Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 24 en 42.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen geeft geen advies.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
KRONOS EUROPE NV met als contactadres Langerbruggekaai 10, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024107038) ingediend bij de deputatie op 13 december 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de productie van titaandioxide
• Adres: Langerbruggekaai 9-10 en 10, 9000 Gent
• Kadastrale gegevens: sectie A nrs. 1469B, 1501C, 1519S, afdeling 13 sectie R nrs. 1525B2, 1525A2 en 1528Z
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 29 januari 2025.
De deputatie heeft het college van burgemeester en schepenen om advies gevraagd op 29 januari 2025.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 26 mei 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
KRONOS bezit een productieafdeling in Langerbrugge (Gent) van titaandioxide (TiO2) en titanium oxychloride (TiOCI2), en dit op basis van het chlorideproces. Verder baat de onderneming op de site nog een monodeponie uit en diverse nevenactiviteiten. Voor deze activiteiten beschikt de site over een omgevingsvergunning, geldig tot en met 20/12/2026.
Het einde van de vergunningstermijn nadert, en KRONOS wenst de site te Gent te hervergunnen en enkele wijzigingen door te voeren aan de nevenactiviteiten.
Op 22 april 2025 werd door de voorzitter van de POVC het voorstel geuit om het aanvraagdossier stop te zetten en dan een hernieuwde aanvraag in te dienen, voornamelijk gesteund op het element dat er volgens de Provinciaal deskundige een nieuwe ministeriële afwijking vereist is voor de totaal
stofconcentratie, alsmede de vraag aan de minister om een uitspraak te doen over de invulling
van het begrip ‘voornaamste bron’.
Er werd uiteindelijk beslist om een aanpassing van het MER/aanvraagdossier binnen de lopende procedure uit te voeren.
De aanvraag bevat een nota met puntsgewijs de aanpassingen aan de originele aanvraag.
Onderhavig advies kadert in een nieuwe PIV.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
2.3.2.e)2° | opslag en fysisch-chemische behandeling van meer dan 25 ton andere niet gevaarlijke afvalstoffen - andere dan rubriek 2.3.7 | klasse 1 | Hernieuwing | 100000 ton |
2.3.6.b)4° | andere stortplaatsen dan vermeld in rubriek 2.3.7, van categorie 2: monostortplaats voor andere niet-gevaarlijke afvalstoffen dan inerte afvalstoffen | klasse 1 | Hernieuwing | 600000 m³ |
3.4.3° | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 100 m³/u) | klasse 1 | Hernieuwing | 1000 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | klasse 3 | Hernieuwing | 6351 m³/jaar |
4.1.3° | Bedekkingsmiddelen: inrichtingen voor de productie van lak, verf, drukinkten of pigmenten, alsook voor het bereiden van bedekkingsmiddelen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW | Hernieuwen + het toevoegen van een extra pomp met een vermogen van 18,5 kW | klasse 1 | Verandering | 18,5 kW |
6.2.2°a) | opslagplaatsen voor vaste brandstoffen in andere gebieden, opslagplaatsen met een capaciteit van meer dan 20 ton en met oppervlakte van maximaal 10 ha | klasse 2 | Hernieuwing | 0,08 ha |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l | klasse 2 | Hernieuwing | 94820 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | klasse 3 | Hernieuwing | 2 verdeelslang |
7.1.3° | productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliën (jaarcapaciteit van meer dan 10 000 ton) | Hernieuwen + het verhogen van de productie van gips (DSU) met 2.500 ton/jaar | klasse 1 | Verandering | 2500 ton/jaar |
7.11.2°b) | De fabricage van anorganisch-chemische producten van zuren, zoals: chroomzuur fluorwaterstofzuur fosforzuur salpeterzuur zoutzuur zwavelzuur oleum zwaveligzuur | klasse 1 | Hernieuwing | 22000 ton/jaar |
7.11.2°e) | De fabricage van anorganisch-chemische producten van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals: calciumcarbide silicium siliciumcarbide titaandioxide | klasse 1 | Hernieuwing | 210800 ton/jaar |
12.1.1.2°a) | wisselspanning opwekken met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van meer dan 800 kVA tot en met 10.000 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied | klasse 2 | Hernieuwing | 8606,88 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | klasse 2 | Hernieuwing | 24500 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | klasse 2 | Hernieuwing | 26 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (meer dan 200 kW) | Hernieuwing + toevoegen van een nieuwe airco (+ 8,2 kW) en actualisatie van de airco's (- 44,12 kW) met een totale daling van 35,91 kW tot gevolg | klasse 2 | Verandering | -35,91 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | klasse 2 | Hernieuwing | 6539 liter |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10000 liter | Het schrappen van de 3 chlooropslagtanks, daar deze opslag van vloeibare chloor betreffen, en dus reeds opgenomen onder rubriek 17.3 | klasse 1 | Verandering | -165000 liter |
17.2.2. | VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 6, delen 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel als vermeld in noot 4 bij bijlage 6, deel 1 en deel 2
noot: hogedrempelinrichting | De verhoging van de gemiddelde dagopslag chloor naar 200 ton, zonder dat de maximale dagopslag van 380 ton wijzigt. | klasse 1 | Verandering | 0 ton |
17.3.2.1.1.2° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | klasse 2 | Hernieuwing | 54,565 ton |
17.3.2.2.2°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | Hernieuwing + rechtzetting van hoeveelheid tolueen op basis van dichtheid, met een daling van 5,94 ton tot gevolg | klasse 2 | Verandering | -5,94 ton |
17.3.3.3° | oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS03 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton | Hernieuwing + administratieve rechtzetting met stijging van 1 ton chloor tot gevolg | klasse 1 | Verandering | 1 ton |
17.3.4.3° | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton | Hernieuwing + Het actualiseren van de dichtheid van TiCL4 (- 19,5 ton) en het uitbreiden van de van de natriumaluminaat stockagetank (+ 29 ton) en het rechtzetten van een afronding van FeCl2 (-0,02 ton) | klasse 1 | Verandering | 9,48 ton |
17.3.5.3° | giftige vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton | Hernieuwing + Het actualiseren van de dichtheid van TiCL4 (- 19,5 ton) + administratieve rechtzetting van opslag chloor (+1 ton) | klasse 1 | Verandering | -18,5 ton |
17.3.6.3° | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering met gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton | Hernieuwing + rechtzetting van hoeveelheid tolueen op basis van dichtheid en het rechtzetten van een afronding van FeCl2 (-0,02 ton), met een daling van 5,92 ton tot gevolg | klasse 1 | Verandering | -5,92 ton |
17.3.7.3° | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton | Hernieuwing + Het actualiseren van de dichtheid van TiCL4 (- 19,5 ton) + rechtzetting van hoeveelheid tolueen op basis van dichtheid, met een daling van 5,94 ton tot gevolg + het schrappen van TiO2-pigment door de herclassificatie van het product (-13.450 ton) | klasse 1 | Verandering | -13475,44 ton |
17.3.8.3° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton | Hernieuwing + administratieve rechtzetting met stijging van 1 ton chloor tot gevolg | klasse 1 | Verandering | 1 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | klasse 3 | Hernieuwing | 4100 liter |
19.6.1°a) | opslag van hout in een lokaal volledig gelegen in een industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 40 m³ tot en met 400 m³ in een lokaal) | klasse 3 | Hernieuwing | 350 m³ |
21.1.3°a) | vervaardigen van natuurlijke kleurstoffen en pigmenten, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 1000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Het toevoegen van een extra pomp met een vermogen van 18,5 kW | klasse 1 | Verandering | 18,5 kW |
21.3. | opslagplaatsen voor kleurstoffen en pigmenten met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 17 en 48 met een capaciteit van meer dan 10 ton | klasse 2 | Hernieuwing | 13480 ton |
23.2.1°a) | behandelen van kunststoffen en het vervaardigen van voorwerpen uit kunststoffen andere dan rubriek 41 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, indien de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied | klasse 3 | Hernieuwing | 17,44 kW |
23.3.1°a) | opslag van kunststoffen en van voorwerpen uit kunststoffen, volledig gelegen in een industriegebied (meer dan 10 ton tot en met 200 ton in een lokaal) | klasse 3 | Hernieuwing | 89 ton |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van de eigen productieprocessen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | klasse 3 | Hernieuwing | 2 labo's |
29.5.2.2°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in industriegebied (meer dan 200 kW ) | klasse 2 | Hernieuwing | 381,5 kW |
30.1.1°c) | mechanisch behandelen van minerale producten (van meer dan 200 kW) | Administratieve rechtzetting van de benaming zandmolens naar zirkomolens | klasse 1 | Verandering | 0 kW |
31.1.3° | stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5000 kW | klasse 1 | Hernieuwing | 35321,5 kW |
33.4.1°a) | opslag voor papierdeeg, papier, karton en voor waren uit papier en karton - andere dan rubriek 48 (meer dan 20 ton tot en met 200 ton in een lokaal, volledig gelegen in industriegebied) | klasse 3 | Hernieuwing | 79 ton |
39.1.3° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren (waterinhoud van meer dan 5000 l) | klasse 2 | Hernieuwing | 137200 liter |
39.4.1° | andere warmtewisselaars dan de warmtewisselaars, vermeld in rubriek 39.2, en de warmtewisselaars voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 l tot en met 5000 l | klasse 3 | Hernieuwing | 19505,2 liter |
39.4.2° | andere warmtewisselaars dan de warmtewisselaars, vermeld in rubriek 39.2, en de warmtewisselaars voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van meer dan 5000 l | klasse 2 | Hernieuwing | 12930 liter |
43.1.3° | stookinstallaties meer dan 5000 kW | klasse 1 | Hernieuwing | 64782 kW |
43.3.2° | stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines 50 MW of meer | klasse 1 | Hernieuwing | 100,425 MW |
43.4. | installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval
opmerking: Er kan overlapping zijn met rubriek 2.3.4, 31.1, 43.1, 43.2 en 43.3. | klasse 1 | Hernieuwing | 100,425 MW |
Volgende bijstelling van de bijzondere voorwaarden wordt aangevraagd:
1.
Omschrijving: De exploitant zorgt ervoor om, via een strikte opvolging van de bestelling van chloor, de hoeveelheid chloor die op het terrein aanwezig is te beperken tot maximum 300 ton, en 380 ton in geval van overmacht. Deze hoeveelheid mag maximaal 10 % van de tijd aanwezig zijn voor de hoeveelheid chloor tussen 230 en 300 ton en 2 % van de tijd voor hoeveelheid chloor tussen 300 en 380 ton (bij overmacht). Gemiddeld over 1 jaar mag er evenwel maximaal 135 ton chloor op het terrein aanwezig zijn. Het chloorbestand wordt door de exploitant dagelijks bijgehouden in een register. Dit register ligt ter inzage van de controlerende overheid. Bij een overschrijding worden in dit register de oorzaak en de maatregelen genoteerd en worden onmiddellijk de noodzakelijk geachte maatregelen genomen om de hoeveelheid chloor te normaliseren. Onder de 'hoeveelheid chloor die op het terrein aanwezig is' wordt alle chloor die op het terrein aanwezig is verstaan.
Datum: 1 augustus 2024 (laatste wijziging van deze voorwaarde)
Referentie: OMV2022035849
Motivatie: In praktijk stelt KRONOS vast dat ze een grotere hoeveelheid chloor op de site nodig heeft om langere periodes zonder aanvoer van chloor te kunnen overbruggen. Deze grotere hoeveelheid is noodzakelijk om met een voldoende betrouwbaarheid de productie te kunnen blijven verzekeren tijdens o.m. verlengde weekends, bij problemen in de aanvoer (werken, stakingen,…) en vereist dat de jaargemiddelde hoeveelheid chloor binnen de inrichting verhoogd wordt van 135 ton naar 200 ton. Om dit te realiseren beoogt KRONOS een bijkomende chlooropslagtank te plaatsen met dezelfde inhoud en karakteristieken als elk van de reeds bestaande chlooropslagtanks. Omdat het in feite gaat om een verschuiving van een hoeveelheid chloor aanwezig binnen de inrichting van een spoorwagon naar een vaste opslagtank, is deze geplande wijziging mogelijk met behoud van de maximale hoeveelheid binnen de inrichting. Ook de aangevoerde hoeveelheid van chloor wijzigt niet. Bij het streven naar een meer betrouwbare aanvoer voor haar productie heeft KRONOS binnen het onderzoek van alternatieven finaal gekozen om de hoeveelheid chloor aanwezig binnen de inrichting te verschuiven van een (vijfde) spoorwagon naar een vaste opslagtank, en dit in combinatie met een verhoogde jaargemiddelde hoeveelheid chloor. Omdat ze voor haar aanvoer afhankelijk is van derden is er de wens om in uitzonderlijke overmachtssituaties nog over de mogelijkheid te beschikken om een extra spoorwagon te plaatsen gedurende een zeer korte periode. De combinatie van de eis in de regelgeving dat de maximale hoeveelheid chloor op de site, ook voor een zeer beperkte periode, in de omgevingsvergunning moet zijn opgenomen en het feit dat uitzonderlijke overmachtssituaties de facto niet voorzienbaar zijn, wenst KRONOS over deze mogelijkheid te kunnen beschikken. KRONOS blijft uiteraard streven om dergelijke situatie maximaal te vermijden. De jaargemiddelde hoeveelheid chloor op het bedrijfsterrein aanwezig bepaalt het hieraan verbonden extern risico. De evolutie van de hoeveelheid chloor gedurende het jaar speelt hierbij een ondergeschikte rol behoudens de beperking dat de hoeveelheid tussen 300 ton en 380 ton gedurende max. 2% van de tijd (op jaarbasis) aanwezig is. De bijkomende voorwaarde in de vergunde situatie om de hoeveelheid tussen 230 ton en 300 ton te beperken tot 10% van de tijd (op jaarbasis) verhoogt de waarschijnlijkheid dat de productie moet worden gereduceerd of worden stil gelegd, doch heeft geen invloed op het aan chloor verbonden extern risico. Bijgevolg is voorzien om in de geplande situatie deze voorwaarde niet langer te weerhouden. Dit is in feite een alternatief dat toelaat dat KRONOS EUROPE s.a./n.v. iets meer flexibiliteit krijgt om een onregelmatige aanvoer te kunnen ondervangen zonder negatieve invloed op de productie, en dit zonder impact op het extern risico.
Aanvulling: De exploitant zorgt ervoor om, via een strikte opvolging van de bestelling van chloor, de hoeveelheid chloor die op het terrein aanwezig is te beperken tot maximum 300 ton, en 380 ton in geval van overmacht. Deze hoeveelheid mag maximaal 2 % van de tijd aanwezig zijn voor de hoeveelheid chloor tussen 300 en 380 ton (bij overmacht). Gemiddeld over 1 jaar mag er evenwel maximaal 200 ton chloor op het terrein aanwezig zijn. Het chloorbestand wordt door de exploitant dagelijks bijgehouden in een register. Dit register ligt ter inzage van de controlerende overheid. Bij een overschrijding worden in dit register de oorzaak en de maatregelen genoteerd en worden onmiddellijk de noodzakelijk geachte maatregelen genomen om de hoeveelheid chloor te normaliseren. Onder de 'hoeveelheid chloor die op het terrein aanwezig is' wordt alle chloor die op het terrein aanwezig is verstaan.
2.
Omschrijving: De verwijderingsefficiëntie van de ontzwavelingsinstallatie dient minstens 95% te bedragen bij een zwavelgehalte in de gebruikte cokes van 1,5% en ten minste 98% te bedragen bij een maximaal zwavelgehalte in de cokes van 3,5%. De operationaliteit van de ontzwavelingsinstallatie dient minstens 98% te bedragen. Om controle hierop mogelijk te maken, houdt het bedrijf een continue registratie bij van de werking van de ontzwavelingseenheid. De registratie geeft ook de mogelijkheid om de historiek van de werkuren op te volgen. Onverminderd de bepalingen van art. 4.1.5 van het titel II van het VLAREM, noteert het bedrijf in haar dagrapporten wanneer zich desgevallend een storing heeft voorgedaan, en vermeldt de reden van de storing. Maandelijks rapporteert het bedrijf aan de toezichthoudende overheid het aantal uren uitval van de ontzwavelingsinstallatie, bij normale productieomstandigheden. Van zodra de uitval > 2% van de werkingsuren op jaarbasis bedraagt, meldt het bedrijf aan de toezichthoudende overheid elke storing die de uitval van de ontzwavelingsinstallatie tot gevolg heeft. De exploitant zorgt er tevens voor dat het zwavelgehalte in de gebruikte cokes maximaal 3,5% bedraagt. Hij volgt dit op aan de hand van maandelijkse analyses, en hij houdt de resultaten bij in een register, dat steeds ter inzage ligt van de toezichthoudende overheid.
Datum: 9 december 2009
Referentie: M03/44021/415/2/M/3/CL
Motivatie: In de geplande situatie zal er gebruik worden gemaakt van cokes die potentieel meer zwavel bevatten dan voorheen, daar de huidige economische situatie zo is dat de beschikbaarheid van cokes met een lager zwavelgehalte niet steeds gegarandeerd kan worden. Aldus wil KRONOS in de toekomst ook cokes met een maximum S-gehalte van 5% aan kunnen kopen, om productie te kunnen blijven garanderen. Het gebruik van cokes met een hoger zwavelgehalte heeft niet noodzakelijk een hogere SOx-emissie ten gevolge: de capaciteit van de DSU is momenteel nog niet volwaardig benut. Bovendien is er geen correlatie tussen het zwavelgehalte in de cokes en de verwijderingsefficiëntie (Figuur 1.1). Als bijkomend gevolg van de economische situatie zal het ertsmengsel, en bijgevolg het zwavelgehalte in de cokes, variabel zijn en wenst KRONOS een algemene verwijderingsefficiëntie van 95% aan te vragen, zodat deze niet langer afhankelijk is van het ertsmengsel dat aanwezig is in de reactor.
FIGUUR 1.1 CORRELATIE TUSSEN ZWAVELGEHALTE IN COKES EN SOX EMISSIEVRACHT
Aanvulling: De verwijderingsefficiëntie van de ontzwavelingsinstallatie dient minstens 95% te bedragen. De operationaliteit van de ontzwavelingsinstallatie dient minstens 98% te bedragen. Om controle hierop mogelijk te maken, houdt het bedrijf een continue registratie bij van de werking van de ontzwavelingseenheid. De registratie geeft ook de mogelijkheid om de historiek van de werkuren op te volgen. Onverminderd de bepalingen van art. 4.1.5 van het titel II van het VLAREM, noteert het bedrijf in haar dagrapporten wanneer zich desgevallend een storing heeft voorgedaan, en vermeldt de reden van de storing Maandelijks rapporteert het bedrijf aan de toezichthoudende overheid het aantal uren uitval van de ontzwavelingsinstallatie, bij normale productieomstandigheden. Van zodra de uitval > 2% van de werkingsuren op jaarbasis bedraagt, meldt het bedrijf aan de toezichthoudende overheid elke storing die de uitval van de ontzwavelingsinstallatie tot gevolg heeft. De exploitant zorgt er tevens voor dat het zwavelgehalte in de gebruikte cokes maximaal 5% bedraagt. Hij volgt dit op aan de hand van maandelijkse analyses, en hij houdt de resultaten bij in een register, dat steeds ter inzage ligt van de toezichthoudende overheid.
Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Artikel: 2.3.6.1, 4.2.3.1, afd. 5.3.2, bijlage 5.3.2. 45, 4.2.3.1.3°c)
Omschrijving: Lozingsnormen
Motivatie: Voor een gedetailleerde beschrijving van de karakteristieken, impactbeoordeling (via de Wezertool) en de beoogde lozingsnormen wordt verwezen naar Hoofdstuk 9.1 (Deeldomein Oppervlaktewater) van het MER. In het kader van deze MER werd, overeenkomstig het Richtlijnenboek Water en de handleiding van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), de Wezertool gehanteerd om de impact van de lozingen op het kanaal Gent-Terneuzen te evalueren. Bij beoordeling van de vergunde lozingsnormen en debieten (worst case-scenario) werden de effecten van de parameters fosfor, mangaan, vanadium, titaan en barium als negatief (-2) tot zelfs aanzienlijk (-3) geclassificeerd. Echter, wanneer de jaargemiddelde lozingsconcentraties en debieten van fosfor, vanadium, titaan en barium worden geanalyseerd, blijkt de impact beperkt negatief (-1) tot verwaarloosbaar (0). Daarom beoogt KRONOS voor deze parameters ook een jaargemiddelde lozingsnorm op te nemen in de vergunning. Met betrekking tot de lozingsnormen wenst KRONOS, zoals voorzien in art. 4.2.3.1.3°c) van VLAREM II, de bijzondere voorwaarde die in de huidige vergunning is opgenomen, in het kader van de toepassing van het delta-principe, te behouden. KRONOS gebruikt namelijk gewoon oppervlaktewater voor zijn processen, waarna dit water als afvalwater geloosd wordt in hetzelfde oppervlaktewater.
Voorstel: TABEL 2.1 BEOOGDE LOZINGSNORMEN
Het delta-principe wordt voor alle vergunde chemische parameters van toepassing gesteld. Ter bepaling van de kwaliteit van het opgenomen oppervlaktewater wordt een schepmonster geanalyseerd.
Artikel: 4.2.2.1.1. 4°
Omschrijving: De temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater mag 30°C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen, is bij een buitentemperatuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een overschrijding tot 35°C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden.
Motivatie: Tijdens de zomermaanden, wanneer de temperatuur van het kanaalwater de 20°C overstijgt, kan de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater 30°C overschrijden. KRONOS loost zijn bedrijfsafvalwater in het Kanaal Gent-Terneuzen, waarvoor de milieukwaliteitsnorm voor temperatuur 25°C bedraagt. Stroomop- en afwaarts bedraagt volgens de VMM-data de gemiddelde maximale temperatuur 20,6°C. Voor het Kanaal GentTerneuzen werd in het MER rekening gehouden met een gemiddeld debiet van 20.282 m³/s. Met een lozingsdebiet van max. 1.000 m³/u of 16,7 m³/s (0,08%) kan de bijdrage van KRONOS op de temperatuur van de Schelde als verwaarloosbaar beschouwd worden.
Voorstel: In afwijking van Artikel 4.2.2.1.1. 4° wordt een lozingstemperatuur tot 35°C toegestaan bij temperaturen van het kanaalwater van 20°C of meer.
Artikel: 5.2.1.2. § 2
Omschrijving: Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug is in ieder geval verplicht voor inrichtingen waar bedrijfs- of huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van derden worden verwijderd. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.
Motivatie: KRONOS stort haar filterkoeken in deponie 4. Deze filterkoeken worden opgevangen in een vrachtwagen en van daaruit rechtstreeks getransporteerd naar de deponie. De verkregen filterkoeken verlaten het eigen terrein niet. KRONOS beschikt aan de ingang kant Langerbruggekaai 10 over een geijkte weegbrug met automatische registratie. Om operationele redenen wordt niet elke vrachtwagen met filterkoek over de weegbrug geleid en dit omwille van het feit dat de weegbrug enkel continu bemand is tijdens de kantooruren, terwijl de afvoer van filterkoeken dag en nacht gebeurt en omwille van het feit dat de weegbrug zich situeert aan de andere kant van het terrein. Als alternatief wordt volgende procedure toegepast: dagelijks wordt één vrachtwagen geladen met filterkoek gewogen en geregistreerd op de geijkte weegbrug. Deze gegevens worden dan gebruikt voor de registratie van de hoeveelheid afgevoerde filterkoek van die dag. Alle gegevens worden vervolgens geregistreerd in het afvalregister. Deze manier van werken werd door de OVAM bij de uitgevoerde controles van stortregister steeds aanvaard.
Voorstel: In afwijking van de bepalingen van art. 5.2.1.2§2 van VLAREM II volstaat het per dag één vrachtwagen geladen met filterkoek te wegen op de eigen weegbrug. Deze gegevens worden dan gebruikt voor de registratie van de hoeveelheid afgevoerde filterkoek van die dag.
Artikel: 5.2.1.2. § 3.
Omschrijving: Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de normale afvalstoffenaanvoer en -afvoer niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.
Motivatie: Het proces binnen KRONOS is een continu proces waardoor dag en nacht filterkoeken aangemaakt worden. Van zodra de vrachtwagen vol is, wordt de filterkoek getransporteerd naar deponie 4 en afgeladen. Tijdens de daguren wordt de filterkoek vervolgens door een contractor gestort en met behulp van een grondverzetmachine open gevoerd. KRONOS vraagt dan ook een afwijking van bovenvermeld artikel waardoor de aanvoer van de filterkoeken permanent wordt toegestaan. De verwerking van de afvalstoffen in de deponie gebeurt wel enkel tijdens de daguren.
Voorstel: In afwijking van de bepalingen van art. 5.2.1.2. § 3 van VLAREM II kan de aanvoer van de afvalstoffen naar de deponie 4 24 uur op 24 gebeuren.
Artikel: 5.2.1.5. § 5
Omschrijving: Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm te bekomen. Voor nieuwe inrichtingen wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Indien geen bouwwerken worden uitgevoerd, wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat bij de aanvang van de uitbating aansluit.
Motivatie: KRONOS verwijst naar het besluit van 1 juli 1999, waarbij vergunning werd verleend voor de exploitatie van een monostortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen (deponie IV) en de hervergunning bij besluit van 21 december 2006. De aanleg van deponie IV is gestart in 1999 en de 1ste stortactiviteiten zijn aangevat in 2000. Wegens de urgentie enerzijds (deponie III was vol) en de technische complexiteit van het terrein anderzijds (voormalig vliegasstort Electrabel) is de aanleg van de deponie gebeurd middels kleiwanden tot op de 1ste kleilaag om zodoende een afgesloten stortplaats te bekomen. Daarbij is voorzien in de aanleg van een groenscherm met streekeigen groen, echter slechts voor een zone van 1 à 1,5 m. Dit groenscherm zorgt wel voor een landschappelijke en visuele afscherming t.a.v. de omgeving. 3 zijden van de deponie zijn omgeven door andere eigendommen en/of wegen en/of waterinfrastructuur. De 4de zijde (zuidzijde) paalt aan de eigen bedrijfsactiviteiten. Om technische redenen is het daarom heden niet mogelijk het bestaande groenscherm uit te breiden naar 5 meter. Het bestaande stort ‘verkleinen’ is technisch evenmin uitvoerbaar: tijdens de aanleg van deponie 4 werd onderaan een PDFE-folie gebruikt om doorsijpeling naar de bodem te verhinderen. De folie wordt aan de zijkanten, tot op 2 meter van de terreingrens, verzekerd met een bentonietlaag, dit conform de voorschriften voor de aanleg van een stortplaats.
Als alternatief ter beperking van mogelijke visuele hinder en stofvorming is de gehele deponie voorzien van een 2 meter hoge omheining die bijkomend is voorzien van een groen doekenscherm. Dit doekenscherm vormt een windscherm waardoor verstuiving op de deponie wordt gemilderd. Aansluitend is ter hoogte van de noordoostzijde inmiddels een bouwvergunning verleend (dd. 17 februari 2020 – OMV2019132144) om een dichte afsluiting te plaatsen langsheen de volledige noordoostlengte van de deponie, met een retour van 10 m langsheen de aanliggende taluds van de stortplaats. Deze afsluiting voorziet eveneens bij te dragen om stofverspreiding richting Varenbergstraat en omgeving tegen te gaan, dit dus met behoud van het bestaande groenscherm van hoogstammige bomen. Ingevolge de toepassing van de filterkoek als secundaire grondstof wordt de geproduceerde filterkoek momenteel systematisch afgevoerd voor extern gebruik. Dit maakt dat de activiteiten op de deponie heden beperkt zijn. Om potentiële stofvorming te voorkomen heeft KRONOS daarom de deponie afgedekt met zeilen waardoor uitdroging wordt vermeden en de wind geen impact heeft op de deponie. Een kleine oppervlakte blijft nog open waarvoor dan desgevallend het sproeikanon wordt ingeschakeld. Wanneer in de toekomst de stortactiviteiten worden hernomen, dan voorziet KRONOS enkel de zeilen ter hoogte van de werkzone te verplaatsen, de rest van de deponie blijft afgedekt. Het gebruik van deze zeildoeken blijft behouden tot de definitieve afwerking van de deponie. Deze alternatieve maatregelen vormen een aanvulling op het aanwezige 1 à 1,5 m groenscherm en bieden dusdanig enerzijds een evenwaardige visuele afscherming, alsook een effectieve maatregel om stofverspreiding tegen te gaan.
Voorstel: In afwijking van de bepalingen van art. 5.2.1.5.§5 van VLAREM II volstaat langsheen de randen van Deponie IV een groenscherm met een breedte van 1 à 1,5 m, in combinatie met een 2 m-hoog hekwerk met groendoek en de afdekking van het niet in gebruik zijnde deel van de deponie d.m.v. zeildoeken. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen.
Artikel: 5.2.4.4.1. § 3
Omschrijving: Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is voor categorie 1 en 2 stortplaatsen per stortfront een voorraad afdekmateriaal van tenminste 200 m3 aanwezig.
Motivatie: De beschikbare stortruimte is niet ingedeeld in stortvakken. De afvalstoffen worden gelijkmatig verdeeld over de volledige stortoppervlakte, en in één laag aangebracht. Het stortmateriaal heeft de eigenschap van slecht waterdoorlatend te zijn en verspreidt geen geur of stof. Het bevat evenmin scherpe voorwerpen of andere materialen die de HDPE-folie kunnen beschadigen. Het stortmateriaal heeft aldus dezelfde eigenschappen als andere tussenafdeklagen zoals geotextiel en zand, zodat het stortmateriaal op zich kan beschouwd worden als een afdeklaag.
Voorstel: In afwijking van de bepalingen van art. 5.2.4.4.1§3 van VLAREM II dient geen ander afdekmateriaal aanwezig te zijn.
Artikel: 5.2.4.4.5.§ 4
Omschrijving: 1° Het is verboden percolaat of ander water over de stortplaats te sproeien of te injecteren.
2° In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan in afwijking van de bepalingen van punt 1 worden toegestaan dat bedrijfsintern percolaat of ander bedrijfsintern water over de stortplaats wordt gesproeid of geïnjecteerd, mits aangetoond wordt dat dit percolaat of ander water, al dan niet na zuivering, geen stoffen bevat die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk kunnen zijn voor de mens en het leefmilieu of het stortterrein kunnen verontreinigen, en indien deze handeling er toe bijdraagt dat:
a) stofhinder wordt voorkomen. Specifiek voor dit doeleinde kan dit alleen uitgevoerd worden met anorganisch bedrijfsintern percolaat of ander anorganisch bedrijfsintern water;
b) de biologische werking van de stortplaats verbetert;
c) innovatieve proefprojecten kunnen onderzocht worden voor een maximale duur van vier jaar met het oog op het zuiveren van het materiaal in de stortplaats, met het oog op recyclage of voor de extractie van elementen uit de materialen in de stortplaatsen. Na een gunstige evaluatie van het proefproject kan deze handeling gedurende een langere periode vergund worden.
Het sproeien van percolaat of ander water over de stortplaats om het te verwerken is altijd en in alle omstandigheden verboden.
Motivatie: KRONOS wenst ter voorkoming van mogelijke stofhinder op deponie IV voor haar sproeikanon gebruik te maken van kanaalwater en percolaatwater afkomstig van de monodeponie voor bedrijfseigen filterkoeken (deponie IV), dit in afwachting van de volledige afwerking van de deponie. Momenteel worden de geproduceerde filterkoeken extern afgevoerd in het kader van een secundaire toepassing. Dit houdt in dat de activiteiten op de deponie beperkt zijn, wat maakt dat de aanwezige filterkoek in de monodeponie voor bedrijfseigen filterkoeken (niet gevaarlijk afval) niet wordt aangevuld met verse (sterk vochtige) filterkoek. Bij langdurige droogte kan hierdoor bij hevige wind mogelijks uitdroging ontstaan, met stofvorming tot gevolg. KRONOS heeft inmiddels de nodige milderende maatregelen uitgevoerd om het risico op stofvorming te beperken. Zo werden de zones die niet opgevuld worden, afgedekt met zeilen waardoor stofvorming de facto wordt vermeden en er geen noodzaak is tot sproeien. Een kleine oppervlakte blijft nog open waarvoor een sproeikanon is geïnstalleerd om bij droge periodes deze zone te vernevelen. KRONOS vraagt om hiervoor in 1ste instantie (anorganisch) kanaalwater te kunnen inzetten, en in tweede instantie, indien nodig, ook (anorganisch) percolaatwater te kunnen aanwenden in afwachting van de definitieve afwerking van de deponie (sproeien is dan niet meer noodzakelijk en percolaatwater zal dan niet langer vrijkomen). Op basis van de kanaalwaterkwaliteit (analyse van 4 februari 2020) blijkt dit voor de gevaarlijke stoffen parameters (ruim) beneden het indelingscriterium voor gevaarlijke stoffen te liggen. Ook voor andere parameters (bijv. chloriden en sulfaten) is de reeds aanwezige concentratie in de filterkoek van die orde dat de bijkomende hoeveelheden door het gebruik van kanaalwater als sproeiwater het stortterrein niet bijkomend zal verontreinigen. Uitgaande van een te besproeien werkzone van 2.500 m² en een verbruik van ca. 20 l/m²/dag bij droog weer bedraagt het ingeschatte waterverbruik ca. 50 m³/dag. De aanwezige concentraties aan gevaarlijke stoffen in het kanaalwater zijn dermate laag dat het gebruik van dit kanaalwater als sproeiwater over de deponie geen stoffen aflevert die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk kunnen zijn voor de mens het leefmilieu, of het stortterrein kunnen verontreinigen. In tweede orde wordt voorzien om ook percolaatwater te kunnen aanwenden, en op basis van een analyse van dit percolaatwater (analyse van januari 2020) is de kwaliteit hiervan geheel in lijn (maar uiteraard veel lager) met de concentraties die worden aangetroffen in de filterkoek. Het gebruik van kanaalwater (en percolaatwater) biedt een duurzaam alternatief voor het gebruik van leidingwater (voor een laagwaardige toepassing), is specifiek bedoeld als sproeiwater om stofvorming te voorkomen, is door haar eigenschappen niet schadelijk voor mens of milieu en zal het stortterrein niet (bijkomend) verontreinigen. Uit een advies van de VMM van 17 augustus 2020 blijkt dat het gebruik van kanaalwater en percolaatwater geen invloed heeft op de samenstelling van het percolaatwater. De bepalingen van artikel 5.2.4.4.5§4,2° van VLAREM II voorzien ter beperking van stofhinder in het gebruik van bedrijfsintern anorganisch bedrijfsintern percolaat of ander anorganisch bedrijfsintern water voor het besproeien. Kanaalwater kan in deze echter niet beschouwd worden als bedrijfsintern water. Het gebruik van kanaalwater kan enkel na het verkrijgen van een individuele afwijking bij de minister. Deze afwijking is reeds verleend in het verleden (OMV202107810 dd. 20/12/2021) en momenteel loopt er een aanvraag tot hernieuwing (OMV 2024109712) van deze afwijking bij de minister. In dit dossier werden al gunstige adviezen verleend door VMM (dd. 31/10/2024), OVAM (dd. 31/10/2024) en AGOP milieu (dd. 11/12/2024).
Voorstel: In afwijking op de bepalingen van art. 5.2.4.4.5§4,1° en in toepassing van de bepalingen van art. 5.2.4.4.5§4,2° kan, ter voorkoming van mogelijke stofhinder op deponie IV, voor de voeding van het sproeikanon gebruik gemaakt worden van percolaatwater afkomstig van de monodeponie voor bedrijfseigen filterkoeken (deponie IV), dit in afwachting van de volledige afwerking van de deponie.
Artikel: 5.4.2.3.bis § 2
Omschrijving: Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
Motivatie: KRONOS is een continu bedrijf, wat impliceert dat dag en nacht moet kunnen gewerkt worden. Uit het MER blijkt dat de geluidsnormen momenteel zowel voor de dag-, avond als nachtperiode gerespecteerd worden.
Voorstel: In afwijking op de bepaling van art. 5.4.2.3.bis § 2. mag de inrichting volcontinu worden geëxploiteerd.
Artikel: 5.4.2.3. § 3
Omschrijving: De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:
Motivatie: Vermits KRONOS pigment aanmaakt zijn de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.4 hierop van toepassing. Dit hoofdstuk is evenwel in eerste instantie bedoeld voor activiteiten m.b.t. de productie van verven en vernissen. Dit blijkt o.m. uit het feit dat in voormeld artikel emissiegrenswaarden opgelegd worden voor totaal organische stoffen die helemaal niet relevant zijn voor een bedrijf als KRONOS. Anderzijds zijn voor KRONOS ook de sectorale normen van art. 5.7.2.3.2° van toepassing, waarin gesteld wordt dat de emissiegrenswaarde voor stof bij bestaande inrichtingen die gebruik maken van het chlorideproces 50 mg/Nm3 bedraagt. Binnen Vlaanderen is er slechts 1 bedrijf actief in de productie van titaandioxide, zodat deze sectorale voorwaarden hierop van toepassing zijn.
Voorstel: In afwijking van de bepalingen van art. 5.4.2.3. § 3 van VLAREM II geldt voor totaal stof een emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm³.
Artikel: 5.7.2.4.3°
Omschrijving: De monitoring van emissies in de lucht omvat ten minste een continue meeting van (….) stof dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen.
Motivatie: Vlarem definieert niet wat moet begrepen worden onder ‘voornaamste bronnen’. Wel zijn er bepalingen opgenomen vanaf wanneer bepaalde stofmetingen dienen te gebeuren. Zo vermeldt art. 4.4.4.1 van Vlarem II het volgende: §1: de parameter (…) totaal stof wordt ten minste maandelijks op kosten van de exploitant gemeten bij een massastroom van de beschouwde stof van 200 g stof/uur of meer. §2: als de massastroom van de parameter (….) totaal stof groter is dan 5 kg/h worden de emissiewaarden van die stof continu gemeten. Op basis van de emissiedata (2021) en de maandelijkse metingen blijken de volgende bronnen de hoogste stofwaarden te noteren.
• DSU: 0,59 kg/u en 4,52 T/jaar
• Wervelbeddroger: 0,55 kg/u en 4,15 T/jaar
• Klinkerscrubber: 0,169 kg/u en 1,39 T/jaar
Alle andere gemeten bronnen hebben telkens een jaarvracht < 1 T/jaar. De totale hoeveelheid stofemissies bedraagt 10,2 T/jaar daar waar de IMJV drempel om te rapporteren op 20 T/jaar ligt. Op voormelde 3 installaties gebeuren maandelijkse stofmetingen, terwijl dit voor de klinkerscrubber krachtens Vlarem II art. 4.4.4.1 in principe niet vereist is vermits de waarde beneden de 200 gr stof/uur ligt. De emissies zijn bovendien voldoende stabiel. Krachtens de BREF LVIC-S (BBT14) dient een stofemissie te worden gerespecteerd tussen 0,1 en 0,2 kg/T Ti02. Onderstaande figuur toont de trend van de verhouding totaal stof/ton TiO2 die sinds 2019 steeds beneden de 0,2 kg/T TiO2 blijft.
De BREF LVIC-S legt geen (continu) metingen op voor stof. De BATC WGC legt dan weer wel voorwaarden op inzake stofmetingen op schouwen. Zo bepaalt BBT8 het volgende: Stof, alle processen/bronnen, elke schoorsteen met een stofmassastroom van:
≥ 3 kg/uur: continu metingen (indien is aangetoond dat de emissies voldoende stabiel zijn, kan de minimale monitoringsfrequentie verlaagd worden tot 1x/6 maanden)
< 3 kg/uur: eenmaal per jaar (indien is aangetoond dat de emissies voldoende stabiel zijn, kan de minimale monitoringsfrequentie verlaagd worden tot 1x/3 jaar)
Zelfs op het niveau van de milieutechnische eenheid blijven de stofemissies ver onder de 3 kg/uur vracht. Deze BATC WGC BBT 8 bepaling wijkt reeds in strengere zin af van de huidige Vlarem II art. 4.4.4.1 bepalingen inzake continue stofemissiemetingen. Indien zou worden verondersteld dat als ‘voornaamste’ bron de drempel zou gehanteerd worden van > 200 gr/uur, dan zouden continu stofmetingen dienen te gebeuren op de DSU en de wervelbeddroger, wat aanleiding zou geven tot aanzienlijke kosten (plaatsen van continu meetapparatuur op 2 installaties, met periodieke externe calibratie en onderhoud) zonder dat hier enige milieuwinst tegenover staat. Bovendien zou dit het gelijke speelveld verstoren t.o.v. de andere chemische industrie waarvoor slechts een continu meetverplichting van toepassing is vanaf 3 kg/uur.
Voorstel: KRONOS EUROPE NV/SA vraagt om volgende bepaling op te nemen als bijzondere voorwaarde: “in aanvulling op Vlarem II, art. 5.7.2.4.3° wordt als voornaamste bron aanzien bij KRONOS EUROPE NV/SA: elke schoorsteen met een stofmassastroom van ≥3 kg/uur”.
2. HISTORIEK
De vergunningverlenende overheid staat in voor de historiek van de inrichting.
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Wettelijk verplichte externe adviezen worden opgevraagd door de vergunningverlenende overheid.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998). Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven. Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005).
De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. NATUURTOETS
De vergunningverlenende overheid staat in voor de opmaak van de natuurtoets.
Met betrekking tot de natuurtoets wordt volgend advies uitgebracht:
De hervergunning en wijzigingen zorgen niet dat (extra) waardevol groen of bomen worden verwijderd. Enkel de toegangszone bevindt zich op Gents grondgebied.
6. OPENBAAR ONDERZOEK
Een tweede openbaar onderzoek wordt gehouden naar aanleiding van een wijzigingslus, van 29 mei 2025 tot en met 27 juni 2025..
De vergunningverlenende overheid staat in voor de behandeling van de bezwaren.
7. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Er wordt geen advies gegeven over de milieuhygiënische en veiligheidsaspecten van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen.
Wij willen erop wijzen dat KRONOS conform KB van 5/07/2006 verplicht is tot het aanstellen van een veiligheidsadviseur gevaarlijke stoffen RID/ADR. Dat deze namens de bedrijfsleiding tot taak heeft om procedures te voorzien om alle betrokkenen op te leiden en te sensibiliseren in het veilig laden, lossen en rangeren van gevaarlijke stoffen. Ook deze die tijdelijk in kader van overslag buiten de bedrijfsterreinen worden gestockeerd.
CONCLUSIE
Er wordt geen advies gegeven.
De aanvraag wordt beslist door de deputatie (art. 15 van het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014).
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet advies uitbrengen bij de deputatie over omgevingsvergunningsaanvragen die door de deputatie worden behandeld (klasse 1 inrichtingen en/of provinciale projecten).
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Niet van toepassing.
Het college van burgemeester en schepenen geeft geen advies over de omgevingsaanvraag voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de productie van titaandioxide van KRONOS EUROPE nv, gelegen te Langerbruggekaai 9-10 en 10, 9000 Gent.
Verzoekt de deputatie om volgende aandachtspunten op te leggen aan de aanvrager:
Wij willen erop wijzen dat KRONOS conform KB van 5/07/2006 verplicht is tot het aanstellen van een veiligheidsadviseur gevaarlijke stoffen RID/ADR. Dat deze namens de bedrijfsleiding tot taak heeft om procedures te voorzien om alle betrokkenen op te leiden en te sensibiliseren in het veilig laden, lossen en rangeren van gevaarlijke stoffen. Ook deze die tijdelijk in kader van overslag buiten de bedrijfsterreinen worden gestockeerd.