Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
GHENT HANDLING AND DISTRIBUTION NV met als contactadres Skaldenstraat 102, 9042 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024112903) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 16 september 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 18 november 2024.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 4 februari 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het veranderen van een logistiek bedrijf door uitbreiding met een onderhouds- en montagezone voor elektrische motorfietsen. Hierbij worden er een aantal schouwbruggen, compressors en metaalbewerkingstoestellen aangevraagd. De uit te breiden activiteit heeft enkel betrekking op de nieuwe activiteit en uitbreiden van de opslag van gevarengoed in magazijn 6 in kader van de in te stellen onderhouds- en montagezone.
De activiteit bestaat eruit om de elektrische motorfietsen verkoopsklaar te maken.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l | het toevoegen van magazijn 6 aan de opslaglocaties voor brandbare vloeistoffen | klasse 2 | Verandering | 0 liter |
15.3.1° | autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | het installeren van 12 extra schouwbruggen voor het instellen van een extra onderhoudszone | klasse 2 | Verandering | 12 schouwputten of hefbruggen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | een compressor voor pneumatisch gereedschap te gebruiken | klasse 3 | Verandering | 13,55 kW |
17.1.1.2° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van meer dan 3000 liter tot en met 30.000 liter | Het toevoegen van magazijn 6 aan de opslaglocaties voor de aerosolen | klasse 2 | Verandering | 0 liter |
17.3.2.1.2.2° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 10 ton tot en met 200 ton | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | klasse 2 | Verandering | 0 ton |
17.3.4.2°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | klasse 2 | Verandering | 0 ton |
17.3.6.2°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | klasse 2 | Verandering | 0 ton |
17.3.7.2°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van de gevaarlijke producten GHS 08 wordt uitgebreid met de opname van magazijn 9 als extra opslagplaats. | klasse 2 | Verandering | 0 ton |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van verschillende toestellen voor het instellen van een PDI montagezone. De toestellen worden maximaal aangevraagd. | klasse 3 | Verandering | 94,9 kW |
41.5. | opslagplaats voor textiel en voor textielwaren met een capaciteit van meer dan 10 ton | opslag uitbreiden met de opslag aan te vragen voor magazijncellen 12 en 13 | klasse 3 | Verandering | 0 ton |
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
3.4.1°a) | lozen van 1,44 m³/uur bedrijfsafvalwater | 1,44 m³/uur
3.6.1. | Het hebben van een IBA voor het verwerken van 1,500 m³/jaar huishoudelijk afvalwater | 1500 m³/jaar
6.5.2° | Een niet-openbare tankinstallatie voor het bevoorraden van voertuigen met 2 verdeelslangen (1 voor diesel en 1 voor benzine) en een kleine tank met de 1 verdeelslang | 3 verdeelslangen
12.2.2° | Het hebben van 2 transformatoren, 1 van 1.600 kVA en 1 van 2.000 kVA | 3600 kVA
15.1.2° | Het stallen van 45 voertuigen | 45 voertuigen
17.1.2.1.2° | Het opslagen van 6.336 liter gas in verplaatsbare recipiënten | 6336 liter
17.3.2.1.1.1°b) | Opslag van 2.500 liter diesel in een bovengrondse dubbelwandige tank | 2,5 ton
17.3.2.2.2°b) | De opslag van 9.900 liter benzine in een bovengrondse dubbelwandige tank en een werftank van 450 liter | 10,35 ton
17.3.8.2° | Opslag van 200 ton milieugevaarlijke stoffen | 200 ton
17.4. | Oplag van gevaarlijke producten in kleine handelrecipiënten | 5000 liter
19.3.1°a) | een onderhoudszone voor het herstellen van palletverpakkingen met bewerkingstoestellen met een samengesteld vermogen van 48 kW | 48 kW
19.6.1°c) | De opslag van palletten verspreidt over verschillende magazijnen, voor een totaal volume van 430 m³ | 430 m³
23.2.1°a) | Het hebben van enkele machines voor een totaal vermogen van 10 kW | 10 kW
23.3.1°c) | Opslag van 2.100 ton kunststoffen en kunststoffen voorwerpen verspreid over verschillende magazijnen | 2100 ton
33.4.1°c) | Opslag van 2050 ton papier en papierwaren | 2050 ton
36.4.1° | Opslag van 200 ton rubber en rubberen voorwerpen | 200 ton
43.1.2°a) | Het hebben van 2.114 kW aan stookinstallaties | 2114 kW
48.1.2. | Opslag van andere dan IMDG-goederen. Opslag is verspreid over verschillende magazijnen | 8 magazijnen
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
Stedenbouwkundige vergunningen
Milieuvergunningen
Afwijkingen
3. WIJZIGINGSAANVRAAG
Op 6 januari 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 7 januari 2025 werd dit wijzigingsverzoek niet aanvaard.
Op 8 januari 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 9 januari 2025 werd dit wijzigingsverzoek aanvaard.
BEOORDELING AANVRAAG
4. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 30 januari 2025 onder ref. 067476-007/MN/2025:
GUNSTIG ADVIES, mits naleving van de volgende maatregelen:
Nog aan de brandweer voor te leggen attesten:
- Een keuringsverslag van de branddetectie-installatie
- Een keuringsverslag van de laagspanningsinstallatie
- Een keuringsverslag van de gasinstallatie (indien van toepassing)
Geen tijdig advies van Polder Moervaart en Zuidlede. De adviesvraag is verstuurd op 18 november 2024. Op 23 januari 2025 is nog géén advies ontvangen. Omdat de decretaal omschreven adviestermijn verstreken is, kan aan de adviesvereiste voorbij gegaan worden.
Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 25 november 2024 onder ref. 2024-262:
Wij verwijzen naar uw bovenvermelde adviesvraag via het Omgevingsloket van 18/11/2024 met referentie OMV_2024112903.
De aanvraag heeft betrekking op concessieterrein.
De werken kunnen gunstig geadviseerd worden.
5. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
5.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Gewestplan
Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Gewestelijk RUP
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
5.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
6. WATERPARAGRAAF
6.1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.
- niet gelegen in een signaalgebied.
6.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
6.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
7. NATUURTOETS
Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.
Het project bevindt zich op afdoende, meer dan 750 m van habitatrichtlijngebied en meer dan 1 km van vogelrichtlijngebieden.
De aangevraagde activiteiten veroorzaken geen uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen.
Er wordt geen uitstoot van conventionele motoren gegenereerd bij het testen van de elektrische motoren.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
8. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
9. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 26 november 2024 tot en met 25 december 2024.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden 2 bezwaarschriften ingediend. Deze 2 bezwaarschriften zijn verkeerderlijk bij dit dossier ingediend en hebben betrekking op een ander dossier.
10. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect bodem en grondwater
Bij het aanvullen van de remvloeistof en/of koelvloeistof tijdens de assemblage en controle van de voertuigen kan er gemorst worden met de verschillende vloeistoffen. Er zal een spillkit aanwezig zijn voor de mogelijke lekken op te kuisen. Er dienen steeds de nodige maatregelen genomen te worden om het morsen van vloeibare brandstoffen en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.
De opslag van de gevaarlijke producten in de magazijnen gebeurt op lekbakken. De opslag van de gevaarlijke producten wordt bijgehouden via een warehouseopvolgingssysteem dat gebruikt wordt. Dit systeem is zo opgebouwd dat er rekening wordt gehouden met de wettelijke scheidingsafstanden.
De opslag in magazijn 6 wordt gelimiteerd tot een opslag van 5.000 liter en de opslag gebeurt in een brandveilige kast of container.
Aspect geluid
De compressoren en toestellen worden opgesteld in het magazijn. Er wordt geen geluidsoverlast verwacht.
Aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 067476-007/MN/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l | het toevoegen van magazijn 6 aan de opslaglocaties voor brandbare vloeistoffen | Verandering | 0 liter |
15.3.1° | autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | het installeren van 12 extra schouwbruggen voor het instellen van een extra onderhoudszone | Verandering | 12 schouwputten of hefbruggen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | een compressor voor pneumatisch gereedschap te gebruiken | Verandering | 13,55 kW |
17.1.1.2° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van meer dan 3000 liter tot en met 30.000 liter | Het toevoegen van magazijn 6 aan de opslaglocaties voor de aerosolen | Verandering | 0 liter |
17.3.2.1.2.2° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 10 ton tot en met 200 ton | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | Verandering | 0 ton |
17.3.4.2°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | Verandering | 0 ton |
17.3.6.2°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | Verandering | 0 ton |
17.3.7.2°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van de gevaarlijke producten GHS 08 wordt uitgebreid met de opname van magazijn 9 als extra opslagplaats. | Verandering | 0 ton |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van verschillende toestellen voor het instellen van een PDI montagezone.de toestellen worden maximaal aangevraagd. | Verandering | 94,9 kW |
41.5. | opslagplaats voor textiel en voor textielwaren met een capaciteit van meer dan 10 ton | opslag uitbreiden met de opslag aan te vragen voor magazijncellen 12 en 13 | Verandering | 0 ton |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20181210-0049) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | lozen van 1,44 m³/uur bedrijfsafvalwater | klasse 3 | 1,44 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Het hebben van een IBA voor het verwerken van 1,500 m³/jaar huishoudelijk afvalwater | klasse 3 | 1500 m³/jaar |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l | Opslagplaats voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van1.000.000 l | vlarebo : A,A* | klasse 2 | 1000000 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Een niet-openbare tankinstallatie voor het bevoorraden van voertuigen met 2 verdeelslangen (1 voor diesel en 1 voor benzine) en een kleine tank met de 1 verdeelslang | vlarebo : B | klasse 2 | 3 verdeelslangen |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | Het hebben van 2 transformatoren, 1 van 1.600 kVA en 1 van 2.000 kVA | klasse 2 | 3600 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Het stallen van 45 voertuigen | klasse 2 | 45 voertuigen |
15.3.1° | autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | 2 onderhoudszones voor de controle van motorfietsen voor ze in de handel verschijnen. | vlarebo : A | klasse 2 | 24 schouwputten of hefbruggen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van 40 kW aan airco- installaties en twee compresssoren voor het gebruik van pneumatische toestellen | klasse 3 | 40 kW |
17.1.1.2° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van meer dan 3000 liter tot en met 30.000 liter | Opslag van 30.000 liter Aerosolen | klasse 2 | 30000 liter |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Het opslagen van 6.336 liter gas in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | 6336 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van 2.500 liter diesel in een bovengrondse dubbelwandige tank | klasse 3 | 2,5 ton |
17.3.2.1.2.2° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 10 ton tot en met 200 ton | De opslag van 50 ton brandbare vloeistoffen die onder gevarencategorie 3 worden ingedeeld | vlarebo : A | klasse 2 | 50 ton |
17.3.2.2.2°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | De opslag van 9.900 liter benzine in een bovengrondse dubbelwandige tank en een werftank van 450 liter | vlarebo : A,A* | klasse 2 | 10,35 ton |
17.3.4.2°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van 100 ton bijtende stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 100 ton |
17.3.6.2°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van 100 ton schadelijke stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 100 ton |
17.3.7.2°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 50 ton op lange termijn gevarlijkse stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 50 ton |
17.3.8.2° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton | Opslag van 200 ton milieugevaarlijke stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 200 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Oplag van gevaarlijke producten in kleine handelrecipiënten | klasse 3 | 5000 liter |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en vervaardigen van artikelen van hout met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | een onderhoudszone voor het herstellen van palletverpakkingen met bewerkingstoestellen met een samengesteld vermogen van 48 kW | klasse 3 | 48 kW |
19.6.1°c) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 400 m3 in een lokaal) | De opslag van palletten verspreidt over verschillende magazijnen, voor een totaal volume van 430 m³ | klasse 2 | 430 m³ |
23.2.1°a) | behandelen van kunststoffen en het vervaardigen van voorwerpen uit kunststoffen andere dan rubriek 41 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, indien de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied | Het hebben van enkele machines voor een totaal vermogen van 10 kW | klasse 3 | 10 kW |
23.3.1°c) | opslag van kunststoffen en van voorwerpen uit kunststoffen - andere dan rubriek 41 en 48 (meer dan 200 ton in lokaal) indien volledig gelegen in een industriegebied | Opslag van 2.100 ton kunststoffen en kunststoffen voorwerpen verspreid over verschillende magazijnen | klasse 2 | 2100 ton |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van verschillende toestellen voor het uitvoeren van klein onderhoud en controles aan motorvoertuigen. Deze toestellen hebben een maximaal samengesteld vermogen van 200 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 200 kW |
33.4.1°c) | opslag voor papierdeeg, papier, karton en voor waren uit papier en karton - andere dan rubriek 48 (meer dan 200 ton in een lokaal, volledig in industriegebied) | Opslag van 2050 ton papier en papierwaren | klasse 2 | 2050 ton |
36.4.1° | opslagplaatsen voor rubber en voor rubberen voorwerpen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een capaciteit van meer dan 10 ton in een lokaal | Opslag van 200 ton rubber en rubberen voorwerpen | klasse 2 | 200 ton |
41.5. | opslagplaats voor textiel en voor textielwaren met een capaciteit van meer dan 10 ton | Opslag van 500 ton textiel en textielwaren | klasse 3 | 500 ton |
43.1.2°a) | stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | Het hebben van 2.114 kW aan stookinstallaties | klasse 2 | 2114 kW |
48.1.2. | opslagplaatsen voor andere goederen dan IMDG-goederen | Opslag van andere dan IMDG-goederen. Opslag is verspreid over verschillende magazijnen | klasse 3 | 8 magazijnen |
TERMIJN
De gevraagde vergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit kan verleend worden voor een termijn tot en met 29 juni 2037.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een logistiek bedrijf door uitbreiding met een onderhouds- en montagezone voor elektrische motorfietsen aan GHENT HANDLING AND DISTRIBUTION nv (O.N.:0430119477) gelegen te Eddastraat 32-34, 9042 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit Ghent Handling and Distribution met inrichtingsnummer 20181210-0049 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l | het toevoegen van magazijn 6 aan de opslaglocaties voor brandbare vloeistoffen | Verandering | 0 liter |
15.3.1° | autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | het installeren van 12 extra schouwbruggen voor het instellen van een extra onderhoudszone | Verandering | 12 schouwputten of hefbruggen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | een compressor voor pneumatisch gereedschap te gebruiken | Verandering | 13,55 kW |
17.1.1.2° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van meer dan 3000 liter tot en met 30.000 liter | Het toevoegen van magazijn 6 aan de opslaglocaties voor de aerosolen | Verandering | 0 liter |
17.3.2.1.2.2° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 10 ton tot en met 200 ton | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | Verandering | 0 ton |
17.3.4.2°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | Verandering | 0 ton |
17.3.6.2°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | het uitbreiden van de opslag locaties met de toevoeging van magazijnen 6 en 9. Dit in het kader van de onderhoudszone en de PDI | Verandering | 0 ton |
17.3.7.2°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | opslag van de gevaarlijke producten GHS 08 wordt uitgebreid met de opname van magazijn 9 als extra opslagplaats. | Verandering | 0 ton |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van verschillende toestellen voor het instellen van een PDI montagezone.de toestellen worden maximaal aangevraagd. | Verandering | 94,9 kW |
41.5. | opslagplaats voor textiel en voor textielwaren met een capaciteit van meer dan 10 ton | opslag uitbreiden met de opslag aan te vragen voor magazijncellen 12 en 13 | Verandering | 0 ton |
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20181210-0049) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | lozen van 1,44 m³/uur bedrijfsafvalwater | klasse 3 | 1,44 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Het hebben van een IBA voor het verwerken van 1,500 m³/jaar huishoudelijk afvalwater | klasse 3 | 1500 m³/jaar |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 l tot en met 5.000.000 l | Opslagplaats voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van1.000.000 l | vlarebo : A,A* | klasse 2 | 1000000 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen: overige inrichtingen | Een niet-openbare tankinstallatie voor het bevoorraden van voertuigen met 2 verdeelslangen (1 voor diesel en 1 voor benzine) en een kleine tank met de 1 verdeelslang | vlarebo : B | klasse 2 | 3 verdeelslangen |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | Het hebben van 2 transformatoren, 1 van 1.600 kVA en 1 van 2.000 kVA | klasse 2 | 3600 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zijn | Het stallen van 45 voertuigen | klasse 2 | 45 voertuigen |
15.3.1° | autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | 2 onderhoudszones voor de controle van motorfietsen voor ze in de handel verschijnen. | vlarebo : A | klasse 2 | 24 schouwputten of hefbruggen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van 40 kW aan airco- installaties en twee compresssoren voor het gebruik van pneumatische toestellen | klasse 3 | 40 kW |
17.1.1.2° | opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van meer dan 3000 liter tot en met 30.000 liter | Opslag van 30.000 liter Aerosolen | klasse 2 | 30000 liter |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Het opslagen van 6.336 liter gas in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | 6336 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Opslag van 2.500 liter diesel in een bovengrondse dubbelwandige tank | klasse 3 | 2,5 ton |
17.3.2.1.2.2° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 10 ton tot en met 200 ton | De opslag van 50 ton brandbare vloeistoffen die onder gevarencategorie 3 worden ingedeeld | vlarebo : A | klasse 2 | 50 ton |
17.3.2.2.2°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | De opslag van 9.900 liter benzine in een bovengrondse dubbelwandige tank en een werftank van 450 liter | vlarebo : A,A* | klasse 2 | 10,35 ton |
17.3.4.2°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van 100 ton bijtende stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 100 ton |
17.3.6.2°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Opslag van 100 ton schadelijke stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 100 ton |
17.3.7.2°a) | op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van 50 ton op lange termijn gevarlijkse stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 50 ton |
17.3.8.2° | voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton | Opslag van 200 ton milieugevaarlijke stoffen | vlarebo : A | klasse 2 | 200 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Oplag van gevaarlijke producten in kleine handelrecipiënten | klasse 3 | 5000 liter |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en vervaardigen van artikelen van hout met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | een onderhoudszone voor het herstellen van palletverpakkingen met bewerkingstoestellen met een samengesteld vermogen van 48 kW | klasse 3 | 48 kW |
19.6.1°c) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 400 m3 in een lokaal) | De opslag van palletten verspreidt over verschillende magazijnen, voor een totaal volume van 430 m³ | klasse 2 | 430 m³ |
23.2.1°a) | behandelen van kunststoffen en het vervaardigen van voorwerpen uit kunststoffen andere dan rubriek 41 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, indien de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied | Het hebben van enkele machines voor een totaal vermogen van 10 kW | klasse 3 | 10 kW |
23.3.1°c) | opslag van kunststoffen en van voorwerpen uit kunststoffen - andere dan rubriek 41 en 48 (meer dan 200 ton in lokaal) indien volledig gelegen in een industriegebied | Opslag van 2.100 ton kunststoffen en kunststoffen voorwerpen verspreid over verschillende magazijnen | klasse 2 | 2100 ton |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Het hebben van verschillende toestellen voor het uitvoeren van klein onderhoud en controles aan motorvoertuigen. Deze toestellen hebben een maximaal samengesteld vermogen van 200 kW | vlarebo : O | klasse 3 | 200 kW |
33.4.1°c) | opslag voor papierdeeg, papier, karton en voor waren uit papier en karton - andere dan rubriek 48 (meer dan 200 ton in een lokaal, volledig in industriegebied) | Opslag van 2050 ton papier en papierwaren | klasse 2 | 2050 ton |
36.4.1° | opslagplaatsen voor rubber en voor rubberen voorwerpen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een capaciteit van meer dan 10 ton in een lokaal | Opslag van 200 ton rubber en rubberen voorwerpen | klasse 2 | 200 ton |
41.5. | opslagplaats voor textiel en voor textielwaren met een capaciteit van meer dan 10 ton | Opslag van 500 ton textiel en textielwaren | klasse 3 | 500 ton |
43.1.2°a) | stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | Het hebben van 2.114 kW aan stookinstallaties | klasse 2 | 2114 kW |
48.1.2. | opslagplaatsen voor andere goederen dan IMDG-goederen | Opslag van andere dan IMDG-goederen. Opslag is verspreid over verschillende magazijnen | klasse 3 | 8 magazijnen |
De gevraagde vergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit kan verleend worden voor een termijn tot en met 29 juni 2037.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
1. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 067476-007/MN/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:
1. De exploitant houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, per gevarenpictogram, ten minste de aard en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld. Deze gegevens worden zo opgeslagen dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden gevaarlijke producten te bepalen. Het register of de alternatieve informatiedrager wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van ten minste een maand.
De inrichting mag op geen enkel moment hoeveelheden aanwezig hebben boven de vergunde hoeveelheden. Bij elke transactie van gevarengoed dient de exploitatie na te gaan of de sommatieregel, zoals vermeld in de Seveso III richtlijn (of bijlage 5 van VLAREM II), wordt gerespecteerd. De lage Seveso-drempel mag op geen enkel moment overschreden worden. De berekening van betreffende sommatieregel dient op elk ogenblik aan de bevoegde controlerende ambtenaren te kunnen worden voorgelegd. Volgens aantekening 5 van de bijlage 1 van de Seveso III richtlijn (of bijlage 5 van Vlarem II) dient ook met afvalstoffen rekening gehouden te worden.
2. De opslag van papier en rubber is enkel toegelaten in magazijnen 6,7,8, 10 en 13 en verboden in de magazijnen 9, 11 en 12.
3. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen gebeurt in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
4. Het keuringsattest vóór de ingebruikname van de benzinetank van 9.900 liter dient, conform artikel 5.17.4.3.4 van Vlarem II, binnen een termijn van 3 maanden na datum van dit besluit bezorgd te worden aan de Dienst Toezicht van de Stad Gent (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer.
5. KWS-afscheider:
- De KWS-afscheider dient regelmatig gereinigd te worden. De afvalstoffen die hierbij vrijkomen dienen opgehaald te worden door daartoe erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar en/of verwerkers.
- De KWS-afscheider dient voldoende gedimensioneerd en voorzien te zijn van een automatische afsluiter.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
1. Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.
2. Er dienen steeds de nodige maatregelen genomen te worden om het morsen van vloeibare brandstoffen en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen. Absorptiemateriaal moet voorzien zijn om bij morsen de aangepaste maatregelen te treffen.
3. Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 10 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.
4. Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf. Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.