Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
NEBIM NV met als contactadres Industrieweg 150, 9030 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024080346) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 4 november 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het veranderen van een garagewerkplaats voor onderhoud en kleine herstellingen
• Adres: Industrieweg 148 en 150, 9030 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 29 sectie A nr. 51P
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 6 januari 2025.
De aanvraag volgde de vereenvoudigde procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 11 februari 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het veranderen van een garagewerkplaats voor onderhoud en kleine herstellingen.
Nebim is officieel Volvo Trucks-dealer in Nederland en België, Volvo Bus dealer (Nederland en België) en officieel dealer van Renault Trucks en lichte bedrijfswagens in Nederland.
De bestaande milieuvergunning (Klasse 2) is nog geldig tot 9/10/2028.
Onderstaande rubrieken uit de indelingslijst van VLAREM II worden aangevraagd:
* 3.4.1°.b: Lozen van bedrijfsafvalwater
* 4.3.b.2°.i: Spuitcabines
* 6.4.1°: Opslag brandbare vloeistoffen
* 15.1.2°: Stallen van voertuigen
* 15.2: Garagewerkplaats
* 15.4.1°: Wassen van voertuigen
* 16.3.2°.a: Luchtcompressoren en warmtepomp
* 17.3.6.1°: Opslag GHS07 producten
* 17.3.7.1°.a: Opslag GHS08 producten
* 17.4: Opslag gevaarlijke producten in kleine verpakkingen
* 29.5.2.1°.a: Mechanisch behandelen van metalen
* 29.5.4.1°.a: Fysisch behandelen van metalen
* 29.5.7.1°a)1): Ontvetten
* 43.1.1°.a: Stookinstallaties
Onderstaande rubrieken uit de indelingslijst van VLAREM II zijn niet indelingsplichtig:
* 3.2: Lozen van huishoudelijk afvalwater <600m³/jaar
* 12.2: Transformator <1000kVA
* 17.3.2.1.1.1°.b: Dieseltank (0,83ton)
Onderstaande rubrieken uit de indelingslijst van VLAREM II zijn niet meer van toepassing:
* 6.5.1°: 1 Verdeelslang
* 12.3.2°: Accumulatoren
* 15.6.1°: Stallen van geaccidenteerde voertuigen, ook geen sporadische stalling
* 17.1.2.1.1°: Gasflessen
Er zijn geen klachten gekend van de inrichting.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | vermeerdering van 4950 liter brandbare vloeistoffen in bovengrondse, dubbelwandige houder | klasse 3 | Verandering | 4950 liter |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | voorziening van 50tal extra parkeerplaatsen | klasse 2 | Verandering | 50 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | vermindering met een vermogen van - 15kW van de compressor en airco in de showroom | klasse 3 | Verandering | -15 kW |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | toevoeging van 0,16ton (200l) ontvetter | klasse 3 | Verandering | 0,16 ton |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvetten van metalen met een inhoud van 200L | klasse 3 | Nieuw | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | vermindering met een vermogen van - 175kW | klasse 3 | Verandering | -175 kW |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
3.4.1°b) | lozen van bedrijfsafvalwater van de truckwas-en werkplaats dat een of meer gevaarlijke stoffen bevat, met een debiet van 1,1 m³/h | 1,1 m³/uur
4.3.b)2°i) | aanbrengen van bedekkingsmiddelen (gehalte VOS overeenkomstig KB 7/10/2005) met een totaal geïnstalleerd vermogen van 125 kW | 125 kW
15.2. | garagewerkplaats met 6 schouwputten en 2 hefbruggen | 8 stuks
15.4.1° | inrichting voor het wassen van 9 voertuigen per dag op de wasplaats vooraan en met hogedruk reinigen achteraan | 9 trucks/dag
17.3.6.1°a) | opslag van 1070 kg schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS07) | 1,07 ton
17.4. | opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen | 2000 liter
29.5.2.1°a) | mechanisch behandelen van metalen met een totaal geïnstalleerd vermogen van 6,5 kW | 6,5 kW
29.5.4.1°a) | fysisch behandelen van metalen met een geïnstalleerd vermogen van 23 kW | 23 kW
Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:
6.5.1° | Inrichting voor de verdeling van vloeistoffen met 1 verdeelslang | 1 verdeelslang
12.2.1 | Transformator 400kVA | 400 kW
12.3.2° | Accumulatoren | 40,6 kW
15.6.1° | Stallen van geaccidenteerde voertuigen | 5 stuks
17.1.2.1.1° | Opslag van gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten | 1000 liter
17.3.2.1.1.1°.b | Opslag van mazout | 1,806 ton
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
* Op 17/10/2019 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het betreft een beperkte verandering van een garagewerkplaats voor onderhoud en kleine herstellingen. (OMV_2019096341)
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 14/03/1983 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods en een overdekte bergruimte. (1982/597)
* Op 13/09/1984 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een bestaand garagecomplex. (1984/886)
* Op 04/10/1984 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods, afwasplaats en truckparking. (1984/1083)
* Op 12/10/1995 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een loods. (1995/90074)
* Op 20/11/1997 werd een vergunning afgeleverd voor uitbreiden en gedeeltelijk heroprichten na brand van een loods voor vrachtwagens. (1997/90090)
* Op 07/01/1999 werd een vergunning afgeleverd voor plaatsen van een zuil met uithangbord. (1998/41280)
* Op 24/03/2005 werd een vergunning afgeleverd voor het plaatsen van een opslagcontainer van 13 m². (2004/40294)
* Op 28/06/2007 werd een vergunning afgeleverd voor het verharden van een deel van het terrein. (2007/40104)
* Op 08/11/2007 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods voor onderhoud vrachtwagens en bouwen van een demoruimte voor vrachtwagens. (2007/40227)
* Op 19/02/2009 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een prefab fietsenberging van 36 m². (2009/40004)
* Op 18/08/2011 werd een vergunning afgeleverd voor het regulariseren van een elektriciteitscabine in uitvoering. (2011/40209)
* Op 06/03/2017 werd een vergunning afgeleverd voor het verbouwen van een toonzaal met kantoren en het bouwen van werkplaatsen voor auto's. (2016/06282)
Milieuvergunningen
* Op 29/04/2016 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor melding van overname van de garageherstelwerkplaats voor vrachtwagens met carrosserieafdeling op naam transportsolutions.be. (5242/E/6)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgend extern advies is gegeven:
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum met ref 048115-004/KH/2025 dd. 23/1/2025.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in industriegebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).
Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de ander industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 0: Afbakeningslijn grootstedelijk gebied Gent.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West en in een afstroomgebied in beheer van Stad Gent. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming).
- niet gelegen in een signaalgebied.
2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat regenwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkte hoeveelheid water met een vertraging wordt afgevoerd. De plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening dient aan dit principe te beantwoorden.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen>> de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.
De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen door stookinstallaties.
Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.
In dit dossier is het beoordelingskader voor stationaire bronnen van toepassing.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Er is geen bijkomende lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag <<mits voorwaarden>> de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. BEKENDMAKING
De aanvraag volgt de vereenvoudigde procedure en moest dus niet aan een openbaar onderzoek worden onderworpen.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
aspect afvalwater
De inrichting ligt in niet gerioleerd gebied volgens het zoneringsplan van Stad Gent.
Er wordt een bijkomende parkeerplaats van 50 bedrijfsvoertuigen aangevraagd. Bij de stalling van bedrijfsvoertuigen is het aangewezen een ondoordringbare vloer aangesloten op een KWS-afscheider te voorzien. Dit wordt als opmerking opgenomen.
aspect hemelwater
Het hemelwater van het bedrijf wordt opgevangen in 3 hemelwaterputten van elk 20.000 liter
en wordt hergebruikt in de truckcarwash.
aspect bodem
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Garagewerkplaats
De werkplaats is effen en vloeistofdicht uitgevoerd en wordt ter beschikking gesteld met
absoptiemateriaal teneinde verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te
voorkomen.
Het kuiswater van de werkplaats wordt met behulp van acodrains opgevangen en wordt via een
bezinking en vet – en olieafscheider met coalescentiefilter geloosd in de het oppervlakte water van
de ringvaart.
Uit de aanvraag blijkt dat het stallen van geaccidenteerde voertuigen rubriek 15.6.1° niet meer van toepassing is, er gebeurt ook geen sporadische stalling meer. Ook de verdeelslang (rubriek6.5.1°) en de accumulatoren (rubriek 12.3.2°) zijn niet langer van toepassing.
Transformators
De transformator is niet langer ingedeeld onder rubriek 12.2 (< 1000 kVA). Het
betreft een oliegekoelde transformator die is opgesteld in een aparte cabine. Er is een opvangbak voorzien die bij lek de diëlectrische -vloeistof kan opvangen, de nodige maatregelen zijn getroffen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. De installatie wordt jaarlijks gekeurd.
Opslag gevaarlijke stoffen
Er wordt bijkomend een opslag van 4950 liter brandbare vloeistoffen in een bovengrondse, dubbelwandige houder aangevraagd (regularisatie). Volgende houders worden onder rubriek 6.4.1° in de vergunning opgenomen:
- 4950 l Afvalolie (T1)
- 2480 l Achterbrugolie (T2)
- 2480 l Versnellingsbak olie (T3)
- 4950 l Motorolie (T4)
- 1400 l Diverse oliën (Stock) (OL)
De vaste houders zijn dubbelwandig met lekdetectiesysteem
en overvulbeveiliging. De keuringsattesten, die afgeleverd werden door een erkend deskundige, werden bij deze aanvraag gevoegd. Al deze tanks kregen een groen label.
Er wordt een bijkomende dieseltank van 1000 L geplaatst, volgens de aanvraag is deze niet ingedeeld onder rubriek 17.3.2.1.1.1°.b. De indelingsdrempel van deze rubriek bedraagt echter 100 kg, waardoor de tank van 840 kg indelingsplichtig is. De klasse 3 rubriek wordt ambtshalve in de vergunning opgenomen. De nieuwe aanwezige dubbelwandige bovengrondse opslaghouder (1000L), is uitgerust met een overvulbeveiliging en een permanent lekdetectiesysteem. Er werd een attest van ingebruikstelling bij de aanvraag gevoegd. Het mogelijks verontreinigd water met koolwaterstoffen door het vullen van de tank wordt opgevangen met behulp van acodrains dat via een bezinking en olie en vet-afscheider met
coalescentiefilter nadien geloosd wordt in het oppervlaktewater van de ringvaart.
De KWS-afscheider wordt periodiek geïnspecteerd en wordt wanneer nodig gereinigd. Het slib
wordt afgevoerd door een erkende verwerker.
Er wordt een bijkomende opslag van 200 L ontvetter aagevraagd. Rubriek 17.3.7.1°.a bevat aldus volgende opslag:
- Koelvloeistof in vaten: 1,07 ton (200l) - KOEL
- Ontvetter : 0,16ton (200l) – VET
Bodemverontreiniging wordt voorkomen door opslag van gevaarlijke of brandbare vloeistoffen in
vaten, uit te voeren op een vloeistofdichte ondergrond en inkuiping.
De inkuipingen worden regelmatig, en ten minste na elke calamiteit, geledigd. De verkregen
afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwijderd.
De verschillende compartimenten van de brandbare oliën staan op voldoende afstand (0,5m) van
elkaar en op voldoende afstand (2m) van de opslag van de ontvetter.
De inrichting is gelegen in mogelijks overstromingsgebied. De vaten, tanks, … moeten
beschermd worden tegen een eventuele overstroming. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Onvetten van metalen
De ontvettafel (rubriek 29.5.7.1°a)1)) dient geëxploiteerd te worden volgens de voorwaarden van artikel 5.29.0.9 van Vlarem II. Dit betekent ondermeer dat de baden of opvangrecipiënten moeten ontworpen en gebouwd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van de produkten die ze bevatten.
De gebruikte materialen moeten een voldoende mechanische en chemische weerstand hebben.
In geval er vastgesteld wordt dat een inkuiping, bad of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt of overgeladen. In de inrichting moeten daartoe de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en
neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in
geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken. Dit wordt als opmerking opgenomen.
aspect lucht
Koeltoestellen
De rubriek 16.3.1.1. is vergund voor 65 kW. Onder deze rubriek wordt een airco en een compressor (toonzaal) geschrapt.
Het gebruikte koelmiddel in de warmteomp is R410A (type HKF).
Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De warmtepomp dient onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De warmtepomp bevat een hoeveelheid koelmiddel in ton CO2-equivalent ≥ 5 ton waardoor ze conform Vlarem II iedere 12 maanden moet onderzocht worden op goed functioneren en op mogelijke lekverliezen door een erkende koeltechnicus.
Wanneer een permanent lekdetectiesysteem aanwezig is mag de controlefrequentie worden gehalveerd.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.
Deze elementen worden als opmerking opgenomen.
Stookinstallaties
De rubriek 43.1. is vergund voor een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1.835
kW. Met voorliggende aanvraag wordt een regularisatie van de vermogens aangevraagd. Het
vergunde thermische vermogen dient verminderd te worden met 175 kW. De onderstaande
stookinstallaties worden in de vergunning opgenomen:
- Ketel spuitcabine 1 : 850kW (300kW+ 300kW + 250kW) (BR1) (Emissiemeting Ketel 1)
- Ketel spuitcabine 2 : 500kW (BR2) (Emissiemeting Ketel2)
- Ketel werkplaats: 310kW (2x 65kW & 2x 90kW) (BR3)
Er werden emissiemetingen uitgevoerd. In het aanvraagdossier bevinden zich de resultaten van de laatste emissiemeting (dd. 20 februari 2024).
Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de toepasselijke emissiegrenswaarden van VLAREM II.
gasflessen
De opslag van gasflessen (rubriek 17.1.2.1.1°) is niet langer van toepassing.
aspect geluid
De garagewerkplaats bevindt zich in industriegebied.
Op weekdagen wordt gewerkt van 7.30 tot 18.30 uur, op vrijdag van 7.30 tot 19 uur en op zaterdag
van 7 tot 13 uur. Bij de dienst Milieutoezicht van de stad Gent zijn geen klachten gekend.
Gezien de activiteiten zich niet in onmiddellijke omgeving van woningen bevindt, wordt weinig
hinder verwacht.
aspect mobiliteit
In de huidige situatie zijn er 20 werknemers, waarvan er 3 per fiets komen. De rest komt met de wagen. Ze maken gebruik van de voorziene auto- en fietsparkeerplaatsen op het terrein. Er komen ca 30 vrachtwagens per dag naar de garage voor onderhoud en herstellingen.
In deze bijlage wordt aangegeven dat er ten opzichte van de bestaande toestand geen bijkomende voertuigbewegingen worden verwacht. Er wordt aldus geen aanzienlijk effect op de mobiliteit verwacht.
aspect energie
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt opgenomen als opmerking.
aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 048115-004/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | vermeerdering van 4950 liter brandbare vloeistoffen in bovengrondse, dubbelwandige houder | Verandering | 4950 liter |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | voorziening van 50tal extra parkeerplaatsen | Verandering | 50 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | vermindering met een vermogen van - 15kW van de compressor en airco in de showroom | Verandering | -15 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Nieuw | 0,83 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | toevoeging van 0,16ton (200l) ontvetter | Verandering | 0,16 ton |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvetten van metalen met een inhoud van 200L | Nieuw | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | vermindering met een vermogen van - 175kW | Verandering | -175 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20181105-0037) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | lozen van bedrijfsafvalwater van de truckwas-en werkplaats dat een of meer gevaarlijke stoffen bevat, met een debiet van 1,1 m³/h | klasse 2 | 1,1 m³/uur |
4.3.b)2°i) | inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van: meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | aanbrengen van bedekkingsmiddelen (gehalte VOS overeenkomstig KB 7/10/2005) met een totaal geïnstalleerd vermogen van 125 kW | vlarebo : A | klasse 2 | 125 kW |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van 16260 liter brandbare vloeistoffen in bovengrondse dubbelwandige houder - 4950 l Afvalolie (T1) - 2480 l Achterbrugolie (T2) - 2480 l Versnellingsbak olie (T3) - 4950 l Motorolie (T4) - 1400 l Diverse oliën (Stock) (OL) | klasse 3 | 16260 liter |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | stalplaats van 160 voertuigen | klasse 2 | 160 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | garagewerkplaats met 6 schouwputten en 2 hefbruggen | vlarebo : A | klasse 3 | 8 stuks |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | inrichting voor het wassen van 9 voertuigen per dag op de wasplaats vooraan en met hogedruk reinigen achteraan | klasse 3 | 9 trucks/dag |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | koelinstallaties en luchtcompressoren met een vermogen van 50 kW - Luchtcompressor 30kW - Luchtcompressor 5kW - Warmtepomp 15kW | klasse 3 | 50 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | klasse 3 | 0,83 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van 1070 kg schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS07) | klasse 3 | 1,07 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van 1,23 ton op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS08) - Koelvloeistof in vaten: 1,07 ton (200l) - KOEL - Ontvetter : 0,16ton (200l) - VET | klasse 3 | 1,23 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen | klasse 3 | 2000 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | mechanisch behandelen van metalen met een totaal geïnstalleerd vermogen van 6,5 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 6,5 kW |
29.5.4.1°a) | fysisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal of stralen met zand of andere producten, volledig gelegen in industriegebied - uitgezonderd stralen van een gebouw of vaste constructie (van 5 kW tot en met 200 kW) | fysisch behandelen van metalen met een geïnstalleerd vermogen van 23 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 23 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvetten van metalen met een inhoud van 200L | vlarebo : O | klasse 3 | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | verbrandingsinrichtingen zonder elektriciteitsproductie met een totaal thermisch vermogen van 1.660kW - Ketel spuitcabine 1 : 850kW (300kW+ 300kW + 250kW) (BR1) (Emissiemeting Ketel 1) - Ketel spuitcabine 2 : 500kW (BR2) (Emissiemeting Ketel2) - Ketel werkplaats: 310kW (2x 65kW & 2x 90kW) (BR3) | klasse 3 | 1660 kW |
TERMIJN
De gevraagde vergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit kan verleend worden voor een termijn tot en met 9 oktober 2028.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een garagewerkplaats voor onderhoud en kleine herstellingen aan NEBIM nv (O.N.:0436033806) gelegen te Industrieweg 148 en 150, 9030 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit NEBIM Gent met inrichtingsnummer 20181105-0037 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | vermeerdering van 4950 liter brandbare vloeistoffen in bovengrondse, dubbelwandige houder | Verandering | 4950 liter |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | voorziening van 50tal extra parkeerplaatsen | Verandering | 50 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | vermindering met een vermogen van - 15kW van de compressor en airco in de showroom | Verandering | -15 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Nieuw | 0,83 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | toevoeging van 0,16ton (200l) ontvetter | Verandering | 0,16 ton |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvetten van metalen met een inhoud van 200L | Nieuw | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | vermindering met een vermogen van - 175kW | Verandering | -175 kW |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20181105-0037) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | lozen van bedrijfsafvalwater van de truckwas-en werkplaats dat een of meer gevaarlijke stoffen bevat, met een debiet van 1,1 m³/h | klasse 2 | 1,1 m³/uur |
4.3.b)2°i) | inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van: meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | aanbrengen van bedekkingsmiddelen (gehalte VOS overeenkomstig KB 7/10/2005) met een totaal geïnstalleerd vermogen van 125 kW | vlarebo : A | klasse 2 | 125 kW |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van 16260 liter brandbare vloeistoffen in bovengrondse dubbelwandige houder - 4950 l Afvalolie (T1) - 2480 l Achterbrugolie (T2) - 2480 l Versnellingsbak olie (T3) - 4950 l Motorolie (T4) - 1400 l Diverse oliën (Stock) (OL) | klasse 3 | 16260 liter |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | stalplaats van 160 voertuigen | klasse 2 | 160 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | garagewerkplaats met 6 schouwputten en 2 hefbruggen | vlarebo : A | klasse 3 | 8 stuks |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | inrichting voor het wassen van 9 voertuigen per dag op de wasplaats vooraan en met hogedruk reinigen achteraan | klasse 3 | 9 trucks/dag |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | koelinstallaties en luchtcompressoren met een vermogen van 50 kW - Luchtcompressor 30kW - Luchtcompressor 5kW - Warmtepomp 15kW | klasse 3 | 50 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | klasse 3 | 0,83 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van 1070 kg schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS07) | klasse 3 | 1,07 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van 1,23 ton op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS08) - Koelvloeistof in vaten: 1,07 ton (200l) - KOEL - Ontvetter : 0,16ton (200l) - VET | klasse 3 | 1,23 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen | klasse 3 | 2000 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | mechanisch behandelen van metalen met een totaal geïnstalleerd vermogen van 6,5 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 6,5 kW |
29.5.4.1°a) | fysisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal of stralen met zand of andere producten, volledig gelegen in industriegebied - uitgezonderd stralen van een gebouw of vaste constructie (van 5 kW tot en met 200 kW) | fysisch behandelen van metalen met een geïnstalleerd vermogen van 23 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 23 kW |
29.5.7.1°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, volledig gelegen in een industriegebied (van 10 l tot en met 1 000 l) - andere dan rubriek 15.5 | ontvetten van metalen met een inhoud van 200L | vlarebo : O | klasse 3 | 200 liter |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | verbrandingsinrichtingen zonder elektriciteitsproductie met een totaal thermisch vermogen van 1.660kW - Ketel spuitcabine 1 : 850kW (300kW+ 300kW + 250kW) (BR1) (Emissiemeting Ketel 1) - Ketel spuitcabine 2 : 500kW (BR2) (Emissiemeting Ketel2) - Ketel werkplaats: 310kW (2x 65kW & 2x 90kW) (BR3) | klasse 3 | 1660 kW |
De gevraagde vergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit kan verleend worden voor een termijn tot en met 9 oktober 2028.
Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:
1. In afwijking en/of ter aanvulling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden mogen de
volgende emissiegrenswaarden niet worden overschreden:
fosfor (totaal) : 10 mg P/l
zink: 2 mg/l
koper: 0,5 mg/l
lood: 0,5 mg/l
nikkel: 0,5 mg/l
De overige niet aangevraagde parameters mogen slechts geloosd worden in concentraties
beneden de kwaliteitsdoelstelling van het ontvangende oppervlaktewater.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
1. Bij de stalling van bedrijfsvoertuigen is het aangewezen een ondoordringbare vloer aangesloten op een KWS-afscheider te voorzien.
2.Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
3. De inrichting is gelegen in mogelijks overstromingsgebied. De vaten, tanks, … moeten
beschermd worden tegen een eventuele overstroming.
4. De ontvettafel (rubriek 29.5.7.1°a)1)) dient geëxploiteerd te worden volgens de voorwaarden van artikel 5.29.0.9 van Vlarem II. Dit betekent ondermeer dat de baden of opvangrecipiënten moeten ontworpen en gebouwd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van de produkten die ze bevatten.
De gebruikte materialen moeten een voldoende mechanische en chemische weerstand hebben.
In geval er vastgesteld wordt dat een inkuiping, bad of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt of overgeladen. In de inrichting moeten daartoe de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en
neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in
geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.
5. Het gebruikte koelmiddel in de warmteomp is R410A (type HKF).
Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De warmtepomp dient onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De warmtepomp bevat een hoeveelheid koelmiddel in ton CO2-equivalent ≥ 5 ton waardoor ze conform Vlarem II iedere 12 maanden moet onderzocht worden op goed functioneren en op mogelijke lekverliezen door een erkende koeltechnicus.
Wanneer een permanent lekdetectiesysteem aanwezig is mag de controlefrequentie worden gehalveerd.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.
6. Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.