Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
De heer Kurt Vandermoere met als contactadres Elshout 35, 9031 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024146609) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 13 november 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het hernieuwen en veranderen van een gemengde veehouderij
• Adres: Elshout 35, 9031 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 27 sectie C nrs. 316D en 320D
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 7 januari 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 28 maart 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het hernieuwen en veranderen van een gemengde veehouderij (runderen en schapen). De vergunning van het bedrijf liep tot 16/12/2024. Het bedrijf betreft een melkveebedrijf voor runderen, de schapen worden voor het vlees gehouden.
De vergunde bestaande toestand bestond uit:
- groenvoeder silo 850 m³
- stal GZD1: 43 melkkoeien, 540 m³ mestkelder
- stal GZD3/GZD2:26 melkkoeien, 32 runderen < 1 jaar, 30 runderen 1-2 jaar, 120 m³ mestkelder
- stal AZD1: 60 schapen
- stal AZD2/GZD4: 40 schapen, 12 runderen < 1 jaar, 50 m³ mestkelder
- 120 m³ vaste mest en 297 m³ mestkelder
Totaal: 143 runderen, 100 schapen en 1 127 m³ mestopslag.
Met deze hernieuwing wordt dezelfde stal/stalindeling als de vergunde situatie aangevraagd.
De inrichting ligt gedeeltelijk in agrarisch gebied en gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter. De aanvrager geeft aan dat de lijn van het woongebied met landelijk karakter voorheen verkeerd getekend op het plan. De lijn loopt nu niet meer tussen stal GZD1 en stal AZD1/GZD2/GZD3, maar door de stal AZD1/GZD2/GZD3.
Volgende stallen/mestopslag liggen in agrarisch gebied:
- stal GZD1: 43 melkkoeien, 540 m³ mestkelder
- 120 m³ vaste mest en 297 m³ mestkelder
Volgende stallen/mestopslag liggen in woongebied met landelijk karakter:
- stal AZD2/GZD4: 40 schapen, 12 runderen < 1 jaar, 50 m³ mestkelder
Volgende stallen/mestopslag liggen in zowel agrarisch gebied als woongebied met landelijk karakter
- stal GZD3/GZD2: 26 melkkoeien, 32 runderen < 1 jaar, 30 runderen 1-2 jaar, 120 m³ mestkelder
- stal AZD1: 60 schapen
Stal GZD1 ligt in agrarisch gebied, stal AZD2/GZD4 ligt in woongebied met landelijk karakter en stal AZD1/GZD2/GZD3 ligt gedeeltelijk in agrarisch gebied en gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter, daarom worden in de rubrieken tabel alle runderen uit stal GZD2/GZD3 (88 runderen) zowel in woongebied met landelijke karakter (9.4.3.b)1°- totaal 100) als agrarisch gebied (9.4.3.c)1° totaal 131) opgenomen en worden alle schapen uit stal AZD1 (60 schapen) zowel in woongebied met landelijke karakter (9.6.b)1°- totaal 60) als agrarisch gebied (9.6.c)1° totaal 100) opgenomen. In de rubriekenlijst is verkeerdelijk 100 schapen opgenomen, dit wordt aangepast.
Ook voor de mestopslag wordt de hoeveelheid opgesplits 540 m³ (onder stal GZD1), mestvaalt (met 120 m³ vaste mest) en mestkelder (297 m³) in agrarisch gebied, 50 m³ (onder stal AZD2/GZD4) in woongebied met landelijk karakter en de opslag van 120 m³ mengmest (onder stal AZD1/GZD2) wordt zowel opgenomen in de rubrieken in woongebied met landelijk karakter (28.2.b1- totaal 170 m³) als agrarisch gebied (28.2.c2°. ²- totaal 1077 m³) opgenomen.
Volgende wijzigingen worden doorgevoerd in de vergunning:
- de vergunde opslag mazout in tank van 2 000 l wordt aangepast naar een tank van 1 000 l;
- het debiet van de grondwaterwinning wordt uitgebreid met 787 m³/jaar tot 3 155 m³/jaar.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | klasse 3 | Hernieuwing | 1 verdeelslang |
9.4.3.b)1° | stallen voor inheemse grote zoogdieren in een woongebied met landelijk karakter (10 tot en met 200 gespeende dieren) | herschikking, hernieuwing (opname van volledige stal die deel in AG en deel is WLK gelegen is) | klasse 2 | Verandering | 0 plaatsen |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | +88 plaatsen door ingave volledige stal die deels in AG ligt en deels in Wlk | klasse 2 | Verandering | 88 plaatsen |
9.6.b)1° | met plaatsen voor 25 tot en met 400 gespeende dieren in woongebied met landelijk karakter | klasse 2 | Hernieuwing | 100 plaatsen |
9.6.c)1° | met plaatsen voor 50 tot en met 400 gespeende dieren in agrarisch gebied | klasse 2 | Hernieuwing | 100 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | klasse 3 | Hernieuwing | 8 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | vermindering met 0,833 ton mazout (-1000 liter) | klasse 3 | Verandering | -833 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | klasse 3 | Hernieuwing | 100 kg |
28.2.b)2° | opslag dierlijke mest in een woongebied met landelijk karakter (van meer dan 100 m³ tot en met 1 000 m³) | 417 m³ dierlijke mest is gelegen in agrarisch gebied (door correcte intekening van de grens AG/WLK | klasse 2 | Verandering | -417 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | uitbreiding met 537 m³ dierlijke mest in agrarisch gebied door een correcte intekening grens AG/WLK | klasse 3 | Verandering | 537 m³ |
45.4.e)1° | opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van de producten, vermeld in rubriek 48, van 1 ton tot en met 50 ton | klasse 3 | Hernieuwing | 8 ton |
45.14.2° | opslag voor losse granen en voor groenvoeders in een woongebied met landelijk karakter - andere dan rubriek 48 (vanaf 25 m³) | klasse 2 | Hernieuwing | 850 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | uitbreiding met een debiet van 787 m³/jaar | klasse 3 | Verandering | 787 m³/jaar |
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 12/05/1976 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van koestal. (1976 DR 10104)
* Op 18/06/1979 werd een weigering afgeleverd voor het bouwen van een open loods voor landbouw. (KW H-17-79 (1979/10046))
* Op 14/07/1980 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van een veldschuur. (KW H-26-80 (1980/10065))
* Op 27/10/1983 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van sleufsilo. (1983/996(1983/10099))
* Op 13/12/1984 werd een vergunning afgeleverd voor bijbouwen van een zeugenstal. (1984/1410(1984/10122))
* Op 22/12/1987 werd een vergunning afgeleverd voor het rooien van 36 populieren. (1987/1750(87/166dr))
* Op 07/09/1993 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een stroloods, een mestvaalt en een gierkelder. (1993/10063)
* Op 19/09/2007 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een stal voor melkvee. (2007/10081)
* Op 12/12/2013 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van een sleufsilo op het landbouwbedrijf. (2013/10127)
Milieuvergunningen
* Op 16/12/2004 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor de hernieuwing van een landbouwinrichting. (625/E/3)
* Op 02/03/2005 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor overname. (625/E/4)
* Op 12/01/2006 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor overname veehouderij De Baets Vicky door Vandermoeren Kurt. (625/E/5)
* Op 02/08/2007 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het veranderen (door uitbreiden, toevoegen en wijzigen) van een veeteeltbedrijf. (625/E/6)
* Op 13/10/2011 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het veranderen (door wijziging/uitbreiding) van een rundveehouderij. (625/E/7)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Gunstig advies van Agentschap voor Natuur en Bos afgeleverd op 10 februari 2025:
Hierbij werden volgende voorwaarden voorgesteld:
Volgende PAS maatregelen moeten in de vergunning opgenomen:
-PAS R-1.2: mestrobot bij 43 stuks melkvee
-PAS R-1.1: 700u beweiden bij 69 stuks melkvee
- De vergunningverlenende overheid dient ook te controleren of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van de PAS-maatregelen uit de PAS-fiches.
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 13 januari 2025 onder ref. 026880-004/LA/2025:
Besluit: GUNSTIG, mits naleving van de hierboven vermelde maatregelen!
Geen bezwaar van Watering Oude Kale en Meirebeek afgeleverd op 15 januari 2025.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in woongebied met landelijk karakter en agrarisch gebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).
De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven.
Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.
De woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven.
De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Watering Oude Kale en Meirebeek. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
De grondwaterwinning betreft een ingedeelde activiteit. De grondwaterwinning wordt enkel gebruikt voor hoogwaardige toepassingen (drinkwater dieren). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De grondwaterwinning moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verdroging zal voorkomen worden.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
De grondwaterwinning is een ingedeelde activiteit. De impact van de grondwaterwinning wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De winning moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er wordt geen waardevol groen of boom verwijderd. Het betreft een verlenging van de vergunning van een bestaand gemengd veebedrijf.
Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), dient bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan te worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.
In dit dossier is het beoordelingskader voor veehouderijen van toepassing.
Er zijn stikstofemissie afkomstig van veeteelt, volgens de impactscore analyse zijn deze 0,3 %.
Het advies van ANB is voorwaardelijk gunstig:
‘De aanvraag betreft een loutere verlenging tot eind 2030 van een rundvee- en schapenbedrijf. Er wordt voldaan aan de tussentijdse inspanning van 5% emissiedaling. Verder kan er worden afgeleid dat het niet gaat om een piekbelaster.
Conform het Stikstofdecreet is er bijgevolg geen aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen.
Wat de impact op VEN betreft kan men stellen dat conform het VEN-besluit de eventuele schade herstelbaar is gezien de beperkte termijn. Bijgevolg is er geen sprake van onvermijdbare en onherstelbare schade aan VEN.
Het ANB verleent een gunstig advies, maar verwacht wel dat de gevraagde PAS-maatregelen (PAS R-1.2: mestrobot bij 43 stuks melkvee, en PAS R-1.1: 700u beweiden bij 69 stuks melkvee) als voorwaarden worden opgenomen in de vergunning. De vergunningverlenende overheid dient ook te controleren of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van de PAS-maatregelen uit de PAS-fiches.’
De PAS maatregelen worden als bijzondere voorwaarde opgenomen.
De veeteelt wordt verder besproken onder het aspect lucht.
Het huishoudelijk afvalwater wordt momenteel geloosd in oppervlaktewater via een septische put. Het oppervlakte water staat niet direct in verbindingen met speciale beschermingszones of VEN gebieden. De riolering zal op termijn aangesloten worden op een RWZI.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag mits voorwaarden de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag valt onder het toepassingsgebied van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening en heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij dit besluit. Dit wil zeggen dat er voor voorliggend project een project-m.e.r.-screening moet opgemaakt worden.
Een project-m.e.r.-screeningsnota is toegevoegd aan de vergunningsaanvraag. Na onderzoek van de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de mogelijke milieueffecten, wordt geoordeeld dat geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden, zoals ook uit de project-m.e.r.-screeningsnota blijkt. Er kan redelijkerwijze aangenomen worden dat een nieuw project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten, zodat de opmaak ervan dan ook niet noodzakelijk is.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 15 januari 2025 tot en met 13 februari 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect afval
De exploitant zamelt gebruikte fytoverpakking, verpakking van reinigingsmiddelen in en brengt deze terug naar de leverancier. Landbouwplastics en restafval worden opgehaald door een verwerker.
De voortgebrachte afvalstoffen (pmd, papier en karton, folies, ijzer, batterijen en accu's, KGA, glas) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
De krengen mogen niet op het terrein worden begraven. De exploitant heeft een contract met een destructiebedrijf. De kadavers worden op afroep opgehaald door een erkend en vergund destructiebedrijf (Rendac). In afwachting van afvoer worden de krengen conform artikel 5.9.8.4.§4 van Vlarem II bewaard.
Voor het houden van de te vergunnen veestapel dient de exploitant volgens het Mestdecreet over voldoende nutriëntenemissierechten (NER-D) dient te beschikken. Dit wordt als opmerking opgenomen.
De exploitant is vergund voor de opslag van 1 127 m³ mest:
-vaste mestopslag 120 m³:
-mengmest opslag 1 007 m³ onder stal GZD1 (540 m³), AZD1/GZD2 (120 m³), stal AZD2/GZD4 (50 m³) en onder de vaste mestopslag (297 m³)
Volgens de berekening, conform Vlarem II (bijlage 5.28, hoofdstuk 7) is er een noodzakelijke mestopslagcapaciteit van
-stalmest van 132 m³ voor 3 maanden
-mengmest 649 m³ voor 6 maanden
In het dossier wordt aangegeven dat de stalmest in de stroboxen (ruimte 40 m³) wordt gehouden. Deze mestopslag is mogelijk maar niet vergunningsplichtig.
Er is voldoende mestopslagcapaciteit
Het bedrijf gebruikt de mest zelf op eigen weide en akkers en via burenregeling bij collega landbouwers, dit wordt doorgegeven aan de Mestbank.
Aspect afvalwater
De inrichting ligt in collectief te optimaliseren buitengebied volgens het zoneringsplan van Stad Gent.
Het huishoudelijk afvalwater van de woning wordt geloosd via een septische put in een gracht. Bij de aanleg van een rioleringstelsel in de straat dient het huishoudelijk afvalwater via een septische put aangesloten te worden op de DWA-riolering. Dit wordt als opmerking opgenomen.
De lozing van huishoudelijk afvalwater is minder dan 600 m³/jaar en is niet ingedeeld volgens bijlage I van Vlarem II.
Het reinigingswater van de stallen en de melktank wordt opgevangen in de mestkelders en uitgespreid op het land. Er wordt geen bedrijfsafvalwater geloosd.
Aspect grondwater
De exploitant is momenteel vergund voor het oppompen van 2 368 m³ grondwater per jaar. Er wordt een uitbreiding gevraagd tot 3 155 m³ jaar.
Het grondwater wordt gebruikt als drinkwater voor de dieren en als reinigingswater voor de melkmachine en voor huishoudelijke doeleinden.
Het grondwater wordt onttrokken uit 1 boorput van 3 m diepte in het Quartair (HCOV 0100) een freatisch watervoerende laag.
De inrichting is niet aangesloten is op het leidingwaternet. Volgende hoogwaardige waterbehoefte zijn er op het landbouwbedrijf:
-schapen: 100 x 0,27 m³/jaar = 27 m³/jaar
-melkvee: 69 x 29,2 m³/jaar = 2 014,8 m³/jaar
-jonvee <1 jaar= 44 x 5,4 m³/jaar= 237 m³/jaar
-jonvee 1-2 jaar= 30 x 11,7 m³/jaar= 351 m³/jaar l
-gedomicileerden: 3 x 30 m³/jaar= 90 m³/jaar
-reiniging melkstand: 69 x 6,3 m³/jaar= 434,7 m³/jaar
Er is een totale hoogwaterbehoefte van 3 155,1 m³/jaar.
Het gevraagde debiet kan toegestaan worden.
Voor laagwaardige toepassingen zoals reinigen van de stallen en het het besproeien van planten dient prioritair regenwater gebruikt te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Tijdens plaatsbezoek wordt vast gesteld dat de grondwaterwinning niet uitgerust is met een debietmeter (en aftapkraantje) conform artikel 5.53.3.1 van Vlarem II. De exploitant geeft aan dat deze verwijderd werd na een verstopping. Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning een bewijs (foto, factuur) van plaatsing van de debietmeter voor het eerste aftappunt gestuurd moet worden naar de dienst Toezicht (Toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
De grondwaterwinning moet aangelegd, gewijzigd, verbouwd en geëxploiteerd worden volgens de regels van goed vakmanschap zoals opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning vastgesteld in bijlage 5.53.1 van Vlarem II. Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning mag enkel gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect hemelwater
Het dakoppervlakte van alle stallen is aangesloten op een hemelwaterput van 48 m3. Een pomp en aftappunt is beschikbaar in de stallen. Het hemelwater wordt gebruikt voor laagwaardige toepassingen zoals reiniging van de stallen
Aspect bodem
Tank-tankpiste
De exploitant vraagt de vergunning aan voor een nieuwe opslag tank van 2 000 l met verdeelinstallatie.
Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat er momenteel getankt wordt uit een tank van 1 000 l die onder een klein afdak is gesitueerd langs stal GZD2/GZD3. Voor deze tank kon een keuringsattest worden voorgelegd. De exploitant geeft aan dat er een nieuwe tank van 2 000 l zal geplaatst worden (zodra de bestaande tank leeg is) in de stal GZD2/GZD3 zoals aangegeven op de plannen.
Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat binnen een termijn van 6 maanden na het verlenen van de vergunning volgende bewijsstukken opgestuurd worden naar de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer:
-een keuringsbewijs van een beperkt onderzoek waarin de nieuwe tank van 2 000 l wordt goedgekeurd;
-een foto van de locatie van de tank en plaats waar de voertuigen worden getankt;
-een bewijs van buitengebruik stelling en afvoer van de mazouttank van 1 000 l.
De verlaadoperaties (vullen van de houder en bevoorrading bij de verdeelpomp) moet plaatsvinden op een vloeistofdichte standplaats. De verlaadprocedure dient gekend te zijn bij zowel de exploitant/toezichter als de bestuurder van de tankwagen. De aanwezige beschermings- en preventieve maatregelen moeten gekend zijn bij de gebruikers van de zone. Voldoende absorptiematerialen dienen aanwezig te zijn om in geval van lekken snel te kunnen ingrijpen of te beperken dat de stoffen zich verspreiden naar de omgeving. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Het onderhoud en wassen van voertuigen gebeurt niet op de inrichting.
Gevaarlijke producten
Er worden 100 l gevaarlijke producten (reinigingsmiddel) in kleine verpakkingen (rubriek 17.4) opgeslagen. Alle vaten en bussen moeten ingekuipt zijn. Dit betekent dat de bussen of vaten op een lekbak staan (rooster met een vloeistofdichte bak onder, bvb. in metaal). Binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning, dient aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) van de Stad Gent moet aangetoond (met vermelding van het dossiernummer) worden dat de opslag van alle gevaarlijke producten in of op een lekbak/inkuiping gebeurt.
Mestvaalt
De vaste mest wordt opgeslagen op een mestvaalt. Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat er maar 2 wanden aanwezig zijn. Daarnaast loopt niet alle mestsappen naar de onderliggende mestkelder, er is run off naar omliggende groenzones aan beide zijde van de mestvaalt.
De 3de wand dient onmiddellijk aangelegd en aan de overstaande zijde dient een afvoergoot (naar mestkelder) of een opstaande wand voorzien worden zodat er geen run off meer is. Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat een bewijs (foto’s) van aanpassing binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning te worden bezorgd aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) van de Stad Gent (met vermelding van het dossiernummer).
Stallen en mestkelders
De dieren worden gehouden in verharde stallen. Onder stallen en mestvaalt bevindt zich 4 mestkelders.
De exploitant met zorgen voor de goede staat van de inrichting inzonderheid van de stallen en de opslagplaatsen voor mest en toebehoren, door een regelmatig onderhoud en controle. De mogelijke vloeistoflekken die aanleiding geven tot bodemverontreiniging of tot verspreiding in het oppervlaktewater, het grondwater of op naburige eigendommen dienen te worden vermeden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Groenvoedersilo’s
Op basis van het dossier worden groenvoeders opgeslagen op de inrichting in 3 silo’s. De silosappen en het hemelwater wordt voor de groenvoedersilo gelegen in agrarisch gebied opgevangen aan het uiteinde van de betonplaat in een citern van 10 m³. De citernen worden regelmatig leeg getrokken en geloosd in de mestkelder.
Voor de 2 silo’s gelegen in woongebied met landelijk karakter worden de silosappen niet opgevangen.
Tijdens plaatsbezoek wordt vastgesteld dat
-de bodem van de groenvoedersilo in agrarisch gebied ontbreekt
-de exploitant groenvoeders ook nog opslaat onder een zeil achter stal GZD1.
Er mag geen run-off van silosappen zijn naar de omgeving.
Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen, dat binnen een termijn van 6 maanden een bewijs van volgende aanpassingen dient gestuurd aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) van de Stad Gent (met vermelding van het dossiernummer):
-de bodem van de groenvoedersilo gelegen in agrarisch gebied dient opnieuw aangelegd;
-de afvoer van de silosappen van de groenvoedersilo’s gelegen in woongebied met landelijk karakter dient opgevangen worden in een voldoende grote citern die regelmatig wordt leeggehaald.
Melktank
De melkkoeltank (3 kW) wordt opgeslagen in een apart lokaal voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het reinigingswater van de melktank wordt opgevangen en afgevoerd naar de mestkelder.
Aspect mobiliteit
De bedrijfsvoering verandert niet, in de te hernieuwen situatie zal het aantal transporten niet echt wijzigen. Jaarlijks wordt het aantal transporten op ongeveer 352 transporten van zwaardere vrachtwagens en 300 transporten van lichtere vrachtwagens geschat.
Er worden 8 landbouwvoertuigen en aanhangwagens gestald.
De parkeerdruk moet ten allen tijde op eigen terrein opgevangen worden. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect geluid
Volgende activiteiten kunnen aanleiding geven tot geluidshinder
-koelinstallatie melktank
-dieren
-aan- en afrijden van voertuigen
-persluchtcompressor
De melkkoeltank staat binnen opgesteld. De koelinstallatie wordt periodiek onderworpen aan onderhoud en lekdichtheidscontroles. Een logboek wordt bijgehouden.
De dieren worden deels op de weide, deels in gesloten stallen gehouden. De stallen worden natuurlijk verlucht.
Het betreft een bestaand bedrijf, zonder uitbreiding van bijkomende transporten.
De exploitant gebruikt een perscompressor van 1,1 kW (niet ingedeeld) . Het toestel staat binnen opgesteld en wordt slechts af en toe gebruikt.
Er zijn geen klachten gekend en tijdens het openbaar onderzoek werden er geen bezwaren ingediend. Er zijn slechts een aantal woningen in de directe omgeving. Er kan aangenomen worden dat de geluidshinder zich tot een minimum beperkt.
Aspect lucht
Ammoniak-emissie
Volgende uitstoot wordt berekend voor de stallen:
- stal GZD1: 43 melkkoeien, 452,79 kg NH3/jaar en 6,36 kg PM10/jaar
- stal GZD2: 26 melkkoeien, 321,1 kg NH3/jaar en 3,84 kg PM10/jaar
- stal GZD3: 62 jongvee <2 jaar, 272,8 kg NH3/jaar en 2,36 kg PM10/jaar
- stal GZD4: 12 jongvee <2 jaar, 52,8 kg NH3/jaar en 0,46 kg PM10/jaar
- stal AZD1: 60 schapen >1 jaar, 42 kg NH3/jaar
- stal AZD2: 40 schapen >1 jaar, 28 kg NH3/jaar
Totaal: 1 169,5 kg NH3/jaar en 13 kg PM10/jaar, waarvan 1099,49 kg NH3/jaar voor runderen.
Voor de runderen worden een een reductie van ammoniakemissie voorzien door het toepassen van pasmaatregelen:
-PAS R-1.1. Beweiden in groep, looppaden niet volledig voorzien van dichte vloer (minimum 700 urenbeweiden) op alle melkkoeien
-PAS R-1.2. Loopvloer reinigen met mestschuif of mestrobot (minimum 10 keer per dag) in de GZD1 (43 melkkoeien).
Zonder deze PAS maatregelen zou de ammoniak emissie voor de runderen 1222,6 kg zijn.
De exploitant geeft aan dat hij beschikt over ongeveer 10 ha gronden voor beweiding en dat de beweidingsuren momenteel al opgenomen worden in logboek.
Op de inrichting is nog geen mestrobot aanwezig. Als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat binnen een termijn van 1 jaar na het verlenen van de vergunning dient een bewijs van aankoop van een mestrobot, een onderhoudscontract en registratieapparatuur bezorgd te worden aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
De emissie in referentiejaar 2021 voor de runderen betrof 1 194 kg/jaar. De bekomen reductie betreft momenteel 94,51 kg NH3/jaar (8 %). Er wordt voldaan aan de tussentijdse reductie voor rundveehouderijen.
Om aan de PAS-referentie 2030 te voldoen moet er een reductie van -25% gehaald worden. Deze wordt nog niet gehaald, waardoor de vergunning kan verleend worden tot eind 2030, zoals aangevraagd.
Geur
De mengmest wordt opgeslagen in mestkelders onder gesloten stallen of mestvaalt. De runderen/schapen worden gehouden in ingestrooide stallen.
Tijdens plaatsbezoek wordt er geen geurhinder waargenomen.
Motoren
Om de geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van de bedrijfsvoertuigen (productie, bestellingen en leveringen, ...) tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties moeten stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.m. Dit wordt als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen.
Koelinstallatie
Het gebruikte koelmiddel in de koelinstallatie is 6 kg R422D (HFK).
R422D heeft een GWP van 2730.
Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
Het bijvullen van installaties gevuld met een HFK met een GWP > 2.500 is vanaf 1 januari 2020 alleen nog toegestaan met geregenereerd / gerecycleerd koudemiddel. Vanaf 1 januari 2030 is het bijvullen van een installatie met een HFK met een GWP > 2.500 geheel verboden.
Dit wordt als opmerking opgenomen.
Er zijn geen klachten gekend van de inrichting. Tijdens het openbaar onderzoek worden er geen bezwaren ingediend. Gezien er geen verandering in aantal dieren wordt aangevraagd kan er aangenomen worden dat de geurhinder zich tot een minimum beperkt.
Aspect inplantingsregels
De stallen zijn gelegen in agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter.
Voor de aangevraagde runderen en schaapstallen zijn er geen afstandsregels of verbodsbepalingen van toepassing.
In de onmiddellijke omgeving van het veeteeltbedrijf bevinden zich een aantal woningen. Rond de inrichting bevinden zich verschillende groenvoorzieningen.
Aspect energie
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 026880-004/LA/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Hernieuwing | 1 verdeelslang |
9.4.3.b)1° | stallen voor inheemse grote zoogdieren in een woongebied met landelijk karakter (10 tot en met 200 gespeende dieren) | herschikking, hernieuwing (opname van volledige stal die deel in AG en deel is WLK gelegen is) | Verandering | 0 plaatsen |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | +88 plaatsen door ingave volledige stal die deels in AG ligt en deels in Wlk | Verandering | 88 plaatsen |
9.6.b)1° | met plaatsen voor 25 tot en met 400 gespeende dieren | Hernieuwing | 100 plaatsen |
9.6.c)1° | met plaatsen voor 50 tot en met 400 gespeende dieren | Hernieuwing | 60 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Hernieuwing | 8 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | vermindering met 0,833 ton mazout (-1000 liter) | Verandering | -833 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Hernieuwing | 100 kg |
28.2.b)2° | opslag dierlijke mest in een woongebied met landelijk karakter (van meer dan 100 m³ tot en met 1 000 m³) | 417 m³ dierlijke mest is gelegen in agrarisch gebied (door correcte intekening van de grens AG/WLK | Verandering | -417 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | uitbreiding met 537 m³ dierlijke mest in agrarisch gebied door een correcte intekening grens AG/WLK | Verandering | 537 m³ |
45.4.e)1° | opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van de producten, vermeld in rubriek 48, van 1 ton tot en met 50 ton | Hernieuwing | 8 ton |
45.14.2° | opslag voor losse granen en voor groenvoeders in een woongebied met landelijk karakter - andere dan rubriek 48 (vanaf 25 m³) | Hernieuwing | 850 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | uitbreiding met een debiet van 787 m³/jaar | Verandering | 787 m³/jaar |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20241104-0028) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | 1 verdeelslang | klasse 3 | 1 verdeelslang |
9.4.3.b)1° | stallen voor inheemse grote zoogdieren in een woongebied met landelijk karakter (10 tot en met 200 gespeende dieren) | stallen voor het houden van 100 runderen waarvan 44 R 0-1 jaar en 30 runderen van 1-2 jaar, 26 melkkoeien (waarvan 74 in Wlk zijnde 44 R <1j en 30 R 1-2 jaar) | klasse 2 | 100 plaatsen |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | stallen voor het houden van 131 runderen waarvan 32 runderen van 0-1 jaar, 30 runderen van 1-2 jaar, 69 melkkoeien (waarvan 69 melkkoeien in AG) | klasse 2 | 131 plaatsen |
9.6.b)1° | met plaatsen voor 25 tot en met 400 gespeende dieren | Stallen voor het houden van 100 schapen (waarvan 40 in woongebied met landelijk karakter) | klasse 2 | 100 plaatsen |
9.6.c)1° | met plaatsen voor 50 tot en met 400 gespeende dieren | Stallen voor het houden van 100 schapen waarvan (60 schapen in agrarisch gebied) | klasse 2 | 60 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Stalplaats voor 8 voertuigen en/of aanhangwagens | klasse 3 | 8 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van 0,833 ton in een tank van 1000 l mazout | klasse 3 | 0,833 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag 100 kg reinigingsmiddelen in kleine verpakking | klasse 3 | 100 kg |
28.2.b)2° | opslag dierlijke mest in een woongebied met landelijk karakter (van meer dan 100 m³ tot en met 1 000 m³) | Opslag 170 m³ dierlijke mest | klasse 2 | 170 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | opslag van 1077m³ dierlijke mest | klasse 3 | 1077 m³ |
45.4.e)1° | opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van de producten, vermeld in rubriek 48, van 1 ton tot en met 50 ton | opslag van 8 ton melk | klasse 3 | 8 ton |
45.14.2° | opslag voor losse granen en voor groenvoeders in een woongebied met landelijk karakter - andere dan rubriek 48 (vanaf 25 m³) | opslag van 850 m³ groenvoeders in woongebied met landelijk karakter | klasse 2 | 850 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | een grondwaterwinning met een jaardebiet van 3155 m³/jaar (HCOV-code 0160) | klasse 3 | 3155 m³/jaar |
TERMIJN
De gevraagde vergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit kan verleend worden voor een termijn tot en met 31 december 2030.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van een gemengde veehouderij aan de heer Kurt Vandermoere gelegen te Elshout 35, 9031 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit Vandermoere Kurt met inrichtingsnummer 20241104-0028 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Hernieuwing | 1 verdeelslang |
9.4.3.b)1° | stallen voor inheemse grote zoogdieren in een woongebied met landelijk karakter (10 tot en met 200 gespeende dieren) | herschikking, hernieuwing (opname van volledige stal die deel in AG en deel is WLK gelegen is) | Verandering | 0 plaatsen |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | +88 plaatsen door ingave volledige stal die deels in AG ligt en deels in Wlk | Verandering | 88 plaatsen |
9.6.b)1° | met plaatsen voor 25 tot en met 400 gespeende dieren | Hernieuwing | 100 plaatsen |
9.6.c)1° | met plaatsen voor 50 tot en met 400 gespeende dieren | Hernieuwing | 60 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Hernieuwing | 8 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | vermindering met 0,833 ton mazout (-1000 liter) | Verandering | -833 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Hernieuwing | 100 kg |
28.2.b)2° | opslag dierlijke mest in een woongebied met landelijk karakter (van meer dan 100 m³ tot en met 1 000 m³) | 417 m³ dierlijke mest is gelegen in agrarisch gebied (door correcte intekening van de grens AG/WLK | Verandering | -417 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | uitbreiding met 537 m³ dierlijke mest in agrarisch gebied door een correcte intekening grens AG/WLK | Verandering | 537 m³ |
45.4.e)1° | opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van de producten, vermeld in rubriek 48, van 1 ton tot en met 50 ton | Hernieuwing | 8 ton |
45.14.2° | opslag voor losse granen en voor groenvoeders in een woongebied met landelijk karakter - andere dan rubriek 48 (vanaf 25 m³) | Hernieuwing | 850 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | uitbreiding met een debiet van 787 m³/jaar | Verandering | 787 m³/jaar |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20241104-0028) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | 1 verdeelslang | klasse 3 | 1 verdeelslang |
9.4.3.b)1° | stallen voor inheemse grote zoogdieren in een woongebied met landelijk karakter (10 tot en met 200 gespeende dieren) | stallen voor het houden van 100 runderen waarvan 44 R 0-1 jaar en 30 runderen van 1-2 jaar, 26 melkkoeien (waarvan 74 in Wlk zijnde 44 R <1j en 30 R 1-2 jaar) | klasse 2 | 100 plaatsen |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | stallen voor het houden van 131 runderen waarvan 32 runderen van 0-1 jaar, 30 runderen van 1-2 jaar, 69 melkkoeien (waarvan 69 melkkoeien in AG) | klasse 2 | 131 plaatsen |
9.6.b)1° | met plaatsen voor 25 tot en met 400 gespeende dieren | Stallen voor het houden van 100 schapen (waarvan 40 in woongebied met landelijk karakter) | klasse 2 | 100 plaatsen |
9.6.c)1° | met plaatsen voor 50 tot en met 400 gespeende dieren | Stallen voor het houden van 100 schapen waarvan (60 schapen in agrarisch gebied) | klasse 2 | 60 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Stalplaats voor 8 voertuigen en/of aanhangwagens | klasse 3 | 8 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van 0,833 ton in een tank van 1000 l mazout | klasse 3 | 0,833 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag 100 kg reinigingsmiddelen in kleine verpakking | klasse 3 | 100 kg |
28.2.b)2° | opslag dierlijke mest in een woongebied met landelijk karakter (van meer dan 100 m³ tot en met 1 000 m³) | Opslag 170 m³ dierlijke mest | klasse 2 | 170 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | opslag van 1077m³ dierlijke mest | klasse 3 | 1077 m³ |
45.4.e)1° | opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van de producten, vermeld in rubriek 48, van 1 ton tot en met 50 ton | opslag van 8 ton melk | klasse 3 | 8 ton |
45.14.2° | opslag voor losse granen en voor groenvoeders in een woongebied met landelijk karakter - andere dan rubriek 48 (vanaf 25 m³) | opslag van 850 m³ groenvoeders in woongebied met landelijk karakter | klasse 2 | 850 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | een grondwaterwinning met een jaardebiet van 3155 m³/jaar (HCOV-code 0160) | klasse 3 | 3155 m³/jaar |
Verleent de ingedeelde inrichting of activiteit voor een termijn tot en met 31 december 2030.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
Volgende PAS maatregelen dienen te worden toegepast:
-PAS R-1.2: mestrobot bij 43 stuks melkvee
-PAS R-1.1: 700u beweiden bij 69 stuks melkvee
Controle PAS maatregel
Binnen een termijn van 1 jaar na het verlenen van de vergunning dient een bewijs van aankoop van een mestrobot, een onderhoudscontract en registratieapparatuur bezorgd te worden aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Gebruik regenwater
Voor laagwaardige toepassingen zoals reinigen van de stallen en het het besproeien van planten dient prioritair regenwater gebruikt te worden.
Debietmeter
Binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning dient een bewijs (foto, factuur) van plaatsing van de debietmeter voor het eerste aftappunt gestuurd moet worden naar de Dienst Toezicht (Toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
Tank en tankpiste
Binnen een termijn van 6 maanden na het verlenen van de vergunning dienen volgende bewijsstukken opgestuurd worden naar de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer:
-een keuringsbewijs van een beperkt onderzoek waarin de nieuwe tank van 2 000 l wordt goedgekeurd;
-een foto van de locatie van de tank en plaats waar de voertuigen worden getankt;
-een bewijs van buitengebruik stelling en afvoer van de mazouttank van 1 000 l.
Opslag gevaarlijke producten
Binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning, dient aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) van de Stad Gent moet aangetoond (met vermelding van het dossiernummer) worden dat de opslag van alle gevaarlijke producten in of op een lekbak/inkuiping gebeurt.
Mestvaalt
Binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning dient een bewijs van aanleg van de 3de wand van de mestvaalt en van de aanleg van een afvoergoot of opstaande wand aan de overstaande zijde te worden bezorgd aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) van de Stad Gent (met vermelding van het dossiernummer).
Stallen en mestkelders
De exploitant met zorgen voor de goede staat van de inrichting inzonderheid van de stallen en de opslagplaatsen voor mest en toebehoren, door een regelmatig onderhoud en controle. De mogelijke vloeistoflekken die aanleiding geven tot bodemverontreiniging of tot verspreiding in het oppervlaktewater, het grondwater of op naburige eigendommen dienen te worden vermeden
Groenvoedersilo’s
Binnen een termijn van 6 maanden na het verlenen van de vergunning dient een bewijs van volgende aanpassingen gestuurd aan de Dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) van de Stad Gent (met vermelding van het dossiernummer):
-de bodem van de groenvoedersilo gelegen in agrarisch gebied dient opnieuw aangelegd;
-de afvoer van de silosappen van de groenvoedersilo’s gelegen in woongebied met landelijk karakter dient opgevangen worden in een voldoende grote citern die regelmatig wordt leeggehaald.
Motoren
Om de geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van de bedrijfsvoertuigen (productie, bestellingen en leveringen, ...) tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties moeten stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.m.
Brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 026880-004/LA/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Afvalstoffenregister
De voortgebrachte afvalstoffen (pmd, papier en karton, folies, ijzer, batterijen en accu's, KGA, glas) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.
Nutriëntenemissierechten
Voor het houden van de te vergunnen veestapel dient de exploitant volgens het Mestdecreet over voldoende nutriëntenemissierechten (NER-D) dient te beschikken.
Lozing huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater van de woning wordt geloosd via een septische put in een gracht. Bij de aanleg van een rioleringstelsel in de straat dient het huishoudelijk afvalwater via een septische put aangesloten te worden op de DWA-riolering.
Tanken van voertuigen
De verlaadoperaties (vullen van de houder en bevoorrading bij de verdeelpomp) moet plaatsvinden op een vloeistofdichte standplaats. De verlaadprocedure dient gekend te zijn bij zowel de exploitant/toezichter als de bestuurder van de tankwagen. De aanwezige beschermings- en preventieve maatregelen moeten gekend zijn bij de gebruikers van de zone. Voldoende absorptiematerialen dienen aanwezig te zijn om in geval van lekken snel te kunnen ingrijpen of te beperken dat de stoffen zich verspreiden naar de omgeving.
Grondwaterwinning
De grondwaterwinning moet aangelegd, gewijzigd, verbouwd en geëxploiteerd worden volgens de regels van goed vakmanschap zoals opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning vastgesteld in bijlage 5.53.1 van Vlarem II. Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning mag enkel gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL.
Voertuigen
De parkeerdruk moet ten allen tijde op eigen terrein opgevangen worden.
Koelinstallatie
Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
Het bijvullen van installaties gevuld met een HFK met een GWP > 2.500 is vanaf 1 januari 2020 alleen nog toegestaan met geregenereerd / gerecycleerd koudemiddel. Vanaf 1 januari 2030 is het bijvullen van een installatie met een HFK met een GWP > 2.500 geheel verboden.
Energiecoaching
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.
Gents landbouwbeleid
Wil je meer weten over het Gentse landbouwbeleid? Via www.stad.gent/landbouw vind je alle info over de Gentse landbouwvisie op landbouw in en rond Gent.
Je kan ook inschrijven voor de nieuwsbrief aan Gentse landbouwers als je op de hoogte wil blijven van het landbouwnieuws in Gent en/of wil deelnemen aan het Gentse landbouwoverleg (kies optie “nieuwsbrief Gentse ondernemers” en vermeld dat je landbouwer bent).