Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
Odisee VZW met als contactadres Warmoesberg 26, 1000 Brussel heeft een aanvraag (OMV_2024112156) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 5 september 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het exploiteren van een onderzoekslabo voor de teelt van waterdieren
• Adres: Ottergemsesteenweg-Zuid 713, 9000 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 8 sectie H nr. 364L4
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 14 oktober 2024.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 16 december 2024.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het exploiteren van een onderzoekslabo voor de teelt van waterdieren in een gesloten aquacultuursysteem (aqua-erf). Er worden geen uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur als vermeld in de verordening aquacultuur gebruikt en de jaarproductiecapaciteit van levend gewicht aan vis bedraagt max. 700 kg (zeer uitzonderlijk tot 2 ton << 100 ton) waardoor rubriek 62 niet van toepassing is.
De nieuwe inrichting omvat de volgende afdelingen:
- Labo met lozing van afvalwater
- Lozing van max. 0,42 m³/u – 10 m³/dag – 1050 m³/jaar bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen in de openbare riolering (rubriek 3.4.1.b), en bijzondere lozingsnorm P t van 10 mg/l.
- Koelinstallaties en compressoren
- Zuurstoftank
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Lozing bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen in de openbare riolering | klasse 2 | Nieuw | 0,42 m³/uur |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Koelinstallaties (9,125 kW), warmtepompen (24,64 kW) en compressoren (3 kW) | klasse 3 | Nieuw | 36,765 kW |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | Zuurstoftank van 600 l | klasse 3 | Nieuw | 600 liter |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van de eigen productieprocessen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo met lozing afvalwater | klasse 3 | Nieuw | 1 labo |
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
* Op 10/06/2021 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor de reconversie van een industriële site. (OMV_2019154338)
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
Voorwaardelijk gunstig advies van De Vlaamse Waterweg nv - Afdeling Regio West afgeleverd op 4 december 2024
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 24 oktober 2024 onder ref. 063566-007/PVH/2024:
VOORWAARDELIJK GUNSTIG ADVIES, mits naleving van de hierboven vermelde maatregelen!
Voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 21 november 2024 onder ref. KAG/MV/BG/ND/123620/52025
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in industriegebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).
Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de ander industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 0: Afbakeningslijn grootstedelijk gebied Gent.
Het project ligt deels in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'GROENAS_4 BOVENSCHELDE' (Definitief vastgesteld door de College van burgemeester en schepenen op 29 juni 2016),
In de aanvraag worden geen stedenbouwkundige handelingen aangevraagd. Er wordt dus aangenomen dat de aanvraag zich situeert binnen de afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen. Er mogen geen stedenbouwkundige handelingen gebeuren zonder vergunning.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Er worden geen nieuwe verhardingen aangelegd. Het projectgebied is volgens de watertoetskaarten 2023 niet overstromingsgevoelig: het terrein kent geen overstroming gemodelleerd voor fluviale, pluviale overstromingen en voor overstromingen vanuit de zee.
Op het project toepasselijke voorschriften uit het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde
Het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde formuleert maatregelen om wateroverlast (en watertekort) in het bekken te voorkomen. De strategie "vasthouden-bergen-afvoeren" is hierbij van toepassing. Dit kan door het vermijden van de toename van verharde oppervlakte, het afkoppelen van hemelwater van de riolering, hergebruik ter plaatse, infiltreren waar mogelijk, bufferen, vertraagd afvoeren, vermijden van inbuizingen, aanleggen van groendaken, ... Via het instrument van de watertoets worden schadelijke effecten van nieuwe plannen, programma’s en vergunningen vermeden door het opleggen van gepaste maatregelen of het niet toestaan van nieuwe ontwikkelingen.
Er zijn geen acties opgenomen in het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde (2022-2027) die betrekking hebben op de vergunningsaanvraag.
Beoordeling van verenigbaarheid met het watersysteem
Aangevuld met bovenvermelde maatregelen en/of voorwaarden is het project verenigbaar met het watersysteem en het beheer van De Vlaamse Waterweg N.V. van haar patrimonium. Indien de vergunningsverlener een vergunning voor dit project wenst te verlenen moet deze op zijn minst deze voorwaarden bevatten. Met deze voorwaarden voldoet het project aan de doelstellingen en beginselen zoals geformuleerd in art. 1.2.2 en 1.2.3 van het gecoördineerde decreet integraal waterbeleid.
Waterkwaliteit
De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozingwordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.
3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.
Voor dit project gaan we uit van minder dan 70 000 bijkomende vervoersbewegingen per jaar. Daarnaast zijn er nog mogelijke stikstofemissies afkomstig van niet-ingedeelde stationaire bronnen van het project. Deze zijn echter beperkt.
De NOX uitstoot van het totale project is minder dan de emissies waarbij een overschrijding optreedt van de 1 % minimisdrempel.
Het afvalwater wordt geloosd in de riolering.
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 22 oktober 2024 tot en met 20 november 2024.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Afval
De voortgebrachte afvalstoffen (PMD, papier en karton, restafval, chemisch afval en biomassa) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Water
Lozingssituatie
De inrichting is gelegen in centraal gebied, de DWA riolering van de Ottergemsesteenweg Zuid is aangesloten op de RWZI van Gent. Het onderzoekslabo maakt deel uit van een grotere site, men zal lozen via de interne riolering van deze site.
De RWA riolering mondt uit in Vertakking De Pauw.
Niet-verontreinigd hemelwater
Met dit project zijn er geen wijzigingen of uitbreidingen aan de bestaande verhardingen of overdekte constructies, of de afwatering hieraan verbonden. De stedenbouwkundige verordening hemelwater is niet van toepassing.
Odisee huurt een deel van het gebouw van de eigenaar waardoor ze geen invloed heeft op het gescheiden afvoeren van hemelwater en afvalwater en op het hergebruik van regenwater. Voor de waterdieren wordt enkel leidingwater gebruikt.
Huishoudelijk afvalwater
Het afvalwater afkomstig van huishoudelijke activiteiten (spoelen sanitair, kuiswater) vindt plaats in het hoofdgebouw dat vergund werd onder OMV_2019154338 op 10 juni 2021. Het aantal medewerkers actief bij Odisee campus Aqua-erf bedraagt 4 personen en is bijgevolg minder dan 600 m³/jaar.
Aangezien het lozingsdebiet lager is dan 600 m³/jaar wordt dit niet beschouwd als een ingedeelde inrichting. Het bedrijf dient te voldoen aan de algemene voorwaarden voor lozing van huishoudelijk afvalwater in centraal gebied conform art. 6.2.2.2. van Vlarem II.
Bedrijfsafvalwater
Door de activiteiten wordt er bedrijfsafvalwater gegenereerd met name slib en spoelwater van de drumfilters (spui) uit de installaties met waterdieren dat ongezuiverd in de riolering geloosd wordt.
Het productieproces wordt als volgt beschreven in het dossier:
Leidingwater komt toe in een buffervat waaraan zuurstof wordt toegediend om de laatste chloorresten eruit te verwijderen. Vervolgens wordt dit water in de containers met waterdieren gepompt. In deze containers worden volautomatische zuiveringssystemen toegepast om waterkwaliteit te garanderen:
- Mechanische filter 60 µm drumfilter
- Biologische filter om N te verwijderen
- Ontgassing om CO2 eruit te halen
- UF-filter om bacteriën en pathogenen eruit te halen
- Wassen om O2 in het water te krijgen.
Na de containers komt het water in een drumfilter terecht waaruit het water wordt gehaald dat opnieuw kan recirculeren naar de containers. Het spuislib wordt geloosd in de riolering.
Lozingsdebiet
Het spuidebiet (en densiteit) is moeilijk te kwantificeren omdat deze afhankelijk is van de soort proef, soort waterdier en/of en welke proeven simultaan in werking zijn. De soort proeven variëren ook het jaar door. Het maximaal dagdebiet aan spui bedraagt 10 m³/dag wat op uurbasis een debiet van 0,42 m³/u geeft.
Het bedrijf vraagt bijgevolg het lozen van max. 0,42 m³/u – 10 m³/dag – 1050 m³/jaar bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen in de openbare riolering (rubriek 3.4.1.b). VMM gaat hiermee akkoord.
Lozingsnormen
De algemene lozingsnormen voor lozing in de riolering zijn van toepassing. Daarnaast vraagt het bedrijf de sectorale lozingsnormen labo (21.2.) aan, en een bijzondere lozingsnorm voor fosfor totaal van 10 mg/l. Deze laatste norm is gebaseerd op analyseresultaten.
De gevraagde normen worden als volgt gemotiveerd in het dossier:
Van het bedrijfsafvalwater werden stalen genomen en geanalyseerd op gevaarlijke stoffen. De analyseresultaten zijn in het dossier terug te vinden (staalnameplaats 1: lozingspunt van proeven met rivierkreeften, staalnameplaats 2: lozingspunt van proeven met vissen en staalnameplaats 3: ter hoogte van de toezichtsput waarin afvalwater van het naburig bedrijf Zilt en huishoudelijk afvalwater van de kantooromgeving in terechtkomt. Staalnamepunt 3 is bijgevolg niet representatief voor de activiteiten met waterdieren).
Elke installatie is apart bemonsterbaar aan de hand van 9 staalnamepunten.
Uit de analyses bleek dat het indelingscriterium van fosfor voor staalnameplaats 1 overschreden wordt.
Conc. (mg/l) | Staalnameplaats 1: rivierkreeften | Staalnameplaats 2: vissen | Indelingscriterium | Lozingsnorm – aan te vragen |
Fosfor (P) | 0,62 | 5,6 | 1 | 10 |
Nitriet (N) | < 0,01 | 0,31 | 0,200 – enkel geldig voor oppervlaktelozers | NVT |
Ammoniak (N) |
|
| 0,300 – enkel geldig voor oppervlaktelozers | NVT |
BOD | < 3 | 11 |
|
|
COD | 7,5 | 34,9 |
|
|
Met deze aanvraag wordt bijgevolg ook een lozingsnorm van fosfor van 10 mg/l P aangevraagd. Het gaat om een beperkt lozingsdebiet met lozing op riolering.
De preventieve maatregelen van labo wordt gerespecteerd (5.24.0.2) om zo de impact op het rioleringsstelsel te beperken:
- Afvalstromen worden selectief ingezameld en opgehaald: de chemicaliën die gebruikt worden voor de analyse van waterkwaliteit worden opgevangen en als afval naar de scholencampus te Gent gebracht voor ophaling door een geregistreerd afvalophaler.
- Milieubelastende chemicaliën, schoonmaakproducten en desinfectia worden slechts beperkt gebruikt.
- Afvalinzamelingsprocedures zullen in de toekomst aanwezig zijn op site-niveau zelf.
- De aard en de hoeveelheden van de aangekochte chemicaliën en afgevoerde gevaarlijke afvalstromen is gekend en opgenomen in een register. Veiligheidinsformatiebladen zijn aanwezig
VMM gaat akkoord met de gevraagde normen.
De sectorale voorwaarden voor Aquacultuur zijn niet van toepassing gelet op de vermelding in het dossier:
Er worden geen uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur als vermeld in de verordening aquacultuur gebruikt en de jaarproductiecapaciteit van levend gewicht aan vis bedraagt max. 700 kg (zeer uitzonderlijk tot 2 ton << 100 ton) waardoor rubriek 62 niet van toepassing is.
Hoewel niet van toepassing is wel voldaan aan volgende sectorale voorwaarde voor gesloten aquacultuurvoorzieningen, namelijk:
- De aquacultuuractiviteit wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie, waaruit de lozingen pas na zeving, filtering of percolatie, en behandeling, in contact komen met open water, om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen.
VMM stelt voor om dit ook veiligheidshalve op te nemen als bijzondere voorwaarde in de vergunning.
VMM merkt verder op dat er in het dossier niet duidelijk vermeld wordt welke proeven en/of chemicaliën toegevoegd worden aan het water/dieren. Afhankelijk van het type proef, kunnen mogelijks nog meer verontreinigde stoffen mee geloosd worden met het afvalwater. Het bedrijf vraagt naast fosfor geen bijzondere normen aan, dus dient voor de overige parameters te voldoen aan het indelingscriterium, of bij ontstentenis de rapportagegrens/bepalingsgrens.
Controle-inrichting
Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.
In het dossier wordt vermeld dat elke installatie apart bemonsterbaar is aan de hand van 9 staalnamepunten.
Voorts werden analyses uitgevoerd voor 3 staalnameplaatsen, waarvan 1 niet relevant bleek te zijn:
- staalnameplaats 1: lozingspunt van proeven met rivierkreeften
- staalnameplaats 2: lozingspunt van proeven met vissen
- staalnameplaats 3: ter hoogte van de toezichtsput waarin afvalwater van het naburig bedrijf Zilt en huishoudelijk afvalwater van de kantooromgeving (= niet relevant voor aangevraagde activiteit)
Deze staalnameplaatsen staan niet duidelijk op het rioleringsplan aangeduid. Er staat wel 1 controleput vermeld, maar hierop komt ook het sanitair afvalwater en is dus niet representatief. Vermoedelijk is dit de hierboven vermelde staalnameplaats 3.
VMM acht het wenselijk dat er 1 duidelijk controlepunt komt waarbij de gehele stroom bedrijfsafvalwater (onafhankelijk van het huishoudelijk afvalwater) kan gecontroleerd worden. Dit dient ook nog aangevuld worden op het rioleringsplan.
Advies VMM
De Vlaamse Milieumaatschappij adviseert GUNSTIG voor het lozen van max. 0,42 m³/u – 10 m³/dag – 1050 m³/jaar bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen in de openbare riolering (rubriek 3.4.1.b), mits er gehouden wordt aan de algemene en sectorale lozingsvoorwaarden (21.2. labo) voor lozing in de riolering, en volgende bijzondere voorwaarden:
- Bijzondere lozingsnorm: P t: 10 mg/l
- De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
- Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Het bedrijf dient hiertoe een controleput te voorzien waarbij de gehele bedrijfsafvalwaterstroom apart van het huishoudelijk afvalwater kan gecontroleerd worden.
- Binnen de 3 maanden bezorgt het bedrijf een aangepast rioleringsplan met hierop de controleput die voorzien wordt. Dit kan aan VMM via vergunningen.ge@vmm.be.
- De aquacultuuractiviteit wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie, waaruit de lozingen pas na zeving, filtering of percolatie, en behandeling, in contact komen met open water, om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen.
Advies m.b.t. het beheer en exploitatie van de waterweg en het patrimonium van De Vlaamse Waterweg nv:
Het onderzoekslabo richt zich op de teelt van waterdieren in een gesloten aquacultuursysteem.
Er worden geen uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur als vermeld in de verordening aquacultuur gebruikt en de jaarproductiecapaciteit van levend gewicht aan vis bedraagt max. 700 kg (zeer uitzonderlijk tot 2 ton << 100 ton). Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
Bij calamiteiten bij het onderzoekslabo dienen alle milderde maatregelen te worden genomen de bevaarbare waterweg Bovenschelde te beschermen. De verspreiding van (watergebonden) plant- en dierexoten dient te worden vermeden. Bij een calamiteit dient het RIS 0800/ 30 440 of ris@vlaamsewaterweg.be onmiddellijk te worden verwittigd. Dit wordt als bijzonder voorwaarde opgenomen.
Lucht
De gebruikte koelmiddelen bij de koelinstallaties/warmtepompen zijn R410A (FFK mengsel) en R134A (HFK). Dit zijn koelmiddelen die bijdragen aan de opwarming van de aarde (het broeikaseffect). Het gebruik van milieuschadelijke koelmiddelen (type HFK en HCFK) dient waar mogelijk beperkt te worden. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De koelinstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.
Deze elementen worden als opmerking opgenomen.
De compressor betreft een installatie zonder drukvaten (continue persluchtafname).
Bodem
De nieuw te plaatsen zuurstoftank zal voor indienstname en vervolgens periodiek gekeurd worden zodat lekken vermeden worden. De zuurstoftank die buiten opgesteld wordt, zal zich op meer dan 2 m van de perceelsgrens bevinden.
Alle activiteiten die aanleiding kunnen geven tot lekken staan op een verharde ondergrond of worden periodiek onderhouden.
Geluid
De compressoren en de buitenunits van de koelinstallaties bevinden zich op het dak van de container waarboven zich nog het dak van de loods situeert. Deze staan bijgevolg inpandig opgesteld wat de geluidshinder beperkt. Er zullen in de toekomst ook nog 2 warmtepompen bijkomend geplaatst worden op het dak van de loods die wel aanleiding kunnen geven tot geluidshinder.
Enkel de buitenunits van de nog te plaatsen warmtepompen zullen buiten opgesteld worden. Gezien de afstand tot de perceelsgrens en de ligging van de site in een industriegebied wordt er geen geluidshinder verwacht.
Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Energie
Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt opgenomen als opmerking.
Brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 063566-007/PVH/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Lozing bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen in de openbare riolering | Nieuw | 0,42 m³/uur |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Koelinstallaties (9,125 kW), warmtepompen (24,64 kW) en compressoren (3 kW) | Nieuw | 36,765 kW |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | Zuurstoftank van 600 l | Nieuw | 600 liter |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van de eigen productieprocessen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo met lozing afvalwater | Nieuw | 1 labo |
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een onderzoekslabo voor de teelt van waterdieren aan Odisee vzw (O.N.:0408429584) gelegen te Ottergemsesteenweg-Zuid 713, 9000 Gent.
De rubrieken voor de inrichting/activiteit Aqua-erf met inrichtingsnummer 20240816-0014 beslist het college als volgt:
Vergunde rubrieken:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°b) | lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (tot en met 2 m³/u) | Lozing bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen in de openbare riolering | Nieuw | 0,42 m³/uur |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Koelinstallaties (9,125 kW), warmtepompen (24,64 kW) en compressoren (3 kW) | Nieuw | 36,765 kW |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 liter | Zuurstoftank van 600 l | Nieuw | 600 liter |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van de eigen productieprocessen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken wordt gegenereerd | Labo met lozing afvalwater | Nieuw | 1 labo |
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
1. Lozen bedrijfafvalwater:
- Bijzondere lozingsnorm: P t: 10 mg/l
- De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.
- Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Het bedrijf dient hiertoe een controleput te voorzien waarbij de gehele bedrijfsafvalwaterstroom apart van het huishoudelijk afvalwater kan gecontroleerd worden.
- Binnen de 3 maanden bezorgt het bedrijf een aangepast rioleringsplan met hierop de controleput die voorzien wordt. Dit kan aan VMM via vergunningen.ge@vmm.be.
- De aquacultuuractiviteit wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie, waaruit de lozingen pas na zeving, filtering of percolatie, en behandeling, in contact komen met open water, om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen.
2. Het onderzoekslabo richt zich op de teelt van waterdieren in een gesloten aquacultuursysteem.
Er worden geen uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur als vermeld in de verordening aquacultuur gebruikt en de jaarproductiecapaciteit van levend gewicht aan vis bedraagt max. 700 kg (zeer uitzonderlijk tot 2 ton << 100 ton).
3. Bij calamiteiten bij het onderzoekslabo dienen alle milderde maatregelen te worden genomen de bevaarbare waterweg Bovenschelde te beschermen. De verspreiding van (watergebonden) plant- en dierexoten dient te worden vermeden. Bij een calamiteit dient het RIS 0800/ 30 440 of ris@vlaamsewaterweg.be onmiddellijk te worden verwittigd.
4. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 063566-007/PVH/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
1. Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.
2. Het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2, NH3, propaan, …) of koelmiddelen met een laag Global Warming Potential (GWP < 2500) dient nagegaan te worden.
De koelinstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.
De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.
3. Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II.
4. Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.
Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.