Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
GHENT DREDGING NV met als contactadres Steenweg 250, 9810 Nazareth heeft een aanvraag (OMV_2020163371) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 29 augustus 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het veranderen van een herstellingswerkplaats van materieel voor bagger- en grondwerkmachines en tijdelijke opslagruimte van diverse bouwmaterialen nodig voor het uitoefenen van het aannemingsbedrijf
• Adres: Nieuwescheldestraat 2, 9052 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 24 sectie B nrs. 2/2 S en 391/2 D
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 20 november 2024.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 20 februari 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het veranderen van een herstellingswerkplaats van materieel voor bagger- en grondwerkmachines en tijdelijke opslagruimte van diverse bouwmaterialen nodig voor het uitoefenen van het aannemingsbedrijf.
Het bedrijf is vergund tot 22 april 2029 (3099/E/4). De huidige aanvraag betreft o.a.
- de stockage van een mobiele tank: (3 000 l) afkomstig van tijdelijke werven
- het plaatsen van twee bijkomende vaste tanks van 10.000 l (rode mazout) en 2.400 l (HVO-diesel) met een verdeelinstallatie
- bijkomende opslag van 3 000 l olie in verplaatsbare recipiënten
- bijkomende opslag van 300 l gassen in verplaatsbare recipiënten
- bijkomende opslag van 0,4 ton ontvetter, 2 ton surfactant en 1,45 ton koelvloeistof
- bijkomende opslag van 150 l verven in kleine verpakkingen
- het stallen van 20 bedrijfsvoertuigen
- verwijderen van een (auto)brug
- naamswijziging van perceel 391/2 A naar perceel 391/2 D.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | bestaande, vergunde bovengrondse opslagtank 4.000 l afvalolie bijkomende opslag 3.000 l olie in vaten | klasse 3 | Verandering | 7000 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Brandstofverdeelinstallaties voor de verdeling van de in rubriek 17.3.6.1 bedoelde vloeistoffen met maximaal 2 verdeelslangen | klasse 2 | Verandering | 2 verdeelslangen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Bestelwagens, kranen, camions, heftruck, wiellader/graafmachines, aanhangwagens, wals | klasse 3 | Nieuw | 20 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | brug werd verwijderd | klasse 3 | Verandering | -1 stuk |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Bijkomende opslag van samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | Verandering | 300 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | - 4.000 L afvalolie in bovengrondse vast opgestelde tank (opgenomen in 6.4.1), + een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 10.000 L, + een bovengrondse mobiele mazouttank van 3.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 2.400 L => + 11.400 L | klasse 3 | Verandering | 9,576 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvetter in vaten | klasse 3 | Nieuw | 0,4 ton |
17.3.4.1°b) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van surfactant in zowel bidons als in vaten | klasse 3 | Nieuw | 2 ton |
17.3.6.1°b) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een gebied ander dan industriegebied | bijkomende opslag koelvloeistof | klasse 3 | Verandering | 1,45 ton |
17.3.7.1°b) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | klasse 3 | Nieuw | 0,85 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | + verven | klasse 3 | Verandering | 150 liter |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
3.4.1°b) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewaterlichaam (tot en met 2 m³/uur) - 1,99 m³/uur | 1,99 m³/uur
15.4.2°a) | Niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van minder dan 10 voertuigen en hun aanhangwagens per dag (andere dan rubriek 15.5) volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied - maximum 9 voertuigen | 9 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag
29.5.2.1°b) | Smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en/of mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal (van 5 kW tot en met 100 kW) indien volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied - 15,5 kW | 15,5 kW
29.5.7.1°a)2) | Ontvetten van metalen (andere dan rubriek 15.5) door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (inhoud baden van 10 l tot en met 300 l) - 200 l | 200 liter
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 12/09/1989 werd een weigering afgeleverd voor bouwen opslagruimte. (1988/125)
* Op 16/02/1995 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een bedrijfsgebouw en het aanleggen van een functionele verharding. (1994/70126)
* Op 30/04/2009 werd een vergunning afgeleverd voor de regularisatie van opslag diverse bouwmaterialen en materieel van het aannemingsbedrijf. (2009/70019)
* Op 14/02/2011 werd een vergunning afgeleverd voor de aanleg van een ondergrondse aardgasvervoerleiding - deel vd bestaande leidingen zal buiten dienst gesteld worden en gedeeltelijk verwijderd worden / heerweg-zuid (ondergrondse aardgasvervoerleiding) - (fluxys). (2010/70161)
Milieuvergunningen
* Op 27/04/1995 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor exploiteren van een herstellingswerkplaats van materieel voor bagger- en grondwerkmachines en tijdelijke opslagruimte van diverse bouwmaterialen nodig voor het uitoefenen van het aannemingsbedrijf met opslag van minder dan 1.000 liter afvalolie (rubriek 2.4.a.1.), lozen van normaal huisafvalwater in de gewone oppervlaktewateren (rubriek 3.2.), exploiteren van een garage met 1 put (rubriek 15.2.), stallen van 3 tot en met 25 voertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens (rubriek 15.1). (3099/E/1)
* Op 18/05/1995 werd door het college van burgemeester en schepenen de vergunning geweigerd voor het tijdelijk exploiteren van een menginstallatie voor zand en cement (rubriek 30.1.b.). (3099/E/2)
* Op 23/04/2009 werd door het college van burgemeester en schepenen de vergunning gedeeltelijk afgeleverd voor het veranderen (door wijziging en uitbreiding) van een herstellingswerkplaats van materieel voor bagger- en grondwerkmachines en tijdelijke opslagruimte van diverse bouwmaterialen. (3099/E/3)
* Op 24/12/2009 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor melding van verandering van een herstellingswerkplaats van materieel voor bagger- en grondwerkmachines en tijdelijke opslagruimte van diverse bouwmaterialen nodig voor het uitoefenen van het aannemingsbedrijf. (3099/E/4)
3. WIJZIGINGSAANVRAAG
Op 17 februari 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. De wijziging betrof o.a. aanpassing afwatering tankpiste, opsomming vergunde tanks. Op 18 februari 2025 werd dit wijzigingsverzoek aanvaard.
BEOORDELING AANVRAAG
4. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 3 december 2024 onder ref. 015627-003/KH/2024.
Voorwaardelijk gunstig advies van De Vlaamse Waterweg nv - Afdeling Regio West afgeleverd op 6 januari 2025 onder ref. omv-2020163371 Behandeling in eerste aanleg-001:
* Alle gevaarlijke stoffen dienen te worden opgeslagen binnen de bedrijfsgebouwen, op een verhoogde vloer en volgens de bepalingen van Vlarem II;
* De aanvrager dient ervoor te zorgen dat de verharding op de site te allen tijde gereinigd is, zodat gevaarlijke stoffen bij eventuele overstromingen niet in het oppervlaktewater terechtkomen;
* Op de plannen is onduidelijk of erin of naast de slibvang ook een KWS-olieafscheider is voorzien. Indien dit niet het geval is dient deze te worden geïntegreerd in de waterafvoer.
5. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
5.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het projectgebied bestaat uit twee aparte percelen, één langs Nederzwijnaarde en één langs de Zonneputtragel.
1/ Gewestelijk RUP
Het perceel langs Nederzwijnaarde (391/2D) ligt in het gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' in het verordenend grafisch plan 21 Deelproject DOMO (3F). De bestemmingszone is hier Gemengd regionaal bedrijventerrein.
Het gebied is bestemd voor bedrijven van regionaal belang met een van volgende hoofdactiviteiten:
*productie en verwerking en bewerking van goederen, met uitsluiting van agrarische productie;
*verwerking en bewerking van grondstoffen, met inbegrip van delfstoffen;
*afvalverwerking, met inbegrip van recyclage;
*logistiek (op- en overslag, voorraadbeheer, groupage en fysieke distributie) en groothandel;
*dienstverlenende bedrijven (diensten aan bedrijven);
*watergebonden industrie (productieactiviteiten).
Zolang geen volwaardig fietsverbinding gerealiseerd is tussen de binnenstad en de vallei van de BenedenSchelde op de oostelijke oever kunnen geen werken vergund worden die het functioneren van het bestaande fietspad op de westelijke Schelde-oever bemoeilijken of in het gedrang brengen. Het fietsverkeer langs de Schelde wordt ten allen tijde gescheiden van het economisch en/of gemotoriseerd verkeer door het voorzien van een afzonderlijk fietspad. Het inrichten van kades en laad-en losinfrastructuur is toegestaan voor zover het fietsverkeer er niet door gehinderd wordt.
Elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning zal worden beoordeeld aan de hand van volgende criteria:
*zorgvuldig ruimtegebruik;
*kwaliteitsvolle aanleg van het plangebied en afwerking van de bedrijfsgebouwen. Minstens volgende inrichtingsprincipes dienen gerespecteerd te worden:
*bouwen in meerdere lagen daar waar de bedrijfsactiviteit dit toelaat;
*parkeren wordt gegroepeerd voor verschillende bedrijven of geïncorporeerd in het bedrijfsgebouw, daar waar het beheer dit toelaat;
*bij de aanleg van het terrein moet het waterbergend vermogen van het gebied zoveel mogelijk worden behouden en het overstromingsrisico worden beperkt.
*impact op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid.
2/ Gemeentelijk RUP
Het perceel langs de Zonneputtragel (2/2S) ligt in het gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan GROENAS_4 BOVENSCHELDE. De bestemmingszone is hier Zone voor industrie met nabestemming bos.
De bestemming is industrie. Enkel activiteiten die in functie staan van bagger- en waterbouwkundige exploitatie zijn toegelaten. Seveso-activiteiten zijn verboden.
De nabestemming gaat in vanaf de volledige stopzetting van de activiteiten in functie van bagger- en waterbouwkundige werken. De stopzetting van de activiteiten wordt geacht plaats te vinden bij einde van de milieuvergunning, indien geen verlenging of hernieuwing is aangevraagd, of van zodra de activiteiten op deze locatie niet meer in functie staan van bagger- en waterbouwkundige werken.
De aanvraag voldoet aan de voorschriften van het gemeentelijk RUP. De activiteiten op dit perceel staan in functie van bagger- en waterbouwkundige exploitatie.
De stopzetting van de activiteiten wordt geacht plaats te vinden bij einde van de milieuvergunning, indien geen verlenging of hernieuwing is aangevraagd, of van zodra de activiteiten op deze locatie niet meer in functie staan van bagger- en waterbouwkundige werken.
De openbare zone waar het jaagpad ligt, ligt ook in het gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan GROENAS_4 BOVENSCHELDE. De bestemmingszone is hier zone voor groenas.
Deze zone is bestemd als groenas. Binnen deze groenas zijn volgende zaken toegelaten:
*jaagpaden en dienstwegen en tevens alle werken en handelingen noodzakelijk voor het beheer en de exploitatie van de waterweg
*fiets- en wandelpaden
*groenaanleg
*openbare wegen voor gemotoriseerd verkeer (enkel waar deze reeds bestaan)
Er moet opgemerkt worden dat deze zone wordt gebruikt voor het opslaan van materiaal ten behoeve van de exploitatie op het perceel langs de Zonneputtragel. Dit is niet in overeenstemming met de voorschriften. Via bijzondere voorwaarden zal opgelegd worden dat in deze zone geen materiaal gestockeerd mag worden en met groenaanleg beplant moet worden.
5.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
6. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West.
Het projectgebied ligt op ca. 70 m van de Boven-Schelde. Het advies van de Vlaamse Waterweg nv werd hieronder geïntegreerd.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal). De overstromingskans is klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
Een kleine kans op overstroming ter hoogte van de noordelijke perceelsgrenzen. Een kleine
kans op overstroming onder klimaatverandering op het perceel.
2. Advies m.b.t. het beheer en exploitatie van de waterweg en het patrimonium van De Vlaamse Waterweg nv
Er is geen interferentie met het beheer en/of de exploitatie van de waterweg. Het projectgebied ligt voldoende afstand van de Boven-Schelde.
3. Watertoetsadvies
a. Gegevens relevant voor de watertoets:
Het project omvat het actualiseren van de opslag van gevaarlijke producten en brandstoffen o.a. de stockage van mobiele tanks, afkomstig van tijdelijke werven wordt op de site voorzien. Verder worden er bijkomende vaste tanks van 10.000 l (rode mazout) en 2.400 l (HVO-diesel) voorzien. De aanpassingen vinden plaats in de bestaande en vergunde toestand.
b. Op het project toepasselijke voorschriften uit het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde
Het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde formuleert maatregelen om wateroverlast (en watertekort) in het bekken te voorkomen. De strategie "vasthouden-bergen-afvoeren" is hierbij van toepassing. Dit kan door het vermijden van de toename van verharde oppervlakte, het afkoppelen van hemelwater van de riolering, hergebruik ter plaatse, infiltreren waar mogelijk, bufferen, vertraagd afvoeren, vermijden van inbuizingen, aanleggen van groendaken, ... Via het instrument van de watertoets worden schadelijke effecten van nieuwe plannen, programma’s en vergunningen vermeden door het opleggen van gepaste maatregelen of het niet toestaan van nieuwe ontwikkelingen.
Er zijn geen acties opgenomen in het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde
(2022-2027) die betrekking hebben op de vergunningsaanvraag.
c. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
i. gewijzigd overstromingsregime
Binnen de perceelsgrenzen is er slechts een kleine overstromingskans onder klimaatverandering. De bestaande toestand blijft behouden met uitzondering van enkele extra mobiele en vaste opslagtanks. Er wordt hierdoor geen effect op het overstromingsregime verwacht.
I.k.v de milieuaanvraag:
De aanvrager dient ervoor te zorgen dat de verharding op de site te allen tijde gereinigd is, zodat deze gevaarlijke stoffen bij eventuele overstromingen niet in het oppervlaktewater terechtkomen. Dit wordt conform het advies van De Vlaamse Waterweg in de bijzondere voorwaarde opgenomen.
In het advies van De Vlaamse Waterweg is opgenomen als voorwaarde dat alle gevaarlijke stoffen dienen te worden opgeslagen binnen de bedrijfsgebouwen, op een verhoogde vloer en volgens de bepalingen van Vlarem II. De meeste producten zijn opgeslagen in een inkuiping en staan opgeslagen binnen in een gebouw of onder een afdak. Dit wordt ook verder besproken. De inrichting dient zich te houden aan de algemene en sectorale voorwaarde.
Het gaat ook hoofdzakelijk om een hernieuwing van een bestaande milieuvergunning, met uitbreiding van enkele bestaande opslagtanks en nieuwe opslag van mobiele opslagtanks. De bedrijfsgebouwen zijn reeds aanwezig in de bestaande toestand en nemen dus geen bijkomende ruimte voor overstromingswater in.
ii. gewijzigd afstromingsregime en gewijzigde infiltratie naar het grondwater
Er zijn geen wijzigingen in het horizontale dakoppervlak alsook geen bijkomstige verhardingen. De bestaande toestand blijft behouden, de hemelwaterverordening is bijgevolg niet van toepassing.
iii. gewijzigde oppervlaktewaterkwaliteit en gewijzigd aantal puntbronnen
Ten gevolge van de geplande ingrepen worden er geen betekenisvol nadelige
effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit verwacht.
Het hemelwater dat op de verharding van de tankpistes en wasplaats valt en dat potentieel verontreinigd is, wordt over een slibvang en KWS geleid vooraleer het in de riolering/het oppervlaktewater wordt geloosd.
iv. gewijzigd grondwaterstromingspatroon en gewijzigde grondwaterkwaliteit
Het project voorziet geen nieuwe ondergrondse constructies, waardoor er geen
impact op het grondwaterstromingspatroon wordt verwacht.
v. watergebonden natuur en structuurkwaliteit
Er worden geen werken aan de oever voorzien en bijgevolg zal de structuurkwaliteit van De Boven-Schelde niet veranderen. Er wordt geen significant negatieve impact op de watergebonden natuur en structuurkwaliteit verwacht.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen de watertoets doorstaat.
7. NATUURTOETS
Er worden geen wijzigingen aan bouwvolumes/constructies en/of verhardingen voorzien.
Ter hoogte van perceel 391/2 D is een groenbuffer aanwezig. Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat de aanvrager hier momenteel materialen op slaat. In de groenbuffer mag er geen materiaal opgeslagen worden, ook niet tijdelijk. De groenbuffer dient onmiddellijk herstelt te worden. Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat al het materiaal uit deze zones verwijderd moet worden en dat in het eerstvolgende plantseizoen extra streekeigen aanplantingen moeten worden gedaan om de groenbuffer te herstellen.
Ter hoogte van perceel 2/2 en het jaagpad dient er volgens de stedenbouwkundige vergunning een bouwvrije strook van 4 m aanwezig te zijn en dient wintergroene begroeiing voorzien te worden.
Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat op het terrein momenteel slechts een beperkte hoeveelheid groen (klimop) aanwezig is.
Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat in de bouwvrije zone van 4 m geen materialen gestald worden en dat in het eerstvolgende plantseizoen een streekeigen wintergroene voldoende dense groenbuffer dient aangeplant te worden.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%.
Het bedrijfsafvalwater dient te worden geloosd via een KWS afscheider en slibvang. Dit is momenteel zo uitgevoerd voor tank/wasplaats 1. Voor tankplaats 2 dient aanpassingen te worden uitgevoerd. Dit wordt verder besproken en als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd in de riolering die aangesloten is op een RWZI.
Het oppervlakte water staat niet direct in verbindingen met speciale beschermingszones of VEN gebieden.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag mits voorwaarden de natuurtoets doorstaat.
8. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
9. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 28 november 2024 tot en met 27 december 2024.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden 14 bezwaarschriften ingediend.
De bezwaren worden als volgt samengevat en besproken:
*Het bedrijf zal extra mobiliteit generen in woonwijken:
-Voor licht verkeer: 1.440 voertuigen/jaar
-Voor zwaar verkeer: 6.240 voertuigen/jaar
De Nieuwescheldestraat is momenteel reeds verzadigd door het vele zware vrachtvervoer. De weg wordt gebruikt naar bedrijvenpark Zwijnaarde II en III en sinds de invoering van het wijk mobiliteitsplan Zwijnaarde ook verkeer dat de lichten aan het kruispunt Molen probeert te vermijden.
Het bedrijf kan niet aansluiten op de nieuwe (toekomstige) aansluitweg, waardoor het bedrijf zal blijven rijden door woonbuurten met zwaar verkeer. Uitbreiden voor een bedrijf dat maar een vergunning zal hebben tot 2029 is niet zinvol.
In het dossier:
-werd er geen MOBER opgemaakt
-is er geen kennis van verkeersstromen
-wordt er geen modal split toegepast
-staat er niets over beschikbare parking
De straat is niet geschikt voor zwaar verkeer en wordt stuk gereden, de scherpe bocht is niet geschikt voor zwaar verkeer, en geregeld blokkeren vrachtwagens elkaar de doorgang.
De bestaande weg is op verschillende plaatsen gebroken of gebarsten, meer zwaar verkeer op deze weg zal voor meer slijtage en meer overlast (geluid, trillingen) zorgen. De trillingen zorgen voor barsten van de huizen.
Er wordt niet gehouden aan de verkeerscode
-hoge snelheid
-parkeren waar niet mag
Het bedrijf heeft een milieuvergunning op de locatie tot 22 april 2029. De aanvraag omvat geen uitbreiding van het bedrijf. Het betreft vooral een regularisatie van de bestaande situatie waarbij er normaal gezien geen extra mobiliteit zal gegenereerd worden door het project. De cijfers 1.440 voertuigen/jaar voor licht verkeer en 6.240 voertuigen/jaar voor zwaar verkeer uit het dossier betreffen dus geen extra mobiliteit maar wel de totale verkeersgeneratie van de hele site. Qua verkeersgeneratie wordt er door deze aanvraag dus geen toename verwacht t.o.v. de bestaande toestand.
Wat de (toekomstige) ontsluiting van de site betreft, is het zo dat in het kader van het wijkmobiliteitsplan Zwijnaarde het de doelstelling is van de Stad om verkeer van en naar bedrijventerreinen Zwijnaarde II en III volledig los te koppelen van het woonweefsel (en dus ook van de Nieuwescheldestraat). Om deze doelstelling te realiseren wordt er werk gemaakt van een nieuwe ontsluitingsweg (namelijk de Scheldelindeweg), die beide bedrijventerreinen in de toekomst rechtstreeks zal aansluiten op de R4. Volgens de huidige planning zullen de effectieve wegenis- en rioleringswerken in het voorjaar van 2025 starten, met als doel om de Scheldelindeweg begin 2026 in gebruik te nemen.
Het wijkmobiliteitsplan Zwijnaarde bevat de info over de verkeersfilters die in kader van de nieuwe ontsluitingsweg gerealiseerd zullen worden. In Nederzwijnaarde wordt, ter hoogte van de aantakking van bedrijventerrein Zwijnaarde III, tegelijk met de realisatie van de nieuwe ontsluitingsweg een verkeersfilter gerealiseerd. Het stadsbestuur heeft ook beslist dat, na voltooiing van de Scheldelindeweg, er extra verkeersfilters komen waardoor het verkeer van de bedrijventerreinen Zwijnaarde II en III dan niet meer door de Klaartestraat, een deel van Nederzwijnaarde en de Nieuwescheldestraat rijdt. De exacte timing en randvoorwaarden hiervan zijn evenwel nog niet beslist. Dit hangt ook samen met de nog aan te passen ontsluitingsstructuur van bedrijventerrein Zwijnaarde II.
Wat de nodig info in het dossier betreft, is het zo dat er voor een aanvraag van deze omvang geen MOBER dient opgemaakt te worden. Hiervoor is de ondergrens vastgelegd op 15.000 m² bruto vloer oppervlakte (bvo) voor de functie industrie, KMO en ambacht waar ruimschoots onder gebleven wordt in de aanvraag. Ook een mobiliteitstoets is niet nodig aangezien de ondergrens hiervoor bepaald is op 8.000 m² bvo. Bovendien wordt in het dossier wel de verkeersstromen meegegeven (via het document met de bepaling impactscore mobiliteit i.k.v. de stikstofberekening). Wat het parkeren betreft wordt het stallen van 20 (werk)voertuigen aangevraagd. Naast de aangeduide parkeerzone op het plan is er op de site voldoende ruimte op eigen terrein om de parkeerdruk op te vangen.
Tot slot wordt er door de bezwaarindiener aangegeven dat er niet gehouden wordt aan de wegcode (hoge snelheid, parkeren waar niet mag). De wegcode moet uiteraard door iedereen gerespecteerd worden. Handhaving wordt geregeld door de politie en GAS4-handhavers.
Concluderend kan er aangenomen dat door deze aanvraag geen negatieve mobiliteitsimpact zal zijn t.o.v. de bestaande situatie.
*De verhardingsgraad wordt vergroot, waardoor er risico is op wateroverlast.
Met de aanvraag wordt er geen uitbreiding van de verharding gevraagd. Er wordt een nieuwe tankplaats opgenomen, maar deze is gelegen op bestaande verharding. Als deze conform de regelgeving en de opgelegde bijzondere voorwaarde wordt uitgebaat is geen bijkomend risico voor wateroverlast.
*De site oogt slordig en vuil, door gestapeld roestig materiaal. Dit trekt zwerfvuil en sluikstorten aan.
De materialen die gestald worden op het bedrijf zijn noodzakelijk in functie van de bedrijfsvoering van het baggerbedrijf. Sommige materialen (damplanken, buizen) roesten als ze uit het water gehaald worden.
Rond perceel 391/2 D werd in de stedenbouwkundige vergunning een groenbuffer opgenomen. In deze vergunning wordt een voorwaarde opgenomen om deze zone te herstellen.
Perceel 2/2 is aan de noordzijde omgeven door een bos en aan de zuidzijde ligt het jaagpad. Het toegevoegde plan van dit perceel komt niet overeen met wat stedenbouwkundig vergund is (dossier 2009/70019). Het bedrijf dient zich te houden aan de vergunde situatie en bijkomend wordt er als bijzondere voorwaarde in de vergunning opgenomen dat in de bouw vrije strook op eigen perceel een wintergroene streekeigen groenbuffer dient aangelegd worden.
Daarnaast wordt er vastgesteld dat de exploitant langs het jaagpad diverse materialen stalt (ponton, houten balken, metalen constructies, vrachtwagens…). Als bijzondere voorwaarde wordt in de vergunning opgenomen om deze materialen te verwijderen.
Door het naleven de stedenbouwkundige voorschriften en nieuwe bijzondere voorwaarde zal de inrichting minder slordig ogen.
*De opslagcapaciteit voor oliën wordt verdubbeld op korte afstand van bewoners. Het plaatsen van tanks voor brandstof, zorgt voor een groot risico op vervuiling.
Er wordt inderdaad een uitbreiding gevraagd van de opslag van oliën/mazout en andere producten met een gevaarsymbool.
Voor de opslag van deze producten dient de aanvrager zich te houden aan de Vlarem II wetgeving. De aftoetsing van die wetgeving wordt verder besproken in het dossier.
Indien de aanvrager zich aan de voorwaarden (algemene en sectorale) opgenomen in Vlarem II en de bijzondere voorwaarde opgenomen in dit dossier houdt, wordt er voor deze opslag geen hinder voor de bewoning of verontreiniging verwacht.
*Een stuk verwilderd bos langs het jaagpad dat omrasterd is zou toegankelijk moeten zijn voor omwonende.
Het bos is eigendom van de exploitant en werd o.a. afgesloten omdat er in het bos zwerfvuil werd achtergelaten. Het bos betreft geen openbaar domein.
*Het bedrijf is niet gepast, gewenst op deze locatie. Het uitbaggeren van de Schelde (en storten van baggerslip op het Eiland Zwijnaarde) is beëindigd. Er is geen reden meer om een baggerbedrijf in Zwijnaarde uit te baten.
De exploitatie van het bedrijf is niet gelinkt aan het storten van baggerslip op Eiland Zwijnaarde.
Het bedrijf Ghent Dredging situeert zich op twee verschillende percelen, één langs Nederzwijnaarde en één langs de Zonneputtragel. Voor beide percelen zijn er bestemmingsvoorschriften bepaalt in Ruimtelijke Uitvoeringsplannen. Het deel langs Nederzwijnaarde ligt in de bestemmingszone Gemengd regionaal bedrijventerrein dat watergebonden industrie toelaat. We kunnen dus stellen dat dit deel van het bedrijf in principe altijd gepast en gewenst zal zijn op deze locatie.
Het perceel langs de Zonneputtragel ligt in de bestemmingszone industrie met nabestemming bos. Zolang het bedrijf een geldige milieuvergunning heeft, zal het ook hier op zijn plaats zijn. Desalniettemin is er in het RUP en de wijkstructuurschets van Zwijnaarde wel een duidelijke toekomstvisie geformuleerd voor dit perceel. Op termijn zal de invulling op dit perceel dus wijzigen naar een groene bestemming.
*De aanvraag komt niet overeen met de beleidsmatig gewenste ontwikkeling die uit de Wijkstructuurschets Zwijnaarde komt. Samen met het Scheldelindepark en het Scheldekanaal zou dit een groene-blauwe toegang tot het noorden van Zwijnaarde en het zuiden van Gent moeten zijn (RUP Groenas 4). Het is ook een portaal voor de Scheldevallei.
In de toekomst zouden er inderdaad kansen kunnen zijn om de groenklimaatas blijvend langs de Schelde te realiseren ter hoogte van Ghent Dredging tot aan Nederzwijnaarde. Dit staat zo in de wijkstructuurschets van Zwijnaarde. Het RUP Groenas Bovenschelde duidt deze zone aan met nabestemming bos op het moment dat de milieuvergunning afloopt. De site van Ghent Dredging zou op dat moment verder uitgebouwd kunnen worden als een toegankelijk groengebied en onderdeel van de Scheldevallei. Wat de wijkstructuurschets hier verbeeld is een wensbeeld voor toekomstige ontwikkelingen en heeft geen verordenend karakter. Een Ruimtelijk Uitvoeringsplan heeft wel een verordenend karakter en een wijkstructuurschets doet geen afbreuk aan de krachtlijnen die daarin bepaald zijn.
Bij de opmaak van het RUP werd er uitgegaan van de bestaande toestand, die ook in het voormalige Bijzonder Plan van Aanleg 'Kanaal van Zwijnaarde' bestendigd was, maar koppelde hier wel al een toekomstvisie aan door de nabestemming toe te voegen.
In deze aanvraag wordt geen verlenging van de milieuvergunning gevraagd, waardoor er bezwaarlijk gesteld kan worden dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de toekomstvisie die de wijkstructuurschets verbeeld.
*Het jaagpad wordt onderbroken omwille van het bedrijf. Fietsers moeten terug doorkunnen.
Het is niet duidelijk of het jaagpad afgesloten werd omwille van de bedrijvigheid van de site. Het bedrijf stalt momenteel materialen op en langs het jaagpad. Als bijzondere voorwaarde wordt in de vergunning opgenomen om deze materialen te verwijderen.
Daarnaast dient ook de ontbrekende afrastering van het bedrijf opnieuw geplaatst te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen in de vergunning.
10. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
aspect afval
De voortgebrachte afvalstoffen (pmd, papier en karton, batterijen en accu's, KGA, glas, afvalbanden, afgewerkte olie, gevaarlijke afvalstoffen, houtafval, metaalafval, …) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. De afvalstoffen worden apart opgehaald en het bedrijf houdt een afvalstoffenregister bij.
aspect afvalwater
Het huishoudelijk en bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de gemengde riolering van de Nieuwescheldestraat.
Het huishoudelijk afvalwater is hoofdzakelijk afkomstig van het sanitair, is niet ingedeeld, en wordt via een septische put geloosd.
Het bedrijfsafvalwater is afkomst van de wasplaats en tankstation 1 en 2.
De betonverharding van de wasplaats en tankstation 1 en 2 watert af naar een slibvang en KWS-afscheider alvorens het afvalwater wordt geloosd op de riolering. De inrichting is vergund voor het lozen van 1,99 m³/uur bedrijfsafval water (rubriek 3.4.1°b). met een aantal lozingsnormen.
De exploitant geeft aan dat de bestaande KWS regelmatig leeggehaald wordt. Er wordt echter geen logboek van 3 maandelijkse inspecties bijgehouden.
De exploitant wordt er op gewezen dat bijlage 5.17.7 van Vlarem II ‘Bouw en controle van een systeem om overvulling te voorkomen; KWS-afscheiders en andere opvangsystemen’ onlangs gewijzigd is. Uiterlijk 1 januari 2028 dienen alle KWS-afscheiders aan de bepalingen te voldoen.
Dit wordt als opmerking mee gegeven.
De betonverharding van tankstation 2 watert momenteel natuurlijk af. De exploitant zal de tankpiste aansluiten op de bestaande slibvang en KWS afscheider.
Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat tankpiste 2 dient af te wateren via een correct gedimensioneerde KWS-afscheider. Binnen een termijn van 6 maanden dient een bewijs (foto, facturen…) van aanpassing van deze piste en aansluiting op de KWS te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
aspect bodem
Op de inrichting worden diverse gevaarlijke producten opgeslagen in verplaatsbare recipiënten en vaste houders.
vaste houders
De inrichting was vergund voor 4 vaste houders:
-mazout in een ondergrondse tank van 7 500 l – 6 300 kg (rode mazout)
-afvalolie in een bovengrondse enkelwandige tank van 4 000 l op een inkuiping
-motorolie in een enkelwandige tank van 2 400 l op een inkuiping
-hydraulische olie in een enkelwandige tank van 2 400 l op een inkuiping
Volgende bijkomende tanks worden aangevraagd:
-nieuwe mobiele dubbelwandige tank: (3 000 l – 2 520 kg (rode mazout) afkomstig van tijdelijke werven
-nieuwe vaste dubbelwandige tank 10 000 l – 8 400 kg (rode mazout)
-nieuwe vaste dubbelwandige tank 2 400 l – 2 016 kg (HVO-diesel)
De tanks worden buiten opgeslagen op een verharde ondergrond.
De mobiele tank is dubbelwandig uitgevoerd en worden niet ter plaatse gevuld. De tank wordt op de werven gevuld en geledigd. Op de tank is een systeem om overvulling te voorkomen aanwezig. Als lekdetectie systeem is een kijkglas opgenomen, dit is niet voldoende meer. In de ‘indienststellingskeuring’ is ook opgenomen dat een permanent lekdetectiesysteem met akoestisch en visueel alarm aangewezen is. Daarnaast is de tank van bouwjaar 2003 waardoor er ook nog een algemeen onderzoek dient uitgevoerd te worden.
Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen binnen een termijn van 6 maanden de tank dient aangepast en een algemeen onderzoek dient uitgevoerd.
De tank van 10 000 l en 2 400 l zijn voorzien van een conform systeem om overvulling te voorkomen en lekdetectiesysteem. Een keuring na indienststelling kon worden voorgelegd.
verplaatsbare recipiënten
Er is bijkomende opslag in verplaatsbare recipiënten:
- 3 000 l oliën
- 0,4 ton ontvetter
- 2 ton surfactant
- 1,45 ton koelvloeistof
- 150 l verven in kleine verpakkingen
Er worden producten opgeslagen binnen in het gebouw en buiten onder een luifel. De opslag is in de meeste gevallen voorzien in een lekbak. Er worden een deel spuitbussen/verven opgeslagen in een lokaal op een rek. De exploitant geeft aan dat er nieuwe rekken, met inkuiping, voorzien worden. Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat binnen een termijn van 6 maanden een bewijs van aanpassing dient gestuurd te worden naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
verdeelinstallaties
Er wordt een 2de tankplaats aangevraagd.
Tankplaats 1 is reeds vergund in dossier (3099/E/4). Hier kan er momenteel getankt worden uit een vergunde ondergrondse tank van 7 500 l. Met deze aanvraag wordt hier ook een bovengrondse tank van 2 400 l (witte diesel) bijgeplaatst.
De tankplaats is verhard en aangesloten op een slibvang en KWS die aangesloten is op de DWA.
Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat op de tankpiste materialen worden gesteld en dat het mogelijk is om te tanken langs de tankspiste. Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat er enkel kan getankt worden op verharding die aangesloten is op de KWS-afscheider. De zone voor te tanken dient duidelijk aangeduid te worden en vrij te zijn van gestalde materialen.
Tankplaats 2 wordt nieuw aangevraagd hier wordt getankt uit een nieuw bovengrondse tanks van 10 000 l. Op de verharding wordt ook een mobiele tank van 3 000 l geplaatst.
Tankplaats 2 wordt gebruikt voor het tanken van vaartuigen en pontons in het water.
De tankplaats is momenteel verhard, maar watert momenteel niet af naar KWS afscheider. De exploitant zal de tankpiste aansluiten op de bestaande KWS-afscheider. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Ook wordt er als bijzondere voorwaarde opgenomen dat op de site spill kits (voor land en op het water) aanwezig moeten zijn en bij spills deze gebruikt moeten worden. Daarnaast dient op vraag van de Vlaamse Waterweg nv de aanvrager ieder incident waarbij mogelijks oppervlaktewaterverontreiniging ontstaat binnen de 24 uur te melden aan RIS (0800/40 330 of ris@vlaamsewaterweg.be).
vlarebo
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 10 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.
aspect mobiliteit
De aanvraag betreft de exploitatie van een bestaand bedrijf. Op vlak van mobiliteit wordt het stallen van 20 (werk)voertuigen aangevraagd. Het betreft een regularisatie van een bestaande situatie.
Rekening houdend met het mobiliteitsprofiel kunnen we akkoord gaan met de voorgestelde parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om de parkeerdruk op te vangen. We vragen wel aandacht voor comfortabele fietsparkeerplaatsen in functie van het duurzaam verplaatsen van de werknemers. Dit wordt als opmerking opgenomen.
aspect lucht
motoren
Om de geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van de bedrijfsvoertuigen (productie, bestellingen en leveringen, ...) tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd te worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.m. Dit wordt als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen.
aspect veiligheid
gasflessen
De gasflessen (acetyleen (1), argon (4), propaan (1), zuurstof (3), menggas – sagox) worden buiten in een afgesloten overdekte ruimte opgeslagen. De volle en lege gasflessen worden apart gestockeerd en er wordt rekening gehouden met de afstandsregels conform artikel 5.17.3.2.4. van Vlarem II. De gasflessen worden beschermd tegen omvallen en aanrijding.
orde en netheid
Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat
-de inrichting langs en op het jaagpad diverse materialen, toestellen en voertuigen stalt.
-er in de groenbuffer van perceel 391/2 D materialen worden gestald.
-het hekwerk en een poort ter hoogte van perceel 391/2 D en het jaagpad ontbreekt.
De exploitant geeft aan dat de voertuigen, toestellen en materialen zullen worden verwijderd en dat de hekwerk en poort zal hersteld worden.
Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat een bewijs van de aanpassing dient te worden bezorgd aan de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 015627-003/KH/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
aspect gecoördineerde voorwaarden
In dossier 3099/E/3 werden een aantal voorwaarden opgenomen. Deze werd hieronder besproken.
1. De voorwaarden van het Departement Brandweer, Afdeling Brandpreventie (bijlage 1).
Deze voorwaarde wordt aangepast met de verwijzing naar het nieuwe advies van de Brandweer.
2. Binnen de 6 maanden na het verlenen van de milieuvergunning moeten volgende documenten worden bezorgd aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent, met vermelding van het dossiernummer:
- de bewijzen dat alle gevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten voldoende zijn ingekuipt of voorzien zijn van een lekbak met een voldoende opvangcapaciteit.
- de bewijzen dat de gevaarlijke producten opgenomen in de inventarisatielijst op een correcte manier verwijderd werden aan de hand van attesten
Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat de meeste producten worden opgeslagen in lekbakken (uitgezonderd in het magazijn binnen). De attesten voor verwijdering van gevaarlijke producten werd niet gecontroleerd.
Deze voorwaarde wordt behouden en hernummerd.
3. Vóór 15 juni 2009 bezorgt de exploitant aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent, met vermelding van het dossiernummer:
- de bewijzen dat de bovengrondse tanks van motorolie, hydraulische olie en afvalolie conform de vigerende voorwaarden van het Vlarem II worden gebruikt.
Keuringsattesten van een beperkt onderzoek werden bekomen. Op de keuringsattesten staan er wel opmerkingen vermeld rond de aanwezigheid van olie in de opvangbak en daarnaast zijn de tanks van 1995 er dient bijgevolg een algemeen onderzoek te gebeuren.
Deze voorwaarde wordt behouden.
4. Luidruchtige activiteiten in de werkplaats moeten steeds gebeuren met gesloten poorten en deuren.
Deze voorwaarde wordt behouden en hernummerd.
5. De volgende bijzondere lozingsnormen zijn van toepassing voor het bedrijfsafvalwater:
- P: 10 mg/l
- Zn: 2 mg/l
- Cu: 0.5 mg/l
- Pb: 0.5 mg/l
- Ni: 0.5 mg/l
De overige parameters mogen slechts geloosd worden in concentraties beneden de milieukwaliteitsnorm voor oppervlaktewater.
Deze voorwaarde wordt behouden en hernummerd.
6. Binnen een termijn van 6 maanden na het verlenen van de milieuvergunning dient het bewijs geleverd te worden aan de Dienst Milieutoezicht van de stad Gent dat er is voldaan aan artikel 4.1.3.1. van Vlarem II met betrekking tot het onderhoud en het zindelijk houden van de inrichting.
Deze voorwaarde wordt geschrapt en aangepast zoals besproken wordt bij ‘orde en netheid’.
Stedenbouwkundige handelingen
In de aanvraag worden geen stedenbouwkundige handelingen aangevraagd. Er wordt dus aangenomen dat de aanvraag zich situeert binnen de afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen.
Het opgenomen plan (voor perceel 2/2S) komt niet overeen met het stedenbouwkundig vergunde plan (en de situatie ter plaatsen). Voor dit perceel werd volgend plan vergund:
Op de plannen staat dat heel het perceel, op een kleine zone aan de toegang, een ‘zachte bodem’ heeft. Op de huidige plannen staat een grote zone waterdoorlatende verharding getekend, dit komt niet overeen met de realiteit en de vergunde situatie.
Volgende stedenbouwkundige voorwaarde zijn van toepassing:
1. Het plaatsen van materiaal of materieel wordt enkel toegelaten binnen de rood aangeduide zone op het inplantingsplan.
2. Rondom deze zone dient een afsluiting van ten minste 2 m hoogte te worden geplaatst. Aan de zijde langs de Schelde dient deze afsluiting te worden voorzien van een wintergroene begroeiing.
3. Het plaatsen van materiaal of materieel hoger dan 5 m wordt niet toegelaten. De metalen silo (met een hoogte van 12 m) dient te worden verplaatst naar een andere zone.
Er mogen geen stedenbouwkundige handelingen gebeuren zonder vergunning. De voorwaarde uit de stedenbouwkundige vergunning dienen te worden nageleefd. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | bestaande, vergunde bovengrondse opslagtank 4.000 l afvalolie bijkomende opslag 3.000 l olie in vaten | Verandering | 7000 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Brandstofverdeelinstallaties voor de verdeling van de in rubriek 17.3.6.1 bedoelde vloeistoffen met maximaal 2 verdeelslangen | Verandering | 2 verdeelslangen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Bestelwagens, kranen, camions, heftruck, wiellader/graafmachines, aanhangwagens, wals | Nieuw | 20 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | brug werd verwijderd | Verandering | -1 stuk |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Bijkomende opslag van samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen in verplaatsbare recipiënten | Verandering | 300 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | - 4.000 L afvalolie in bovengrondse vast opgestelde tank (opgenomen in 6.4.1), + een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 10.000 L, + een bovengrondse mobiele mazouttank van 3.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 2.400 L => + 11.400 L | Verandering | 9,576 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvetter in vaten | Nieuw | 0,4 ton |
17.3.4.1°b) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van surfactant in zowel bidons als in vaten | Nieuw | 2 ton |
17.3.6.1°b) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een gebied ander dan industriegebied | bijkomende opslag koelvloeistof | Verandering | 1,45 ton |
17.3.7.1°b) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | Nieuw | 0,85 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | + verven | Verandering | 150 liter |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20201202-0024) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewaterlichaam (tot en met 2 m³/uur) - 1,99 m³/uur | klasse 2 | 1,99 m³/uur |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 15.800 liter bestaande uit diverse oliën waarvan 2.400 l motorolie en 2.400 l hydraulische olie in twee afzonderlijke bovengrondse tanks, 7.000 l olie in vaten, 4.000 l afvalolie in een bovengrondse opslagtank | klasse 3 | 15800 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Brandstofverdeelinstallaties voor de verdeling van de in rubriek 17.3.6.1 bedoelde vloeistoffen met maximaal 3 verdeelslangen | vlarebo : B | klasse 2 | 3 verdeelslangen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Bestelwagens, kranen, camions, heftruck, wiellader/graafmachines, aanhangwagens, wals | klasse 3 | 20 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | Herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) - niet in rubriek 15.3 of 15.5 ingedeeld - 1 schouwput | vlarebo : A | klasse 3 | 1 stuk |
15.4.2°a) | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan het industriegebied waarin minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen | Niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van minder dan 10 voertuigen en hun aanhangwagens per dag (andere dan rubriek 15.5) volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied - maximum 9 voertuigen | klasse 3 | 9 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Opslag samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | 1300 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag omvat een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 10.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 3.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 2.400 L en een ondergrondse mazouttank van 7.500 L (1 compartiment) - 22.900 L | klasse 3 | 19,236 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvetter in vaten | klasse 3 | 0,4 ton |
17.3.4.1°b) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van surfactant in zowel bidons als in vaten | klasse 3 | 2 ton |
17.3.6.1°b) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | klasse 3 | 1,65 ton |
17.3.7.1°b) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | klasse 3 | 0,85 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag gevaarlijke stoffen in verpakkingen van maximaal 30 l of 30 kg (vanaf 50 kg of 50 l tot 5.000 kg of 5.000 l) - 2.000 l of 2.000 kg | klasse 3 | 2150 liter |
29.5.2.1°b) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en/of mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (van 5 kW tot en met 100 kW) | Smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en/of mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal (van 5 kW tot en met 100 kW) indien volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied - 15,5 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 15,5 kW |
29.5.7.1°a)2) | ontvetten van metalen (andere dan rubriek 15.5) door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55 °C, wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (inhoud baden van 10 l tot en met 300 l) | Ontvetten van metalen (andere dan rubriek 15.5) door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (inhoud baden van 10 l tot en met 300 l) - 200 l | vlarebo : O | klasse 3 | 200 liter |
TERMIJN
De gevraagde vergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit kan verleend worden voor een termijn tot en met 22 april 2029 zoals opgenomen in de basis vergunning.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een herstellingswerkplaats van materieel voor bagger- en grondwerkmachines en tijdelijke opslagruimte van diverse bouwmaterialen nodig voor het uitoefenen van het aannemingsbedrijf aan GHENT DREDGING nv (O.N.:0415953915) gelegen te Nieuwescheldestraat 2, 9052 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit Ghent Dredging NV met inrichtingsnummer 20201202-0024 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | bestaande, vergunde bovengrondse opslagtank 4.000 l afvalolie bijkomende opslag 3.000 l olie in vaten | Verandering | 7000 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Brandstofverdeelinstallaties voor de verdeling van de in rubriek 17.3.6.1 bedoelde vloeistoffen met maximaal 2 verdeelslangen | Verandering | 2 verdeelslangen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Bestelwagens, kranen, camions, heftruck, wiellader/graafmachines, aanhangwagens, wals | Nieuw | 20 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | brug werd verwijderd | Verandering | -1 stuk |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Bijkomende opslag van samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen in verplaatsbare recipiënten | Verandering | 300 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | - 4.000 L afvalolie in bovengrondse vast opgestelde tank (opgenomen in 6.4.1), + een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 10.000 L, + een bovengrondse mobiele mazouttank van 3.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 2.400 L => + 11.400 L | Verandering | 9,576 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvetter in vaten | Nieuw | 0,4 ton |
17.3.4.1°b) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van surfactant in zowel bidons als in vaten | Nieuw | 2 ton |
17.3.6.1°b) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een gebied ander dan industriegebied | bijkomende opslag koelvloeistof | Verandering | 1,45 ton |
17.3.7.1°b) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | Nieuw | 0,85 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | + verven | Verandering | 150 liter |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20201202-0024) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewaterlichaam (tot en met 2 m³/uur) - 1,99 m³/uur | klasse 2 | 1,99 m³/uur |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 15.800 liter bestaande uit diverse oliën waarvan 2.400 l motorolie en 2.400 l hydraulische olie in twee afzonderlijke bovengrondse tanks, 7.000 l olie in vaten, 4.000 l afvalolie in een bovengrondse opslagtank | klasse 3 | 15800 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Brandstofverdeelinstallaties voor de verdeling van de in rubriek 17.3.6.1 bedoelde vloeistoffen met maximaal 3 verdeelslangen | vlarebo : B | klasse 2 | 3 verdeelslangen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Bestelwagens, kranen, camions, heftruck, wiellader/graafmachines, aanhangwagens, wals | klasse 3 | 20 voertuigen |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | Herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) - niet in rubriek 15.3 of 15.5 ingedeeld - 1 schouwput | vlarebo : A | klasse 3 | 1 stuk |
15.4.2°a) | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan het industriegebied waarin minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag worden gewassen | Niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van minder dan 10 voertuigen en hun aanhangwagens per dag (andere dan rubriek 15.5) volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied - maximum 9 voertuigen | klasse 3 | 9 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Opslag samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | 1300 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag omvat een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 10.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 3.000 L, een bovengrondse vast opgestelde mazouttank van 2.400 L en een ondergrondse mazouttank van 7.500 L (1 compartiment) - 22.900 L | klasse 3 | 19,236 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | Opslag van ontvetter in vaten | klasse 3 | 0,4 ton |
17.3.4.1°b) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van surfactant in zowel bidons als in vaten | klasse 3 | 2 ton |
17.3.6.1°b) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | klasse 3 | 1,65 ton |
17.3.7.1°b) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is in een gebied ander dan industriegebied | Opslag van zowel koelvloeistof als ontvetter in bidons en/of vaten | klasse 3 | 0,85 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag gevaarlijke stoffen in verpakkingen van maximaal 30 l of 30 kg (vanaf 50 kg of 50 l tot 5.000 kg of 5.000 l) - 2.000 l of 2.000 kg | klasse 3 | 2150 liter |
29.5.2.1°b) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en/of mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (van 5 kW tot en met 100 kW) | Smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en/of mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal (van 5 kW tot en met 100 kW) indien volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied - 15,5 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 15,5 kW |
29.5.7.1°a)2) | ontvetten van metalen (andere dan rubriek 15.5) door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55 °C, wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (inhoud baden van 10 l tot en met 300 l) | Ontvetten van metalen (andere dan rubriek 15.5) door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C, wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied (inhoud baden van 10 l tot en met 300 l) - 200 l | vlarebo : O | klasse 3 | 200 liter |
Verleent de ingedeelde inrichting of activiteit voor een termijn tot en met 22 april 2029 zoals opgenomen in de basis vergunning.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
Reiniging van verharding
De aanvrager dient ervoor te zorgen dat de verharding op de site te allen tijde gereinigd is, zodat deze gevaarlijke stoffen bij eventuele overstromingen niet in het oppervlaktewater terechtkomen.
Groenbuffer
-Ter hoogte van perceel 391/2 D is een groenbuffer aanwezig/vergund. Er mag geen materialen worden gestald in deze zone. Tijdens het eerstvolgende plantseizoen dienen extra streekeigen aanplantingen moeten worden gedaan om de groenbuffer te herstellen.
-Ter hoogte van perceel 2/2 en het jaagpad is er een bouwvrije zone van 4 m vergund. In deze zone mogen geen materialen gestald worden en dient in het eerstvolgende plantseizoen een streekeigen wintergroene voldoende dense groenbuffer aangeplant worden.
Mobiele tank
Binnen een termijn van 6 maanden dient de mobiele tank (3 000 l – 2 520 kg) voorzien zijn van een permanent lekdetectiesysteem met akoestisch en visueel alarm en dient een algemeen onderzoek te worden uitgevoerd op de tank.
Opslag gevaarlijke producten in magazijn
Binnen een termijn van 6 maanden dient een bewijs van aanpassing van de opslag van gevaarlijke producten (spuitbussen, verven, …) in een rek met inkuipingen te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Tankpiste 1
Er mag enkel getankt worden op verharding die aangesloten is op de KWS-afscheider. De zone voor te tanken dient duidelijk aangeduid te worden en vrij te zijn van gestalde materialen.
Tankpiste 2
Binnen een termijn van 6 maanden dient een bewijs (foto, facturen…) van aanpassing van de afwatering van tankpiste 2 en aansluiting op de KWS te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Tankpiste en spills
Op de site dienen spill kits (voor land en op het water) aanwezig te zijn, die bij incidenten gebruikt moeten worden.
Ieder incident waarbij mogelijk oppervlaktewaterverontreiniging ontstaat dient binnen de 24 uur gemeld worden aan RIS (0800/40 330 of ris@vlaamsewaterweg.be).
Motoren
Om de geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van de bedrijfsvoertuigen (productie, bestellingen en leveringen, ...) tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd te worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.m.
Orde en netheid
Binnen een termijn van 6 maanden dient de exploitant de materalen, toestellen en voertuigen op en langs het jaagpad te verwijderen en dient de afsluiting ter hoogte van het jaagpad van perceel 391/2 te worden hersteld. Een bewijs van aanpassingen dient te worden bezorgd aan de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Perceel 2/2S
Het opgenomen plan (voor perceel 2/2S) komt niet overeen met het stedenbouwkundig vergunde plan (en de situatie ter plaatsen). Op de plannen staat dat heel het perceel, op een kleine zone aan de toegang, een ‘zachte bodem’ heeft.
Er mogen geen stedenbouwkundige handelingen gebeuren zonder vergunning. De voorwaarde uit de stedenbouwkundige vergunning dienen te worden nageleefd:
1. Het plaatsen van materiaal of materieel wordt enkel toegelaten binnen de rood aangeduide zone op het inplantingsplan.
2. Rondom deze zone dient een afsluiting van ten minste 2 m hoogte te worden geplaatst. Aan de zijde langs de Schelde dient deze afsluiting te worden voorzien van een wintergroene begroeiing.
3. Het plaatsen van materiaal of materieel hoger dan 5 m wordt niet toegelaten. De metalen silo (met een hoogte van 12 m) dient te worden verplaatst naar een andere zone.
Brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 015627-003/KH/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:
1. Binnen de 6 maanden na het verlenen van de milieuvergunning moeten volgende documenten worden bezorgd aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent, met vermelding van het dossiernummer:
- de bewijzen dat alle gevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten voldoende zijn ingekuipt of voorzien zijn van een lekbak met een voldoende opvangcapaciteit.
- de bewijzen dat de gevaarlijke producten opgenomen in de inventarisatielijst op een correcte manier verwijderd werden aan de hand van attesten
2. Vóór 15 juni 2009 bezorgt de exploitant aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent, met vermelding van het dossiernummer:
- de bewijzen dat de bovengrondse tanks van motorolie, hydraulische olie en afvalolie conform de vigerende voorwaarden van het Vlarem II worden gebruikt.
Keuringsattesten van een beperkt onderzoek werden bekomen. Op de keuringsattesten staan er wel opmerkingen vermeld rond de aanwezigheid van olie in de opvangbak en daarnaast zijn de tanks van 1995 er dient bijgevolg een algemeen onderzoek te gebeuren.
3. Luidruchtige activiteiten in de werkplaats moeten steeds gebeuren met gesloten poorten en deuren.
4. De volgende bijzondere lozingsnormen zijn van toepassing voor het bedrijfsafvalwater:
- P: 10 mg/l
- Zn: 2 mg/l
- Cu: 0.5 mg/l
- Pb: 0.5 mg/l
- Ni: 0.5 mg/l
De overige parameters mogen slechts geloosd worden in concentraties beneden de milieukwaliteitsnorm voor oppervlaktewater.
Reiniging van verharding
De aanvrager dient ervoor te zorgen dat de verharding op de site te allen tijde gereinigd is, zodat deze gevaarlijke stoffen bij eventuele overstromingen niet in het oppervlaktewater terechtkomen.
Groenbuffer
-Ter hoogte van perceel 391/2 D is een groenbuffer aanwezig/vergund. Er mag geen materialen worden gestald in deze zone. Tijdens het eerstvolgende plantseizoen dienen extra streekeigen aanplantingen moeten worden gedaan om de groenbuffer te herstellen.
-Ter hoogte van perceel 2/2 en het jaagpad is er een bouwvrije zone van 4 m vergund. In deze zone mogen geen materialen gestald worden en dient in het eerstvolgende plantseizoen een streekeigen wintergroene voldoende dense groenbuffer aangeplant worden.
Mobiele tank
Binnen een termijn van 6 maanden dient de mobiele tank (3 000 l – 2 520 kg) voorzien zijn van een permanent lekdetectiesysteem met akoestisch en visueel alarm en dient een algemeen onderzoek te worden uitgevoerd op de tank.
Opslag gevaarlijke producten in magazijn
Binnen een termijn van 6 maanden dient een bewijs van aanpassing van de opslag van gevaarlijke producten (spuitbussen, verven, …) in een rek met inkuipingen te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Tankpiste 1
Er mag enkel getankt worden op verharding die aangesloten is op de KWS-afscheider. De zone voor te tanken dient duidelijk aangeduid te worden en vrij te zijn van gestalde materialen.
Tankpiste 2
Binnen een termijn van 6 maanden dient een bewijs (foto, facturen…) van aanpassing van de afwatering van tankpiste 2 en aansluiting op de KWS te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Tankpiste en spills
Op de site dienen spill kits (voor land en op het water) aanwezig te zijn, die bij incidenten gebruikt moeten worden.
Ieder incident waarbij mogelijk oppervlaktewaterverontreiniging ontstaat dient binnen de 24 uur gemeld worden aan RIS (0800/40 330 of ris@vlaamsewaterweg.be).
Motoren
Om de geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van de bedrijfsvoertuigen (productie, bestellingen en leveringen, ...) tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties moeten stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.m.
Orde en netheid
Binnen een termijn van 6 maanden dient de exploitant de materalen, toestellen en voertuigen op en langs het jaagpad te verwijderen en dient de afsluiting ter hoogte van het jaagpad van perceel 391/2 te worden hersteld. Een bewijs van aanpassingen dient te worden bezorgd aan de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Perceel 2/2S
Het opgenomen plan (voor perceel 2/2S) komt niet overeen met het stedenbouwkundig vergunde plan (en de situatie ter plaatsen). Op de plannen staat dat heel het perceel, op een kleine zone aan de toegang, een ‘zachte bodem’ heeft.
Er mogen geen stedenbouwkundige handelingen gebeuren zonder vergunning. De voorwaarde uit de stedenbouwkundige vergunning dienen te worden nageleefd:
Volgende stedenbouwkundige voorwaarde zijn van toepassing:
1. Het plaatsen van materiaal of materieel wordt enkel toegelaten binnen de rood aangeduide zone op het inplantingsplan.
2. Rondom deze zone dient een afsluiting van ten minste 2 m hoogte te worden geplaatst. Aan de zijde langs de Schelde dient deze afsluiting te worden voorzien van een wintergroene begroeiing.
3. Het plaatsen van materiaal of materieel hoger dan 5 m wordt niet toegelaten. De metalen silo (met een hoogte van 12 m) dient te worden verplaatst naar een andere zone.
Brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 015627-003/KH/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
KWS-afscheider
De KWS-afscheider dient 3 maandelijks geïnspecteerd worden. Dit dient bijgehouden worden in een logboek.
De exploitant wordt er op gewezen dat bijlage 5.17.7 van Vlarem II ‘Bouw en controle van een systeem om overvulling te voorkomen; KWS-afscheiders en andere opvangsystemen’ onlangs gewijzigd is. Uiterlijk 1 januari 2028 dienen alle KWS-afscheiders aan de bepalingen te voldoen.
Vlarebo
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 10 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
Fietsparkeerplaatsen
We vragen wel aandacht voor comfortabele fietsparkeerplaatsen in functie van het duurzaam verplaatsen van de werknemers.