Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
De Verenigde Dokloodsen en Bootmannen De Eendracht BV met als contactadres Langerbruggestraat 111, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024083180) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 19 november 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het veranderen van een inrichting voor het aan- en afmeren van zeeschepen, personenvervoer, provianderen/verhuur ponton
• Adres: Langerbruggestraat 111, 9000 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 12 sectie A nrs. 586M, 589T, 589/2 _ en 589L2
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 9 januari 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 27 maart 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het veranderen van een inrichting voor het aan- en afmeren van zeeschepen, personenvervoer, provianderen/verhuur ponton.
Middels deze aanvraag wenst Verenigde Dokloodsen En Bootmannen De Eendracht hun vergunning uit te breiden met de rubriek voor de opslag van afvalstoffen.
De reeds vergunde rubrieken blijven van toepassing.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.c)1° | opslag en sortering van niet gevaarlijke afvalstoffen (maximaal 100 ton) | De opslag van 3.000 kg restafval in een perscontainer, 50 kg papier in big bags en 50 kg PMD in bigbags. | klasse 2 | Nieuw | 3,1 ton |
2.2.1.e)1° | opslag en sortering van gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd de inrichtingen, vermeld in subrubriek 2.2.1, b), met een opslagcapaciteit van maximaal 1 ton andere afvalstoffen dan asbestafval bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is | De opslag van 250 kg oliehoudend afval, 250 kg verfresten, 250 kg AEEA, 50 buislampen en 20 medicijnen. | klasse 2 | Nieuw | 0,82 ton |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het vermeerderen van het te lozen bedrijfsafvalwater | klasse 2 | Verandering | 2,0871 m³/uur |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het toevoegen van 7 airco's met elke een vermogen van 3,4 kW. | klasse 3 | Verandering | 23,8 kW |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
6.4.1° | De opslag van 3.150 liter brandbare vloeistoffen. | 3150 liter
6.5.1° | Een brandstofverdeelinstallatie met één verdeelslang. | 1 verdeelslang
15.2. | Een werkplaats met één hefbrug. | 1 hefbrug
15.4.1° | Een wasplaats voor het wassen van ca. 4 bedrijfsvoertuigen per dag. | 1 wasplaats
17.1.2.1.1° | De opslag van 680 liter gassen (zuurstofgas, propaangas, argongas, ferromix en diverse) in verplaatsbare houders. | 680 liter
17.3.2.1.1.2° | De opslag van 16,8 ton diesel in een ondergrondse opslagtank, 4,2 ton stookolie in een ondergrondse opslagtank, 2,568 ton stookolie in een bovengrondse opslagtank en 0,5 ton tijdelijke opslag in verplaatsbare recipiënten. | 24,068 ton
17.3.2.1.2.1° | De tijdelijke opslag van 500 kg ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | 0,5 ton
17.3.2.2.1° | De opslag van 171 kg ruitenreiniger en de tijdelijke opslag van 500 kg ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare houders. | 671 kg
17.3.2.3.1°a) | De tijdelijke opslag van 500 kg brandbare vloeistoffen in verplaatsbare houders. | 500 kg
17.3.4.1°a) | De tijdelijke opslag van 500 kg bijtende vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | 0,5 ton
17.3.5.1°a) | De tijdelijke opslag van 500 kg giftige vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | 500 kg
17.3.6.1°a) | De opslag van 171 kg ruitenreiniger en 220 kg velgenreiniger en de tijdelijke opslag van 500 kg schadelijke producten in verplaatsbare recipiënten. | 0,891 ton
17.3.7.1°a) | De tijdelijke opslag van 500 kg op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | 0,5 ton
17.3.8.1° | De tijdelijke opslag van 500 kg voor het aquatisch milieu gevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten. | 0,5 ton
17.4. | De tijdelijke opslag van 1.000 liter gevaarlijke producten in kleine verpakkingen. | 1000 liter
29.5.2.1°a) | Diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal vermogen van 27,4 kW. | 27,4 kW
Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Artikel: 4.2.5.1.1
Omschrijving:
Bedrijfsafvalwater van inrichtingen die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater van meer dan 2 m³ per dag of 50 m³ per maand of 500 m³ per jaar lozen, moet worden geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient deze controle-inrichting vanaf de hierna vermelde debieten bovendien te beantwoorden aan de volgende eisen:
- voor debieten > 2 m³/uur of > 20 m³/dag: de plaatsing van een meetgoot (bij voorkeur) volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen of een andere evenwaardige meetmogelijkheid;
- voor debieten > 50 m³/uur (lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat) of > 100 m³/uur (lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat): de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.
Motivatie:
De Eendracht vraagt een vrijstelling voor het plaatsen van een meetgoot, daar de aard van het afvalwater slechts in beperkte mate vervuild is. Er is een controle-inrichting aanwezig dat staalname met behulp van een schepstaal mogelijk maakt.
Voorstel:
Er is een controle-inrichting aanwezig dat staalname met behulp van een schepstaal mogelijk maakt.
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Milieuvergunningen
* Op 05/11/2015 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een inrichting voor het aan- en afmeren van zeeschepen, personenvervoer, provianderen/verhuur ponton. (10619/E/2)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 13 januari 2025.
Voorwaardelijk gunstig advies van OVAM afgeleverd op 28 februari 2025.
Voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 21 februari 2025.
Geen bezwaar advies van Departement Mobiliteit en Openbare Werken - Maritieme Toegang afgeleverd op 3 maart 2025:
Geen bezwaar. Uiteraard dient te worden voldaan aan de geldende milieuwet- en regelgeving.
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 12 februari 2025.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven.
Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid. Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van North Sea Port en in een afstroomgebied in beheer van Provincie Oost-Vlaanderen. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van MOW - Afdeling Maritieme Toegang.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat regenwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkte hoeveelheid water met een vertraging wordt afgevoerd. De plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening dient aan dit principe te beantwoorden.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect afval. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen>de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.
Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissive van stikstof kleiner dan 1%.
Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in oppervlakte water. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
Het oppervlakte water staat niet direct in verbindingen met speciale beschermingszones of VEN gebieden.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag mits voorwaarden de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 17 januari 2025 tot en met 15 februari 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
aspect afval – advies OVAM
De verenigde dokloodsen en bootmannen De Eendracht verleent een aantal diensten zoals het aan-
en afmeren van schepen, personenvervoer, roergangers, ponton/fender verhuur en sleepwerken
voor de binnenvaart.
De lopende vergunning bevat geen rubrieken waarvoor de OVAM adviesbevoegdheid heeft.
Voorwerp van de aanvraag
De exploitant vraagt een verandering van de lopende vergunning om de opslag en sortering van
gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen toe te voegen.
De OVAM heeft adviesbevoegdheid voor de volgende voorziene activiteiten:
Rubriek: 2.2.1.c)1°
Voorwerp van de aanvraag: De opslag van 3.000 kg restafval in een perscontainer, 50 kg papier in big bags en 50 kg PMD in bigbags
Rubriek: 2.2.1.e)1°
Voorwerp van de aanvraag: De opslag van 250 kg oliehoudend afval, 250 kg verfresten, 250 kg AEEA, 50 buislampen en 20 kg medicijnen.
Evaluatie van de aanvraag
De bootmannen staan in voor het ophalen van de afvalstoffen die op de boten worden geproduceerd
(voornamelijk restafval, PMD, papier & karton en etensresten). Ze zamelen dit in op de locatie waar
de boot aanmeert in rolcontainers en brengen dit nadien naar hun depot. Zij hebben hiervoor een
registratie als IHM en vervoerder tot 2 augustus 2027.
Bij aankomst op het depot wordt het afval gewogen met een industriële weegschaal en geregistreerd
in het inkomende afvalstoffenregister. Op het depot wordt het afval opgeslagen en indien nodig
handmatig gesorteerd op een vloeistofdichte vloer. Het restafval wordt opgeslagen in een
perscontainer, het papier en PMD in big bags. Verder wordt het oliehoudend afval, verfresten, AEEA
en buislampen opgeslagen in waterdichte plastic bakken. Ten slotte worden de medicijnen
opgeslagen in een medicijndoos (speciale recipiënt voorzien door Veolia). Na deze sortering worden
deze recipiënten periodiek opgehaald door Veolia. De kosten die Veolia hiervoor aanrekent worden
betaald door North Sea Port Ghent. Voor het vertrek worden de recipiënten nog gewogen zodat de
juiste tonnages opgenomen kunnen worden in het uitgaande afvalstoffenregister.
Correctie door de aanvrager dd. 28/02/2025: Graag reageren wij op het advies van OVAM. Hierin wordt vermeld dat North Sea Port de factuur van Veolia betaalt. Echter betaalt North Sea Port rechtstreek aan De Eendracht, daar zij aangesteld zijn voor de afhandeling van de afvalstoffen afkomstig van boten.
De OVAM is van mening dat bovenstaande afvalstromen allemaal opgenomen kunnen worden onder
de rubriek 2.2.1.b) aangezien dit de meest aangewezen rubriek is bij bovenstaande activiteiten.
Bovenstaande activiteiten kunnen gunstig beoordeeld worden door de OVAM omdat de nodige
maatregelen genomen worden om de impact op mens en milieu zoveel mogelijk te beperken.
Conclusies
De OVAM adviseert GUNSTIG voor de omgevingsvergunningsaanvraag van De Eendracht voor:
Activiteit: De opslag en sortering van afvalstoffen
Max. opslagcapaciteit: 3920 kg bestaande uit:
̶ 3000 kg restafval
̶ 50 kg PMD
̶ 50 kg papier en karton
̶ 250 kg oliehoudend
afval
̶ 250 kg AEEA
̶ 50 kg buislampen
̶ 20 kg medicijnen
(meest aangewezen) Rubriek: 2.2.1.b)
De rubrieken worden ambtshalve gecorrigeerd.
aspect afvalwater- advies VMM
Situatieschets
De aanvraag betreft het veranderen van een bestaande en vergunde inrichting.
Lozingssituatie
De inrichting is gelegen buiten het zoneringsplan, het bedrijf dient zelf in te staan voor de zuivering van het eigen afvalwater.
Er wordt geloosd op het Kanaal Gent-Terneuzen.
Bedrijfsafvalwater
Het bedrijf is volgens het dossier momenteel vergund voor het lozen van 1 m³/uur bedrijfsafvalwater zonder 2C stoffen via een KWS-afscheider op oppervlaktewater.
Het bedrijf vraagt voor het lozen van bedrijfsafvalwater een wijziging aan naar volgende rubriek:
- Rubriek 3.4.2: het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van
bedrijfsafvalwater dat al of niet één of meer van de in bijlage 2C bij titel II van het Vlarem bedoelde
gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom
‘indelingscriterium GS’ van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur;
Het debiet van het bedrijfsafvalwater wordt verhoogd naar 3,0871 m³/uur - 8,4952 m³/dag - 559,65 m³/jaar en bestaat uit het waswater van de voertuigen (afspuiten) en het mogelijk verontreinigd hemelwater dat op de tankplaats valt. Het wordt via een KWS-afscheider geloosd op oppervlaktewater.
De debieten kunnen als volgt onderverdeeld worden:
- Waswater: 0,4 m³/uur - 1,6 m³/dag - 416 m³/jaar
- potentieel verontreinigd hemelwater: 2,6871 m³/uur - 6,8952 m³/dag - 143,65 m³/jaar
VMM baseert zich voor het bepalen van het debiet aan verontreinigd hemelwater (conform de Code van goede praktijk voor het ontwerp, het onderhoud en de aanleg van rioleringssystemen van 20 augustus 2012), sedert april 2017, op:
- Het langjarig gemiddeld neerslagtotaal (Ukkel 1981-2010) van 0,85 m³/m² voor het jaardebiet;
- Een composietbui met een terugkeerperiode van 2 jaar van 0,0159 m³/m² voor het uurdebiet en 0,0408 m³/m² voor het dagdebiet;
Deze aanpak sluit aan bij de huidige klimaatveranderingen en is nodig voor het correct inschatten van de hydraulische en ecologische impact op de riolering of ontvangende waterloop.
Op basis van afvloeiing coëfficiënten, metingen, hergebruik en buffering kunnen de debieten bijgesteld worden.
De oppervlakte van de tankpiste bedraagt 169 m², er is dus rekening gehouden met de correcte debieten.
Gelet op de sectorale voorwaarden 52 a & c.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid of de KWS-afscheider beschikt over een coalescentiefilter. Deze is noodzakelijk om aan de voorwaarden voor lozing op oppervlaktewater te kunnen voldoen.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
Het bedrijf vraagt een afwijking op art. 4.2.5.1.1 en stelt als alternatief het volgende voor: “controle-inrichting aanwezig dat staalname met behulp van een schepstaal mogelijk maakt”.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een controleput wordt voldoende geacht.
ADVIES WATER
De VMM-Advisering Afvalwater adviseert gunstig voor het lozen van 3,0871 m³/uur - 8,4952 m³/dag - 559,65 m³/jaar bedrijfsafvalwater zonder 2C stoffen via een KWS-afscheider met coalescentiefilter op oppervlaktewater, mits het naleven van de algemene en sectorale (52 a & c) voorwaarden voor lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater.
De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een controleput wordt voldoende geacht.
aspect bodem
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.
aspect lucht
Er worden 7 airco's aangevraagd met elke een vermogen van 3,4 kW.
Het is onduidelijk wat de aard en de inhoud van de koelmiddelen zijn. Het gebruik van milieuschadelijke koelmiddelen (type HFK en HCFK) dient waar mogelijk beperkt te worden. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De koelinstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.
Deze elementen worden als opmerking opgenomen.
aspect geluid
Gezien de ligging van de inrichting wordt niet gevreesd voor geluidshinder.
aspect mobiliteit
Er wordt vermeld dat de mobiliteit wordt gegenereerd door woon-werkverkeer van medewerkers en door het aan- en afrijden met bestelwagens voor het leveren en ophalen van goederen en afvalstoffen. Dit komt neer op 75 à 100 voertuigenbewegingen per dag. De mobiliteitsbewegingen blijven zeer beperkt. De Eendracht is gelegen in industriegebied en heeft een vlotte ontsluiting via de Langerbruggestraat naar John F. Kennedylaan (R4). Om zo de E34 of de E17 te bereiken. Op die manier worden de effecten op mobiliteit niet aanzienlijk beschouwd.
aspect energie
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt opgenomen als opmerking.
aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 044269-003/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.b) | opslag en sortering van selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijk afval (recyclagepark) | 3920 kg bestaande uit: ̶ 3000 kg restafval ̶ 50 kg PMD ̶ 50 kg papier en karton ̶ 250 kg oliehoudend afval ̶ 250 kg AEEA ̶ 50 kg buislampen ̶ 20 kg medicijnen | Nieuw | 3,92 ton |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het vermeerderen van het te lozen bedrijfsafvalwater | Verandering | 2,0871 m³/uur |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het toevoegen van 7 airco's met elke een vermogen van 3,4 kW. | Verandering | 23,8 kW |
Volgende rubrieken zijn zonder voorwerp en wordt niet meeopgenomen in de vergunning:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.c)1° | opslag en sortering van niet gevaarlijke afvalstoffen (maximaal 100 ton) | De opslag van 3.000 kg restafval in een perscontainer, 50 kg papier in big bags en 50 kg PMD in bigbags. | Nieuw | 3,1 ton |
2.2.1.e)1° | opslag en sortering van gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd de inrichtingen, vermeld in subrubriek 2.2.1, b), met een opslagcapaciteit van maximaal 1 ton andere afvalstoffen dan asbestafval bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is | De opslag van 250 kg oliehoudend afval, 250 kg verfresten, 250 kg AEEA, 50 buislampen en 20 medicijnen. | Nieuw | 0,82 ton |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20240609-0003) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.b) | opslag en sortering van selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijk afval (recyclagepark) | 3920 kg bestaande uit: ̶ 3000 kg restafval ̶ 50 kg PMD ̶ 50 kg papier en karton ̶ 250 kg oliehoudend afval ̶ 250 kg AEEA ̶ 50 kg buislampen ̶ 20 kg medicijnen | vlarebo : A | klasse 2 | 3,92 ton |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 3,0871 m³/uur - 8,4952 m³/dag - 559,65 m³/jaar bedrijfsafvalwater. Afkomstig van waswater (0,4 m³/uur - 1,6 m³/dag - 416 m³/jaar) en potentieel verontreinigd hemelwater (2,6871 m³/uur - 6,8952 m³/dag - 143,65 m³/jaar). | klasse 2 | 3,0871 m³/uur |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | De opslag van 3.150 liter brandbare vloeistoffen. | klasse 3 | 3150 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een brandstofverdeelinstallatie met één verdeelslang. | klasse 3 | 1 verdeelslang |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | Een werkplaats met één hefbrug. | vlarebo : A | klasse 3 | 1 hefbrug |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Een wasplaats voor het wassen van ca. 4 bedrijfsvoertuigen per dag. | klasse 3 | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Eén compressor met het vermogen van 5,5 kW en zeven airconditioningsinstallaties met elk een vermogen van 3,4 kW. | klasse 3 | 29,3 kW |
17.1.2.1.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1000 liter | De opslag van 680 liter gassen (zuurstofgas, propaangas, argongas, ferromix en diverse) in verplaatsbare houders. | klasse 3 | 680 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | De opslag van 16,8 ton diesel in een ondergrondse opslagtank, 4,2 ton stookolie in een ondergrondse opslagtank, 2,568 ton stookolie in een bovengrondse opslagtank en 0,5 ton tijdelijke opslag in verplaatsbare recipiënten. | vlarebo : A,A* | klasse 2 | 24,068 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | De tijdelijke opslag van 500 kg ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.3.2.2.1° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 50 kg tot en met 2 ton | De opslag van 171 kg ruitenreiniger en de tijdelijke opslag van 500 kg ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare houders. | klasse 3 | 671 kg |
17.3.2.3.1°a) | overige brandgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen niet vermeld in rubriek 17.3.2.1 en 17.3.2.2 met een gezamelijke opslagcapaciteit van 50 kg tot en met 1 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg brandbare vloeistoffen in verplaatsbare houders. | klasse 3 | 500 kg |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg bijtende vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.3.5.1°a) | giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 10 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg giftige vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 500 kg |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 171 kg ruitenreiniger en 220 kg velgenreiniger en de tijdelijke opslag van 500 kg schadelijke producten in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,891 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | De tijdelijke opslag van 500 kg voor het aquatisch milieu gevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | De tijdelijke opslag van 1.000 liter gevaarlijke producten in kleine verpakkingen. | klasse 3 | 1000 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal vermogen van 27,4 kW. | vlarebo : O | klasse 3 | 27,4 kW |
TERMIJN
De gevraagde vergunning kan verleend tot de einddatum van de basisvergunning: 5 november 2035.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting voor het aan- en afmeren van zeeschepen, personenvervoer, provianderen/verhuur ponton aan De Verenigde Dokloodsen en Bootmannen De Eendracht bv (O.N.:0400084715) gelegen te Langerbruggestraat 111, 9000 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit Verenigde Dokloodsen en Bootmannen De Eendracht met inrichtingsnummer 20240609-0003 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.b) | opslag en sortering van selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijk afval (recyclagepark) | 3920 kg bestaande uit: ̶ 3000 kg restafval ̶ 50 kg PMD ̶ 50 kg papier en karton ̶ 250 kg oliehoudend afval ̶ 250 kg AEEA ̶ 50 kg buislampen ̶ 20 kg medicijnen | Nieuw | 3,92 ton |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het vermeerderen van het te lozen bedrijfsafvalwater | Verandering | 2,0871 m³/uur |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het toevoegen van 7 airco's met elke een vermogen van 3,4 kW. | Verandering | 23,8 kW |
Rubrieken zonder voorwerp en niet meeopgenomen worden in de vergunning:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.c)1° | opslag en sortering van niet gevaarlijke afvalstoffen (maximaal 100 ton) | De opslag van 3.000 kg restafval in een perscontainer, 50 kg papier in big bags en 50 kg PMD in bigbags. | Nieuw | 3,1 ton |
2.2.1.e)1° | opslag en sortering van gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd de inrichtingen, vermeld in subrubriek 2.2.1, b), met een opslagcapaciteit van maximaal 1 ton andere afvalstoffen dan asbestafval bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is | De opslag van 250 kg oliehoudend afval, 250 kg verfresten, 250 kg AEEA, 50 buislampen en 20 medicijnen. | Nieuw | 0,82 ton |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20240609-0003) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.2.1.b) | opslag en sortering van selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijk afval (recyclagepark) | 3920 kg bestaande uit: ̶ 3000 kg restafval ̶ 50 kg PMD ̶ 50 kg papier en karton ̶ 250 kg oliehoudend afval ̶ 250 kg AEEA ̶ 50 kg buislampen ̶ 20 kg medicijnen | vlarebo : A | klasse 2 | 3,92 ton |
3.4.2° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het lozen van 3,0871 m³/uur - 8,4952 m³/dag - 559,65 m³/jaar bedrijfsafvalwater. Afkomstig van waswater (0,4 m³/uur - 1,6 m³/dag - 416 m³/jaar) en potentieel verontreinigd hemelwater (2,6871 m³/uur - 6,8952 m³/dag - 143,65 m³/jaar). | klasse 2 | 3,0871 m³/uur |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | De opslag van 3.150 liter brandbare vloeistoffen. | klasse 3 | 3150 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een brandstofverdeelinstallatie met één verdeelslang. | klasse 3 | 1 verdeelslang |
15.2. | herstellen van motorvoertuigen (+ carrosseriewerkzaamheden) anders dan vermeld in rubriek 15.3 | Een werkplaats met één hefbrug. | vlarebo : A | klasse 3 | 1 hefbrug |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Een wasplaats voor het wassen van ca. 4 bedrijfsvoertuigen per dag. | klasse 3 | 1 wasplaats |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Eén compressor met het vermogen van 5,5 kW en zeven airconditioningsinstallaties met elk een vermogen van 3,4 kW. | klasse 3 | 29,3 kW |
17.1.2.1.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1000 liter | De opslag van 680 liter gassen (zuurstofgas, propaangas, argongas, ferromix en diverse) in verplaatsbare houders. | klasse 3 | 680 liter |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | De opslag van 16,8 ton diesel in een ondergrondse opslagtank, 4,2 ton stookolie in een ondergrondse opslagtank, 2,568 ton stookolie in een bovengrondse opslagtank en 0,5 ton tijdelijke opslag in verplaatsbare recipiënten. | vlarebo : A,A* | klasse 2 | 24,068 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | De tijdelijke opslag van 500 kg ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.3.2.2.1° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 50 kg tot en met 2 ton | De opslag van 171 kg ruitenreiniger en de tijdelijke opslag van 500 kg ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare houders. | klasse 3 | 671 kg |
17.3.2.3.1°a) | overige brandgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen niet vermeld in rubriek 17.3.2.1 en 17.3.2.2 met een gezamelijke opslagcapaciteit van 50 kg tot en met 1 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg brandbare vloeistoffen in verplaatsbare houders. | klasse 3 | 500 kg |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg bijtende vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.3.5.1°a) | giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 10 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg giftige vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 500 kg |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 171 kg ruitenreiniger en 220 kg velgenreiniger en de tijdelijke opslag van 500 kg schadelijke producten in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,891 ton |
17.3.7.1°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De tijdelijke opslag van 500 kg op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.3.8.1° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 2 ton | De tijdelijke opslag van 500 kg voor het aquatisch milieu gevaarlijke producten in verplaatsbare recipiënten. | klasse 3 | 0,5 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | De tijdelijke opslag van 1.000 liter gevaarlijke producten in kleine verpakkingen. | klasse 3 | 1000 liter |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal vermogen van 27,4 kW. | vlarebo : O | klasse 3 | 27,4 kW |
De gevraagde vergunning kan verleend tot de einddatum van de basisvergunning: 5 november 2035.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
1. Bijzondere voorwaarden VMM:
Er moet geloosd worden via een KWS-afscheider met coalescentiefilter op oppervlaktewater, mits het naleven van de algemene en sectorale (52 a & c) voorwaarden voor lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater.
De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een controleput wordt voldoende geacht.
2. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 044269-003/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:
Artikel: 4.2.5.1.1: Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en
kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk
monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de hoge
debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een controleput wordt
voldoende geacht.
Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:
1. Bijzondere voorwaarden VMM:
Er moet geloosd worden via een KWS-afscheider met coalescentiefilter op oppervlaktewater, mits het naleven van de algemene en sectorale (52 a & c) voorwaarden voor lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater.
De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In afwijking van art 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient het bedrijf geen meetgoot te plaatsen, gezien de hoge debieten slechts in mindere mate voorkomen. Een controle-inrichting bestaande uit een controleput wordt voldoende geacht.
2. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 044269-003/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
bodem
Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
airco’s
Het gebruik van milieuschadelijke koelmiddelen (type HFK en HCFK) dient waar mogelijk beperkt te worden. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De koelinstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.
energie
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.