Terug
Gepubliceerd op 13/06/2025

2025_CBS_05296 - OMV_2024159031 - aanvraag omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande melding met een tijdelijke bemaling voor de bouw van een ondergrondse constructie - zonder openbaar onderzoek - Harelbekestraat en Ottergemsesteenweg, 9000 Gent - Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 12/06/2025 - 08:32 College Raadzaal
Datum beslissing: do 12/06/2025 - 10:27
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter; Hafsa El-Bazioui, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Sofie Bracke, schepen; Evita Willaert, schepen; Joris Vandenbroucke, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Burak Nalli, schepen; Filip Watteeuw, schepen; Christophe Peeters, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur

Secretaris

Mieke Hullebroeck, algemeen directeur

Voorzitter

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter
2025_CBS_05296 - OMV_2024159031 - aanvraag omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande melding met een tijdelijke bemaling voor de bouw van een ondergrondse constructie - zonder openbaar onderzoek - Harelbekestraat en Ottergemsesteenweg, 9000 Gent - Vergunning 2025_CBS_05296 - OMV_2024159031 - aanvraag omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande melding met een tijdelijke bemaling voor de bouw van een ondergrondse constructie - zonder openbaar onderzoek - Harelbekestraat en Ottergemsesteenweg, 9000 Gent - Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

ALGEMENE ONDERNEMINGEN ROBERT WYCKAERT NV met als contactadres Ottergemsesteenweg 415, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024159031) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 6 januari 2025.

 

De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het uitbreiden van een bestaande melding met een tijdelijke bemaling voor de bouw van een ondergrondse constructie

• Adres: Harelbekestraat 70 en Ottergemsesteenweg 460, 9000 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 8 sectie H nrs. 466B en 477N

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 22 april 2025.

De aanvraag volgde de vereenvoudigde procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 27 mei 2025.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

Het betreft een aanvraag voor een tijdelijke bemaling in functie van de bouw van een ondergrondse constructie.

 

Uit de bemalingsstudie blijkt dat er een mogelijkheid is dat het grondwater bezoedeld is met PFAS. Daartoe dient het water eventueel gezuiverd te worden alvorens het kan geloosd worden. Of er al dan niet een mobiele zuiveringsinstallatie wordt geplaatst is afhankelijk van de resultaten van de grondwateranalyse bij de opstart van de werf. Omdat er geen duidelijkheid is hierover wordt zowel rubriek 3.4.2° als rubriek 3.6.3.2° aangevraagd.

 

De vergunningsaanvraag omvat een uitbreiding van de goedgekeurde melding OMV_2024138657 het exploiteren van een werf (renovatiewerken home Boudewijn). De rubrieken en voorwaarden uit de melding worden overgenomen in de vergunning.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 16,5 m³/uur bemalingswater | klasse 2 | Nieuw

16,5 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Lozen van 16,5 m²/uur bemalingswater na zuivering. | klasse 2 | Nieuw

16,5 m³/uur

53.2.2°a)

bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt debiet van minder dan 30 000 m³/jaar en de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld | Bemalen van 20.234 m³/jaar bemalingswater per jaar. | klasse 3 | Nieuw

20234 m³/jaar

 

Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:

17.1.2.1.1° | Opslag van 400 l gas in verplaatsbare recipiënten. | 400 liter

17.3.2.1.1.1°b) | Opslag van 2,56 ton mazout, hetzij 3200l in een twee bovengrondse dubbelwandige Vlarem gekeurde houder, hetzij een tank van 2100l en één van 1100l | 2,56 ton

17.4. | Opslag van 1692,8kg als gevaarlijk geklasseerde producten in verpakkingen van maximaal 30l/30kg. | 1692,8 liter

61.2.1° | Tijdelijke opslag van 1500 m³ grond voor later hergebruik op de site | 1500 m³

 

Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Artikel: 4.2.5.1. Vlarem II

Omschrijving: Subafdeling 4.2.5.1. Controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur op lozing van afvalwater

Motivatie: Er wordt een afwijking gevraagd voor de aanleg van een controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur daar het een tijdelijke inrichting betreft van maximaal 90 dagen in werking

Voorstel: Mogelijkheid tot nemen van stalen aan uitlaat bemaling/zuivering en het voorzien van een debietmeter op de bemalingskring zelf.

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn relevant:

 

Omgevingsvergunningen

* Op 19/10/2023 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een onderwijsinstelling (sh+iioa): de renovatie van Home Boudewijn, het slopen van bijgebouwen, het aanpassen van de omgevingsaanleg en het bouwen van een nieuwe fietsenstalling. (OMV_2022165545)

* Op 31/10/2024 werd een aktename afgeleverd voor het exploiteren van een werf (renovatiewerken home boudewijn). (OMV_2024138657)

 

 

BEOORDELING AANVRAAG

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

 

Voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 14 mei 2025.
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 22 mei 2025.

 

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

1.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.

1.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

1.3.   Verordeningen

Algemeen Bouwreglement

In de aanvraag worden geen stedenbouwkundige handelingen aangevraagd. Er wordt dus aangenomen dat de aanvraag zich situeert binnen de afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen. Er mogen geen stedenbouwkundige handelingen gebeuren zonder vergunning.

 

5.       WATERPARAGRAAF

 

1. Ligging project

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).

- niet gelegen in een signaalgebied.

 

2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Droogte

De bemaling betreft een ingedeelde activiteit. De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De bemaling moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verdroging zal voorkomen worden.

 

Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

Overstromingen

De werf is niet gelegen in een overstromingsgebied. Er wordt ingeschat dat het project geen betekenisvolle impact heeft op het overstromingsrisico.

Ernstiger overstromingen dan in het verleden zijn echter niet uit te sluiten en er kan geen sluitende garantie gegeven worden dat er zich geen bijkomende wateroverlast zal voordoen.

 

Waterkwaliteit

De lozing van het grondwater is een ingedeelde activiteit. De impact op de waterkwaliteit wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

Er wordt op de werf bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

3. Conclusie

Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van maatregelen de watertoets doorstaat.

 

6.       NATUURTOETS

De bijkomende stikstofemissies komen enkel vrij door verkeer of stationaire bronnen tijdens de aanlegfase. Het Stikstofdecreet is niet van toepassing. 

 

Het (verontreinigd) bemalingswater wordt (al dan niet via een kleine zuiveringsinstallatie) geloosd in een gemengde riolering aangesloten op een RWZI (zie Omgevingstoets).

Er bevinden zich in de onmiddellijke omgeving (> 3,8 km) van het project geen Habitat-of Vogelrichtlijngebieden en VEN/IVONgebieden.

 

In de nabije omgeving van de bemaling bevinden zich verschillende bomen. Het droogtrekken van de ruimere omgeving kan levensbedreigend zijn voor deze bomen. Daarom wordt in de vergunning volgende voorwaarde opgenomen: Voor de periode tussen 15 maart en 15 oktober geldt dat bij droogte die 10 dagen aanhoudt (neerslagstation Vinderhoute – zie www.waterinfo.be), bevloeiing/infiltratie dient voorzien te worden waar nodig. Hiervoor dienen voorafgaandelijke afspraken gemaakt te worden met de Groendienst via groendienst@stad.gent of European Tree Worker/boomexpert. De bemaling wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 maart. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Hieruit wordt besloten dat de aanvraag (mits voorwaarden) de natuurtoets doorstaat.

 

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag valt onder het toepassingsgebied van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening en heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij dit besluit. Dit wil zeggen dat er voor voorliggend project een project-m.e.r.-screening moet opgemaakt worden.

Een project-m.e.r.-screeningsnota is toegevoegd aan de vergunningsaanvraag. Na onderzoek van de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de mogelijke milieueffecten, wordt geoordeeld dat geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden, zoals ook uit de project-m.e.r.-screeningsnota blijkt. Er kan redelijkerwijze aangenomen worden dat een nieuw project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten, zodat de opmaak ervan dan ook niet noodzakelijk is.

 

8.       BEKENDMAKING

De aanvraag volgt de vereenvoudigde procedure en moest dus niet aan een openbaar onderzoek worden onderworpen.

 

9.       OMGEVINGSTOETS

 

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
 

Afval

De door de werf voortgebrachte afvalstoffen worden volgens Vlarema (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. Vlarema stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Bodem en grondwater

Voor de aanleg van septische putten, hemelwaterput en vluchttrap dienen bemalingswerken uitgevoerd te worden.

Er werd een bemalingsstudie uitgevoerd door ABO (maart 2025).

De bronbemaling moet voldoen aan onderafdeling 5.53.6.1 van Vlarem II en uitgevoerd worden volgens de richtlijnen bemalingen ter bescherming van het milieu (VMM, 2019).

 

Voor de septische putten dient het grondwater verlaagd te worden tot 4,25 meter onder het maaiveld. Voor de hemelwaterput tot 4,48 meter onder het maaiveld en voor de vluchttrap tot 4,08 meter onder het maaiveld.

De hoogste grondwaterstand die gemeten werd bedraagt 1,2 meter onder het maaiveld.

In de studie wordt er van uit gegaan dat de bemalingen van de verschillende zones gelijktijdig zullen uitgevoerd worden (worst case).

Het initieel uurdebiet zal circa 16,50 m³ bedragen. Het stationair debiet circa 8,95 m³/uur. Het totaal volume grondwater dat maximaal zal opgepompt worden, is 20234 m³. De bemalingswerken zullen 90 dagen in beslag nemen. De invloedstraal wordt ingeschat op 276 meter.

 

Bemalingscascade (info: https://www.vmm.be/water/grondwater/bemaling)

In eerste instantie dient er zo weinig mogelijk grondwater opgepompt te worden (beperken duur, peilgestuurd, waterremmende constructies). Het grondwater dat onttrokken wordt dient zoveel mogelijk terug in de grond gebracht worden buiten de onttrekkingszone (retourbemaling, herinfiltratie). Voor het netto debiet dat overblijft dient onderzocht of nuttig hergebruik mogelijk is.

Indien dit niet mogelijk is of aangewezen mag het grondwater geloosd worden op oppervlaktewater of in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater. In laatste instantie mag het bemalingswater in de riolering geloosd worden.

 

Stap 1 beperken en retourneren

Een bemalingspomp mag enkel geplaatst worden door een boorbedrijf dat erkend is conform het VLAREL van 19 november 2010 voor de discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), 1), van het voormelde besluit. Om het beperken van de tijdsduur te garanderen bezorgt het erkend boorbedrijf uiterlijk de derde werkdag nadat een bemalingspomp is geplaatst, van elke debietmeter die bedoeld is voor de registratie van het opgepompte en terug in de ondergrond gebrachte debiet, de volgende informatie via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen:

-  het merk en serienummer

-  het tijdstip van plaatsing en de tellerstand op het moment van de plaatsing

Bij het ontmantelen van de bemalingsinstallatie, bezorgt het erkende boorbedrijf uiterlijk de derde werkdag na de ontmanteling: het tijdstip van de ontmanteling en de tellerstand op het moment van de ontmanteling via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.

Praktische richtlijnen over hoe de gevraagde informatie moet worden doorgegeven, zijn te vinden op https://dov.vlaanderen.be/richtlijnen-actieve-bemalingen

Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Om het debiet en de invloed van de bemaling zoveel mogelijk te beperken, wordt in de bijzondere voorwaarden een peilsturing van de bemaling opgenomen.

Elke bemalingspomp dient gestuurd op het grondwaterpeil in de peilbuis in een pompput of op het grondwaterpeil in aparte peilputten. De noodzakelijke verlaging wordt per bouwfase bepaald. De regeling van de peilsturing dient bijgesteld in functie van de vordering van de bouwwerken.

 

Gezien de verontreinigingsproblematiek (zie verder) wordt geen retourbemaling of infiltratie opgelegd.

 

Stap 2 hergebruik

Gezien de verontreinigingsproblematiek (zie verder) is hergebruik van het grondwater niet aangewezen.

 

Stap 3 lozen op waterloop

Op ongeveer 190m van dit kruispunt ligt een RWA-leiding in de Corneel Heymanslaan, deze is echter verderop aangesloten op een gemengde riolering met aansluiting op RWZI Gent. Op ongeveer 300m van bovenstaand kruispunt ligt een RWA-leiding in de Ottergemsesteenweg die aangesloten is op de niet geklasseerde waterloop Ottergemse beek. De afstand bedraagt >200m, conform Vlarem II hoeft de lozing van de bemaling (om technische redenen) niet aangesloten te worden op deze leiding.

 

Stap 4 lozen in riolering (gemengd)

Het bemalingswater wordt in de gemengde riolering geloosd. Het lozingsdebiet bedraagt meer dan 10 m³/uur. Conform Vlarem II moet de exploitant een schriftelijke toelating vragen aan Aquafin nv via:

https://www.aquafin.be/nl-be/partners-en-bedrijven-water-lozen/lozen-van-bemalingswater. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

De lozingen van het onttrokken grondwater dienen 14 dagen voorafgaand aan de lozing te worden gemeld aan de exploitant van de openbare riolering, zijnde Farys, via www.farys.be/melden-van-bemaling. Met het oog op een goede werking van de openbare riolering wordt dit als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

Wateroverlast

De lozing van het opgepompte grondwater mag conform Vlarem II geen wateroverlast voor derden veroorzaken.

 

Zettingen

De exploitant dient alle voorzorgen te nemen om schade aan onroerende goederen binnen de invloedstraal van een grondwaterwinning te vermijden (bv. zettingen). Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

Verontreiniging

Er werden twee peilbuizen geplaatst op het terrein tijdens de uitvoering van de sonderingen op 27 november 2023 (PB01 en PB02). Het grondwater op de projectlocatie thv PB01 werd onderzocht op het standaardanalysepakket (SAP) en de PFAS parameters. 

Er werd een overschrijding vastgesteld voor: 

- PFBA: 56 ng/l t.o.v. de rapportagegrens voor afvalwater van 20 ng/l.

 

Het bemalingsproject situeert zich niet binnen een zone met gedefinieerde “no regret maatregelen”. Op ca 185m van de bemalingszone ligt een PFAS no regret zone. 

In de bemalingsstudie wordt vermeld:

Om het risico op aanwezigheid van PFAS in het grondwater na te gaan werd de PFAS-verkenner van DOV geraadpleegd op 05/11/2024. De PFAS no regret-zone ‘terrein van het UZ Gent’ met een straal van 500 m rond peilbuis PB2211 (vastgesteld in het oriënterend bodemonderzoek uit 2024) bevindt zich binnen de invloedstraal van de bemaling. De no regret zone werd niet nauwkeurig afgeperkt in het beschrijvend bodemonderzoek. Er worden op de projectsite verhoogde concentraties voor PFBA vastgesteld. Er wordt verondersteld dat het om dezelfde verontreiniging gaat.

Er worden verhoogde lozingsnormen aangevraagd en voorzien in het plaatsen van een zuiveringsinstallatie (zie verder aspect afvalwater).

 

Op basis van het Geoloket van OVAM zijn er binnen de invloedstraal van de bemaling meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. In verschillende dossiers werden verhoogde concentraties aan arseen, nikkel en/of zink vastgesteld.

Uit de achtergrondwaardenkaart van OVAM blijkt dat:

- De achtergrondconcentratie van arseen 5 tot 10 µg/l bedraagt; 

- De achtergrondconcentratie van nikkel 5 tot 10 µg/l bedraagt

- De achtergrondconcentratie van zink 0 tot 50 µg/l bedraagt ter hoogte van de projectlocatie. 

Op basis van de achtergrondwaardenkaart van arseen kan besloten worden dat het indelingscriterium van arseen mogelijks overschreden wordt. 

Op basis van de achtergrondwaardenkaarten kan niet besloten worden dat de indelingscriteria van nikkel en zink overschreden worden. Echter, gezien het voorkomen van verhoogde concentraties van deze parameters in alle gescreende bodemonderzoeken, wordt er toch verhoogde lozingsnormen aangevraagd voor arseen, nikkel en zink (zie verder aspect afvalwater).

 

Uit de bemalingsstudie blijkt dat er geen relevante verplaatsing van de aanwezige verontreinigingen wordt verwacht.

 

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.

Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Afvalwater (conform het advies van VMM)

 

Lozingssituatie

De exploitant vraagt een lozing aan van bemalingswater in de gemengde riolering ter hoogte van het  kruispunt Harelbekestraat/Armand Heinsstraat. Deze riolering is aangesloten op de openbare RWZI Gent. De lozing op de gemengde riolering wordt aanvaardbaar geacht (zie aspect bodem en grondwater – bemalingscascade).

 

Kwaliteit

Als gevolg van de verontreinigingsproblematiek (zie hoger) worden volgende bijzondere voorwaarden opgenomen:

Bijzondere lozingsnormen voor

- As: 50 µg/l

- Ni: 300 µg/l

- Zn: 2000 µg/l

- PFBA: 100 ng/l

- Overige PFAS i: rapportagegrens 

De kwaliteit van het bemalingswater dient geanalyseerd voor het lozingspunt (na schoonpompen van de bemalingsinstallatie) of op voorhand in een representatieve peilbuis max. 3 jaar voor de opstart van de bemaling en bij elke bemalingsfase. De te analyseren parameters zijn minstens As, Ni, Zn en de kwantificeerbare PFAS-componenten opgenomen in het WAC_IV_A_025.

De bemaling mag pas in gebruik genomen worden als de analyseresultaten beschikbaar zijn en getoetst werden aan de geldende normen.

Indien het bemalingswater concentraties bevat hoger dan de geldende lozingsnormen dient het bemalingswater gezuiverd te worden alvorens te lozen.

Na toetsing van de analyseresultaten en eventuele mobilisatie van een waterzuiveringsinstallatie kan de bemaling opnieuw opgestart worden.

De verdere monitoring van het opgepompte bemalingswater gebeurt aan volgende frequentie:

-bij concentraties hoger dan 80 % van de norm: analyse in de eerste maand wekelijks en

vervolgens maandelijks tot het einde van de bemaling of tot wanneer de recentste analyse

zonder zuivering maximaal 80 % van de norm bedraagt.

-bij concentraties lager dan 80 % van de norm: geen herhaling noodzakelijk.

Volumes groter dan 10 m³ per uur mogen enkel geloosd worden in een openbare riolering aangesloten op een RWZI mits de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van deze installatie (zie ook aspect bodem en grondwater).

 

Er wordt een bijstelling gevraagd voor de aanleg van een controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur (artikel 4.2.5.1 van Vlarem II) daar het een tijdelijke inrichting betreft van maximaal 90 dagen in werking. Er wordt voorzien in een mogelijkheid tot nemen van stalen aan uitlaat bemaling/zuivering en het voorzien van een debietmeter op de bemalingskring zelf. De werkwijze kan aanvaard worden. Het gaat hier echter niet om een noodzakelijke bijstelling van een voorwaarde uit Vlarem. Maar de praktisch toepassing van afdeling 5.53.3 van Vlarem II. De bijstelling wordt zonder voorwerp verklaard.

Voor de volledigheid/ter verduidelijking wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen dat het volume en de kwaliteit van het geloosde bemalingswater dienen gecontroleerd met een meetmethode conform afdeling 5.53.3 en onderafdeling 5.53.6.1 en 5.53.6.1/1 van Vlarem II.

 

Geluid

De bemalingspompen zullen continu in werking zijn. Alle mogelijke en noodzakelijke maatregelen (plaatsing, type, omkasting pomp,…) moeten genomen worden opdat geluidshinder minimaal zou zijn. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Fauna en flora

In de nabije omgeving van de bemaling bevinden zich verschillende bomen. Het droogtrekken van de ruimere omgeving kan levensbedreigend zijn voor deze bomen.

Voor de periode tussen 15 maart en 15 oktober geldt dat bij droogte die 10 dagen aanhoudt (neerslagstation Vinderhoute – zie www.waterinfo.be), bevloeiing/infiltratie dient voorzien te worden waar nodig. Hiervoor dienen voorafgaandelijke afspraken gemaakt te worden met de Groendienst via groendienst@stad.gent of European Tree Worker/boomexpert. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

De bemaling wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 maart. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Brandveiligheid

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen op de werf, dient te allen tijde te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer (zie advies met ref. 046082-016/NVDV/2025). Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 16,5 m³/uur bemalingswater | Nieuw

16,5 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Lozen van 16,5 m²/uur bemalingswater na zuivering. | Nieuw

16,5 m³/uur

53.2.2°a)

bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt debiet van minder dan 30 000 m³/jaar en de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld | Bemalen van 20 234 m³/jaar bemalingswater per jaar | Nieuw

20234 m³/jaar

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20241006-0006) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 16,5 m³/uur bemalingswater | klasse 2

16,5 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Lozen van 16,5 m²/uur bemalingswater na zuivering. | vlarebo : A | klasse 2

16,5 m³/uur

17.1.2.1.1°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1 000 liter | Opslag van 400 l gas in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3

400 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van 2,56 ton mazout, hetzij 3 200l in een twee bovengrondse dubbelwandige Vlarem gekeurde houder, hetzij een tank van 2 100l en één van 1 100l | klasse 3

2,56 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van 1 692,8kg als gevaarlijk geklasseerde producten in verpakkingen van maximaal 30l/30kg. | klasse 3

1692,8 liter

53.2.2°a)

Bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt debiet van minder dan 30 000 m³/jaar en de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld | Bemalen van 20 234 m³/jaar bemalingswater per jaar. | klasse 3

20234 m³/jaar

61.2.1°

tussentijdse opslagplaatsen voor uitgegraven bodem die langer dan 1 jaar in exploitatie zullen zijn met een capaciteit van 1 000 m³ tot en met 10 000 m³ | Tijdelijke opslag van 1.500 m³ grond voor later hergebruik op de site | klasse 3

1500 m³

 

TERMIJN

De gevraagde vergunning voor de tijdelijke bemalingswerken (rubriek 3.4.2°, 3.6.3.2°, 53.2.2°a)) wordt verleend voor een termijn van 1 jaar. De termijn begint te lopen vanaf de datum van opstart bemalingswerken. Deze datum dient gemeld te worden conform de bijzondere voorwaarde.

 

De bepalingen uit het Omgevingsvergunningsdecreet - hoofdstuk 8, afdeling 1 blijven onverminderd van kracht.

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande melding met een tijdelijke bemaling voor de bouw van een ondergrondse constructie aan ALGEMENE ONDERNEMINGEN ROBERT WYCKAERT nv (O.N.:0428661806) gelegen te Harelbekestraat 70 en Ottergemsesteenweg 460, 9000 Gent.

 

De rubrieken voor de inrichting/activiteit Harelbekestraat 70 met inrichtingsnummer 20241006-0006 beslist het college als volgt:

 

Vergunde rubrieken:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 16,5 m³/uur bemalingswater | Nieuw

16,5 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Lozen van 16,5 m²/uur bemalingswater na zuivering. | Nieuw

16,5 m³/uur

53.2.2°a)

gelegen in een ander gebied dan de gebieden vermeld in punt 1 met een netto opgepompt debiet van: de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld, en | bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt debiet van minder dan 30 000 m³/jaar en de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld | Bemalen van 20.234 m³/jaar bemalingswater per jaar | Nieuw

20234 m³/jaar

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20241006-0006) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 16,5 m³/uur bemalingswater | klasse 2

16,5 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Lozen van 16,5 m²/uur bemalingswater na zuivering. | vlarebo : A | klasse 2

16,5 m³/uur

17.1.2.1.1°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1000 liter | Opslag van 400 l gas in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3

400 liter

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van 2,56 ton mazout, hetzij 3.200l in een twee bovengrondse dubbelwandige Vlarem gekeurde houder, hetzij een tank van 2.100l en één van 1.100l | klasse 3

2,56 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van 1692,8kg als gevaarlijk geklasseerde producten in verpakkingen van maximaal 30l/30kg. | klasse 3

1692,8 liter

53.2.2°a)

gelegen in een ander gebied dan de gebieden vermeld in punt 1 met een netto opgepompt debiet van: de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld, en | bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt debiet van minder dan 30 000 m³/jaar en de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld | Bemalen van 20.234 m³/jaar bemalingswater per jaar. | klasse

20234 m³/jaar

61.2.1°

tussentijdse opslagplaatsen voor uitgegraven bodem die langer dan 1 jaar in exploitatie zullen zijn met een capaciteit van 1000 m³ tot en met 10.000 m³ | Tijdelijke opslag van 1.500 m³ grond voor later hergebruik op de site | klasse 3

1500 m³

 

 

Artikel 2

De gevraagde vergunning voor de tijdelijke bemalingswerken (rubriek 3.4.2°, 3.6.3.2°, 53.2.2°a)) wordt verleend voor een termijn van 1 jaar. De termijn begint te lopen vanaf de datum van opstart bemalingswerken. Deze datum dient gemeld te worden conform de bijzondere voorwaarde.

 

De bepalingen uit het Omgevingsvergunningsdecreet - hoofdstuk 8, afdeling 1 blijven onverminderd van kracht.

 

Artikel 3

Legt volgende voorwaarden op:

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

1.Beperken bemalingsdebiet

-Een bemalingspomp mag enkel geplaatst worden door een boorbedrijf dat erkend is conform het VLAREL van 19 november 2010 voor de discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), 1), van het voormelde besluit. Om het beperken van de tijdsduur te garanderen bezorgt het erkend boorbedrijf uiterlijk de derde werkdag nadat een bemalingspomp is geplaatst, van elke debietmeter die bedoeld is voor de registratie van het opgepompte en terug in de ondergrond gebrachte debiet, de volgende informatie via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen:

-  het merk en serienummer

-  het tijdstip van plaatsing en de tellerstand op het moment van de plaatsing

Bij het ontmantelen van de bemalingsinstallatie, bezorgt het erkende boorbedrijf uiterlijk de derde werkdag na de ontmanteling: het tijdstip van de ontmanteling en de tellerstand op het moment van de ontmanteling via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.

Praktische richtlijnen over hoe de gevraagde informatie moet worden doorgegeven, zijn te vinden op https://dov.vlaanderen.be/richtlijnen-actieve-bemalingen

-Elke bemalingspomp dient gestuurd op het grondwaterpeil in de peilbuis in een pompput of op het grondwaterpeil in aparte peilputten. De noodzakelijke verlaging wordt per bouwfase bepaald. De regeling van de peilsturing dient bijgesteld in functie van de vordering van de bouwwerken.

 

2.Lozing in de gemengde riolering

-Het lozingsdebiet bedraagt meer dan 10 m³/uur. Conform Vlarem II moet de exploitant een schriftelijke toelating vragen aan Aquafin nv via: https://www.aquafin.be/nl-be/partners-en-bedrijven-water-lozen/lozen-van-bemalingswater.

-De lozingen van het onttrokken grondwater dienen 14 dagen voorafgaand aan de lozing te worden gemeld aan de exploitant van de openbare riolering, zijnde Farys, via www.farys.be/melden-van-bemaling.

 

3.Kwaliteit bemalingswater

-Bijzondere lozingsnormen:

- As: 50 µg/l

- Ni: 300 µg/l

- Zn: 2000 µg/l

- PFBA: 100 ng/l

- Overige PFAS i: rapportagegrens 

-Het volume en de kwaliteit van het geloosde bemalingswater dienen gecontroleerd met een meetmethode conform afdeling 5.53.3 en onderafdeling 5.53.6.1 en 5.53.6.1/1 van Vlarem II.

-De kwaliteit van het bemalingswater dient geanalyseerd voor het lozingspunt (na schoonpompen van de bemalingsinstallatie) of op voorhand in een representatieve peilbuis max. 3 jaar voor de opstart van de bemaling en bij elke bemalingsfase. De te analyseren parameters zijn minstens As, Ni, Zn en de kwantificeerbare PFAS-componenten opgenomen in het WAC_IV_A_025.

-De bemaling mag pas in gebruik genomen worden als de analyseresultaten beschikbaar zijn en getoetst werden aan de geldende normen.

-Indien het bemalingswater concentraties bevat hoger dan de geldende lozingsnormen dient het bemalingswater gezuiverd te worden alvorens te lozen.

-Na toetsing van de analyseresultaten en eventuele mobilisatie van een waterzuiveringsinstallatie kan de bemaling opnieuw opgestart worden.

De verdere monitoring van het opgepompte bemalingswater gebeurt aan volgende frequentie:

-bij concentraties hoger dan 80 % van de norm: analyse in de eerste maand wekelijks en

vervolgens maandelijks tot het einde van de bemaling of tot wanneer de recentste analyse

zonder zuivering maximaal 80 % van de norm bedraagt;

-bij concentraties lager dan 80 % van de norm: geen herhaling noodzakelijk.

 

4.Geluid

Alle mogelijke en noodzakelijke maatregelen (plaatsing, type, omkasting pomp,…) moeten genomen worden opdat geluidshinder door de bemalingspompen en/of generatoren minimaal zou zijn.

 

5.Fauna en flora

In de nabije omgeving van de bemaling bevinden zich verschillende bomen. Voor de periode tussen 15 maart en 15 oktober geldt dat bij droogte die 10 dagen aanhoudt (neerslagstation Vinderhoute – zie www.waterinfo.be), bevloeiing/infiltratie dient voorzien te worden waar nodig. Hiervoor dienen voorafgaandelijke afspraken gemaakt te worden met de Groendienst via groendienst@stad.gent of European Tree Worker/boomexpert.

 

6. Brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen op de werf, dient te allen tijde te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer.

 

 

Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:

Volgende bijstelling is zonder voorwerp: Artikel: 4.2.5.1.: Subafdeling 4.2.5.1. Controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur op lozing van afvalwater

 

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

 

Artikel 4

Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:

Afval

De door de werf voortgebrachte afvalstoffen worden volgens Vlarema (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. Vlarema stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.

 

Zettingen

De exploitant dient alle voorzorgen te nemen om schade aan onroerende goederen binnen de invloedstraal van een grondwaterwinning te vermijden (bv. zettingen).

 

Vlarebo

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Vlarebo) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.

 

Fauna en flora

De bemaling wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 maart.