Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
HANSSENS HOUT NV met als contactadres Port Arthurlaan 90, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2025002634) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 5 februari 2025.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het exploiteren van een houthandel
• Adres: New-Orleansstraat 10-10A-16A en Port Arthurlaan 90, 9000 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 7 sectie G nrs. 594A2, 594D2, 594F2, 594G2, 614T, 614E2, 614V, 614D2, 614C2, 614Y en 934A
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 4 april 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 4 juli 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het exploiteren van een houthandel.
Hanssens Hout is een groothandel die vanuit Gent zowel bedrijven als particulieren helpt bij het aankopen van kwalitatief hout voor alle toepassingen. Op de inrichting wordt hout gestockeerd en verzaagd. Daarnaast is er een toonzaal met allerhande bouwmaterialen die verkocht worden. Op de inrichting wordt ook gips en isolatie gestockeerd en verkocht.
De vergunning met referentie 8702/E/3/30 dd. 15/07/2004 liep tot 15/07/2024 en is bijgevolg vervallen.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.2.2°a) | lozen van huishoudelijk afvalwater (niet afkomstig van woongelegenheden) zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, in een lozingspunt gelegen in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied of buiten het zoneringsplan (meer dan 600 m³/jaar) | Het lozen van 900 m³/jaar huishoudelijk afvalwater op de riolering | klasse 3 | Nieuw | 900 m³/jaar |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater van de verdeelinstallatie die over een KWS-afscheider wordt gestuurd alvorens te lozen op de riolering | klasse 3 | Nieuw | 1,2 m³/uur |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een verdeelinstallatie voor de verdeling van diesel voor eigen voertuigen | klasse 3 | Nieuw | 1 verdeelslang |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Het stallen van maximaal 35 voertuigen andere dan personenwagens op het terrein | klasse 2 | Nieuw | 35 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 warmtepompen met een vermogen van resp. 16 en 18 kW, 1 compressor met een vermogen van 25,3 kW, verschillende frigo's verspreid over de inrichting met een gezamenlijk vermogen van maximaal 10 kW, samen 69,3 kW | klasse 3 | Nieuw | 69,3 kW |
17.1.1.1° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | De opslag van maximaal 3.000 l aërosolen in de winkelruimte voor verkoop | klasse 3 | Nieuw | 3000 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 10.300 l diesel in een bovengrondse dubbelwandige houder | klasse 3 | Nieuw | 8,58 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | klasse 3 | Nieuw | 1 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | klasse 3 | Nieuw | 1 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | klasse 3 | Nieuw | 1 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | klasse 3 | Nieuw | 1 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | De opslag van maximaal 5.000 l producten in kleine verpakkingen | klasse 3 | Nieuw | 5000 liter |
19.3.2°a) | andere inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout en dergelijke dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.8, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Verschillende machines in de schrijnwerkerij voor het verzagen en verhakselen van hout met een gezamenlijk vermogen van 550 kW | klasse 2 | Nieuw | 550 kW |
19.4.2° | andere inrichtingen voor het chemisch behandelen van hout en soortgelijke producten dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.8: andere installaties voor houtverduurzaming | Een dubbelwandige kuip met een volume van 12,15 m³ voor het chemische behandelen van hout | klasse 2 | Nieuw | 1 installatie |
19.6.1°c) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 400 m3 in een lokaal) | De opslag van hout in loodsen | klasse 2 | Nieuw | 8900 m³ |
19.6.1°d) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 1 600 m³ in open lucht) | De opslag van hout in open lucht (overkapt) | klasse 2 | Nieuw | 4200 m³ |
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen op het perceel zijn bekend:
Stedenbouwkundige vergunningen
- Op 18/01/2018 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een industriële loods. (2017/01181 Dig)
- Op 30/11/2000 werd een vergunning afgeleverd voor de aanbouw van een luifel aan een bedrijfsgebouw. (2000/824)
- Op 27/10/1988 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een stapelplaats. (1988/1647)
- Op 26/03/1987 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods met bewakerswoning. (1987/215)
- Op 09/04/1987 werd een vergunning afgeleverd voor de oprichting van een loods na de sloping van een bestaande loods. (1987/87)
- Op 14/08/1985 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een truck-wasinstallatie. (1985/950)
- Op 04/02/1988 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een overkapping voor een truck-wash. (1987/2019)
- Op 22/09/1999 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een mast en het aanbrengen van 6 antennes met bijbehorende technische cabine. (1999/345)
- Op 22/11/2001 werd een vergunning afgeleverd voor de oprichting van een loods, de plaatsing van een hek, de sloping van hangaars. (2001/548)
- Op 07/03/1977 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een nijverheidsgebouw (enkel gelijkvloers - kapdak) als uitbreiding vanhet complex. (Litt. P-5-77)
- Op 24/05/2007 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen en uitbreiden van bedrijfsgebouwen. (2007/252)
- Op 26/04/2007 werd een weigering afgeleverd voor de verbouwing van de burelen. (2007/181)
- Op 14/11/2007 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van bedrijfsgebouwen. (2007/511)
- Op 18/01/1971 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een constructiewerkplaats. (Litt. N-15-70)
- Op 15/05/2008 werd een vergunning afgeleverd voor de bouw van een pv zonne-installatie op hellende daken. (2008/270)
- Op 01/09/1969 werd een vergunning afgeleverd voor uitbreiden van het werkhuis en de burelen van ketelslagerij. (Litt. N-6-69)
- Op 22/05/1967 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een magazijn met bureau's en etalage-ruimte. (Litt. N-4-67)
- Op 08/06/1965 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een werkhuis. (Litt. N-10-65)
- Op 17/04/1967 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een opslagplaats. (Litt. N-8-67)
- Op 22/10/2009 werd een vergunning afgeleverd voor het verbouwen van een industriële loods, regularisatie reeds gesloopte loods. (2009/798)
- Op 13/06/1966 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een afsluitingsmuur. (KW G-10-66)
- Op 23/02/1963 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van een houten loods. (Litt. P-3-63)
- Op 07/12/1964 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een complex voor transportbedrijf. (Litt. N-16-64)
- Op 11/03/1999 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen van een gedeelte van een toonzaal en heroprichten van een toonzaal met kantoren. (1999/45)
- Op 04/04/1996 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een loods (wijziging vergunning nr. 95/816 dd. 21-12-1995). (1996/110)
- Op 21/12/1995 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een loods en het verbouwen van een opslagplaats tot opslagplaats, toonzaal en kant. (1995/816)
- Op 12/11/2015 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning, het slopen van de bestaande bebouwing, het plaatsen van nieuwe gevelbekleding. (2015/01148)
Omgevingsvergunningen
- Op 15/06/2023 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het slopen van een bestaande loods, het uitbreiden van de recente loods ernaast en het deels vernieuwen van de verharding. (OMV_2023020190)
- Op 25/05/2023 werd een aktename afgeleverd voor het exploiteren van een distributeur of groothandel in elektrotechnisch materiaal, technische oplossingen en diensten + bijstelling. (OMV_2023059656)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 15 april 2025 onder ref. 030142-018/KH/2025:
BESLUIT GUNSTIG ADVIES, mits naleving van de vermelde maatregelen in het brandweerverslag.
Geen advies van North Sea Port afgeleverd op 5 mei 2025 onder ref. 2025-078:
Ligging ligt buiten het havengebied. Er is geen advies van North Sea Port nodig.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven.
Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Fase 2' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 20 juli 2012), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.
Het project ligt in het bijzonder plan van aanleg MEULESTEDE, goedgekeurd op 17 augustus 2001, en is bestemd als zone voor bedrijven en zone voor bouwvrije tuinstroken.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat regenwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkte hoeveelheid water met een vertraging wordt afgevoerd.
Er worden geen stedenbouwkundige handelingen aangevraagd; de toetsing gewestelijke verordening (GSV) en algemeen bouwreglement stad Gent (ABR) inzake hemelwater is niet van toepassing.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater/bodem en grondwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
De inrichting is gelegen in een gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven van het gewestplan Gentse Kanaalzone.
Het dichtsbijzijnde Habitatatrichtlijngebied is op 4.305 m gelegen. Op de inrichting zijn geen activiteiten die een negatieve invloed zou kunnen hebben op het Habitatrichtlijngebied.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%.
Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.
Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de riolering.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 12 april 2025 tot en met 11 mei 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect afval
De voortgebrachte afvalstoffen (P&K, plastiek folie, houtafval,PMD, restafval, bandijzer) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Aspect afvalwater
Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater wordt momenteel via 4 septische putten geloosd in de openbare riolering.
De lozing gebeurt via 4 verschillende lozingspunten.
De lozingspunten 1, 2 en 3 zijn gelegen in individueel te optimaliseren buitengebied, lozingspunt HAW 4 is gelegen in collectief te optimaliseren buitengebied. Enkel de lozingspunten 1, 2 en 3 zijn bijgevolg ingedeeld onder rubriek 3.2.2°a). Lozingspunt HAW4 is ingedeeld onder rubriek 3.2.2°b), echter gezien het lage debiet dat geloosd wordt op dit lozingspunt (300 m³/jaar en bijgevolg kleiner dan 600 m³/jaar), is dit lozingspunt niet ingedeeld.
De lozing bij de lozingspunten 1, 2 en 3 die gelegen zijn in een rode cluster volgens het zoneringsplan gebeurt momenteel via een septische put. Een septische put alleen volstaat niet om te voldoen aan de algemene lozingsvoorwaarden van Vlarem II.
Conform Vlarem II moet een individuele behandelingsinstallatie (IBA) geplaatst worden voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater bij de lozingspunten 1, 2 en 3.
Binnen een termijn van 6 maanden na datum van dit besluit dient een bewijs van plaatsing van de IBA (factuur, foto, analyseresultaten effluent, …) overgemaakt te worden aan de dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
De IBA moet op regelmatige basis onderhouden worden om te allen tijde een goede werking te garanderen. De afvalstoffen die hierbij vrijkomen dienen door een daartoe erkende overbrenger opgehaald te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Als er binnen een straal van 50 meter oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor regenwater aanwezig is, moet het effluent van IBA hierop aangesloten worden. In het andere geval moet men het gezuiverde afvalwater lozen via een besterfput die voldoet aan de bepalingen van artikel 4.3.3.1. Vlarem II.
Het lozingspunt 4 die gelegen is in een groene cluster, dient via een septische put geloosd te worden.
Bedrijfsafvalwater
Het bedrijfsafvalwater is afkomstig van de vloeistofdichte piste waar de eigen voertuigen getankt worden. Het hemelwater dat op de vloeistofdichte piste terechtkomt wordt via een KWS-afscheider geloosd in de riolering van de Glasgowstraat. Dit lozingspunt is gelegen in een rode cluster (individueel te optimaliseren buitengebied) en dient bijgevolg voorzien te worden van een zuivering. De KWS-afscheider dient uitgerust te worden met een coalescentiefilter of een gelijkwaardig systeem. Binnen een termijn van 6 maanden na datum van dit besluit dient een bewijs van plaatsing van de coalescentiefilter (factuur, foto, …) overgemaakt te worden aan de dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
De vloeistofdichte piste ter hoogte van de verdeelinstallatie is 78 m² groot, deze wordt rechtstreeks beregend en dient bijgevolg voor 100% in rekening te worden gebracht.
VMM baseert zich voor het bepalen van het debiet aan verontreinigd hemelwater (conform de Code van goede praktijk voor het ontwerp, het onderhoud en de aanleg van rioleringssystemen van 20 augustus 2012), sedert april 2017 op:
- Het langjarig gemiddeld neerslagtotaal (Ukkel 1981-2010) van 0,85 m³/m² voor het jaardebiet.
- Een composietbui met een terugkeerperiode van 2 jaar van 0,0159 m³/m² voor het uurdebiet en 0,0408 m³/m² voor het dagdebiet.
Deze aanpak sluit aan bij de huidige klimaatveranderingen en is nodig voor het correct inschatten van de hydraulische en ecologische impact op de riolering of ontvangende waterloop.
Op basis van afvloeiing coëfficiënten, metingen, hergebruik en buffering zijn de debieten van de vloeistofdichte piste correct berekend: 1,2 m³/uur - 3,2 m³/dag - 70 m³/jaar.
Aangezien er meer dan 2 m³/dag bedrijfsafvalwater wordt geloosd, dient het bedrijf te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
M.b.t. het gebruik van de KWS-afscheider worden volgende bijzondere voorwaarden opgelegd:
- De KWS-afscheider dient regelmatig gereinigd te worden. De afvalstoffen die hierbij vrijkomen dienen opgehaald te worden door daartoe erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar en/of verwerkers.
- De KWS-afscheider dient voldoende gedimensioneerd en voorzien te zijn van een automatische afsluiter.
Aspect bodem en grondwater
De opslag van aërosolen betreffen spuitbussen met lijmen, PU-schuim, … in de winkel voor verkoop. In het kader van promoties kunnen er tijdelijk grotere hoeveelheden aanwezig zijn in de winkel. De aangevraagde hoeveelheid betreft een maximale opslaghoeveelheid.
De dieselhouder van 10.300 liter betreft een bovengrondse dubbelwandige houder voorzien van een lekdetectiesysteem en een systeem tegen overvulling.
De bovengrondse houder dient ten minste om de 3 jaar onderworpen te worden aan een beperkt onderzoek. In dit onderzoek wordt de goede werking van systeem tegen overvulling, lekdetectiesysteem, … gecontroleerd. De bovengrondse houder dient ten minste om de 20 jaar onderworpen te worden aan een algemeen onderzoek. De verslagen van beperkt en algemeen onderzoek dienen te worden voorgelegd. Ter staving van de naleving wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen dat de verslagen van beperkt en algemeen onderzoek van de dieselhouder van 10.300 liter binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit dient bezorgd te worden aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden. Dit wordt als opmerking opgenomen.
De verdeelinstallatie is voorzien van een vloeistofdichte verharding (78 m²). Enkel het hemelwater ter hoogte van de verdeelinstallatie kan in contact komen met verontreinigde stoffen. Dit wordt via een KWS-afscheider geloosd.
De verlaadprocedure dient gekend te zijn bij zowel de exploitant/toezichter als de bestuurder van de tankwagen. De aanwezige beschermings- en preventieve maatregelen moeten gekend zijn bij de gebruikers van de zone. Voldoende absorptiematerialen dienen aanwezig te zijn om in geval van lekken snel te kunnen ingrijpen of te beperken dat de stoffen zich verspreiden naar de omgeving. Dit wordt als opmerking opgenomen.
De drenkinginstallatie betreft een dubbelwandig bovengronds bad met een inhoudsvolume van 12.150 liter. Deze installatie wordt gebruikt voor het onderdompelen van hout, ter bescherming tegen blauwschimmels, houtaantastende zwammen en larven van houtaantastende insecten. Het drenkingsbad staat overdekt opgesteld.
Naast het drenkingsbad zelf, is er altijd 1 IBC van 1.000 liter aanwezig met drenkingsproduct. De stockage hiervan gebeurt op een verharding. Er zijn ook verschillende gevaarlijke producten in kleine verpakkingen (white spirit, thinner, ….) aanwezig. Deze producten worden hoofdzakelijk in de schrijnwerkerij gebruikt.
Alle vaten en bussen met gevaarlijke producten moeten ingekuipt zijn. Dit betekent dat ze ofwel in een ruimte moeten staan die in zijn geheel een vloeistofdichte inkuiping vormt door het aanbrengen van een coating op de vloer en gecoate voldoende hoge randen ofwel moeten de bussen of vaten op een lekbak staan (rooster met een vloeistofdichte bak onder, bvb. in metaal). Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Aspect lucht
In de schrijnwerkerij zijn er 4 afzuigsystemen. Elk van deze afzuigsystemen wordt over een stoffilter gestuurd, na elk gebruik wordt de stoffilter ook automatisch afgeklopt. Jaarlijks krijgen de ontstoffingsinstallaties een onderhoud door de leverancier, ongeveer elke 4 jaar worden de filters vervangen.
De toonzaal wordt verwarmd met een warmtepomp van 18 kW. Het betreft een bodem-water warmtepomp waardoor er 3 boringen werden geplaatst van 150 m diepte, de diameter van de boringen bedraagt 140 mm (dieptecriterium lokaal is 150 m). De gesloten lussen zijn gevuld met glycol.
Het gebruik van milieuschadelijke koelmiddelen (type HFK en HCFK) in de koelinstallaties/warmtepompen dient waar mogelijk beperkt te worden. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De koelinstallaties/warmtepompen dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor installaties met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden. Deze elementen worden als opmerking opgenomen.
Indien het product van de toelaatbare druk (bar) en het volume (liter) van de luchtcompressor groter is dan 3.000 bar.liter, dient de luchtcompressor, conform artikel 5.16.3.2, §4 van Vlarem II ten minste om de vijf jaar onderworpen te worden aan een periodiek onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect geluid
De bronnen van geluid zijn het aan- en afrijden van voertuigen (licht en zwaar verkeer) die de inrichting betreden en verlaten en het gebruik van de houthakselaar voor het verhakselen van houtresten. Het zwaar verkeer betreedt de inrichting via de Port Arthuurlaan. De verhakselaar staat opgesteld nabij de Port Artuurlaan, zo ver mogelijk van de bewoning. Alle activiteiten die geluidsoverlast kunnen veroorzaken, staan opgesteld en verlopen via de Port Arthuurlaan, zodat deze zo ver mogelijk van de bewoning zijn. Er zijn geen klachten gekend.
Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, moeten de motoren van de bedrijfsvoertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.
Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect bodem
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect energie
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 030142-018/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.2.2°a) | lozen van huishoudelijk afvalwater (niet afkomstig van woongelegenheden) zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, in een lozingspunt gelegen in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied of buiten het zoneringsplan (meer dan 600 m³/jaar) | Het lozen van 900 m³/jaar huishoudelijk afvalwater op de riolering | Nieuw | 900 m³/jaar |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater van de verdeelinstallatie die over een KWS-afscheider wordt gestuurd alvorens te lozen op de riolering | Nieuw | 1,2 m³/uur |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een verdeelinstallatie voor de verdeling van diesel voor eigen voertuigen | Nieuw | 1 verdeelslang |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Het stallen van maximaal 35 voertuigen andere dan personenwagens op het terrein | Nieuw | 35 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 warmtepompen met een vermogen van resp. 16 en 18 kW, 1 compressor met een vermogen van 25,3 kW, verschillende frigo's verspreid over de inrichting met een gezamenlijk vermogen van maximaal 10 kW, samen 69,3 kW | Nieuw | 69,3 kW |
17.1.1.1° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | De opslag van maximaal 3.000 l aërosolen in de winkelruimte voor verkoop | Nieuw | 3000 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 10.300 l diesel in een bovengrondse dubbelwandige houder | Nieuw | 8,58 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | De opslag van maximaal 5.000 l producten in kleine verpakkingen | Nieuw | 5000 liter |
19.3.2°a) | andere inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout en dergelijke dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.8, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Verschillende machines in de schrijnwerkerij voor het verzagen en verhakselen van hout met een gezamenlijk vermogen van 550 kW | Nieuw | 550 kW |
19.4.2° | andere inrichtingen voor het chemisch behandelen van hout en soortgelijke producten dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.8: andere installaties voor houtverduurzaming | Een dubbelwandige kuip met een volume van 12,15 m³ voor het chemische behandelen van hout | Nieuw | 1 installatie |
19.6.1°c) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 400 m3 in een lokaal) | De opslag van hout in loodsen | Nieuw | 8900 m³ |
19.6.1°d) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 1 600 m³ in open lucht) | De opslag van hout in open lucht (overkapt) | Nieuw | 4200 m³ |
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een houthandel aan HANSSENS HOUT nv (O.N.:0400089663) gelegen te New-Orleansstraat 10-10A-16A en Port Arthurlaan 90, 9000 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit NV Hanssens- Hout 2025 met inrichtingsnummer 20250324-0078 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.2.2°a) | lozen van huishoudelijk afvalwater (niet afkomstig van woongelegenheden) zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, in een lozingspunt gelegen in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied of buiten het zoneringsplan (meer dan 600 m³/jaar) | Het lozen van 900 m³/jaar huishoudelijk afvalwater op de riolering | Nieuw | 900 m³/jaar |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater van de verdeelinstallatie die over een KWS-afscheider wordt gestuurd alvorens te lozen op de riolering | Nieuw | 1,2 m³/uur |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een verdeelinstallatie voor de verdeling van diesel voor eigen voertuigen | Nieuw | 1 verdeelslang |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Het stallen van maximaal 35 voertuigen andere dan personenwagens op het terrein | Nieuw | 35 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | 2 warmtepompen met een vermogen van resp. 16 en 18 kW, 1 compressor met een vermogen van 25,3 kW, verschillende frigo's verspreid over de inrichting met een gezamenlijk vermogen van maximaal 10 kW, samen 69,3 kW | Nieuw | 69,3 kW |
17.1.1.1° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | De opslag van maximaal 3.000 l aërosolen in de winkelruimte voor verkoop | Nieuw | 3000 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 10.300 l diesel in een bovengrondse dubbelwandige houder | Nieuw | 8,58 ton |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | De opslag van 1 m³ houtbehandelingsproduct in een IBC | Nieuw | 1 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | De opslag van maximaal 5.000 l producten in kleine verpakkingen | Nieuw | 5000 liter |
19.3.2°a) | andere inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout en dergelijke dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.8, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Verschillende machines in de schrijnwerkerij voor het verzagen en verhakselen van hout met een gezamenlijk vermogen van 550 kW | Nieuw | 550 kW |
19.4.2° | andere inrichtingen voor het chemisch behandelen van hout en soortgelijke producten dan de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.8: andere installaties voor houtverduurzaming | Een dubbelwandige kuip met een volume van 12,15 m³ voor het chemische behandelen van hout | Nieuw | 1 installatie |
19.6.1°c) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 400 m3 in een lokaal) | De opslag van hout in loodsen | Nieuw | 8900 m³ |
19.6.1°d) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 1 600 m³ in open lucht) | De opslag van hout in open lucht (overkapt) | Nieuw | 4200 m³ |
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
1. Conform Vlarem II moet een individuele behandelingsinstallatie (IBA) geplaatst worden voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater bij de lozingspunten 1, 2 en 3.
Binnen een termijn van 6 maanden na datum van dit besluit dient een bewijs van plaatsing van de IBA (factuur, foto, analyseresultaten effluent, …) overgemaakt te worden aan de dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
2. Bij de lozing van het bedrijfsafvalwater dient de KWS-afscheider uitgerust te worden met een coalescentiefilter of een gelijkwaardig systeem. Binnen een termijn van 6 maanden na datum van dit besluit dient een bewijs van plaatsing van de coalescentiefilter (factuur, foto, …) overgemaakt te worden aan de dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
3. Aangezien er meer dan 2 m³/dag bedrijfsafvalwater wordt geloosd, dient het bedrijf te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
4. De KWS-afscheider dient regelmatig gereinigd te worden. De afvalstoffen die hierbij vrijkomen dienen opgehaald te worden door daartoe erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar en/of verwerkers. De KWS-afscheider dient voldoende gedimensioneerd en voorzien te zijn van een automatische afsluiter.
5. De verslagen van beperkt en algemeen onderzoek van de dieselhouder van 10.300 liter dienen binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit bezorgd te worden aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
6. Alle vaten en bussen met gevaarlijke producten moeten ingekuipt zijn. Dit betekent dat ze ofwel in een ruimte moeten staan die in zijn geheel een vloeistofdichte inkuiping vormt door het aanbrengen van een coating op de vloer en gecoate voldoende hoge randen ofwel moeten de bussen of vaten op een lekbak staan (rooster met een vloeistofdichte bak onder, bvb. in metaal).
7. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 030142-018/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
1. Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.
2. Uiterlijk tegen 1/01/2028 moet bij de dieselhouder het permanent lekdetectiesysteem zowel een akoestisch en visueel signaal geven en dient de alarmfluit vervangen te worden door een systeem tegen overvulling. De lopende prototypekeuringen van het lekdetectiesysteem en het systeem tegen overvulling dienen uiterlijk tegen 1/1/2026 aangepast te worden.
3. De verlaadprocedure dient gekend te zijn bij zowel de exploitant/toezichter als de bestuurder van de tankwagen. De aanwezige beschermings- en preventieve maatregelen moeten gekend zijn bij de gebruikers van de zone. Voldoende absorptiematerialen dienen aanwezig te zijn om in geval van lekken snel te kunnen ingrijpen of te beperken dat de stoffen zich verspreiden naar de omgeving.
4. Het gebruik van milieuschadelijke koelmiddelen (type HFK en HCFK) in de koelinstallaties/warmtepompen dient waar mogelijk beperkt te worden. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De koelinstallaties/warmtepompen dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor installaties met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.
5. Indien het product van de toelaatbare druk (bar) en het volume (liter) van de luchtcompressor groter is dan 3.000 bar.liter, dient de luchtcompressor, conform artikel 5.16.3.2, §4 van Vlarem II ten minste om de vijf jaar onderworpen te worden aan een periodiek onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd.
6. Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II.
7. Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
8. Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.