Terug
Gepubliceerd op 07/02/2025

2025_CBS_01119 - OMV_2023131866 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied - met openbaar onderzoek - Geeraard Van den Daelelaan, 9000 Gent - Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 06/02/2025 - 09:17 College Raadzaal
Datum beslissing: do 06/02/2025 - 09:22
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Mathias De Clercq, aangewezen burgemeester-voorzitter; Hafsa El-Bazioui, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Evita Willaert, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Burak Nalli, schepen; Filip Watteeuw, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur

Afwezig

Christophe Peeters, schepen

Verontschuldigd

Sofie Bracke, schepen; Joris Vandenbroucke, schepen

Secretaris

Mieke Hullebroeck, algemeen directeur

Voorzitter

Astrid De Bruycker, schepen
2025_CBS_01119 - OMV_2023131866 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied - met openbaar onderzoek - Geeraard Van den Daelelaan, 9000 Gent - Vergunning 2025_CBS_01119 - OMV_2023131866 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied - met openbaar onderzoek - Geeraard Van den Daelelaan, 9000 Gent - Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

Stukwerkers-Havenbedrijf NV met als contactadres Port Arthurlaan 40, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2023131866) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 21 augustus 2024.

 

De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het veranderen van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied

• Adres: Geeraard Van den Daelelaan 33 en 37, 9000 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 12 sectie A nrs. 589N2 en 589R2

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 2 december 2024.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 24 januari 2025.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

Het betreft het veranderen van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied.

 

Voorwerp van de aanvraag betreft een actualisatie van de vergunning:

- De vergunde tanks van respectievelijk 5.000 en 15.000 liter werden gereinigd en vernietigd. Er werd een nieuwe tank geplaatst met een totale inhoud van 15.000 liter. Deze tank bevat twee compartimenten van respectievelijk 10.000 l diesel en 5.000 l stookolie. 

- Een doorvoeropslagplaats voor overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen wordt als nieuwe activiteit aangevraagd. 

- Daarnaast wordt het lozen van afvalwater (1,1 m³/uur) afkomstig van de tankplaats aangevraagd. 

 

Kadastraal perceel 44812A0589/00R002 wordt toegevoegd aan de inrichting. De loodsen gelegen ter hoogte van kaai 1030 en 1040 behoren tot dezelfde exploitatie. De loods ter hoogte van kaai 1030 doet eveneens dienst als doorvoeropslagplaats voor zowel IMDG als niet-IMDG goederen.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°a)

lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater afkomstig van de tankplaats met een debiet van 1,1 m³/uur. | klasse 3 | Nieuw

1,1 m³/uur

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | CLP-verordening. | klasse 3 | Verandering

1 verdeelslang

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | CLP-verordening. Verminderen van de diesel/stookolieopslag met 4,165 ton (5.000 l). | klasse 3 | Verandering

-4,165 ton

48.1.1.2°

overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen. | klasse 2 | Nieuw

1 stuk

 

Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:

48.1.2. | Een doorvoeropslagplaats voor goederen andere dan IMDG-goederen. | 1 stuk

 

Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Omschrijving

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. (Artikel 5.15.0.6.)

 

Motivatie

De inrichting is gelegen in een gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven. Het laden en lossen van schepen en vrachtwagens gebeurt op onregelmatige tijdstippen. De aanmeertijd van het schip wordt steeds zo kort mogelijk gehouden. In kader van de bedrijfsactiviteiten is het van belang onafgebroken en op elk moment van de dag te kunnen werken.

 

Voorstel

Er wordt gevraagd om de inrichting te mogen exploiteren 24 uur op 24 uur en 7 dagen op 7 dagen.

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:

 

Milieuvergunningen

* Op 05/12/1996 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor stouwen, laden, lossen en opslaan van goederen voor rekening van derden gelegen in het zeehavengebied (rubriek 48.2.)(ijzer, hout, triplex, papier). (127/E/1)

* Op 22/02/2001 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen, bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied. (127/E/2)

 

Stedenbouwkundige vergunningen

* Op 24/04/1978 werd een vergunning afgeleverd voor oprichten van industriele gebouwen. (Litt. L-7-78)

* Op 17/09/1979 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbtreiden van een fabrieksgebouw (aanvulling litt. l-7-78 vergund op 2/5/1978). (Litt. L-38-79)

* Op 20/09/1982 werd een vergunning afgeleverd voor de oprichting van een loods (herneming litt. s-9-80, geweigerd op 14/07/1980). (Litt. S-37-80)

* Op 25/04/1985 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een loods. (1984/1736)

* Op 03/04/1986 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een portiersloge. (1985/1444)

* Op 29/06/2000 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een kantoorunit en slopen van opslagplaatsen. (2000/50012)

* Op 26/04/2013 werd een vergunning afgeleverd voor het vernieuwen van de kaaibevloering op de rechteroever van het alphonse sifferdok. (2013/50030)

* Op 26/07/2013 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van een vrijliggend dubbelrichtingsfietspad, wegenis, rwa riolering, openbare verlichting en realiseren van straatkolken met aansluiting. (2013/50062)

* Op 01/02/2016 werd een vergunning afgeleverd voor het verleggen van de göteborgstraat. (2015/01152)

 

BEOORDELING AANVRAAG

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

 

Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 16 december 2024.

 

Geen advies van Provincie Oost-Vlaanderen - Waterbeleid afgeleverd op 4 december 2024.

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 10 januari 2025.

 

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

4.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998). Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven.Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.

 

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.

De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.

 

4.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

 

5.       WATERPARAGRAAF

1. Ligging project

Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van North Sea Port en in een afstroomgebied in beheer van Provincie Oost-Vlaanderen. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van MOW - Afdeling Maritieme Toegang en in de nabijheid van waterloop in beheer van North Sea Port.

 

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.

- niet gelegen in een signaalgebied.

 

2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

Overstromingen

Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.

 

Waterkwaliteit

De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

3. Conclusie

Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen de watertoets doorstaat.

 

6.       NATUURTOETS

Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.

 

Voor dit project gaan we uit van minder dan 70 000 bijkomende vervoersbewegingen per jaar. Daarnaast zijn er nog mogelijke stikstofemissies afkomstig van niet-ingedeelde stationaire bronnen van het project en tijdens de aanlegfase door vervoer of niet-ingedeelde stationaire bronnen. Deze zijn echter beperkt.

 

De NOX uitstoot van het totale project is minder dan de emissies waarbij een overschrijding optreedt van de 1 % minimisdrempel.

 

Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in oppervlaktewater.Het oppervlakte water staat niet direct in verbindingen met speciale beschermingszones of VEN gebieden.

 

Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.

 

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.

 

8.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 12 december 2024 tot en met 10 januari 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.

 

9.       OMGEVINGSTOETS

Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening

Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de geplande ingreep omdat deze geen ruimtelijke impact heeft. De aanvraag houdt geen stedenbouwkundige werken in.

 

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect afval

De voortgebrachte worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd.

 

Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Aspect afvalwater

De inrichting ligt in niet gerioleerd gebied volgens het zoneringsplan van Stad Gent.

 

Bedrijfsafvalwater

Er wordt een lozing van max. 1,1 m³/uur – 2,9 m³/dag – 60 m³/jaar aangevraagd. Het afvalwater is afkomstig van de tankplaats (opp: 70 m²). Het afvalwater wordt geloosd in oppervlaktewater (Sifferdok).

 

De koolwaterstofafscheider moet voldoende groot gedimensioneerd zijn en voorzien van een automatische afsluiter of gelijkwaardig systeem. Aangezien de lozing uitmondt op oppervlaktewater moet de afscheider ook uitgerust worden met een coalescentiefilter of een gelijkwaardig systeem.

De goede werking van de koolwaterstofafscheider moet altijd verzekerd zijn. De koolwaterstofafscheider dient daarom zo dikwijls geledigd en gereinigd te worden als nodig om de goede werking te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor minstens om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. De afvalstoffen die bij reiniging vrijkomen dienen opgehaald en afgevoerd worden conform Vlarema. Deze elementen worden opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Aspect bodem

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Tankpiste

Er is een vloeistofdichte tankpiste voorzien. De lozing van mogelijks verontreinigd regenwater is aangesloten op een KWS-afscheider en de nodige maatregelen worden getroffen om het morsen van vloeibare brandstoffen en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

Opslag gevaarlijke stoffen

De vertaalslag van de VLAREMrubrieken in kader van de CLP-wetgeving is gebeurd.

 

De vergunde tanks van 5000 en 15 000 liter werden gereinigd en vernietigd. Het dossier bevat geen attesten die aantonen dat de reiniging en vernietiging conform uitgevoerd werd. Ter staving wordt een bijzondere voorwaarde opgenomen. Uiterlijk 1 maand na het verlenen van onderhavige vergunning moeten de  attesten van reiniging/verwijding van de diesel-/stookolietanks van 5000 en 15 000 liter bezorgd worden aan Dienst Toezicht van Stad Gent (toezicht@stad.gent – met vermelding van het dossiernummer).

 

De diesel-/stookolieopslag wordt verminderd met 4,165 ton (5000 liter), waardoor de gecoördineerde toestand als volgt wordt: opslag van 12,5 ton diesel/stookolie in een dubbelwandige, bovengrondse dieseltank met een inhoud van 15 000 liter.

 

De tank is geplaatst op een vloeistofdichte betonverharding. Het keuringsattest van de mazouttank is vervallen sinds 29.08.2024. In tussentijd werd het herstel van de lekdetectie uitgevoerd en geeft de exploitant aan dat het nieuwe keuringsattest in orde gebracht zou worden. Ter staving van deze stellingen wordt een bijzondere voorwaarde opgenomen. Uiterlijk 1 maand na het verlenen van onderhavige vergunning dient de exploitant het keuringsattest van de dubbelwandige, bovengrondse dieseltank met een inhoud van 15 000 liter te bezorgen aan Dienst Toezicht van Stad Gent (toezicht@stad.gent – met vermelding van het dossiernummer).

 

Aspect lucht

Deze exploitatie is bij Dienst Toezicht gekend na een brand door zelfontbranding vanhout.

 

Indien in een van de loodsen hout of houtsnippers bewaard worden, moet een detectiesysteem voorzien zijn vroegtijdige verhitting op te merken. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Aspect mobiliteit

De aanvraag gaat over bestaande loodsen die nu o.a. ook als doorvoeropslagplaats zal dienen. Goederen worden aan-en afgevoerd via het water en via de omliggende wegen. De aanvraag heeft geen verhoging van het aantal transporten tot gevolg.

 

Voorliggende aanvraag zal geen noemenswaardige verandering qua mobiliteitsimpact teweeg brengen.

 

Aspect brandveiligheid

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018373-007/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Aspect bijstelling voorwaarden

Artikel 5.15.0.6.§1 van VLAREM II stelt: “Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.”.

 

Het laden en lossen van schepen en vrachtwagens gebeurt op onregelmatige tijdstippen. De aanmeertijd van het schip wordt steeds zo kort mogelijk gehouden. In kader van de bedrijfsactiviteiten is het van belang onafgebroken en op elk moment van de dag te kunnen werken. De exploitant vraagt daarom om de inrichting 24 uur op 24 uur en 7 dagen op 7 dagen te mogen exploiteren.

 

Gezien de ligging van de exploitatie in een gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven wordt er geen hinder verwacht en kan deze bijstelling gunstig geadviseerd worden.

 

Aspect gecoördineerde bijzondere voorwaarden

Aktename met ref. 127/E/1 d.d. 05.12.1996

Nihil.

 

Aktename met ref. 127/E/2 d.d. 22.02.2001

Nihil.

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°a)

lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater afkomstig van de tankplaats met een debiet van 1,1 m³/uur. | Nieuw

1,1 m³/uur

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | CLP-verordening. | Verandering

1 verdeelslang

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | CLP-verordening. Verminderen van de diesel/stookolieopslag met 4,165 ton (5.000 l). | Verandering

-4,165 ton

48.1.1.2°

overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen. | Nieuw

1 stuk

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20231003-0071) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°a)

lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater afkomstig van de tankplaats met een debiet van 1,1 m³/uur. | klasse 3

1,1 m³/uur

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een verdeelslang. | klasse 3

1 verdeelslang

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 12,5 ton diesel/stookolie in een dubbelwandige, bovengrondse dieseltank met een inhoud van 15.000 l. | klasse 3

12,5 ton

48.1.1.2°

overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen. | vlarebo : A | klasse 2

1 stuk

48.1.2.

opslagplaatsen voor andere goederen dan IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor goederen andere dan IMDG-goederen. | klasse 3

1 stuk

 

TERMIJN

De gevraagde vergunning kan verleend worden voor onbepaalde duur.

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een opslagplaats voor ongevaarlijke goederen bestemd voor doorvoer in het zeehavengebied aan Stukwerkers-Havenbedrijf nv (O.N.:0400108667) gelegen te Geeraard Van den Daelelaan 33 en 37, 9000 Gent.

 

De rubrieken voor de inrichting/activiteit Stukwerkers Havenbedrijf NV met inrichtingsnummer 20231003-0071 beslist het college als volgt:

 

Vergunde rubrieken:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°a)

lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater afkomstig van de tankplaats met een debiet van 1,1 m³/uur. | Nieuw

1,1 m³/uur

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | CLP-verordening. | Verandering

1 verdeelslang

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | CLP-verordening. Verminderen van de diesel/stookolieopslag met 4,165 ton (5.000 l). | Verandering

-4,165 ton

48.1.1.2°

overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen. | Nieuw

1 stuk

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20231003-0071) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.1°a)

lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | Het lozen van bedrijfsafvalwater afkomstig van de tankplaats met een debiet van 1,1 m³/uur. | klasse 3

1,1 m³/uur

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Een verdeelslang. | klasse 3

1 verdeelslang

17.3.2.1.1.1°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt  ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | De opslag van 12,5 ton diesel/stookolie in een dubbelwandige, bovengrondse dieseltank met een inhoud van 15.000 l. | klasse 3

12,5 ton

48.1.1.2°

overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen. | vlarebo : A | klasse 2

1 stuk

48.1.2.

opslagplaatsen voor andere goederen dan IMDG-goederen | Een doorvoeropslagplaats voor goederen andere dan IMDG-goederen. | klasse 3

1 stuk

 

Artikel 2

De gevraagde vergunning kan verleend worden voor onbepaalde duur.

 

Artikel 3

Legt volgende voorwaarden op:

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

1. De koolwaterstofafscheider moet voldoende groot gedimensioneerd zijn en voorzien van een automatische afsluiter of gelijkwaardig systeem. Aangezien de lozing uitmondt op oppervlaktewater moet de afscheider ook uitgerust worden met een coalescentiefilter of een gelijkwaardig systeem.

De goede werking van de koolwaterstofafscheider moet altijd verzekerd zijn. De koolwaterstofafscheider dient daarom zo dikwijls geledigd en gereinigd te worden als nodig om de goede werking te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor minstens om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. De afvalstoffen die bij reiniging vrijkomen dienen opgehaald en afgevoerd worden conform Vlarema.

 

2. Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

 

3. Uiterlijk 1 maand na het verlenen van onderhavige vergunning moeten de  attesten van reiniging/verwijding van de diesel-/stookolietanks van 5000 en 15 000 liter bezorgd worden aan Dienst Toezicht van Stad Gent (toezicht@stad.gent – met vermelding van het dossiernummer).

 

4. Uiterlijk 1 maand na het verlenen van onderhavige vergunning dient de exploitant het keuringsattest van de dubbelwandige, bovengrondse dieseltank met een inhoud van 15 000 liter te bezorgen aan Dienst Toezicht van Stad Gent (toezicht@stad.gent – met vermelding van het dossiernummer).

 

5. Indien in een van de loodsen hout of houtsnippers bewaard worden, moet een detectiesysteem voorzien zijn vroegtijdige verhitting op te merken.

 

6. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018373-007/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.

 

 

Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:

Artikel: 5.15.0.6.§1: In afwijking van artikel 5.15.0.6.§1 van VLAREM II mag de inrichting  24 uur op 24 uur en 7 dagen op 7 dagen exploiteren.

 

Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:

1. De koolwaterstofafscheider moet voldoende groot gedimensioneerd zijn en voorzien van een automatische afsluiter of gelijkwaardig systeem. Aangezien de lozing uitmondt op oppervlaktewater moet de afscheider ook uitgerust worden met een coalescentiefilter of een gelijkwaardig systeem.

De goede werking van de koolwaterstofafscheider moet altijd verzekerd zijn. De koolwaterstofafscheider dient daarom zo dikwijls geledigd en gereinigd te worden als nodig om de goede werking te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor minstens om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. De afvalstoffen die bij reiniging vrijkomen dienen opgehaald en afgevoerd worden conform Vlarema.

 

2. Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

 

3. Uiterlijk 1 maand na het verlenen van onderhavige vergunning moeten de  attesten van reiniging/verwijding van de diesel-/stookolietanks van 5000 en 15 000 liter bezorgd worden aan Dienst Toezicht van Stad Gent (toezicht@stad.gent – met vermelding van het dossiernummer).

 

4. Uiterlijk 1 maand na het verlenen van onderhavige vergunning dient de exploitant het keuringsattest van de dubbelwandige, bovengrondse dieseltank met een inhoud van 15 000 liter te bezorgen aan Dienst Toezicht van Stad Gent (toezicht@stad.gent – met vermelding van het dossiernummer).

 

5. Indien in een van de loodsen hout of houtsnippers bewaard worden, moet een detectiesysteem voorzien zijn vroegtijdige verhitting op te merken.

 

6. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018373-007/KH/2025) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.

 

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

 

 

Artikel 4

Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:

Afval

- Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.

 

Bodem

- Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.