Het recente nieuws over de ernstige mishandeling van bewoners in het stedelijk woonzorgcentrum De Meerspoort in Oudenaarde heeft bij velen – terecht – voor grote verontwaardiging gezorgd. De Stad Oudenaarde heeft zich in deze zaak burgerlijke partij gesteld en nam snel maatregelen om de veiligheid en het vertrouwen in de zorg te herstellen.
Ook in Gent beschikken we over vijf rusthuizen, waar dagelijks honderden kwetsbare ouderen worden verzorgd. De feiten in Oudenaarde herinneren ons eraan hoe essentieel het is om ook in eigen stad continu aandacht te hebben voor veiligheid, kwaliteit van zorg, toezicht en meldingsprocedures binnen woonzorgcentra.
In dat kader had ik graag volgende vragen gesteld over de situatie en aanpak in de Gentse rusthuizen.
Samengevoegde vragen:
IR1_2025_MV_00266 - Mondelinge vraag van raadslid Jonas Naeyaert: Mishandeling van ouderen in rusthuizen
IR6_2025_MV_00309 - Mondelinge vraag van raadslid Sabena Donkor: grensoverschrijdend gedrag in de woonzorgcentra
IR8_2025_MV_00319 - Mondelinge vraag van raadslid Bert Misplon: Rechtsbescherming bewoners in onze WZC
Bedankt allemaal voor jullie vragen. Het is duidelijk dat dit thema ons allemaal bezighoudt. En terecht: het welzijn van onze bewoners staat steeds voorop.
Ook ik heb zoals jullie, de situatie dus met aandacht opgevolgd in de media. Wat daar is gebeurd is verschrikkelijk. We kunnen en mogen dergelijke vormen van grensoverschrijdend gedrag niet tolereren.
Betekent dat dat er nooit incidenten in onze voorzieningen zijn gebeurd? Neen. Kunnen wij garanderen dat ze in de toekomst nooit zullen voorvallen? Neen, dat kunnen we niet. Dat kan niemand.
Net daarom is het zo belangrijk om een sterk preventief beleid te voeren dat de integriteit waarborgt, en om snelle, correcte procedures te hanteren, die verzekeren dat men correct en meteen handelt wanneer er zich toch een incident voordoet.
Voor ik inga op de vele vragen die jullie stellen moet mij er nog iets van het hart.
Situaties zoals deze zijn (gelukkig) uitzonderingen. De vele mensen die alle dagen het beste van zichzelf geven in de zorg, de vele mensen die in onze woonzorgcentra zorgen voor onze bewoners, zij doen dit met hart en ziel.
We mogen dus niet vergeten dat de overgrote meerderheid van ons zorgpersoneel hun job op de best mogelijk manier doen en bovenal ons respect verdienen. Ik kan me voorstellen dat velen onder hen ook erg geraakt worden, wanneer zij dergelijke feiten moeten vernemen.
Collega’s, het welzijn van onze (vaak kwetsbare) bewoners staat altijd voorop in onze woonzorgcentra. Centraal in onze aanpak staan enerzijds een sterk preventiebeleid en anderzijds een duidelijk handelingskader met goede begeleiding.
We starten steeds vanuit de visie dat een bewoner in een woonzorgcentrum in een afhankelijkheidspositie verkeert tov van de zorgverlener. De relatie tussen bewoner en zorgverlener is een professionele relatie en de zorgverlener moet ten alle tijden de integriteit van de bewoner respecteren.
We hanteren een strikte deontologische code die deze principes concreter maakt en hebben daarnaast ook meer specifiek een agressieprotocol. Dat zijn geen instrumenten die ‘in de schuif blijven liggen’: we gaan hierover met ons personeel regelmatig in gesprek. We brengen het bijvoorbeeld onder de aandacht via vormingen, op samenwerkingsgesprekken en op teamoverleggen. We vinden het belangrijk dat we deze thema’s bespreekbaar houden en systematisch aandacht geven. Op die manier werken we preventief rond het onderwerp.
In onze woonzorgcentra hanteren wij een nultolerantie voor agressie of grensoverschrijdend gedrag. Wanneer er een (vermoeden) van grensoverschrijdend gedrag is, kan de bewoner, een familielid, een medewerker... hier melding van maken via verschillende kanalen. Dit kan aan de leidinggevende, de psycholoog, via Gentinfo, de ombudsdienst... Elke klacht wordt onderzocht.
We betrekken ook steeds de omgeving van de bewoner indien de bewoner dat wenst. Dit gaat over de partner, familie of andere mantelzorgers.
Ook klachten of meldingen van hen nemen we steeds serieus en leiden altijd tot een onderzoek.
De procedure hiervoor is opgenomen in het kwaliteitshandboek van onze WZC’s.
Elke ernstige gebeurtenis wordt ook steeds gemeld aan het Vlaams Departement Zorg.
Over de afgelopen vijf jaar vonden verspreid over onze vijf stedelijke woonzorgcentra in totaal 21 incidenten plaats waarbij sprake was van grensoverschrijdend gedrag. Het ging gelukkig nooit over zo’n zwaarwichtige feiten als deze in Oudenaarde, maar elk incident blijft er een teveel. Zoals gezegd hanteren we een nultolerantie. Aan elk van deze incidenten werd dus gevolg gegeven.
Bij één incident werd een PV opgemaakt en werd de betrokken medewerker preventief geschorst. Het resultaat van het onderzoek bleek echter negatief.
U vraagt ook naar het aantal tuchtprocedures, maar sinds de invoering van het ontslagdecreet, dat statutaire en contractuele medewerkers gelijkstelt, werken we niet meer tuchtprocedures. Wanneer daarvoor aanleiding is, gaan we over op dringend ontslag. De afgelopen vijf jaar hebben we 7 keer een contract om dringende reden stopgezet.
Wij hebben enkel zicht op de concrete cijfers en situaties binnen onze eigen stedelijke woonzorgcentra. Niet-stedelijke voorzieningen dragen zelf de volledige verantwoordelijkheid over hun beleid. Het is de Vlaamse overheid die hen opvolgt door middel van bvb. inspecties.
Ik hoop dat ik via deze antwoorden jullie een beeld heb kunnen geven over onze visie en aanpak binnen de stedelijke woonzorgcentra. We werken vanuit een sterk preventief kader, hebben een nultolerantie voor agressie en grensoverschrijdend gedrag, en gaan meteen over tot actie wanneer er meldingen zijn.
Dat doen we omdat onze bewoners altijd centraal staan. Samen met onze vele gedreven zorgmedewerkers, doen we er alles aan om hun welzijn en integriteit ten alle tijde te waarborgen.
wo 16/04/2025 - 16:25
Het BOA-decreet treedt in werking op 1.1.2026.
Het BOA-decreet heeft duidelijke doelstellingen : elk kind moet zijn talenten kunnen ontplooien, gezinnen moeten hun werk of opleiding kunnen combineren met hun gezin en de sociale cohesie en de toegankelijkheid in de samenleving moet gestimuleerd worden.
In de commissie WWOPP van maart 2025 gaf schepen Willaert aan dat het BOA-decreet in Gent vanaf 1.9.2026 zal toegepast worden.
Gelet op de overgangsperiode heeft de Vlaamse regering extra middelen toegekend. Deze middelen worden integraal ingezet op een aantal proefprojecten.
Hierbij heb ik volgende vragen :
Beste raadsleden Donkor en Van Laecke, bedankt voor uw vragen over BOA en de concrete uitwerking ervan in onze stad.
Graag schets ik kort nog even waar BOA over gaat. BOA staat voor Buitenschoolse Opvang en Activiteiten.
Het kader en de grote lijnen zijn uitgetekend op Vlaams niveau in het BOA-decreet. De concrete invulling gebeurt op lokaal niveau. De bedoeling is om vanaf 2026 te komen tot een geïntegreerd en toegankelijk aanbod van buitenschoolse activiteiten voor alle kinderen. Het gaat zowel over aanbod op schooldagen als tijdens de vakantie.
Het BOA decreet bepaalt dat de regie over de buitenschoolse opvang en activiteiten vanaf 2026 bij het lokaal bestuur komen te liggen. Alleen… voor de concrete uitwerking wachten we nog altijd op de officiële uitvoeringsbesluiten van Vlaanderen. Dat maakt het allemaal nog wat onzeker.
Dat maakt, beste raadsleden, dat ik nog geen antwoord kan geven op alle concrete vragen, maar ik bezorg u alvast de beschikbare procesinformatie.
Ten eerste: het budget. Hoeveel Vlaamse centen komen naar Gent voor BOA.
We hebben sinds een paar weken zicht op de weliswaar voorlopige cijfers die Vlaanderen aan Gent toekent. Die zijn officieel meegedeeld in de nieuwsbrief van Agentschap Opgroeien.
Belangrijk om nog mee te geven:
eind februari laatstleden kondigde Opgroeien aan dat de lokale besturen (naast hun regierol) ook verantwoordelijk worden voor de erkenning, de opvolging én de handhaving van het aanbod. Dat betekent dus nog meer taken en verantwoordelijkheden voor de stad, en uiteraard ook meer nood aan middelen om dat allemaal goed te kunnen waarmaken.
De vorige Vlaamse regering voorzag 110 miljoen euro voor BOA; deze regering voorzag daarbovenop een extra 80 miljoen euro. Maar volgens berekeningen van VVSG is er 300 miljoen euro nodig om de opvangdoelstellingen van het decreet te realiseren. 110 plus 80 is 190, dus we zijn er nog niet. Samenvattend kunnen we zeggen: alle verantwoordelijkheid komt bij de lokale besturen te liggen, zonder voldoende middelen van Vlaanderen.
Daarnaast vroeg u, raadslid Donkor, naar de verdeling van de middelen over alle partners.
De Dienst Kinderopvang en de Jeugddienst, die de regie in handen nemen, zijn momenteel volop bezig met het uitwerken van concrete kaders. Dit doen ze op basis van een stevige voorbereiding. Er zijn vier belangrijke bronnen waarop ze zich baseren:
Het is de bedoeling om de voorlopige kaders voor de zomer te bespreken met vertegenwoordigers uit het BOA-veld (denk aan scholen, vrijetijdsaanbieders en stadsdiensten) om hun feedback te verzamelen. Zo zorgen we voor een breed gedragen verhaal, met ruimte voor inspraak en bijsturing. Daarna volgt de verwerking en komen de voorstellen naar de gemeenteraad.
Dan, de proefprojecten vormen een belangrijke pijler voor de verdere uitrol van BOA.
De proefprojecten zijn gestart als voorbereiding op de uitrol van het decreet en bevatten heel diverse en waardevolle experimenten – zowel voor kinderen, gezinnen, als voor de partners in het veld.
Het zijn 4 lopende proefprojecten, gekozen in consensus door het Samenwerkingsverband:
Raadslid Donkor, U vraagt concreet of de proefprojecten geëvalueerd worden. Ik kan dat bevestigen.
Deze proefprojecten worden nu al grondig opgevolgd:
Er zijn 2 evaluaties voorzien:
Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om aan te kondigen dat we beslist hebben om deze proefprojecten met een schooljaar te verlengen – tot juni 2026. Normaalgezien zouden ze aflopen in juni 2025. Aangezien BOA nu officieel ten vroegste kan starten op 1 januari 2026, zorgen we er met deze verlenging voor dat er geen onderbreking is. We hebben meteen ook verlengd voor de looptijd van een schooljaar. Zo zorgen we voor continuïteit en kunnen we de opgebouwde kwaliteit echt verankeren.
Zoals ik daarnet zei, spelen verschillende partners een belangrijke rol in de verdere voorbereiding van BOA. Raadslid Van Laecke, u stelt hierover een aantal concrete vragen.
U vraagt welke actoren betrokken zijn en hoe gesprekken met partners verlopen. De verschillende sectoren worden actief betrokken via gesprekken en via het samenwerkingsverband. Het BOA Samenwerkingsverband – dat trouwens decretaal verplicht is - werd in Gent al opgericht in 2021, in navolging van de eerste deel van het BOA-decreet dat toen in werking trad. Het is het structureel overlegplatform van en voor alle betrokkenen bij buitenschoolse activiteiten van kleuters en lagereschoolkinderen in onze stad.
Het samenwerkingsverband is samengesteld uit een brede vertegenwoordiging van aanbieders, gebruikers en toeleiders van opvang en activiteiten.
Als stad nemen we hierin het initiatief en organiseren we het samenwerkingsverband. Voor de samenstelling verwijs ik graag naar het raadsbesluit van juni 2021 daarover.
Raadslid Donkor, U vraagt naar de volgende stappen in de uitrol van het BOA-decreet. Ook de vragen van collega Van Laecke rond lokale erkenning knopen daarbij aan.
Zoals daarnet gezegd ligt de focus dit jaar vooral op het uittekenen van de spelregels: we werken aan een lokaal erkennings- en subsidiekader, in overleg met alle BOA-actoren. Dat gebeurt door onze BOA-regisseur, in overleg met heel wat partners: vb. onderwijspartners, organisatoren van buitenschoolse opvang en activiteiten, de jeugddienst en Brede School. Ook Agentschap Opgroeien biedt hier ondersteuning aan.
Raadslid Van Laecke, U vraagt welke partners in aanmerking komen voor de lokale erkenning. Daar kan ik eenvoudig op antwoorden; dat zijn de aanbieders van buitenschoolse opvang en activiteiten die een aanvraag indienen en voldoen aan de voorwaarden beschreven in het nog te bepalen erkenningskader, waar we dus volop mee bezig zijn.
Wat de concrete timing betreft: We wachten nog op de goedkeuring van de aanpassingen aan het BOA-decreet op het Vlaamse niveau. Daarin zal onder andere staan wat de opdracht van het lokale bestuur precies wordt rond die erkenning, en welke voorwaarden Vlaanderen oplegt. Pas daarna kan het erkenningskader definitief vastgelegd worden.
In Gent houden we de volgende timing aan: voor de zomer wordt het erkenningskader besproken met het BOA samenwerkingsverband, zoals al gezegd. Daarna werken we het verder uit en leggen we het voor aan het schepencollege en de gemeenteraad. Dat moet ervoor zorgen dat we tegen 2026 klaar zijn om op een doordachte en gedragen manier van start te gaan. Vanaf dan rollen we het BOA-decreet stap voor stap uit in Gent, met als doel om in 2031 volledig op kruissnelheid te zijn – mét extra aandacht oor toegankelijkheid en voor kinderen met specifieke noden.
wo 16/04/2025 - 11:15Vlaanderen voorziet in 5000 extra opvangplaatsen, wat een goede zaak is, want vandaag kampt men nog steeds met een tekort aan kinderopvangplaatsen.
Maar daarnaast is het heel moeilijk om geschikte panden te vinden.
In Antwerpen worden leegstaande panden ingezet als kinderdagverblijf.
Is deze piste, al dan niet via samenwerking met externe partners, in Gent al bekeken ?
Zo ja, wat is het resultaat ?
Wat is de mening van de schepen in deze ?
Beste Raadslid De Beule, bedankt voor uw vraag.
De noden rond kinderopvang zijn groot, dat weten we allemaal en die situeren zich op verschillende domeinen. Kinderopvang is een Vlaamse bevoegdheid, maar in Gent nemen we ook als stadsbestuur onze verantwoordelijkheid zeer ernstig.
De stad heeft 2 ‘rollen’ in deze: we nemen enerzijds de regierol op en anderzijds zijn we zelf organisator van kinderopvang. Het is vanuit die 2 rollen dat ik me zeer bewust ben van de algemene druk op de ruimte in onze stad en meer bepaald de nood aan ruimte voor kinderopvang, die dan ook nog eens geschikt en betaalbaar is voor organisatoren.
Het is evident dat ik opensta voor samenwerking met alle aanbieders van kinderopvang en het ter beschikking stellen van of zoeken naar geschikte infrastructuur.
Zoals u weet, collega, stelt kinderopvang heel specifieke eisen op vlak van veiligheid, toegankelijkheid, buitenruimte en akoestiek. Ook is er een spreidingsplan, de zogenaamde dekkingsgraad, die opvolgt waar de nood zich bevindt ten opzichte van de locatie van de kinderdagverblijven.
De Dienst Kinderopvang stimuleert binnen onze organisatie de reflex om alle ruimtelijke opportuniteiten steevast ook te onderzoeken op hun kansen voor huisvesting voor kinderopvang.
Dat begint bij de ruimtelijke planning en de opmaak van Ruimtelijke Uitvoeringsplannen en dergelijke. Daar worden kindfuncties, zoals kinderopvang, altijd op de kaart gezet. Zeker maatschappelijk waardevolle functies zoals kinderopvang passen helemaal binnen de visie op een duurzame, inclusieve stad. We kunnen geen nieuwe wijken of grootschalige woonprojecten bouwen zonder rekening te houden met de noden van gezinnen, zoals kinderopvang. Kinderopvang staat actief op de radar wanneer grotere stadsontwikkelingsprojecten concreet worden, bijvoorbeeld bij plinten van nieuwbouwprojecten.
Verder wordt ook het eigen patrimonium van de stad gescreend. Het betreft zowel leegstaande panden als projecten op de tekentafel, uit ons eigen patrimonium of dat van partners zoals Sogent, Thuispunt Gent of de kerkfabrieken.
Uit de screening van bestaande panden blijkt echter dat ze niet altijd – of ik zou eigenlijk moeten zeggen, vaak niet - geschikt zijn volgens de strikte normen van Agentschap Opgroeien. In het stedelijk patrimonium gaat het vaak om erfgoed, loodsen of andere locaties die technische en financiële uitdagingen met zich meebrengen. Dat neemt niet weg dat we moeten blijven screenen. Als er opportuniteiten zijn, dan wil ik heel graag dat die aangeboden worden aan organisatoren.
We volgen ook nauwgezet de ontwikkelingen bij de woonmaatschappij. In gesprekken met Thuispunt Gent bleek dat er bij nieuwbouwprojecten zeker openheid is om ruimte voor kinderopvang te voorzien, maar dat daar ook een correcte vergoeding tegenover moet staan. Initiatiefnemers zijn vaak gebonden aan beperkte budgetten, en daar wringt het schoentje: zonder bijkomende financiering wordt het moeilijk om dit potentieel te gaan verzilveren.
Het Lokaal Overleg Kinderopvang (LOK) -waar alle organisatoren van opvang in zetelen- speelt een belangrijke rol als platform waar deze opportuniteiten besproken worden met alle opvangorganisatoren. Wanneer zich een kans aandient – bijvoorbeeld een geschikt pand of een projectontwikkelaar met ruimte – brengen we dat via het LOK onder de aandacht van mogelijks geïnteresseerde initiatiefnemers. Ook als een opvanglocatie stopt, zorgt de dienst kinderopvang ervoor dat de locatie maximaal behouden blijft voor kindfuncties. De stad neemt daarin een regierol op.
Daarnaast wil ik nog graag meegeven dat we - aanvullend op de VIPA-subsidies van Vlaanderen – ook zelf vanuit de stad bijkomende financiële ondersteuning bieden.
Beste raadslid De Beule, kinderopvang blijft voor onze stad een prioriteit, ook in ons ruimtelijk beleid. We blijven actief op zoek naar opportuniteiten, zorgen voor afstemming via het LOK, en ondersteunen initiatieven zoveel mogelijk – maar voor structurele vooruitgang zijn er ook extra middelen nodig. Die vraag leggen we dan ook graag op tafel bij de Vlaamse regering.
Het is alvast positief dat de subsidie van Vlaanderen opgetrokken zal worden van 60 naar 70% wat bouwprojecten betreft. Laten we hopen dat dat ook soelaas biedt, zodat, wanneer er panden zijn, die ook financieel haalbaar zijn voor opvangorganisatoren. Ook daar knelt soms het schoentje.
Kortom, we staan er zeker voor open, we doen het nodige: de ruimte is schaars, maar we houden de opportuniteiten in onze stad echt op de radar, ook voor andere organisatoren van kinderopvang. Ik dank u.
wo 16/04/2025 - 09:48Recent werd me gemeld dat er in de stedelijke basisschool Het Prisma een meertalige affiche gericht aan de ouders in het schoolgebouw te lezen was. Concreet gaat het om een affiche die ouders uitnodigt om gebruik te maken van een ‘weggeefkast’ of om een bijdrage te doen aan dit initiatief, dat op zich uiteraard lovenswaardig is. De affiche is opgesteld in het Nederlands, Engels, Frans en Arabisch (zie bijlage).
Op zijn website besteedt het tijdschrift Klasse aandacht aan de taalwetgeving in een onderwijscontext. Op de vraag van een directeur over het gebruik van andere talen in de communicatie met ouders (“Een kwart van de ouders van mijn leerlingen spreekt geen Nederlands. Daardoor zijn er vaak kleine misverstanden. Ik zou dus graag af en toe een Franse en Engelse vertaling van belangrijke brieven meegeven. Mag dat?”) wordt het volgende antwoord gegeven:
“Dat mag uitzonderlijk.
Volgens de bestuurstaalwetgeving (SWT) is een school een openbare dienst. Ze stelt dat communicatie er enkel in het Nederlands mag. Alleen in de Franstalige scholen in de faciliteitengemeenten gelden uitzonderingen voor het gebruik van het Frans.
Alleen als het absoluut noodzakelijk is in het algemene belang, staat de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VTC) toe dat je naast het Nederlands ook andere talen gebruikt. Haar adviezen bevatten 4 criteria waaraan je anderstalige communicatie moet voldoen:
Of aan de eerste voorwaarde voldaan is valt niet te beoordelen op basis van de vermelde casus, aan de tweede is misschien eerder wel voldaan, en aan de derde zeker. Maar aan de vierde is duidelijk niet voldaan: de boodschap is immers niet alleen bestemd voor het anderstalige doelpubliek, maar is open en bloot voor iedereen te lezen.
Beste mevrouw Deene, bedankt voor uw vraag.
Volgens de Vlaamse taalwetgeving moet de bestuurstaal van scholen in Vlaanderen het Nederlands zijn. Dit betekent dat officiële communicatie van de school naar ouders in het Nederlands moet gebeuren.
Echter, er zijn, zoals u aangeeft, collega Deene, uitzonderingen mogelijk. In de praktijk wordt vaak aangenomen dat scholen enige flexibiliteit hebben om anderstalige ouders te bereiken, mits het Nederlands de hoofdtaal blijft. Dat blijkt ook uit recente adviezen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT). (bv. Advies 56.293).
Collega Deene, of dit specifieke geval 100% voldoet aan de voorwaarden die de VCT vooropstelt, kan ik niet volledig inschatten op basis van de gegevens die nu voorliggen. Ik weet bijvoorbeeld niet of dit een initiatief van de school of de ouders is, of dit een tijdelijk initiatief is, wat de aard van de leerlingenpopulatie van deze school is, etc. Ik heb dat gezien de vakantie niet kunnen achterhalen, en kan bijgevolg niet inschatten hoe de Commissie over deze concrete situatie zou oordelen. Ik ga er wel van uit dat de school ter goeder trouw ouders wilde informeren over een nieuw initiatief, en ik begrijp uit de manier waarop u uw vraag stelt, collega Deene, dat dat voor u ook het geval is. Samen met u stelde ik ook vast dat de taalwetgeving soms meer vragen dan antwoorden oproept, zoals u ook aangeeft in uw vraagstelling.
Het allerbelangrijkste is, zoals u zelf ook aangeeft, uw tweede vraag. In de eerste plaats wil ik benadrukken dat ouderbetrokkenheid van groot belang is om goed onderwijs waar te maken. Als stad zetten we sterk in op partnerschap tussen school en gezin, bijvoorbeeld door de brugfiguren. We doen als stad dan ook inspanningen om alle ouders te betrekken – ook ouders die een andere taal spreken.
Het Stedelijk Onderwijs neemt verschillende initiatieven om goed te communiceren naar alle ouders. Het antwoord op uw tweede vraag, collega Deene, splits ik graag op tussen enerzijds schriftelijke en anderzijds mondelinge communicatie naar anderstalige ouders.
De standaard schriftelijke communicatie van scholen naar anderstalige ouders gebeurt natuurlijk in het Nederlands. In de meeste gevallen gebruiken de scholen een online communicatieplatform (Questi, Smartschool …). De meest courant gebruikte apps hebben standaard ook een vertaalfunctie ingebouwd, zodat anderstalige ouders de Nederlandstalige communicatie eventueel eenvoudig kunnen vertalen naar hun eigen thuistaal, als zij dat zelf nodig achten.
Scholen bieden ook de mogelijkheid aan anderstalige ouders om samen met hen geschreven communicatie (in het Nederlands) te overlopen en extra uitleg te geven.
Scholen met veel anderstalige ouders maken ook gebruik van Sclera om hun schriftelijke communicatie verstaanbaar te maken voor anderstalige ouders en ouders die moeite hebben met lezen (bv. omwille van analfabetisme). Sclera is een website met pictogrammen, specifiek ontwikkeld voor onderwijs.
Mondelinge communicatie met ouders gebeurt uiteraard ook standaard in het Nederlands. In een uitzonderlijk geval kan Frans, Engels of een andere taal die het personeelslid in kwestie machtig is, de communicatietaal zijn als het gaat om niet-gevoelige gesprekken (bv. uitleg over een schooluitstap). Belangrijke gesprekken gaan steeds door in het Nederlands. Wanneer het nodig is, kan dat gebeuren in het bijzijn van een beëdigde tolk.
Op uw specifieke vraag rond de duur van een eerste integratiefase bestaat geen eenduidig antwoord. Hoe lang deze fase duurt, hangt af van persoon tot persoon. Dat bevestigt ook de website van de Vlaamse overheid (https://www.communicatiewaaier.be/taalwetgeving). Daar lees ik:“Je mag enkel andere talen gebruiken bij personen die zich in een eerste integratiefase bevinden en nog niet voldoende de kans kregen om Nederlands te leren en te kennen. De bepaling van het feit of iemand al dan niet de gelegenheid had om voldoende Nederlands te leren en te leren kennen moet je in elke situatie per individu of groep individuen afzonderlijk beoordelen.” In dit geval zijn het dus de scholen, die de ouders het beste kennen, die het beste geplaatst zijn om de inschatting te maken.
Ik heb ook begrepen uit opzoekingswerk, collega Deene, dat een collega van u in het Vlaams Parlement deze vraag rond eerste integratiefase voorlegde aan toenmalig Minister van Inburgering, Bart Somers, en dat zij ook op haar honger moest blijven wat precies bedoeld werd met eerste integratiefase. Dit is alvast de invulling die eraan gegeven wordt op de website van de Vlaamse Overheid.
wo 16/04/2025 - 10:34Uit goede bron vernam ik dat stedelijke crèches de laatste tijd geregeld aan ouders vragen om hun kind(eren) vroeger af te halen dan de openingsuren van de crèches bepalen. Als reden daarvoor wordt een personeelstekort opgegeven. Dit schept vanzelfsprekend problemen voor ouders, die niet altijd zomaar hun werkschema kunnen omgooien. Klagen erover is echter ook moeilijk, want men is erg afhankelijk van de crèche.
Beste Raadsleden Deene en Baert,
hartelijk dank voor jullie belangrijke vragen.
Collega Deene, u vraagt of het klopt dat ouders in onze stedelijke kinderdagverblijven soms de vraag krijgen om hun kind vroeger op te halen. En of dat zomaar kan.
Ik begrijp heel goed waar die bezorgdheid vandaan komt. Het klopt inderdaad dat er in sommige situaties tijdelijk een verminderde dienstverlening is – en dat ouders dan gevraagd wordt om hun kind vroeger op te halen.
De reden daarvoor is helaas gekend: de sector kampt Vlaanderen-breed met een nijpend personeelstekort. De arbeidsmarkt is enorm krap, er stromen te weinig nieuwe kinderbegeleiders in en vervangingen vinden is moeilijk. Tegelijk vallen medewerkers ook vaker langdurig uit door ziekte. En wanneer mensen maar kort afwezig zijn – minder dan een maand bijvoorbeeld – mogen we ze volgens de regels vaak niet vervangen.
Dat alles zorgt ervoor dat de kind-begeleiderverhouding op sommige momenten onder druk komt te staan. Die verhouding is niet zomaar een richtlijn, die is opgelegd door Vlaanderen. De Dienst Kinderopvang is dus decretaal verplicht om voldoende personeel aanwezig te hebben per aantal aanwezige kinderen.
Als we daar niet aan geraken, moeten we – met pijn in het hart – overschakelen op een alternatieve personeelsplanning. Als dat ook niet volstaat, dan pas stappen we over naar verminderde dienstverlening. Ik geef graag mee dat dit enkel gebeurt wanneer het echt niet anders kan.
Ik weet dat het voor ouders bijzonder moeilijk is als ze op het laatste moment iets moeten regelen. Daarom proberen we dat soort situaties zo veel mogelijk te vermijden. Maar tegelijk wil ik ook benadrukken: onze prioriteit blijft altijd een veilige, warme en kwaliteitsvolle opvang. En dat kan alleen als er voldoende begeleiders zijn.
De dienst kinderopvang probeert de last ook eerlijk te verdelen. Zo wordt erop toegezien dat niet telkens dezelfde ouders getroffen worden. Respijtdagen worden niet meegerekend, en waar mogelijk bieden we noodoplossingen aan.
De Dienst Kinderopvang heeft trouwens al een heel aantal acties opgestart om het personeelstekort aan te pakken – daar kom ik straks graag nog even op terug, gezien jullie vragen. Maar zolang de sector kampt met structurele onderbezetting – en dat is in heel Vlaanderen het geval – kunnen we dit probleem jammer genoeg niet altijd vermijden.
Dus ja, beste Raadslid Deene, ik ben hiervan op de hoogte. En nee, het gebeurt niet zomaar. Het is een laatste redmiddel, dat we enkel inzetten wanneer het écht nodig is om onze opvang veilig en kwaliteitsvol te houden – in het belang van de kinderen én van het personeel dat wel aan het werk is.
Ouders mogen erop rekenen dat we er alles aan doen om onze openingsuren aan te houden en onze werkingen draaiende te houden. Maar als het op bepaalde momenten toch niet lukt, dan is dat enkel omdat we binnen de wettelijke normen moeten blijven én de veiligheid van de kinderen altijd willen garanderen.
Onze dienst Kinderopvang zoekt natuurlijk proactief naar oplossingen om het personeelstekort en ook de verminderde dienstverlening aan te pakken. Ze neemt heel wat structurele acties zowel om ervoor te zorgen dat er nieuw personeel bijkomt, als om te vermijden dat huidige medewerkers uitvallen of de dienst verlaten.
Raadslid Deene, u vraagt ook hoe we deze situatie zullen verhelpen. Die vraag overlapt met de vraag van collega Baert over de stappen die de stad onderneemt om personeelstekort in de kinderopvang aan te pakken.
Ik geef graag een paar concrete voorbeelden van wat de stad allemaal doet:
Kortom: we zetten volop in op creativiteit én samenwerking om het tekort zo goed mogelijk op te vangen.
En daarin zijn we ook pionier:
Vanaf volgende week gaan deze 2 mensen heel lokaal aan de slag om nog meer drempels te verlagen en mensen warm te maken voor een job in onze kinderopvang. Ze organiseren bijvoorbeeld infosessies of inleefmomenten in een kinderdagverblijf. Kandidaten zonder gepast diploma kunnen kosteloos starten met een opleiding en krijgen begeleiding. Ze kunnen onmiddellijk starten in een crèche als Ondersteuner en worden op de vloer begeleid naar de juiste diploma om nadien te werken als volwaardig kinderbegeleider. We beginnen dit pilootproject -in nauwe en gewaardeerde samenwerking met de VDAB- in de Brugse Poort. Na een evaluatie in de zomer, willen we daarna kijken of we kunnen uitrollen naar meer wijken. We gaan dus letterlijk op zoek naar kandidaten en zetten de deuren van onze opvang zo wijd mogelijk open voor nieuw talent.
Daarmee komen we ook bij de vraag van collega Baert, naar de plannen om het beroep van kinderbegeleider aantrekkelijker te maken.
Het beroep van kinderbegeleider is ongelooflijk waardevol, deze mensen staan mee aan de wieg van de ontwikkeling van onze kinderen. Tegelijk weten we dat het de job helaas niet altijd de waardering krijgt die het verdient. Het is een echte uitdaging om voldoende mensen te vinden én te houden in deze sector.
Er zijn veel randvoorwaarden om het beroep aantrekkelijker te maken, maar die hebben we als stad niet steeds zelf in handen. De bal ligt vooral in het kamp van Vlaanderen, dat wijst ook recent onderzoek van de OESO en de EU uit; de recepten voor een aantrekkelijke en kwalitatieve sector zitten vooral verankerd in Vlaamse regelgeving.
Los daarvan nemen ook wij onze verantwoordelijkheid op en zetten we actief in op het aantrekkelijker maken van het beroep van kinderbegeleider.
Maar er is een grens aan wat we als lokaal bestuur kunnen doen. Veel van de structurele hefbomen liggen op Vlaams niveau.
Kortom, beste raadslid Baert, Wij doen als stad wat we kunnen – en méér – maar de toekomst van het beroep kinderbegeleider ligt voor een groot stuk in handen van de Vlaamse Regering.
Wat uw vraag rond de toeleiding van niet-beroepsactieven betreft: Uiteraard zijn we ook actief bezig met het aantrekken van nieuwe mensen die vandaag nog niet actief zijn op de arbeidsmarkt. Sinds 2018 heeft Dienst Kinderopvang permanent minimum één project lopen dat onderzoekt hoe deze doelgroep kan bereikt en toegeleid kan worden naar de sector kinderopvang. Dienst Kinderopvang was hierdoor in Vlaanderen één van de eerste werkgevers die innoveert om deze doelgroep te activeren.
We hebben bijvoorbeeld een mentorenproject dat niet-beroepsactieven begeleidt naar een kwalificatie als kinderbegeleider. Twee mentoren begeleiden op dit moment zo’n 16 toekomstige kinderbegeleiders bij de Dienst Kinderopvang en een 10-tal toekomstige kinderbegeleiders bij de zelfstandige kinderdagverblijven.
Ook is er een nauwe samenwerking met de VDAB waarbij wijkwerkers van de job van kinderbegeleider kunnen proeven in afwachting van een opleiding.
Daarnaast werkt DIKO ook nauw samen met AMAL dat zich specifiek richt op de doelgroep van nog niet-beroepsactieve inburgeraars. Een doelgroep met veel potentieel. In afwachting van hun diploma homologatie (wat een lang proces is) kunnen mensen als vrijwilliger meedraaien in onze kinderdagverblijven. Ook zijn er nauwe verbindingen met de dienst activering en werk met een focus op mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt.
We zetten ook sterk in op zij-instroom en zijn hiervoor regelmatig een bron van inspiratie. Onze locaties staan open voor stagiairs uit alle mogelijke opleidingsvormen: duaal leren, CVO, secundair kinderzorg… Maar ook voor vrijwilligers, artikel 60-tewerkstellingen en wijkwerkers. Wie nog geen diploma heeft, kan bij ons als ondersteuner starten en via een mentortraject groeien naar een erkend attest via EVC (Elders Verworven Competenties). Zo geven we mensen met ervaring de kans om hun talenten te verzilveren.
U vraagt ook naar wervingscampagnes, collega Baert: natuurlijk proberen we jongeren warm te maken voor dit mooie beroep. We hebben vorig jaar een frisse wervingscampagne gelanceerd, met een filmpje en nieuwe slogans zoals ‘Geef jij het volgende lepeltje?’ of ‘Bedenk jij het volgende spelletje?’. Die campagne liep op verschillende mediakanalen online, maar ook in het straatbeeld. Ik hoop dat u de doeken van deze campagne al heeft zien hangen nabij een kinderdagverblijf bij u in de buurt.
U vraagt ook hoe we jongeren motiveren om kinderbegeleider te worden. Dat doen we o.a. via de zorgberoepenrally. Zo bereiken we ook leerlingen uit het secundair – vanaf het vierde middelbaar – om hen te laten proeven van wat werken in de kinderopvang echt betekent.
Daarnaast werken de Dienst Kinderopvang en het Onderwijscentrum Gent in het project ‘Matchmakers’ samen met de Gentse opleiders om de samenwerking tussen scholen en het werkveld te versterken. Door opleidingen af te stemmen op de dagelijkse realiteit worden drempels tussen onderwijs en arbeidsmarkt weggewerkt en wordt de inhoud van de opleiding beter afgestemd op de uitdagingen van het werkveld.
Collega Baert, U verwijst, terecht , ook naar het masterplan van minister Gennez dat vorige week werd aangekondigd. Dat plan bevat ook maatregelen om personeel aan te trekken, bijvoorbeeld via versterking van de zij-instroom.
Ik vind dit zeker een stap in de juiste richting en ik hoop van harte dat het op het terrein snel voelbaar wordt. Maar laat ons duidelijk zijn: als we het beroep van kinderbegeleider écht aantrekkelijk willen maken en écht willen valoriseren, dan moeten ook de loon- en arbeidsvoorwaarden dringend verbeterd worden. Dat blijft een fundamenteel pijnpunt. Zolang mensen in deze cruciale zorgfunctie niet eerlijk en waardig verloond worden, blijft het moeilijk om voldoende instroom en retentie te realiseren. Ik reken er dan ook op dat ook daar snel Vlaams werk van wordt gemaakt.
In Gent blijven wij ondertussen niet bij de pakken zitten. We zetten in op begeleiding, op maatwerk én op samenwerking met de sector. Want goede kinderopvang begint bij sterke kinderbegeleiders – en die verdienen alle kansen, loon naar werken én respect.
wo 16/04/2025 - 10:55Onlangs vernamen we via de pers dat er in een woonzorgcentrum in Oudenaarde vermoedelijk sprake was van ernstig grensoverschrijdend gedrag door enkele personeelsleden. Kwetsbare en hulpbehoevende bewoners zouden er slachtoffer geworden zijn van vernederingen, diefstal en mishandeling.
Het nieuws kwam begrijpelijk erg hard binnen bij zowel medebewoners, familieleden als collega’s.
Ook als Stad en OCMW Gent beschikken we over vijf woonzorgcentra. Ik heb zelf enkele jaren in de zorg gewerkt. Iedere dag gaven en geven mijn collega’s het beste van zichzelf. Zij doen hun job met hart en ziel, ze hebben maar één doel voor ogen, de bewoners met veel liefde en zorg omringen en dit iedere dag opnieuw. De kwaliteit van de zorg dragen ze hoog in het vaandel.
Ik informeer dan ook graag naar welke procedures onze woonzorgcentra hanteren om dergelijke mensonterende situaties te voorkomenHoe worden dergelijke meldingen of klachten gemonitord? Volgens welke procedure wordt er verder mee omgegaan?
Welke initiatieven worden er binnen de stedelijke woonzorgcentra genomen ter bescherming van bewoners tegen grensoverschrijdend gedrag?
Samengevoegde vragen:
IR1_2025_MV_00266 - Mondelinge vraag van raadslid Jonas Naeyaert: Mishandeling van ouderen in rusthuizen
IR6_2025_MV_00309 - Mondelinge vraag van raadslid Sabena Donkor: grensoverschrijdend gedrag in de woonzorgcentra
IR8_2025_MV_00319 - Mondelinge vraag van raadslid Bert Misplon: Rechtsbescherming bewoners in onze WZC
Bedankt allemaal voor jullie vragen. Het is duidelijk dat dit thema ons allemaal bezighoudt. En terecht: het welzijn van onze bewoners staat steeds voorop.
Ook ik heb zoals jullie, de situatie dus met aandacht opgevolgd in de media. Wat daar is gebeurd is verschrikkelijk. We kunnen en mogen dergelijke vormen van grensoverschrijdend gedrag niet tolereren.
Betekent dat dat er nooit incidenten in onze voorzieningen zijn gebeurd? Neen. Kunnen wij garanderen dat ze in de toekomst nooit zullen voorvallen? Neen, dat kunnen we niet. Dat kan niemand.
Net daarom is het zo belangrijk om een sterk preventief beleid te voeren dat de integriteit waarborgt, en om snelle, correcte procedures te hanteren, die verzekeren dat men correct en meteen handelt wanneer er zich toch een incident voordoet.
Voor ik inga op de vele vragen die jullie stellen moet mij er nog iets van het hart.
Situaties zoals deze zijn (gelukkig) uitzonderingen. De vele mensen die alle dagen het beste van zichzelf geven in de zorg, de vele mensen die in onze woonzorgcentra zorgen voor onze bewoners, zij doen dit met hart en ziel.
We mogen dus niet vergeten dat de overgrote meerderheid van ons zorgpersoneel hun job op de best mogelijk manier doen en bovenal ons respect verdienen. Ik kan me voorstellen dat velen onder hen ook erg geraakt worden, wanneer zij dergelijke feiten moeten vernemen.
Collega’s, het welzijn van onze (vaak kwetsbare) bewoners staat altijd voorop in onze woonzorgcentra. Centraal in onze aanpak staan enerzijds een sterk preventiebeleid en anderzijds een duidelijk handelingskader met goede begeleiding.
We starten steeds vanuit de visie dat een bewoner in een woonzorgcentrum in een afhankelijkheidspositie verkeert tov van de zorgverlener. De relatie tussen bewoner en zorgverlener is een professionele relatie en de zorgverlener moet ten alle tijden de integriteit van de bewoner respecteren.
We hanteren een strikte deontologische code die deze principes concreter maakt en hebben daarnaast ook meer specifiek een agressieprotocol. Dat zijn geen instrumenten die ‘in de schuif blijven liggen’: we gaan hierover met ons personeel regelmatig in gesprek. We brengen het bijvoorbeeld onder de aandacht via vormingen, op samenwerkingsgesprekken en op teamoverleggen. We vinden het belangrijk dat we deze thema’s bespreekbaar houden en systematisch aandacht geven. Op die manier werken we preventief rond het onderwerp.
In onze woonzorgcentra hanteren wij een nultolerantie voor agressie of grensoverschrijdend gedrag. Wanneer er een (vermoeden) van grensoverschrijdend gedrag is, kan de bewoner, een familielid, een medewerker... hier melding van maken via verschillende kanalen. Dit kan aan de leidinggevende, de psycholoog, via Gentinfo, de ombudsdienst... Elke klacht wordt onderzocht.
We betrekken ook steeds de omgeving van de bewoner indien de bewoner dat wenst. Dit gaat over de partner, familie of andere mantelzorgers.
Ook klachten of meldingen van hen nemen we steeds serieus en leiden altijd tot een onderzoek.
De procedure hiervoor is opgenomen in het kwaliteitshandboek van onze WZC’s.
Elke ernstige gebeurtenis wordt ook steeds gemeld aan het Vlaams Departement Zorg.
Over de afgelopen vijf jaar vonden verspreid over onze vijf stedelijke woonzorgcentra in totaal 21 incidenten plaats waarbij sprake was van grensoverschrijdend gedrag. Het ging gelukkig nooit over zo’n zwaarwichtige feiten als deze in Oudenaarde, maar elk incident blijft er een teveel. Zoals gezegd hanteren we een nultolerantie. Aan elk van deze incidenten werd dus gevolg gegeven.
Bij één incident werd een PV opgemaakt en werd de betrokken medewerker preventief geschorst. Het resultaat van het onderzoek bleek echter negatief.
U vraagt ook naar het aantal tuchtprocedures, maar sinds de invoering van het ontslagdecreet, dat statutaire en contractuele medewerkers gelijkstelt, werken we niet meer tuchtprocedures. Wanneer daarvoor aanleiding is, gaan we over op dringend ontslag. De afgelopen vijf jaar hebben we 7 keer een contract om dringende reden stopgezet.
Wij hebben enkel zicht op de concrete cijfers en situaties binnen onze eigen stedelijke woonzorgcentra. Niet-stedelijke voorzieningen dragen zelf de volledige verantwoordelijkheid over hun beleid. Het is de Vlaamse overheid die hen opvolgt door middel van bvb. inspecties.
Ik hoop dat ik via deze antwoorden jullie een beeld heb kunnen geven over onze visie en aanpak binnen de stedelijke woonzorgcentra. We werken vanuit een sterk preventief kader, hebben een nultolerantie voor agressie en grensoverschrijdend gedrag, en gaan meteen over tot actie wanneer er meldingen zijn.
Dat doen we omdat onze bewoners altijd centraal staan. Samen met onze vele gedreven zorgmedewerkers, doen we er alles aan om hun welzijn en integriteit ten alle tijde te waarborgen.
wo 16/04/2025 - 16:26Begin april hadden meer dan 50 organisaties, verenigd in de Gentse Wooncoalitie, hun tenten opgeslagen aan de Stadshal. Deze actie was een protest tegen de aangekondigde jaarlijkse besparingen van 120 miljoen euro. De organisaties vrezen dat deze besparingen ook het dak- en thuislozenbeleid zullen raken en ze vragen dat er net éxtra investeringen komen om dak- en thuisloosheid aan te pakken. Volgens de laatste telling waren er immers zo’n 2.500 mensen dak- of thuisloos in onze stad. Dat onrustwekkende cijfer vraagt dan ook om een ambitieus beleid.
De PVDA-fractie heeft daarover volgende vragen:
Kan het stadsbestuur bevestigen of en in welke mate de geplande besparingen van 120 miljoen euro invloed zullen hebben op het budget dat momenteel wordt ingezet voor het dak- en thuislozenbeleid in Gent? Zal er m.a.w. geraakt worden aan de budgetten voor het dak- en thuislozenbeleid? Indien ja, wat is de politieke motivering hierachter? Indien nee, zullen deze budgetten verhoogd worden, gezien de - nog steeds - urgente situatie en oproep van de vele middenveldorganisaties?
Welke maatregelen overweegt het stadsbestuur om ervoor te zorgen dat de ondersteuning voor dak- en thuislozen niet wordt verminderd, en zelfs wordt opgeschaald ondanks de geplande besparingen?
Welke bijkomende ambities stelt het stadsbestuur voorop om dak- en thuisloosheid tijdens deze legislatuur aan te pakken in onze stad? Welke rol ziet het stadsbestuur voor de Stad Gent, welke rol voor de Vlaamse regering?
Welke financiering staat er tegenover het ROOF-plan? Welke uitgaven zijn er al gebeurd om dit plan te realiseren? Wat is de kostenraming die deze legislatuur zou moeten worden vastgelegd voor de uitvoering van het ROOF-plan?
Werd het ROOF-plan reeds aangepast? Zo ja: wanneer, en op welke manier? Zo nee: wanneer zullen deze bijsturingen wel gebeuren?
Hoe evalueert het stadsbestuur de huidige samenwerking met de verschillende middenveldorganisaties in het kader van het dak- en thuislozenbeleid? Zijn er plannen om deze samenwerking(en) en projecten op te schalen?
Welk aantal dak- en thuislozen in Gent gaan we met het beslist beleid (= optelsom van alle tot op heden genomen beleidsmaatregelen) een oplossing kunnen aanbieden?
Deze vraag werd samen beantwoord met IR 11 (Fourat Ben Chikha), schepenen De Bruycker en Watteeuw antwoordden samen:
SCHEPEN DE BRUYCKER:
Dag collega’s,
Ik dank Tom De Meester en Fourat Ben Chikha voor de uiterst belangrijke en heel actuele vragen. Schepen Watteeuw en ik zullen jullie vragen samen beantwoorden. Wij werken namelijk samen keihard aan een van de belangrijkste thema’s in onze stad: het bestrijden van dak- en thuisloosheid.
Geen enkel kind, geen enkele volwassene zou dakloos mogen zijn. Niet voor één nacht en al zeker niet voor lange tijd. Een dak boven je hoofd is de uitvalsbasis voor het leven. Het is een plek om tot rust te komen, een plek om je kinderen te laten studeren, een plek van waaruit je – uitgerust en gezond – naar het werk kan vertrekken. Het is de basis van alles. Zonder een goede woning staat je leven op pauze.
In onze stad hebben zo’n 2.500 mensen geen structureel dak boven het hoofd. Dat zijn er 2.500 te veel. Daarvan zijn er 600 kinderen. Zij zijn thuisloos. Dat betekent dat ze niet op straat leven, maar ook geen vaste woonst hebben. Dat is verschrikkelijk. Dat zijn kinderen die op de dool zijn, in zware omstandigheden leven en geen veilige, herkenbare thuis hebben.
Dat zijn cijfers die snijden, die mij diep raken. Maar het zijn cijfers die we, hoe pijnlijk ze ook zijn, moeten kénnen. Deze mensen verdienen het namelijk dat wij hen zichtbaar maken. Zij verdienen een beleid dat gestoeld is op kennis, dat niet op los zand staat. Gent is de eerste stad die al twéé dak- en thuislozentellingen liet uitvoeren. Eén in 2020 en één in 2023. We hebben dus al een goed zicht op de grootte-orde van het probleem. In het rapport dat het onderzoeksteam van LUCAS KU Leuven vorige maand publiceerde, zijn die twee tellingen opgenomen. U vroeg naar mijn reactie op dat Vlaamse rapport, collega Ben Chikha.
De cijfers van Gent kende ik uiteraard al. Het gaat om de tellingen uit 2020 en 2023. Wat dit rapport ons leert, is dat dak- en thuisloosheid een wijdverspreid fenomeen is. Het blijft niet beperkt tot de grootsteden. Het blijft niet beperkt tot Gent.
Ik vind het een goede zaak is dat dit alles op zo een deskundige, wetenschappelijke manier in kaart wordt gebracht, door de experten van KU Leuven. Maar er zijn nog heel wat blinde vlekken. Veel lokale besturen lieten nog geen énkele telling uitvoeren. Ik hoop dat zij dat ook zullen doen. En dat ze, net zoals wij, de tellingen herhaaldelijk laten uitvoeren.
Die tellingen tonen niet enkel de omvang van het probleem, maar ze geven ons ook een zicht op de mensen achter de cijfers. Dat is belangrijk, want daarop kunnen we ons beleid afstemmen. Mensen die voor een korte periode thuisloos zijn, bijvoorbeeld, en die geen grote nood hebben aan omkadering of zorg, kunnen we toeleiden naar een sociale woning. Andere mensen hebben bijvoorbeeld een psychische kwetsbaarheid en hebben meer hulp en structuur nodig, na een langere periode op straat. Dit is een doelgroep die we dan bijvoorbeeld eerder in de Robuuste Woningen zien. Dit is hoe de dienst woonbegeleiding te werk gaat: doelgroepspecifiek. Als mensen een woning vinden, worden ze begeleid of gecoacht, afhankelijk van hun nood. Zo zorgen we ervoor dat die mensen goed kunnen blijven wonen en geen huurachterstal opbouwen. Het is de beste preventie voor dak- en thuisloosheid. Dit is meteen ook een antwoord op een vraag van mijnheer Ben Chikha. U stelt terecht dat er een grote diversiteit is onder dak- en thuisloze personen. En u vraagt hoe wij maatwerk kunnen bieden, in het woonbeleid en in het sociaal beleid. Bij deze: ik ben mij erg bewust van die diversiteit en onze diensten bieden dan ook werk op maat.
Twee weken geleden was er een actie van het middenveld. Een actie die ik heel erg waardeer. Ik ben dan ook gaan luisteren en gaan spreken met de actievoerders. Samen met mijn collega’s uit het college. Ik begrijp hun boodschap. Ik heb de woordvoerders van de Gentse wooncoalitie vorige week ook nog apart ontvangen en een heel goed gesprek met hen gehad. We begrijpen elkaar, we hebben dezelfde doelstelling voor ogen en slaan de handen in elkaar. Ik heb gevraagd om een structureel overleg met de Wooncoalitie – met verschillende vertegenwoordigers van het middenveld. Structureel overleg met het middenveld is niet nieuw. We hebben jaren geleden een Taskforce Wonen en Opvang opgericht. Ook die banden haal ik sterk aan. Schepen Watteeuw vertelt er u straks meer over.
Collega De Meester, uw eerste vier vragen en de laatste vraag, gaan over de impact van de besparingen op het beleid rond dak- en thuisloosheid of over nieuw beleid. Ik denk dat u weet dat de gesprekken over de besparingen volop gaande zijn en dat er niemand van het college nu kan ingaan op de inhoud van het toekomstig meerjarenplan. Ik zal dat dus ook niet doen.
Ik kan u wel garanderen dat onze inzet in tussentijd onverminderd verder gaat.
We zetten sterk in op preventie. Ik vertelde al over de wooncoaches en woonbegeleiders die ervoor zorgen dat het woontraject van kwetsbare Gentenaars zo goed mogelijk verloopt. Zij bieden steun op alle vlakken die aan wonen raken. Zo kunnen we huurachterstal en andere problemen voorkomen en dus ook uithuiszettingen vermijden. We onderzoeken ook een aanklampende aanpak om met bewoners en huiseigenaars in gesprek te gaan.
Voor Gentenaars die dakloos zijn, zetten we in op een huisvestingsgerichte aanpak. Zoals ik al zei: het beste antwoord op dakloosheid is wonen. De Baai biedt al jarenlang duurzame huisvesting aan 32 voormalig dak- en thuisloze personen. Een jaar geleden zijn ook de Robuuste Woningen open gegaan. 11 voormalige dakloze personen vinden hier een duurzaam dak. Wij zorgen vanuit het OCMW voor begeleiding voor de bewoners. Bij Thuispunt Gent gebeurt er een versnelde toewijzing van mensen die dak- en thuisloos zijn. De komende jaren zal het patrimonium van Thuispunt aangroeien en zullen we dus ook meer dak- en thuislozen kunnen toewijzen en hen een kwalitatief dak bieden.
Zoals ik al zei primeert wonen. Maar helaas hebben we ook opvang nodig. Om die opvang goed te organiseren, zullen we de nachtopvang ook dit jaar nog evalueren. Meten is weten, net zoals bij de tellingen waar ik het eerder over had. Nadien kunnen we, indien nodig, ons beleid rond de nachtopvang bijsturen.
Nachtopvang: (65 plaatsen, 10 noodbedden en huur hotelkamers ook mogelijk)
En tot slot zijn er ook nog verschillende mogelijkheden voor tijdelijk wonen. We hebben het instapwonen (5 plaatsen), de herstelopvang in het Leeuwenhof (5), opvang en oriëntatie in het Leeuwenhof (17), het project Leegstand (49), waarbij leegstaande sociale woningen tijdelijk verhuurd worden, opvang en oriëntatie in Huis 4B (12) en de Blekerij (18). En dan nog opvang en oriëntatie voor jongeren (20) en gezinsopvang (4).
Al deze initiatieven, collega’s, zijn schakels die op maat ingezet worden in een hulpverleningstraject dat uiteindelijk tot doel heeft dat mensen weer een veilig, structureel dak boven het hoofd vinden.
Vanuit het sociaal beleid werken daar dus heel veel mensen dagelijks hard aan mee, maar het is duidelijk dat dit een uitdaging is die we niet vanuit één dienst, en ook niet niet vanuit deze overheid alleen, aankunnen. Daarom is de samenwerking met mijn collega bevoegd voor wonen zo belangrijk, maar evengoed die met onze partners in het middenveld, en met andere overheden. Onlangs was minister Melissa Depraetere nog op bezoek in Gent en konden we lang met haar uitwisselen over de noden op het vlak van sociaal en betaalbaar wonen en van ‘housing first’ initiatieven. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is dat we opnieuw een Vlaamse minister hebben die werkelijk oor heeft naar deze noden.
Nu geef ik graag het woord aan schepen Watteeuw. Hij zal jullie vragen beantwoorden die een link hebben met het woonbeleid.
SCHEPEN WATTEEUW:
Collega’s,
Via het woonbeleid in de Stad kunnen we zorgen voor “Housing First”, een principe dat we in Gent al jaren toepassen. Dit principe gaat uit van het idee dat als je mensen van de straat haalt, je eerst zorgt voor een dak boven hun hoofd, zodat ze vanuit die stabiele situatie hun leven terug op de rails kunnen krijgen. Vanuit het Housing Firstprincipe kunnen erkende ex-daklozen een sociale woning toegewezen krijgen, via een versnelde toewijzing.
Dit werkt, vorig jaar heeft Thuispunt Gent meer dan 107 gezinnen, waarvan 139 volwassenen en 97 kinderen op die manier gehuisvest. Maar er is uiteraard méér nodig, zoals bijvoorbeeld meer robuuste woningen zoals we er nu al elf hebben, voor ex-daklozen die moeilijk functioneren in een sociale woningcomplex.
De meest kwetsbare mensen hebben niet enkel een dak boven hun hoofd nodig, vaak hebben ze ook behoefte aan een vorm van begeleiding of extra zorg, daar had schepen De Bruycker het al over. Verankering is nodig én in het woonbeleid én in het ruimtelijk beleid én in het stadsontwikkelingsbeleid én in het welzijns- en armoedebeleid.
We doen dit al jaren en we zullen dit blijven doen.
Het ROOF-actieplan is goedgekeurd in 2022, sindsdien is de Stad met verenigde krachten aan het werken aan de preventie en het wegwerken van dakloosheid. Er is nog veel werk, maar we werken naarstig verder. Om expliciet op uw vraag te antwoorden, meneer De Meester: we pasten het ROOF-actieplan niet aan, we werken er naarstig aan verder. Sommige acties zijn al uitgevoerd, andere acties zijn lopende en nog andere acties starten in de toekomst. Ik sluit niet uit dat het ROOF-actieplan nog zal worden aangepast.
Het actieplan is trouwens opgemaakt samen met het Gentse middenveld, samen met de mensen die ook deel uitmaken van de Taskforce Wonen en Opvang. Dat platform werd opgericht in 2018 en daaruit zijn heel wat concrete acties gegroeid om dak- en thuisloosheid aan te pakken.
Collega De Bruycker zei het al, maar ook ik engageer me om de banden met het middenveld, met de wooncoalitie nauw aan te halen. Zodat we de zaken in nauw overleg kunnen doen. Zij hebben ongelooflijk veel kennis en expertise. Ik denk erover om de Taskforce Wonen en Opvang nieuw leven in te blazen, maar onder een andere vorm. Hierover later meer.
We ondernemen verschillende acties om dakloosheid te voorkomen.
1. Dé grootste hefboom om dakloosheid te voorkomen én te beëindigen is sociaal wonen. Sociale woningen zijn betaalbaar en zorgen voor maximale woonzekerheid. Het is dé eerste oplossing op voldoende schaal om “Housing First” waar te maken. De capaciteit via sociale woningen moet uitgebreid worden. Als we erin slapen om TPG hun Investeringsmeerjarenplan te laten uitvoeren, hebben we tegen 2027-2028 een grote groei naar meer dan 700 gezinnen die we kunnen huisvesten. Minder mensen op de wachtlijst voor een sociale woning = beste preventie voor dak- en thuisloosheid.
Collega’s, u weet dat er een enorme grote ambitie is om van 11% naar 20% sociale woningen te gaan tegen 2050. Dit zal uiteraard ook een positieve impact hebben op het Housing Firstbeleid.
2. Dak- en thuisloosheid voorkomen, doen we ook door transitwoningen te voorzien. De Stad heeft er momenteel 42. Vorige week nog werd een bijkomend appartement in Nieuwland opgeleverd en binnenkort start de bouw van 9 bijkomende transitwoningen in de A. Braeckmanlaan. Gezinnen kunnen na een acute veiligheidssituatie in hun woning, zoals een brand of instortingsgevaar enkele maanden in een transitwoning verblijven en ondertussen zoeken naar een definitieve oplossing. Zonder transitwoningen zouden deze gezinnen dakloos zijn.
3. Dak- en thuisloosheid voorkomen doen we ook door subsidies te geven aan organisaties die huisvesting aanbieden aan kwetsbare doelgroepen. In 2024 en 2025 zijn er zo acht prachtige projecten gegund. Ik som ze even op:
Dat is óók een vorm van preventie: als wij als Stad subsidies geven aan bijvoorbeeld vzw Nestinvest of Labland om een woning te renoveren om nadien een jongere uit een jeugdinstelling in te huisvesten, zodat hij of zij na het verlaten van de instelling niet op de straat terecht komt, is dat preventie. De voorbije jaren zijn er 31 woningen op die manier opgeleverd.
4. Dak- en thuisloosheid voorkomen, doen we ook door middel van het uitputten van de aanvraag van de Vlaamse huursubsidie: middenveldorganisaties sturen massaal mensen naar de Woonwijzers. Daar worden deze mensen geholpen bij het aanvragen van de huursubsidie, zodat de meest kwetsbaren een tegemoetkoming in hun huurprijs krijgen en zo de stap van niet-wonen naar wonen kunnen zetten. Dat is niet onbelangrijk, veel kwetsbaren weten vaak de weg naar de huursubsidies niet.
Inderdaad, dak- en thuisloze mensen omvatten verschillende profielen, van een alleenstaande jongere tot een alleenstaande vader met kinderen tot een gezin met kinderen tot een oudere met gezondheidsproblemen enzoverder. Je hebt ook mensen die bij vrienden even logeren, omdat ze geen thuis hebben, enzovoort.
De meest recente telling in Gent (2023) is gebeurd in samenwerking met 47 partnerorganisaties, dat wil zeggen dat deze mensen al gekend zijn bij één of meerdere partnerorganisaties. Elk van deze organisaties biedt al hulp op één of meerdere levensdomeinen zoals dagbesteding, psychologische ondersteuning, enzovoort. Permanente huisvesting is de ontbrekende schakel, dat besprak ik al uitgebreid. Om afdoende oplossingen te bewerkstelligen zullen niet enkel lokaal maar ook op Vlaams niveau alle beleidsdomeinen moeten samenwerken. Ik reik dus ook expliciet de hand naar de Vlaamse overheid, want hun steun is essentieel.
wo 16/04/2025 - 17:03Recent kwamen gevallen van grensoverschrijdend gedrag in woonzorgcentra in de media. Er was terecht grote verontwaardiging over ontspoorde WZC-medewerkers die niet tijdig gedetecteerd of ontslagen werden, "rotte appels". Wij kijken graag voorbij die verontwaardiging, die snel weer kan wegebben...
De zorgrelatie die bestaat tussen de professionele zorgverleners in WZC en de bewoners, die hulpbehoevend zijn, is steeds een asymmetrische relatie. Er is een machtsongelijkheid die aanleiding kan geven tot machtsmisbruik. Die asymmetrie kunnen we niet ongedaan maken. Wel kunnen en moeten we toezien op de versterking van patiëntenrechten.
Samengevoegde vragen:
IR1_2025_MV_00266 - Mondelinge vraag van raadslid Jonas Naeyaert: Mishandeling van ouderen in rusthuizen
IR6_2025_MV_00309 - Mondelinge vraag van raadslid Sabena Donkor: grensoverschrijdend gedrag in de woonzorgcentra
IR8_2025_MV_00319 - Mondelinge vraag van raadslid Bert Misplon: Rechtsbescherming bewoners in onze WZC
Bedankt allemaal voor jullie vragen. Het is duidelijk dat dit thema ons allemaal bezighoudt. En terecht: het welzijn van onze bewoners staat steeds voorop.
Ook ik heb zoals jullie, de situatie dus met aandacht opgevolgd in de media. Wat daar is gebeurd is verschrikkelijk. We kunnen en mogen dergelijke vormen van grensoverschrijdend gedrag niet tolereren.
Betekent dat dat er nooit incidenten in onze voorzieningen zijn gebeurd? Neen. Kunnen wij garanderen dat ze in de toekomst nooit zullen voorvallen? Neen, dat kunnen we niet. Dat kan niemand.
Net daarom is het zo belangrijk om een sterk preventief beleid te voeren dat de integriteit waarborgt, en om snelle, correcte procedures te hanteren, die verzekeren dat men correct en meteen handelt wanneer er zich toch een incident voordoet.
Voor ik inga op de vele vragen die jullie stellen moet mij er nog iets van het hart.
Situaties zoals deze zijn (gelukkig) uitzonderingen. De vele mensen die alle dagen het beste van zichzelf geven in de zorg, de vele mensen die in onze woonzorgcentra zorgen voor onze bewoners, zij doen dit met hart en ziel.
We mogen dus niet vergeten dat de overgrote meerderheid van ons zorgpersoneel hun job op de best mogelijk manier doen en bovenal ons respect verdienen. Ik kan me voorstellen dat velen onder hen ook erg geraakt worden, wanneer zij dergelijke feiten moeten vernemen.
Collega’s, het welzijn van onze (vaak kwetsbare) bewoners staat altijd voorop in onze woonzorgcentra. Centraal in onze aanpak staan enerzijds een sterk preventiebeleid en anderzijds een duidelijk handelingskader met goede begeleiding.
We starten steeds vanuit de visie dat een bewoner in een woonzorgcentrum in een afhankelijkheidspositie verkeert tov van de zorgverlener. De relatie tussen bewoner en zorgverlener is een professionele relatie en de zorgverlener moet ten alle tijden de integriteit van de bewoner respecteren.
We hanteren een strikte deontologische code die deze principes concreter maakt en hebben daarnaast ook meer specifiek een agressieprotocol. Dat zijn geen instrumenten die ‘in de schuif blijven liggen’: we gaan hierover met ons personeel regelmatig in gesprek. We brengen het bijvoorbeeld onder de aandacht via vormingen, op samenwerkingsgesprekken en op teamoverleggen. We vinden het belangrijk dat we deze thema’s bespreekbaar houden en systematisch aandacht geven. Op die manier werken we preventief rond het onderwerp.
In onze woonzorgcentra hanteren wij een nultolerantie voor agressie of grensoverschrijdend gedrag. Wanneer er een (vermoeden) van grensoverschrijdend gedrag is, kan de bewoner, een familielid, een medewerker... hier melding van maken via verschillende kanalen. Dit kan aan de leidinggevende, de psycholoog, via Gentinfo, de ombudsdienst... Elke klacht wordt onderzocht.
We betrekken ook steeds de omgeving van de bewoner indien de bewoner dat wenst. Dit gaat over de partner, familie of andere mantelzorgers.
Ook klachten of meldingen van hen nemen we steeds serieus en leiden altijd tot een onderzoek.
De procedure hiervoor is opgenomen in het kwaliteitshandboek van onze WZC’s.
Elke ernstige gebeurtenis wordt ook steeds gemeld aan het Vlaams Departement Zorg.
Over de afgelopen vijf jaar vonden verspreid over onze vijf stedelijke woonzorgcentra in totaal 21 incidenten plaats waarbij sprake was van grensoverschrijdend gedrag. Het ging gelukkig nooit over zo’n zwaarwichtige feiten als deze in Oudenaarde, maar elk incident blijft er een teveel. Zoals gezegd hanteren we een nultolerantie. Aan elk van deze incidenten werd dus gevolg gegeven.
Bij één incident werd een PV opgemaakt en werd de betrokken medewerker preventief geschorst. Het resultaat van het onderzoek bleek echter negatief.
U vraagt ook naar het aantal tuchtprocedures, maar sinds de invoering van het ontslagdecreet, dat statutaire en contractuele medewerkers gelijkstelt, werken we niet meer tuchtprocedures. Wanneer daarvoor aanleiding is, gaan we over op dringend ontslag. De afgelopen vijf jaar hebben we 7 keer een contract om dringende reden stopgezet.
Wij hebben enkel zicht op de concrete cijfers en situaties binnen onze eigen stedelijke woonzorgcentra. Niet-stedelijke voorzieningen dragen zelf de volledige verantwoordelijkheid over hun beleid. Het is de Vlaamse overheid die hen opvolgt door middel van bvb. inspecties.
Ik hoop dat ik via deze antwoorden jullie een beeld heb kunnen geven over onze visie en aanpak binnen de stedelijke woonzorgcentra. We werken vanuit een sterk preventief kader, hebben een nultolerantie voor agressie en grensoverschrijdend gedrag, en gaan meteen over tot actie wanneer er meldingen zijn.
Dat doen we omdat onze bewoners altijd centraal staan. Samen met onze vele gedreven zorgmedewerkers, doen we er alles aan om hun welzijn en integriteit ten alle tijde te waarborgen.
wo 16/04/2025 - 16:27De federale beslissing om de werkloosheidsuitkeringen te beperken tot twee jaar veroorzaakt heel wat deining en ongerustheid, niet in het minst bij de OCMW's. We maken hier nog abstractie van de gevolgen voor de betrokkenen zelf, op die kwestie zullen we later terugkomen.
Minister Crevits liet zich in het Vlaams Parlement alvast erg bezorgd uit over de brede impact van die federale beslissing op de lokale besturen.
De Standaard vroeg schepen De Bruycker naar een reactie, die luidde: We houden rekening met verschillende scenario's.
Op een recente studiedag liet KU Leuven professor Ides Nicaise (van de onderzoeksgroep Sociaal en Economisch Beleid en Maatschappelijke Integratie) zich alvast erg pessimistisch uit over de maatregel en hij gaf aan dat heel wat van de betrokkenen allicht de weg naar het OCMW niet zullen vinden, ook al hebben ze recht op steun.
Dank voor uw vraag naar de impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in tijd op het OCMW. Staat u me toe alvorens op uw vragen antwoord te geven, eerst te benadrukken dat mensen aan het werk krijgen een belangrijk instrument is om de maatschappelijke participatie van mensen te vergroten. Au fond is dat dus een zeer sociale doelstelling en daarom willen wij als stad zeker ons deel doen. Belangrijk is echter wel dat dit op een sociale manier kán gebeuren.
Op dit moment zien wij daarvoor drie belangrijke voorwaarden:
De financiering vanuit het federale niveau
De samenwerking met de VDAB
Het voorzien in extra tewerkstellingsplaatsen in de sociale economie
Scenario’s
Op dit moment is er nog veel onduidelijkheid over de concrete uitvoering van de beslissing om de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd, zowel over de timing en fasering en de precieze omschrijving van de doelgroep, als over hoe de compensatie van 400 miljoen die voorzien is vanuit de federale overheid zal ingezet worden. Toch proberen we nu al samen met de diensten inschattingen te maken en indien mogelijk hierop te anticiperen.
Op basis van onderzoek door o.a. het planbureau en de ULB schatten we in dat een derde van de doelgroep een beroep zal doen op leefloon. We schatten in dat dit over een stijging van een 1000-tal mensen in het leefloon zal gaan, met een eerste grote golf bij de invoering en daarna een kleinere maandelijkse instroom. Mogelijk kloppen meer mensen eerst aan bij het OCMW voor vraagverheldering of ondersteuning bij het uitputten van rechten, ook als er geen leefloon kan toegekend worden.
Om adequate begeleiding te voorzien hebben we voldoende capaciteit nodig in de welzijnsbureaus (onthaal, maatschappelijk werk, administratief medewerkers en hoofdmaatschappelijk werkers) en bij Dienst Activering en Werk (activering op maat). Het is hierbij essentieel om de dossierlast te bewaken, zodat maatschappelijk werkers hulpverlening (sociaal onderzoek, rechtenuitputting, opmaak GPMI, activeringsbegeleiding,…) op een correcte manier kunnen blijven uitvoeren en de draagkracht behouden om in die hulpverlening te blijven bouwen aan maximale zelfredzaamheid voor alle cliënten.
Dus we proberen diverse scenario’s vorm te geven op basis van mogelijke risico’s en oplossingen om hierover het gesprek te voeren met federale en Vlaamse overheid.
Financiële impact
De financiële impact voor Gent kan namelijk zeer groot zijn. Hoe groot zal afhangen van de financiering die we ontvangen en de wijze waarop deze wordt toegekend. Het leefloon wordt momenteel voor Gent maar voor 70% gesubsidieerd, het eerste jaar in begeleiding krijgen we een toeslag voor de opmaak van het GPMI van 10%. Er is sprake van een bijkomende toelage, al dan niet gekoppeld aan het succesvol activeren van de doelgroep, maar het is nog onduidelijk hoe dit precies ingezet zal worden. Bovendien moeten we rekening houden dat deze groep die al langdurig werkloos is, reeds diverse vormen van ondersteuning op vlak van activering aangeboden kreeg. Die targets moeten dus wel op een realistische manier ingeschat worden.
Naast de vraag hoe de federale middelen zullen ingezet worden, gaan wij ook het gesprek aan met Vlaanderen. Deze groep mensen wordt tot nu toe begeleid door de VDAB, maar die activeringsopdracht komt nu bij de OCMW’s terecht. Het is dan ook cruciaal dat de middelen voorzien voor deze begeleiding nu door de lokale besturen kunnen ingezet worden. Naast de middelen vragen we ook naar gedeeld gebruik van de tools van de VDAB.
We lobbyen bij Federale en Vlaamse betrokken ministers, door rechtstreeks in dialoog te gaan, deel te nemen aan overleg door VVSG en input te bezorgen aan o.a. de federatie van maatschappelijk werkers om dit verder te voeden.
Personeel
De extra cliënten zullen een extra personeelsinzet vragen. Hoewel we er momenteel in slagen om voldoende mensen aan te trekken voor onze vacatures, geven de cijfers over het aantal studenten in de afstudeerrichtingen naar maatschappelijk werk en de vele openstaande vacatures in andere gemeenten aan dat we deze versnelling van inzet niet zomaar kunnen bolwerken.
We werken in Gent al met proactieve aanwervingen, waarbij we anticiperen op de groei en het natuurlijk verloop binnen de organisatie. Het is essentieel dat we de bijkomende maatschappelijk werkers al kunnen aanwerven en opleiden vóór de start van de maatregel. Ook een gefaseerde uitvoering zou ademruimte kunnen geven om op vlak van personeel langzaam te groeien. Ook goede afspraken over data uitwisseling kunnen helpen om de hulpverlening sneller te laten opstarten.
Non-take up
We zetten in Gent sterk in op nabijheid van de hulpverlening, door een decentrale werking, aanwezigheid op vindplaatsen, werkingen als Kinderen Eerst, het Geïntegreerd Breed Onthaal, vorming en SPOC telefoon voor partners, aanwezigheid van onze maatschappelijk werkers in projecten als het Jobteam en Gent Knapt op... Zo zetten we op heel veel manieren in op onderbescherming en rechtenuitputting. We hebben dan ook procentueel gezien een grote take-up van het leefloon in vergelijking met andere centrumsteden.
Als de plannen verder concreet worden, willen we dan ook met zowel de RVA als VDAB bekijken hoe potentieel gerechtigden goed geïnformeerd kunnen worden over het leefloon en de rol van het OCMW, en ook de mogelijkheden op vlak van data uitwisseling bekijken waardoor we niet van vooraf aan starten in hulpverlening en begeleiding op vlak van activering.
wo 16/04/2025 - 17:11In de Abeelstraat bevinden zich een aantal lockers voor dakloze mensen, die daar hun bezittingen veilig in kunnen wegbergen. De dienst outreachend werk staat in voor de opvolging van de lockers. In 2023 werden een aantal lockers al verwijderd na herhaaldelijke klachten vanwege buurtbewoners over aanhoudende overlast in de nabijheid van de lockers. De buurt kent immers al meer dan genoeg overlast als onderdeel van de prostitutieproblematiek in de Zuidbuurt. Ook de verplaatsing van de overblijvende lockers werd in het vooruitzicht gesteld. Onze fractie stelde hier eerder ook al vragen over.
Ondertussen zijn de lockers er nog steeds. Bewoners melden dat de overlast (continu/langdurig rondhangen, wildplassen en -poepen, openlijk druggebruik, openen poort en niet respecteren uren) die de lockers aantrekt evenmin geweken is. Bovendien blijkt een verantwoordelijke van de dienst outreachend werk niet altijd bereikbaar, in weerwil van eerdere afspraken. Mensen vragen zich af wanneer het stadsbestuur nu eindelijk zijn belofte zal uitvoeren om de lockers te verplaatsen. Dat dakloze mensen toegang hebben tot lockers is op zich prima, maar ermee gerelateerde overlast voor buurtbewoners moet absoluut vermeden worden.
Collega Rysermans, bedankt voor uw vraag.
De Zuidbuurt is een buurt die al overlast kent en ik begrijp dat de feiten waarnaar u verwijst daarbovenop voor bewoners absoluut niet door de beugel kunnen. De overlast waarnaar u verwijst werd ons eerder ook al door één buurtbewoner gesignaleerd.
Ik ben, collega, oprecht tevreden dat u het bestaan van de lockers an sich niet in vraag stelt; voor een dakloze zijn deze immers veel waard, één van de weinige houvasten die zij hebben in hun dagdagelijkse overleven. Maar daar gaan we het nu niet verder over hebben.
Wat uw vragen betreft.
Op uw eerste vraag - of ik bekend ben met de situatie, hoe de overlast zal aangepakt worden: zoals ik daarnet reeds aangaf, werden de klachten die u opnoemt mijn kabinet half maart gesignaleerd, ik ben dus bekend met de feiten. Mijn diensten hebben de overlastmelder vorige week persoonlijk via mail geantwoord. Dat had inderdaad sneller gemoeten, ik moet dat samen met u vaststellen. We kregen eerder al van dezelfde bewoner vragen en opmerkingen over de plek in de Abeelstraat, waar Dienst Outreachend Werk voorheen zijn werkplek had; door herorganisatie binnen de dienst outreachend werk (de toenmalige verantwoordelijke voor de lockers heeft de dienst ondertussen verlaten) werd dat mailverkeer toen niet beantwoord, en dat kan ik samen met u alleen maar betreuren. Ondertussen is er wel opnieuw binnen DOW iemand verantwoordelijk voor toezicht op en onderhoud van en nabij de lockers.
Wat de verdere aanpak vanuit DOW betreft, de dienst hanteert een min of meer vast stramien wanneer overlast gesignaleerd wordt. Ik maak daarbij een onderscheid tussen overlast op vlak van afval en overlast op vlak van een individu die zorgt voor overlast.
Wat afval betreft: bij afval wordt dit dezelfde dag opgeruimd. (op enkele uitzonderingen na zoals grote stukken, … ). Er wordt een mail gestuurd naar alle toeleiders van de lockergebruikers op die locatie met de boodschap hun cliënten aan te spreken. Het is ook de verantwoordelijkheid van deze toeleider om dit aan te kaarten en te bespreken met hun cliënten alsook te duiden op het reglement. Dat reglement verbiedt bijvoorbeeld bederflijke, ontvlambare en illegale spullen op te bergen in de locker, laat staan om dat naast de locker te plaatsen.
Dan wat betreft overlast door individuen: we gaan na in welke locker het probleem zich situeert, om te achterhalen wie de overlast veroorzaakt. Indien deze gekend is, wordt de toeleider op de hoogte gebracht en volgt een gesprek met het beheer. Er worden afspraken gemaakt en wanneer deze niet worden nageleefd, stopt de lockerperiode of is er time- out.
Indien de oorzaak van de overlast niet gekend is, kan er een klacht bij de politie worden ingediend (en/of wordt Ivago op de hoogte gebracht van het sluikstorten). Omdat deze aanpak op de locatie waarover we het hier hebben, in de Abeelstraat, niet voldoende is, kan en zal DOW zich extra inspannen.
Ik geef meteen ook mee dat op andere locaties geen meldingen van overlast binnenkomen. We openden bijvoorbeeld in november 2024 een nieuwe locatie aan de Fietsambassade Station Gent- Sint- Pieters. We hebben net de eerste evaluatie achter de rug en ook daar is geen enkele klacht rond de lockers binnengekomen.
Wel werd er door regelmatige controle van de locaties tijdens de Gentse Feesten in 2024 opgemerkt dat een lockergebruiker afval verzamelde . Dit werd direct verwijderd en er vond die week nog een gesprek plaats met de lockergebruiker en zijn toeleider.
Maar terug naar de huidige klachten in de Abeelstraat, waar nu Nucleo gehuisvest is. Zoals je weet is Nucleo de organisatie die ruimtes en infrastructuur vrijwaart voor kunstenaars, in samenwerking met de stad en gebouweigenaars. Ik zei dus dat DOW zich extra inspant:
Dan heeft u een tweede vraag, namelijk wanneer de lockers verwijderd zullen worden.
In het voorjaar van 2024 werden 6 lockers in de Abeelstraat niet meer in gebruik genomen om zo overlast te verminderen. We zijn nu in overleg om de resterende 12 lockers te verhuizen naar een andere locatie.
Het klopt dat de diensten er in 2023 van uit gingen dat de lockers dan zouden weggaan; op dat moment was het de bedoeling dat het gebouw niet langer in beheer van de stad zou zijn. Toen werden de kapotte lockers ook verwijderd.
Op heden is het gebouw wel nog steeds in beheer van de stad, vandaar dat er nog een aantal lockers onder het afdak staan en ook nog in gebruik zijn volgens de geldende regels.
We zijn momenteel in overleg met Facility Management voor een verhuis van deze lockers naar een andere locatie, maar daarvoor dient op de andere potentiële site de infrastructuur wat aangepast te worden. FM is de haalbaarheid hiervan momenteel volop aan het onderzoeken.
Ik voeg eraan toe dat de verhuis om evidente reden enkel kan gebeuren als de lockers leeg zijn; de lockers worden een paar keer per jaar geleegd, en dus zal de verhuis in bovengenoemd scenario ofwel in juni ofwel in september gebeuren.
Er is nog geen overleg ingepland met de nieuwe buurt: daarvoor willen we concreet weten wanneer de lockers er op die plek zullen komen.
Collega Rysermans, in afwachting van dit alles engageer ik me dat DOW de lockers in de Abeelstraat wekelijks zal controleren. En uiteraard kan de buurt steeds de politie bellen om melding te maken wanner het gedrag van de man in kwestie niet door de beugel kan. Want laat me duidelijk zijn, de situatie die de buurtbewoner ons gemeld heeft kunnen we als stad niet dulden, of de man in kwestie al dan niet een gebruiker van de lockers is, maakt in dat opzicht niet veel uit.
Wat ik wel weet, collega, is dat de DOW zich ondertussen dag en nacht zal blijven inzetten voor de mensen aan de zelfkant van onze Gentse samenleving.
Ik nodig u dan ook uit samen met mij op 26 april aanwezig te zijn op de eerstkomende wandeling georganiseerd door onze straathoekwerkers, ze nemen de geïnteresseerde Gentenaars mee om en rond het Muinkpark en laten een wereld horen en zien die velen van ons niet kennen.
wo 16/04/2025 - 10:09Op 27 maart werd het resultaat van de nieuwe Vlaamse dak- en thuislozentelling gepresenteerd, uitgevoerd door KULeuven: meer dan 20.000 mensen verkeren in dak- en thuisloosheid, waaronder bijna 6.000 kinderen. Zowat de helft is jonger dan 25 jaar. Dat zijn schrijnende cijfers. Daarin zijn de cijfers meegenomen van de laatste telling in Gent, in oktober 2023: 2.490 dak- en thuisloze personen.
Van 2 tot 4 april werd aan het Gentse stadhuis actie gevoerd door de Gentse Wooncoalitie, een samenwerking tussen Gentse middenveldorganisaties en burgerinitiatieven. Onder het motto 'recht op betaalbaar wonen' reageerde de Wooncoalitie op de Vlaamse cijfers over dak- en thuislozen en tevens op de recente uitspraak van het Europees Comité van Sociale Rechten (ECSR) omtrent de Woonzaak. Het ECSR zegt scherp waar het Vlaamse woonbeleid faalt: te weinig sociale huisvesting, geen afdoende maatregelen om huisvesting betaalbaar te houden voor kwetsbare groepen, en te weinig mechanismen om de kwaliteit van goedkope huurwoningen te handhaven.
We hebben een woonbeleid nodig dat de meest kwetsbaren beter beschermt. Want we weten dat het probleem van dak- en thuisloosheid verder gaat dan enkel onderdak. Het heeft ernstige gevolgen voor de stabiliteit van gezinnen en de toegang tot onderwijs en werk, en het versterkt sociale uitsluiting.
Deze vraag werd samen beantwoord met IR 7 (Tom De Meester), schepenen De Bruycker en Watteeuw antwoordden samen:
SCHEPEN DE BRUYCKER
Dag collega’s,
Ik dank Tom De Meester en Fourat Ben Chikha voor de uiterst belangrijke en heel actuele vragen. Schepen Watteeuw en ik zullen jullie vragen samen beantwoorden. Wij werken namelijk samen keihard aan een van de belangrijkste thema’s in onze stad: het bestrijden van dak- en thuisloosheid.
Geen enkel kind, geen enkele volwassene zou dakloos mogen zijn. Niet voor één nacht en al zeker niet voor lange tijd. Een dak boven je hoofd is de uitvalsbasis voor het leven. Het is een plek om tot rust te komen, een plek om je kinderen te laten studeren, een plek van waaruit je – uitgerust en gezond – naar het werk kan vertrekken. Het is de basis van alles. Zonder een goede woning staat je leven op pauze.
In onze stad hebben zo’n 2.500 mensen geen structureel dak boven het hoofd. Dat zijn er 2.500 te veel. Daarvan zijn er 600 kinderen. Zij zijn thuisloos. Dat betekent dat ze niet op straat leven, maar ook geen vaste woonst hebben. Dat is verschrikkelijk. Dat zijn kinderen die op de dool zijn, in zware omstandigheden leven en geen veilige, herkenbare thuis hebben bij een ouder, een mama of papa.
Dat zijn cijfers die snijden, die mij diep raken. Maar het zijn ook wel cijfers die we, hoe pijnlijk ze ook zijn, moeten kénnen. Wij voeren beleid dat gestoeld is op kennis, dat niet op los zand staat. Gent is de eerste stad die al twéé dak- en thuislozentellingen liet uitvoeren. Eén in 2020 en één in 2023. We hebben dus al een goed zicht op de grootte-orde van het probleem. In het rapport dat het onderzoeksteam van LUCAS KU Leuven vorige maand publiceerde, zijn die twee tellingen opgenomen. U vroeg naar mijn reactie op dat Vlaamse rapport, collega Ben Chikha.
De cijfers van Gent kende ik uiteraard al. Het gaat om de tellingen uit 2020 en 2023. Maar het is vreselijk om te lezen dat dak- en thuisloosheid zo een wijdverspreid fenomeen is. Het blijft niet beperkt tot de grootsteden. Het blijft niet beperkt tot Gent.
Ik vind het een goede zaak dat dit alles op zo een deskundige, wetenschappelijke manier in kaart wordt gebracht, door de experten van KU Leuven. Maar er zijn nog heel wat blinde vlekken. Veel lokale besturen lieten nog geen énkele telling uitvoeren. Ik hoop dat zij dat ook zullen doen. En dat ze, net zoals wij, de tellingen herhaaldelijk laten uitvoeren.
Die tellingen tonen niet enkel de omvang van het probleem , maar ze geven ons ook een zicht op de mensen achter de cijfers. Dat is belangrijk, want daarop kunnen we ons beleid afstemmen. Mensen die voor een korte periode thuisloos zijn, bijvoorbeeld, en die geen grote nood hebben aan omkadering of zorg, kunnen we toeleiden naar een sociale woning. Andere mensen hebben meer omkadering nodig. Ze hebben bijvoorbeeld een psychische kwetsbaarheid en kunnen wat hulp en structuur gebruiken, na een langere periode op straat. Dit is een doelgroep die we dan bijvoorbeeld eerder in de Robuuste Woningen zien. Dit is hoe de dienst woonbegeleiding te werk gaat: doelgroepspecifiek. Als mensen een woning vinden, worden ze begeleid of gecoacht, afhankelijk van hun nood. Zo zorgen we ervoor dat die mensen goed kunnen blijven wonen en geen huurachterstal opbouwen. Het is de beste preventie voor dak- en thuisloosheid. Dit is meteen ook een antwoord op een vraag van mijnheer Ben Chikha. U stelt terecht dat er een grote diversiteit is onder dak- en thuisloze personen. En u vraagt hoe wij maatwerk kunnen bieden, in het woonbeleid en in het sociaal beleid. Bij deze: ik ben mij erg bewust van die diversiteit en onze diensten bieden dan ook werk op maat.
Twee weken geleden was er een actie van het middenveld. Een actie die ik heel erg waardeer. Ik ben dan ook gaan luisteren en gaan spreken met de actievoerders. Samen met mijn collega’s uit het college. Ik begrijp hun boodschap. Ik heb de woordvoerders van de Gentse wooncoalitie vorige week ook nog apart ontvangen en een heel goed gesprek met hen gehad. We begrijpen elkaar, we hebben dezelfde doelstelling voor ogen en slaan de handen in elkaar. Dat is meteen ook al een antwoord op een van uw vragen, meneer De Meester. Ik heb gevraagd om een structureel overleg met de Wooncoalitie – met verschillende vertegenwoordigers van het middenveld. Structureel overleg met het middenveld is niet nieuw. We hebben jaren geleden een Taskforce Wonen en Opvang opgericht. Ook die banden haal ik sterk aan. Schepen Watteeuw vertelt er u straks meer over
Collega De Meester, uw eerste vier vragen en de laatste vraag, gaan over de impact van de besparingen op het beleid rond dak- en thuisloosheid of over nieuw beleid. Ik denk dat u weet dat de gesprekken over de besparingen volop gaande zijn en dat er niemand van het college nu kan ingaan op de inhoud van het meerjarenplan. Ik zal dat dus ook niet doen. Dat zou op z’n minst weinig collegiaal zijn.
Maar ik kan u wel garanderen dat onze inzet in tussentijd onverminderd verder gaat.
We zetten sterk in op preventie. Ik vertelde al over de wooncoaches en woonbegeleiders die ervoor zorgen dat het woontraject van kwetsbare Gentenaars zo goed mogelijk verloopt. Zij bieden steun op alle vlakken die aan wonen raken. Zo kunnen we huurachterstal en andere problemen voorkomen en dus ook uithuiszettingen vermijden. We onderzoeken ook een aanklampende aanpak om met bewoners en huiseigenaars in gesprek te gaan. Voor Gentenaars die dakloos zijn, zetten we in op een huisvestingsgerichte aanpak. Zoals ik al zei: het beste antwoord op dakloosheid is wonen. De Baai biedt al jarenlang duurzame huisvesting aan 32 voormalig dak- en thuisloze personen. Een jaar geleden zijn ook de Robuuste Woningen open gegaan. 11 voormalige dakloze personen vinden hier een duurzaam dak. Wij zorgen vanuit het OCMW voor begeleiding voor de bewoners. Bij Thuispunt Gent gebeurt er een versnelde toewijzing van mensen die dak- en thuisloos zijn. De komende jaren zal het patrimonium van Thuispunt aangroeien en zullen we dus ook meer dak- en thuislozen kunnen toewijzen en hen een kwalitatief dak bieden.
Zoals ik al zei primeert wonen. Maar helaas hebben we ook opvang nodig. Om die opvang goed te organiseren, zullen we de nachtopvang dit jaar nog evalueren. Meten is weten, net zoals bij de tellingen waar ik het eerder over had. Begin volgend jaar kunnen we, indien nodig, ons beleid rond de nachtopvang bijsturen. En tot slot zijn er ook nog verschillende mogelijkheden voor tijdelijk wonen. We hebben het instapwonen, de herstelopvang in het Leeuwenhof, opvang en oriëntatie in het Leeuwenhof, het project Leegstand, waarbij leegstaande sociale woningen tijdelijk verhuurd worden, en dan nog opvang en oriëntatie in Huis 4B en de Blekerij. Maar, ik herhaal nog eens, wij willen mensen een vaste plek te geven, een gezonde plek, waar men tot rust kan komen, goed kan eten, zich veilig voelen, waar kinderen zich kunnen ontplooien, enzovoort.
Ik heb bij deze een antwoord gegeven op de vragen die aan mij gericht waren. Op de vragen over de meerjarenplanning kom ik graag op een gepast moment terug. Ik besef heel goed hoe groot de uitdaging is. We zijn er volop mee bezig.
Nu geef ik graag het woord aan schepen Watteeuw. Hij zal jullie vragen beantwoorden die een link hebben met het woonbeleid.
SCHEPEN WATTEEUW
Collega’s,
Via het woonbeleid in de Stad kunnen we zorgen voor “Housing First”, een principe dat we in Gent al jaren toepassen. Dit principe gaat uit van het idee dat als je mensen van de straat haalt, je eerst zorgt voor een dak boven hun hoofd, zodat ze vanuit die stabiele situatie hun leven terug op de rails kunnen krijgen. Vanuit het Housing Firstprincipe kunnen erkende ex-daklozen een sociale woning toegewezen krijgen, via een versnelde toewijzing.
Dit werkt, vorig jaar heeft Thuispunt Gent meer dan 107 gezinnen, waarvan 139 volwassenen en 97 kinderen op die manier gehuisvest. Maar er is uiteraard méér nodig, zoals bijvoorbeeld meer robuuste woningen zoals we er nu al elf hebben, voor ex-daklozen die moeilijk functioneren in een sociale woningcomplex.
De meest kwetsbare mensen hebben niet enkel een dak boven hun hoofd nodig, vaak hebben ze ook behoefte aan een vorm van begeleiding of extra zorg, daar had schepen De Bruycker het al over. Verankering is nodig én in het woonbeleid én in het ruimtelijk beleid én in het stadsontwikkelingsbeleid én in het welzijns- en armoedebeleid.
We doen dit al jaren en we zullen dit blijven doen.
Het ROOF-actieplan is goedgekeurd in 2022, sindsdien is de Stad met verenigde krachten aan het werken aan de preventie en het wegwerken van dakloosheid. Er is nog veel werk, maar we werken naarstig verder. Om expliciet op uw vraag te antwoorden, meneer De Meester: we pasten het ROOF-actieplan niet aan, we werken er naarstig aan verder. Sommige acties zijn al uitgevoerd, andere acties zijn lopende en nog andere acties starten in de toekomst. Ik sluit niet uit dat het ROOF-actieplan nog zal worden aangepast.
Het actieplan is trouwens opgemaakt samen met het Gentse middenveld, samen met de mensen die ook deel uitmaken van de Taskforce Wonen en Opvang. Dat platform werd opgericht in 2018 en daaruit zijn heel wat concrete acties gegroeid om dak- en thuisloosheid aan te pakken.
Collega De Bruycker zei het al, maar ook ik engageer me om de banden met het middenveld, met de wooncoalitie nauw aan te halen. Zodat we de zaken in nauw overleg kunnen doen. Zij hebben ongelooflijk veel kennis en expertise. Ik denk erover om de Taskforce Wonen en Opvang nieuw leven in te blazen, maar onder een andere vorm. Hierover later meer.
We ondernemen verschillende acties om dakloosheid te voorkomen.
1. Dé grootste hefboom om dakloosheid te voorkomen én te beëindigen is sociaal wonen. Sociale woningen zijn betaalbaar en zorgen voor maximale woonzekerheid. Het is dé eerste oplossing op voldoende schaal om “Housing First” waar te maken. De capaciteit via sociale woningen moet uitgebreid worden. Als we erin slapen om TPG hun Investeringsmeerjarenplan te laten uitvoeren, hebben we tegen 2027-2028 een grote groei naar meer dan 700 gezinnen die we kunnen huisvesten. Minder mensen op de wachtlijst voor een sociale woning = beste preventie voor dak- en thuisloosheid.
Collega’s, u weet dat er een enorme grote ambitie is om van 11% naar 20% sociale woningen te gaan tegen 2050. Dit zal uiteraard ook een positieve impact hebben op het Housing Firstbeleid.
2. Dak- en thuisloosheid voorkomen, doen we ook door transitwoningen te voorzien. De Stad heeft er momenteel 42. Vorige week nog werd een bijkomend appartement in Nieuwland opgeleverd en binnenkort start de bouw van 9 bijkomende transitwoningen in de A. Braeckmanlaan. Gezinnen kunnen na een acute veiligheidssituatie in hun woning, zoals een brand of instortingsgevaar enkele maanden in een transitwoning verblijven en ondertussen zoeken naar een definitieve oplossing. Zonder transitwoningen zouden deze gezinnen dakloos zijn.
3. Dak- en thuisloosheid voorkomen doen we ook door subsidies te geven aan organisaties die huisvesting aanbieden aan kwetsbare doelgroepen. In 2024 en 2025 zijn er zo acht prachtige projecten gegund. Ik som ze even op:
Dat is óók een vorm van preventie: als wij als Stad subsidies geven aan bijvoorbeeld vzw Nestinvest of Labland om een woning te renoveren om nadien een jongere uit een jeugdinstelling in te huisvesten, zodat hij of zij na het verlaten van de instelling niet op de straat terecht komt, is dat preventie. De voorbije jaren zijn er 31 woningen op die manier opgeleverd.
4. Dak- en thuisloosheid voorkomen, doen we ook door middel van het uitputten van de aanvraag van de Vlaamse huursubsidie: middenveldorganisaties sturen massaal mensen naar de Woonwijzers. Daar worden deze mensen geholpen bij het aanvragen van de huursubsidie, zodat de meest kwetsbaren een tegemoetkoming in hun huurprijs krijgen en zo de stap van niet-wonen naar wonen kunnen zetten. Dat is niet onbelangrijk, veel kwetsbaren weten vaak de weg naar de huursubsidies niet.
Inderdaad, dak- en thuisloze mensen omvatten verschillende profielen, van een alleenstaande jongere tot een alleenstaande vader met kinderen tot een gezin met kinderen tot een oudere met gezondheidsproblemen enzoverder. Je hebt ook mensen die bij vrienden even logeren, omdat ze geen thuis hebben, enzovoort.
De meest recente telling in Gent (2023) is gebeurd in samenwerking met 47 partnerorganisaties, dat wil zeggen dat deze mensen al gekend zijn bij één of meerdere partnerorganisaties. Elk van deze organisaties biedt al hulp op één of meerdere levensdomeinen zoals dagbesteding, psychologische ondersteuning, enzovoort. Permanente huisvesting is de ontbrekende schakel, dat besprak ik al uitgebreid. Om afdoende oplossingen te bewerkstelligen zullen niet enkel lokaal maar ook op Vlaams niveau alle beleidsdomeinen moeten samenwerken. Ik reik dus ook expliciet de hand naar de Vlaamse overheid, want hun steun is essentieel.
wo 16/04/2025 - 14:16Graag wil ik de geplande toekenning van subsidies aan TEJO vzw toejuichen. Het bestuur heeft geluisterd naar de oppositie en is teruggekomen op haar stappen.
Wanneer het goed is, mag dat ook eens gezegd worden. De subsidies kan men gebruiken om een tweede halftijdse coördinator aan te stellen, dit is geen overbodige luxe.
Hiermee is de kous natuurlijk niet af. Deze middelen geven de kans om 2025 te overbruggen.
Het is niet makkelijk om geld te vinden in een besparingslegislatuur en daarom heb ik volgende vraag aan de schepen:
-Hoe ziet de schepen de toekomst van vzw TEJO na 2025?
-Kan vzw TEJO na 2025 weer aanspraak maken op subsidies van de Stad?
-Wat is de stand van zaken van het overleg met bovenlokale overheden om bij te dragen aan de werking van vzw TEJO en andere soortgelijke organisaties?
Een goede gezondheid is goud waard. Het is wat we elkaar bij het begin van het nieuwe jaar toewensen en terecht. Een goede fysieke gezondheid staat niet los van mentale gezondheid. En hier wringt het schoentje. 'Je goed in je vel voelen' is vandaag een grotere uitdaging dan ooit tevoren.
Steeds meer kinderen en jongeren zijn mentaal kwetsbaar. Dat weten we omdat we de krant niet kunnen openslaan zonder alweer zorgwekkende cijfers en signalen te lezen. Maar jongeren trekken ook zelf aan de alarmbel. Vorig jaar bracht de scholierenkoepel de onthutsende resultaten mee van een eigen onderzoek. 1 op 3 jongeren werd ooit gepest. 30% kan zichzelf niet zijn op school. Het zijn jongeren die zich het vaakste eenzaam voelen. En zo kan ik nog wel even verder gaan.
Het is vanuit die zorg dat we als stad sterk inzetten op de mentale veerkracht van jongeren. Preventief, door gevoeligheid bij opvoedingsactoren te versterken, maar ook wanneer de nood zich stelt. Daarvoor is het nodig dat we als stad voorzien in plekken waar jongeren durven en kunnen aankloppen.
De impact van het wegvallen van de federale middelen op TEJO is groot. De precaire financiële situatie van TEJO betekende dat zij op korte termijn ongeveer de helft van de rechtstreekse psychologische hulp die de organisatie biedt aan kwetsbare jongeren zou moeten schrappen. Gezien de maatschappelijke nood is dit onaanvaardbaar.
Daarom besliste het college om alsnog tijdelijk tussen te komen met een subsidie van 30.000 EUR.
En inderdaad, beste collega, deze noodsubsidie biedt slechts zekerheid tot het einde van dit jaar. Ik begrijp dan ook uw vraag naar een duurzamer toekomstperspectief voor de werking. U weet echter net zo goed als ik, en ik hoor mijn collega schepen Bram zichzelf regelmatig herhalen, dat wij op dit moment nog geen uitspraken kunnen doen over nieuw beleid. Ook ik zal geen voorafname doen op deze beslissingen. De budgetoefening en opmaak van het meerjarenplan zijn volop gaande. Ik vraag dan ook om uw geduld.
Hoe onduidelijk de toekomst voorlopig nog is, een blik op de voorbije bestuursperiode toont dat we steeds sterk hebben ingezet op dit belangrijk thema. De afgelopen legislatuur investeerden we 475 duizend euro per jaar extra in gasten die vandaag jong zijn en morgen de toekomst maken. We zijn hier als stad dus altijd ambitieus en ernstig in geweest en we willen deze ambitie niet loslaten.
We kunnen deze grote uitdaging niet alleen aan. Tot op heden hebben onze signalen aan het bovenlokale niveau nog geen resultaat gebracht. We blijven in gesprek met de Vlaamse en de federale overheid om meer structurele steun te verkrijgen voor werkingen die het mentaal welzijn van jongeren bevorderen.
wo 16/04/2025 - 17:13Recent maakte Vlaanderen geld vrij voor extra kinderopvang. Deze financiële steun kan de stad goed gebruiken, maar daarmee is het probleem zeker niet van de baan. Tevens wordt het kleuterlabel afgeschaft en vervangen door een lokale erkenning van (opvang)aanbod. Daarover hebben wij nog een paar vragen.
-Kan de schepen toelichting geven over hoe deze lokale erkenning concreet zal verlopen?
-Welke partners komen in aanmerking voor lokale erkenning?
-Hoe worden de gesprekken met de partners concreet aangepakt?
-Welke actoren wil de schepen betrekken in dit samenwerkingsverband en welke rol speelt elke actor daarin?
Beste raadsleden Donkor en Van Laecke, bedankt voor uw vragen over BOA en de concrete uitwerking ervan in onze stad.
Graag schets ik kort nog even waar BOA over gaat. BOA staat voor Buitenschoolse Opvang en Activiteiten.
Het kader en de grote lijnen zijn uitgetekend op Vlaams niveau in het BOA-decreet. De concrete invulling gebeurt op lokaal niveau. De bedoeling is om vanaf 2026 te komen tot een geïntegreerd en toegankelijk aanbod van buitenschoolse activiteiten voor alle kinderen. Het gaat zowel over aanbod op schooldagen als tijdens de vakantie.
Het BOA decreet bepaalt dat de regie over de buitenschoolse opvang en activiteiten vanaf 2026 bij het lokaal bestuur komen te liggen. Alleen… voor de concrete uitwerking wachten we nog altijd op de officiële uitvoeringsbesluiten van Vlaanderen. Dat maakt het allemaal nog wat onzeker.
Dat maakt, beste raadsleden, dat ik nog geen antwoord kan geven op alle concrete vragen, maar ik bezorg u alvast de beschikbare procesinformatie.
Ten eerste: het budget. Hoeveel Vlaamse centen komen naar Gent voor BOA.
We hebben sinds een paar weken zicht op de weliswaar voorlopige cijfers die Vlaanderen aan Gent toekent. Die zijn officieel meegedeeld in de nieuwsbrief van Agentschap Opgroeien.
Belangrijk om nog mee te geven:
eind februari laatstleden kondigde Opgroeien aan dat de lokale besturen (naast hun regierol) ook verantwoordelijk worden voor de erkenning, de opvolging én de handhaving van het aanbod. Dat betekent dus nog meer taken en verantwoordelijkheden voor de stad, en uiteraard ook meer nood aan middelen om dat allemaal goed te kunnen waarmaken.
De vorige Vlaamse regering voorzag 110 miljoen euro voor BOA; deze regering voorzag daarbovenop een extra 80 miljoen euro. Maar volgens berekeningen van VVSG is er 300 miljoen euro nodig om de opvangdoelstellingen van het decreet te realiseren. 110 plus 80 is 190, dus we zijn er nog niet. Samenvattend kunnen we zeggen: alle verantwoordelijkheid komt bij de lokale besturen te liggen, zonder voldoende middelen van Vlaanderen.
Daarnaast vroeg u, raadslid Donkor, naar de verdeling van de middelen over alle partners.
De Dienst Kinderopvang en de Jeugddienst, die de regie in handen nemen, zijn momenteel volop bezig met het uitwerken van concrete kaders. Dit doen ze op basis van een stevige voorbereiding. Er zijn vier belangrijke bronnen waarop ze zich baseren:
Het is de bedoeling om de voorlopige kaders voor de zomer te bespreken met vertegenwoordigers uit het BOA-veld (denk aan scholen, vrijetijdsaanbieders en stadsdiensten) om hun feedback te verzamelen. Zo zorgen we voor een breed gedragen verhaal, met ruimte voor inspraak en bijsturing. Daarna volgt de verwerking en komen de voorstellen naar de gemeenteraad.
Dan, de proefprojecten vormen een belangrijke pijler voor de verdere uitrol van BOA.
De proefprojecten zijn gestart als voorbereiding op de uitrol van het decreet en bevatten heel diverse en waardevolle experimenten – zowel voor kinderen, gezinnen, als voor de partners in het veld.
Het zijn 4 lopende proefprojecten, gekozen in consensus door het Samenwerkingsverband:
Raadslid Donkor, U vraagt concreet of de proefprojecten geëvalueerd worden. Ik kan dat bevestigen.
Deze proefprojecten worden nu al grondig opgevolgd:
Er zijn 2 evaluaties voorzien:
Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om aan te kondigen dat we beslist hebben om deze proefprojecten met een schooljaar te verlengen – tot juni 2026. Normaalgezien zouden ze aflopen in juni 2025. Aangezien BOA nu officieel ten vroegste kan starten op 1 januari 2026, zorgen we er met deze verlenging voor dat er geen onderbreking is. We hebben meteen ook verlengd voor de looptijd van een schooljaar. Zo zorgen we voor continuïteit en kunnen we de opgebouwde kwaliteit echt verankeren.
Zoals ik daarnet zei, spelen verschillende partners een belangrijke rol in de verdere voorbereiding van BOA. Raadslid Van Laecke, u stelt hierover een aantal concrete vragen.
U vraagt welke actoren betrokken zijn en hoe gesprekken met partners verlopen. De verschillende sectoren worden actief betrokken via gesprekken en via het samenwerkingsverband. Het BOA Samenwerkingsverband – dat trouwens decretaal verplicht is - werd in Gent al opgericht in 2021, in navolging van de eerste deel van het BOA-decreet dat toen in werking trad. Het is het structureel overlegplatform van en voor alle betrokkenen bij buitenschoolse activiteiten van kleuters en lagereschoolkinderen in onze stad.
Het samenwerkingsverband is samengesteld uit een brede vertegenwoordiging van aanbieders, gebruikers en toeleiders van opvang en activiteiten.
Als stad nemen we hierin het initiatief en organiseren we het samenwerkingsverband. Voor de samenstelling verwijs ik graag naar het raadsbesluit van juni 2021 daarover.
Raadslid Donkor, U vraagt naar de volgende stappen in de uitrol van het BOA-decreet. Ook de vragen van collega Van Laecke rond lokale erkenning knopen daarbij aan.
Zoals daarnet gezegd ligt de focus dit jaar vooral op het uittekenen van de spelregels: we werken aan een lokaal erkennings- en subsidiekader, in overleg met alle BOA-actoren. Dat gebeurt door onze BOA-regisseur, in overleg met heel wat partners: vb. onderwijspartners, organisatoren van buitenschoolse opvang en activiteiten, de jeugddienst en Brede School. Ook Agentschap Opgroeien biedt hier ondersteuning aan.
Raadslid Van Laecke, U vraagt welke partners in aanmerking komen voor de lokale erkenning. Daar kan ik eenvoudig op antwoorden; dat zijn de aanbieders van buitenschoolse opvang en activiteiten die een aanvraag indienen en voldoen aan de voorwaarden beschreven in het nog te bepalen erkenningskader, waar we dus volop mee bezig zijn.
Wat de concrete timing betreft: We wachten nog op de goedkeuring van de aanpassingen aan het BOA-decreet op het Vlaamse niveau. Daarin zal onder andere staan wat de opdracht van het lokale bestuur precies wordt rond die erkenning, en welke voorwaarden Vlaanderen oplegt. Pas daarna kan het erkenningskader definitief vastgelegd worden.
In Gent houden we de volgende timing aan: voor de zomer wordt het erkenningskader besproken met het BOA samenwerkingsverband, zoals al gezegd. Daarna werken we het verder uit en leggen we het voor aan het schepencollege en de gemeenteraad. Dat moet ervoor zorgen dat we tegen 2026 klaar zijn om op een doordachte en gedragen manier van start te gaan. Vanaf dan rollen we het BOA-decreet stap voor stap uit in Gent, met als doel om in 2031 volledig op kruissnelheid te zijn – mét extra aandacht voor toegankelijkheid en voor kinderen met specifieke noden.
wo 16/04/2025 - 11:13Vlaams minister van Welzijn Caroline Gennez maakt geld vrij om 225 plaatsen in de kinderopvang in Gent bij te maken en dat is goed nieuws. De grote uitdaging is echter om voldoende personeel te vinden voor de kinderopvang.
Welke concrete stappen onderneemt de stad Gent om het personeelstekort in de kinderopvang aan te pakken?
Zijn er plannen om het beroep van kinderbegeleider aantrekkelijker te maken?
Welke plannen zijn er om niet-beroepsactieven toe te leiden tot de job van kinderbegeleider?
Komt er een wervingscampagne om dit beroep ook bij jongeren bekender en aantrekkelijker te maken ?
Hoe kunnen we jongeren motiveren om de opleiding kinderverzorg(st)er te volgen ?
Beste Raadsleden Deene en Baert,
hartelijk dank voor jullie belangrijke vragen.
Collega Deene, u vraagt of het klopt dat ouders in onze stedelijke kinderdagverblijven soms de vraag krijgen om hun kind vroeger op te halen. En of dat zomaar kan.
Ik begrijp heel goed waar die bezorgdheid vandaan komt. Het klopt inderdaad dat er in sommige situaties tijdelijk een verminderde dienstverlening is – en dat ouders dan gevraagd wordt om hun kind vroeger op te halen.
De reden daarvoor is helaas gekend: de sector kampt Vlaanderen-breed met een nijpend personeelstekort. De arbeidsmarkt is enorm krap, er stromen te weinig nieuwe kinderbegeleiders in en vervangingen vinden is moeilijk. Tegelijk vallen medewerkers ook vaker langdurig uit door ziekte. En wanneer mensen maar kort afwezig zijn – minder dan een maand bijvoorbeeld – mogen we ze volgens de regels vaak niet vervangen.
Dat alles zorgt ervoor dat de kind-begeleiderverhouding op sommige momenten onder druk komt te staan. Die verhouding is niet zomaar een richtlijn, die is opgelegd door Vlaanderen. De Dienst Kinderopvang is dus decretaal verplicht om voldoende personeel aanwezig te hebben per aantal aanwezige kinderen.
Als we daar niet aan geraken, moeten we – met pijn in het hart – overschakelen op een alternatieve personeelsplanning. Als dat ook niet volstaat, dan pas stappen we over naar verminderde dienstverlening. Ik geef graag mee dat dit enkel gebeurt wanneer het echt niet anders kan.
Ik weet dat het voor ouders bijzonder moeilijk is als ze op het laatste moment iets moeten regelen. Daarom proberen we dat soort situaties zo veel mogelijk te vermijden. Maar tegelijk wil ik ook benadrukken: onze prioriteit blijft altijd een veilige, warme en kwaliteitsvolle opvang. En dat kan alleen als er voldoende begeleiders zijn.
De dienst kinderopvang probeert de last ook eerlijk te verdelen. Zo wordt erop toegezien dat niet telkens dezelfde ouders getroffen worden. Respijtdagen worden niet meegerekend, en waar mogelijk bieden we noodoplossingen aan.
De Dienst Kinderopvang heeft trouwens al een heel aantal acties opgestart om het personeelstekort aan te pakken – daar kom ik straks graag nog even op terug, gezien jullie vragen. Maar zolang de sector kampt met structurele onderbezetting – en dat is in heel Vlaanderen het geval – kunnen we dit probleem jammer genoeg niet altijd vermijden.
Dus ja, beste Raadslid Deene, ik ben hiervan op de hoogte. En nee, het gebeurt niet zomaar. Het is een laatste redmiddel, dat we enkel inzetten wanneer het écht nodig is om onze opvang veilig en kwaliteitsvol te houden – in het belang van de kinderen én van het personeel dat wel aan het werk is.
Ouders mogen erop rekenen dat we er alles aan doen om onze openingsuren aan te houden en onze werkingen draaiende te houden. Maar als het op bepaalde momenten toch niet lukt, dan is dat enkel omdat we binnen de wettelijke normen moeten blijven én de veiligheid van de kinderen altijd willen garanderen.
Onze dienst Kinderopvang zoekt natuurlijk proactief naar oplossingen om het personeelstekort en ook de verminderde dienstverlening aan te pakken. Ze neemt heel wat structurele acties zowel om ervoor te zorgen dat er nieuw personeel bijkomt, als om te vermijden dat huidige medewerkers uitvallen of de dienst verlaten.
Raadslid Deene, u vraagt ook hoe we deze situatie zullen verhelpen. Die vraag overlapt met de vraag van collega Baert over de stappen die de stad onderneemt om personeelstekort in de kinderopvang aan te pakken.
Ik geef graag een paar concrete voorbeelden van wat de stad allemaal doet:
Kortom: we zetten volop in op creativiteit én samenwerking om het tekort zo goed mogelijk op te vangen.
En daarin zijn we ook pionier:
Vanaf volgende week gaan deze 2 mensen heel lokaal aan de slag om nog meer drempels te verlagen en mensen warm te maken voor een job in onze kinderopvang. Ze organiseren bijvoorbeeld infosessies of inleefmomenten in een kinderdagverblijf. Kandidaten zonder gepast diploma kunnen kosteloos starten met een opleiding en krijgen begeleiding. Ze kunnen onmiddellijk starten in een crèche als Ondersteuner en worden op de vloer begeleid naar de juiste diploma om nadien te werken als volwaardig kinderbegeleider. We beginnen dit pilootproject -in nauwe en gewaardeerde samenwerking met de VDAB- in de Brugse Poort. Na een evaluatie in de zomer, willen we daarna kijken of we kunnen uitrollen naar meer wijken. We gaan dus letterlijk op zoek naar kandidaten en zetten de deuren van onze opvang zo wijd mogelijk open voor nieuw talent.
Daarmee komen we ook bij de vraag van collega Baert, naar de plannen om het beroep van kinderbegeleider aantrekkelijker te maken.
Het beroep van kinderbegeleider is ongelooflijk waardevol, deze mensen staan mee aan de wieg van de ontwikkeling van onze kinderen. Tegelijk weten we dat het de job helaas niet altijd de waardering krijgt die het verdient. Het is een echte uitdaging om voldoende mensen te vinden én te houden in deze sector.
Er zijn veel randvoorwaarden om het beroep aantrekkelijker te maken, maar die hebben we als stad niet steeds zelf in handen. De bal ligt vooral in het kamp van Vlaanderen, dat wijst ook recent onderzoek van de OESO en de EU uit; de recepten voor een aantrekkelijke en kwalitatieve sector zitten vooral verankerd in Vlaamse regelgeving.
Los daarvan nemen ook wij onze verantwoordelijkheid op en zetten we actief in op het aantrekkelijker maken van het beroep van kinderbegeleider.
Maar er is een grens aan wat we als lokaal bestuur kunnen doen. Veel van de structurele hefbomen liggen op Vlaams niveau.
Kortom, beste raadslid Baert, Wij doen als stad wat we kunnen – en méér – maar de toekomst van het beroep kinderbegeleider ligt voor een groot stuk in handen van de Vlaamse Regering.
Wat uw vraag rond de toeleiding van niet-beroepsactieven betreft: Uiteraard zijn we ook actief bezig met het aantrekken van nieuwe mensen die vandaag nog niet actief zijn op de arbeidsmarkt. Sinds 2018 heeft Dienst Kinderopvang permanent minimum één project lopen dat onderzoekt hoe deze doelgroep kan bereikt en toegeleid kan worden naar de sector kinderopvang. Dienst Kinderopvang was hierdoor in Vlaanderen één van de eerste werkgevers die innoveert om deze doelgroep te activeren.
We hebben bijvoorbeeld een mentorenproject dat niet-beroepsactieven begeleidt naar een kwalificatie als kinderbegeleider. Twee mentoren begeleiden op dit moment zo’n 16 toekomstige kinderbegeleiders bij de Dienst Kinderopvang en een 10-tal toekomstige kinderbegeleiders bij de zelfstandige kinderdagverblijven.
Ook is er een nauwe samenwerking met de VDAB waarbij wijkwerkers van de job van kinderbegeleider kunnen proeven in afwachting van een opleiding.
Daarnaast werkt DIKO ook nauw samen met AMAL dat zich specifiek richt op de doelgroep van nog niet-beroepsactieve inburgeraars. Een doelgroep met veel potentieel. In afwachting van hun diploma homologatie (wat een lang proces is) kunnen mensen als vrijwilliger meedraaien in onze kinderdagverblijven. Ook zijn er nauwe verbindingen met de dienst activering en werk met een focus op mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt.
We zetten ook sterk in op zij-instroom en zijn hiervoor regelmatig een bron van inspiratie. Onze locaties staan open voor stagiairs uit alle mogelijke opleidingsvormen: duaal leren, CVO, secundair kinderzorg… Maar ook voor vrijwilligers, artikel 60-tewerkstellingen en wijkwerkers. Wie nog geen diploma heeft, kan bij ons als ondersteuner starten en via een mentortraject groeien naar een erkend attest via EVC (Elders Verworven Competenties). Zo geven we mensen met ervaring de kans om hun talenten te verzilveren.
U vraagt ook naar wervingscampagnes, collega Baert: natuurlijk proberen we jongeren warm te maken voor dit mooie beroep. We hebben vorig jaar een frisse wervingscampagne gelanceerd, met een filmpje en nieuwe slogans zoals ‘Geef jij het volgende lepeltje?’ of ‘Bedenk jij het volgende spelletje?’. Die campagne liep op verschillende mediakanalen online, maar ook in het straatbeeld. Ik hoop dat u de doeken van deze campagne al heeft zien hangen nabij een kinderdagverblijf bij u in de buurt.
U vraagt ook hoe we jongeren motiveren om kinderbegeleider te worden. Dat doen we o.a. via de zorgberoepenrally. Zo bereiken we ook leerlingen uit het secundair – vanaf het vierde middelbaar – om hen te laten proeven van wat werken in de kinderopvang echt betekent.
Daarnaast werken de Dienst Kinderopvang en het Onderwijscentrum Gent in het project ‘Matchmakers’ samen met de Gentse opleiders om de samenwerking tussen scholen en het werkveld te versterken. Door opleidingen af te stemmen op de dagelijkse realiteit worden drempels tussen onderwijs en arbeidsmarkt weggewerkt en wordt de inhoud van de opleiding beter afgestemd op de uitdagingen van het werkveld.
Collega Baert, U verwijst, terecht , ook naar het masterplan van minister Gennez dat vorige week werd aangekondigd. Dat plan bevat ook maatregelen om personeel aan te trekken, bijvoorbeeld via versterking van de zij-instroom.
Ik vind dit zeker een stap in de juiste richting en ik hoop van harte dat het op het terrein snel voelbaar wordt. Maar laat ons duidelijk zijn: als we het beroep van kinderbegeleider écht aantrekkelijk willen maken en écht willen valoriseren, dan moeten ook de loon- en arbeidsvoorwaarden dringend verbeterd worden. Dat blijft een fundamenteel pijnpunt. Zolang mensen in deze cruciale zorgfunctie niet eerlijk en waardig verloond worden, blijft het moeilijk om voldoende instroom en retentie te realiseren. Ik reken er dan ook op dat ook daar snel Vlaams werk van wordt gemaakt.
In Gent blijven wij ondertussen niet bij de pakken zitten. We zetten in op begeleiding, op maatwerk én op samenwerking met de sector. Want goede kinderopvang begint bij sterke kinderbegeleiders – en die verdienen alle kansen, loon naar werken én respect.
wo 16/04/2025 - 10:54