en 1,5 kW. Deze zijn aangesloten op drukvaten met een inhoud van 270 liter (maximale druk 11 bar) en 90 liter (maximale druk 10 bar). Het product van de toelaatbare druk en het volume bedraagt in beide gevallen minder dan 3.000 bar.liter. Conform artikel 5.16.3.2, §4 van Vlarem II zijn de luchtcompressoren daardoor niet onderworpen aan een onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

Koeltoestellen

Voor de koeling van de kantoren worden er 3 airco-toestellen met een elektrisch vermogen van elk 2 kW aangevraagd.

 

Het is onduidelijk wat de aard en de inhoud van de koelmiddelen zijn. Het gebruik van milieuschadelijke koelmiddelen (type HFK en HCFK) dient waar mogelijk beperkt te worden. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.

 

De koelinstallaties dienen te voldoen aan de voorwaarden van Vlarem II, artikel 5.16.3.3. inzake bouw, opstelling, attesten, onderhoud en periodieke controles (naargelang de aard en de hoeveelheid koudemiddel). Een logboek moet bijgehouden worden.

 

Deze elementen worden als opmerking opgenomen.

 

Stookinstallatie

De verwarming van de kantoren gebeurt met een centrale verwarmingsketel op gas. Het geïnstalleerde vermogen van deze cv-ketel is momenteel niet bekend. Er wordt erop gewezen dat stookinstallaties met een nominaal vermogen van 300 kW of meer indelingsplichtig zijn en aan specifieke regelgeving inzake emissiemetingen moeten voldoen. Stookinstallaties met een vermogen van minder dan 300 kW zijn niet onderworpen aan emissiemetingen. De stookinstallatie dient evenwel periodiek onderhouden en gecontroleerd te worden conform het ‘Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater’. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

ASPECT GELUID

Het bedrijf is gelegen in een zone voor bedrijven waar de geluidsnormen voor industriegebieden van toepassing zijn. De inrichting situeert zich bovendien aan het kruispunt van de E17 en E40. Het dichtstbijzijnde woongebied ligt aan de overzijde van de autosnelweg, waardoor een duidelijke afbakening bestaat tussen de woonomgeving en het bedrijf.

 

De voornaamste geluidsbronnen zijn de werkzaamheden in de werkplaats, de technische installaties en de koelwagens die op en van het terrein rijden.

 

De onderhoudswerkzaamheden vinden plaats binnen de werkplaats, waarbij zoveel mogelijk met gesloten poorten wordt gewerkt om geluidsemissie te beperken.

 

Daarnaast produceren de buitenunits van de airco-installaties geluid. Het specifieke geluid van de (buitenunits van deze) installaties dient te voldoen aan de geluidsbepalingen van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II. De installaties dienen zodanig te worden opgesteld; uitgerust, ingesteld of aangepast/akoestisch geïsoleerd dat er zich geen overschrijdingen van geluidsnormen in de buurt voordoen. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

De exploitant neemt bovendien maatregelen om geluid en trillingen van de koelwagens tot een minimum te beperken. De motoren van de koelwagens blijven niet onnodig draaien wanneer de voertuigen stilstaan. Daarnaast wordt het verkeer binnen het terrein zoveel mogelijk beperkt tot noodzakelijke bewegingen.

Gezien de bovenvermelde maatregelen en rekening houdend met de ligging van het bedrijf in een industriële omgeving wordt er geen belangrijke geluidshinder verwacht ten gevolge van de activiteiten. Er dient te allen tijde voldaan te worden aan de geluidsnormen van Vlarem II. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

ASPECT MOBILITEIT

Parkeren

Er wordt een parking voor ca. 40 koelwagens aangevraagd in het kader van de bedrijfsactiviteiten, voornamelijk als stockage. Op basis van beschikbare luchtfoto’s en omgevingsbeelden blijkt dat Petit Forestier reeds actief is op de site en dat er effectief voldoende ruimte aanwezig is om een dergelijk aantal voertuigen te stallen.

Daarnaast zijn er geen gekende klachten over parkeeroverlast, en sluit de aard en omvang van de gevraagde activiteit nauw aan bij eerder vergunde activiteiten op deze locatie. Er wordt dan ook verwacht dat er ten opzichte van de voorgaande situatie weinig verschil zal optreden.

 

Wat het personeel betreft, dient het parkeren eveneens op eigen terrein te worden opgevangen. Rekening houdend met het beperkte aantal medewerkers (momenteel 3, met een mogelijke uitbreiding tot 5) lijkt dit haalbaar. Het voorzien van enkele fietsparkeerplaatsen voor het personeel wordt aanbevolen en opgenomen als opmerking.

 

Het openbaar domein mag door de exploitatie niet worden gehinderd. Daarom wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd dat al het parkeren en alle vrachtbewegingen – inclusief laden en lossen, manoeuvreren en wachten – uitsluitend op eigen terrein plaatsvinden.

 

Verkeersgeneratie en circulatie

Het woon-werkverkeer wordt geschat op 10 voertuigenbewegingen per dag. Er zijn dagelijks gemiddeld 15 lichte en 15 zware voertuigbewegingen voor onderhoud van de koelwagens. Per dag zijn er ook nog 2 leveringen. 

 

Gezien het bedrijf gelegen is op een bedrijventerrein en er vlakbij kan ontsloten worden op het hogere weggennet E17 (en E40) worden er geen noemenswaardige verkeersproblemen verwacht. Wij kunnen hiermee akkoord gaan.

 

ASPECT ENERGIE

Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.

Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

ASPECT BRANDVEILIGHEID

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 000693-002/MN/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater | Nieuw

4,7 m³/uur

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van 4950 liter motorolie, 4800 liter afvalolie en 2 vaten van 200 liter met motorolie en transmissieolie | Nieuw

10150 liter

15.1.2°

al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Stallen van 40 koelvoertuigen | Nieuw

40 voertuigen

15.3.2°

autoherstelwerkplaats met meer dan 4 schouwputten of hefbruggen volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Werkplaats met 4 hefkolommen en werkplaats met 2 werkputten en 1 hefbrug | Nieuw

7 schouwputten of hefbruggen

15.4.2°a)

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan het industriegebied waarin minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen | Wasplaats waar 5 voertuigen per dag worden gewassen | Nieuw

5 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | - Eén grote compressor C1 (3 kW) met drukvat van 270 liter en werkdruk van 11 BAR

- Eén kleine compressor C2 (1,5 kW) met drukvat van 90 liter en werkdruk van 10 BAR

- 3 airco buitenunits van elk (2 kW) | Nieuw

10,5 kW

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Dieseltank 1.500 liter | Nieuw

1,249 ton

17.3.2.1.2.1°

overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | Nieuw

0,2 ton

17.3.4.1°b)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan in­dustrie­gebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ontvetter. | Nieuw

0,2 ton

17.3.5.1°b)

giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 10 kg tot en met 200 kg als de inrichting volledig of gedeeltekijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | Nieuw

200 kg

17.3.7.1°b)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | Nieuw

0,2 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen: poets- en onderhoudsproducten voor de garage, ook onderhoudsproducten voor koelwagens. | Nieuw

100 liter

 

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een logistiek bedrijf dat gespecialiseerd is in de verhuur van gekoelde voertuigen, koelunits en koelopslag aan PETIT FORESTIER BELGIQUE bv (O.N.:0459674684) gelegen te Akkerhage 8, 9000 Gent.


De rubrieken voor de inrichting/activiteit Petit Forestier met inrichtingsnummer 20241010-0042 beslist het college als volgt:

 

Vergunde rubrieken:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater | Nieuw

4,7 m³/uur

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van 4950 liter motorolie, 4800 liter afvalolie en 2 vaten van 200 liter met motorolie en transmissieolie | Nieuw

10150 liter

15.1.2°

al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Stallen van 40 koelvoertuigen | Nieuw

40 voertuigen

15.3.2°

autoherstelwerkplaats met meer dan 4 schouwputten of hefbruggen volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Werkplaats met 4 hefkolommen en werkplaats met 2 werkputten en 1 hefbrug | Nieuw

7 schouwputten of hefbruggen

15.4.2°a)

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan het industriegebied waarin minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen | Wasplaats waar 5 voertuigen per dag worden gewassen | Nieuw

5 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | - Eén grote compressor C1 (3 kW) met drukvat van 270 liter en werkdruk van 11 BAR

- Eén kleine compressor C2 (1,5 kW) met drukvat van 90 liter en werkdruk van 10 BAR

- 3 airco buitenunits van elk (2 kW) | Nieuw

10,5 kW

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Dieseltank 1.500 liter | Nieuw

1,249 ton

17.3.2.1.2.1°

overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | Nieuw

0,2 ton

17.3.4.1°b)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan in­dustrie­gebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ontvetter. | Nieuw

0,2 ton

17.3.5.1°b)

giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 10 kg tot en met 200 kg als de inrichting volledig of gedeeltekijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | Nieuw

200 kg

17.3.7.1°b)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van gevaarlijke producten waarvan: 1 kunststofvat van 200 liter ruitensproeiervloeistof. | Nieuw

0,2 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen: poets- en onderhoudsproducten voor de garage, ook onderhoudsproducten voor koelwagens. | Nieuw

100 liter

 

 

Artikel 2

Verleent de vergunning voor onbepaalde duur.

 

Artikel 3

Legt volgende voorwaarden op:

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

Lozen bedrijfsafvalwater

a) De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.

b) De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.

c) Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. In afwijking van artikel 4.2.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedijf geen meetgoot te plaatsen gezien de hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle inrichting bestaande uit een controleput wordt voldoende geacht.

d) De KWS-afscheider dient conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te worden.

 

Opslag gevaarlijke producten

De verslagen van het beperkt onderzoek op de bovengrondse dubbelwandige tanks (1.500 liter diesel, 4.950 liter motorolie en 4.800 liter afvalolie), dienen binnen een termijn van drie maanden na datum van dit besluit te worden bezorgd aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent), met vermelding van het dossiernummer.

 

Mobiliteit

Al het parkeren, en alle vrachtbewegingen (inclusief laden en lossen, het manoeuvreren, wachten) dient op eigen terrein te gebeuren. Het openbaar domein mag hier niet door gehinderd worden.

 

Brandveiligheid

De voorwaarden uit het advies (met referentie 000693-002/MN/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen nageleefd te worden.

 

 

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

 

Artikel 4

Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:

Afval

Er dient een afvalstoffenregister bijgehouden te worden.

 

Hemelwater

Conform art. 4.2.1.3.§5 van Vlarem II dient prioriteit gegeven te worden aan hergebruik van hemelwater waar mogelijk. Bij toekomstige verbouwingen dient onderzocht te worden wat de mogelijkheden zijn voor hemelwaterhergebruik (o.a. sanitair).

 

Opslag gevaarlijke producten

Het beperkt onderzoek op de bovengrondse dubbelwandige tanks (1.500 liter diesel, 4.950 liter motorolie en 4.800 liter afvalolie) dient, conform artikel 5.17.4.3.16. om de 3 jaar herhaald te worden.

Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden. Bij het algemeen onderzoek van ondergrondse houders dient de resterende minimale levensduur van de houder bepaald te worden.

 

Vlarebo

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.

 

Koelinstallatie

Er moet worden nagegaan of natuurlijke koelmiddelen (zoals CO₂, ammoniak of propaan) of andere koelmiddelen met een laag Global Warming Potential als alternatief kunnen worden toegepast.

 

De koelinstallaties dienen te voldoen aan de voorwaarden van Vlarem II, artikel 5.16.3.3. inzake bouw, opstelling, attesten, onderhoud en periodieke controles (naargelang de aard en de hoeveelheid koudemiddel). Een logboek moet bijgehouden worden.

 

Stookinstallatie

Stookinstallaties met een nominaal vermogen van 300 kW of meer zijn indelingsplichtig en aan specifieke regelgeving inzake emissiemetingen onderworpen.

De stookinstallatie dient periodiek onderhouden en gecontroleerd te worden conform het ‘Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater’.

 

Geluid

Er dient te allen tijde voldaan te worden aan de geluidsnormen van Vlarem II.

 

Mobiliteit

Het voorzien van enkele fietsparkeerplaatsen voor het personeel wordt aanbevolen