Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 24 en 42.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen geeft gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
Provincie Oost-Vlaanderen met als contactadres Charles de Kerchovelaan 189, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024005642) ingediend bij de deputatie op 28 oktober 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het verder exploiteren en het veranderen van een provinciale academie voor urgentiediensten en lokale overheden (SH + IIOA)
• Adres: Sprendonkstraat 5, 9042 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 13 sectie A nrs. 75B, 81G, 81F en 86C
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 18 december 2024.
De deputatie heeft het college van burgemeester en schepenen om advies gevraagd op
18 december 2024.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 29 januari 2025.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit.
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag situeert zicht op de site van Paulo, een school voor politie, brandweer en dringende geneeskundige hulp. De site van Paulo grenst in het noordwesten aan de John F. Kennedylaan met een beek en dubbele bomenrij tussenin. Aan de zuidkant vormt een haag de scheidingsIijn met een terrein van SUEZ en een containerpark, ten oosten ligt de straat Hulsdonk met aan de overkant verschillende bedrijven. De politieopleidingen en opleiding dringende geneeskundige hulp zijn gevestigd op het noordoostelijk gedeelte van de inrichting. Alle activiteiten gekoppeld aan de brandweeropleidingen liggen op het zuidwestelijk deel van de site. De werking en organisatie van de opleidingen is grotendeels gescheiden. Sommige zaken zoals de werkplaatsen (bv. houtbewerking, metaalbewerking, …) doen dienst voor alle opleidingen naargelang de noodwendigheden.
Volgende stedenbouwkundige handelingen zijn opgenomen als vergunningsplichtige werken:
In functie van het nieuwe schietslokaal wordt het gebouw bij de ingang van de bestaande buitenschietstand volledig gesloopt, en worden de bestaande stalen kogelvanger, balken, bestrating, hekwerk en alle andere constructies die verband houden met de inrichting van de bestaande buitenschietstand verwijderd. Om het nieuwe gebouw op deze locatie op te trekken, inclusief het veranderen van de omliggende omgeving, moeten er ook een aantal struiken en bomen geveld worden. De ligging van de bomen is aangegeven op het inplantingsplan.
De nieuwe ondergrondse schietstand heeft een footprint van 1183 m² en zal bestaan uit een kleine en grote schietstand met respectievelijk 4 en 8 schietbanen. De twee schietstanden bestaan uit banen van 25 m. Naast de schietstanden zijn er diverse afgeschermde lokalen voorzien, zoals een afzonderlijke wapenruimte, een munitieruimte, een ruimte voor het ontladen en onderhouden van de wapens, een instructiekamer, een lokaal voor de instructeur, een poetsberging, sanitaire voorzieningen en technische ruimtes. Op die manier zijn tevens alle nodige voorzieningen i.f.v. de schietactiviteiten ondergronds gecentraliseerd.
De bovenverdieping wordt opgeleverd als casco, die later kan worden ingevuld met verschillende lokalen. Op de grondplannen is wel al een indicatie weergegeven van deze inrichting. Het bevat ruimte voor training, ontspanning, sanitair en briefing ruimtes (soort opleidingscentrum). De ingang tot dit niveau positioneert zich tegenover de ingang van het nieuwe opleidingscentrum, om een sterke connectie te bieden tussen de twee ingangen en dus tussen beide gebouwen.
Een tussenverdieping zal worden gebouwd om te dienen als ruimte voor technische installaties.
De keldervloer is verzonken binnen het bestaande talud van het terrein, die opnieuw gevormd is om de nieuwe contour van het gebouw te volgen. Dit is voordelig op vlak van lawaaihinder, maar ook in termen van ruimtegebruik. De structuur bestaat uit betonnen muren, gedimensioneerd volgens de resultaten van de akoestisch studie.
Openingen in het talud zijn gemaakt om een directe uitgang van de schietbanen naar buiten te bieden. De zichtbare delen van de ondergrondse constructie zijn bekleed met aluminium sandwichpanelen, in navolging van de bekleding van de bovenliggende verdieping. De eerste verdieping is opgebouwd uit een staalconstructie, bekleed met aluminium sandwichpanelen. Dit maakt lange overspanningen mogelijk zonder onderbrekingen in de indeling, zodat de trainingszaal flexibel kan worden ingericht.
De infrastructuur rond het gebouw wordt volledig vernieuwd: Het bestaande talud wordt aangepast aan het nieuwe gebouw. Hier wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een nuttige buitenruimte te creëren door trapsgewijze hellingen te creëren en zitelementen te voorzien.
Nieuwe verharding zal worden aangelegd in functie van toegankelijkheid en brandveiligheid.
• Het bestaande voetpad dat naar het terrein leidt, wordt aangepast aan de ingang van het nieuwe gebouw op niveau 0. (30.79 m2)
• Via de bestaande weg aan de zuidkant wordt nieuwe bestrating aangelegd voor de nieuwe ingang op niveau 1, (55.06 m2) maar ook voor toegang voor voertuigen.
(66.86 m2)
• Beperkte bestrating rond het gebouw in waterdoorlatende verharding. (99.27 m2)
• Op niveau 0, ter hoogte van de branduitgangen in waterdoorlatende verharding.
(76.95 m2)
• Rond de openingen in het talud worden planten (lage struiken in massief + siergrassen) geplant die weinig onderhoud vergen, met een tweeledig doel. Om te voorkomen dat mensen dicht bij de openingen komen (risico op vallen), maar ook om de grond te bedekken en de grond te verstevigen.
Om een ondergrondse vloer te creëren, zal er een reliëfwijziging plaatsvinden. Het bestaande talud zal worden omgevormd tegen het nieuwe gebouw, waardoor er een helling ontstaat vanaf de bestaande wegen.
Dit betekent dat het bestaande maaiveld wordt opgehoogd of op andere locaties wordt verdiept. Dit dient als akoestische isolatie van de schietbanen. Het hoogteverschil tussen het bestaande hoogste punt van de talud en het nieuwe hoogste punt is ongeveer max. 60 cm.
De hoeveelheid grond die kan worden hergebruikt op hetzelfde perceel zal worden bepaald door het
technisch verslag. De aanvullingen dienen te gebeuren met niet vervuilde aanvulgrond.
De brandplaat waar de brandweeropleiding o.a. blusactiviteiten organiseert, wordt uitgebreid en vernieuwd zodat alle risicoactiviteiten op de vloeistofdichte plaat kunnen plaatsvinden. Het afstromende afvalwater van de plaat zal daarbij gezuiverd worden via een WZI, alvorens het te bufferen in functie van hergebruik.
De bestaande vijver wordt verwijderd en opgevuld. Op die locatie wordt de waterzuiveringsinstallatie geplaatst (zie verder).
Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten
Het betreft het verder exploiteren en het veranderen van een provinciale academie voor urgentiediensten en lokale overheden .
De Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden (PAULO) organiseert vorming, training en opleiding. Op de PAULO-site in de Sprendonckstraat 5 te Gent gelegen in de haven van Gent zijn er 3 opleidingen gevestigd: politieopleiding, brandweeropleiding en de opleiding dringende geneeskundige hulp (DGH).
De lopende omgevingsvergunning voor de inrichting vervalt op 11/08/2025. Met voorliggende aanvraag wenst de exploitant de hernieuwing van de omgevingsvergunning met regularisatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, de aanleg van een nieuwe brandplaat met bijhorende waterzuiveringsinstallatie (WZI) en het oprichten van een trainingscomplex met 2 (ondergrondse) schietstanden (1 schietstand met 4 schietbanen en 1 schietstand met 8 schietbanen) aan te vragen.
Volgende rubrieken worden aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
3.4.1°a) | lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende indelingscriteria (tot en met 2 m³/u) | De lozing van bedrijfsafvalwater (maximum 672 m³/jaar, 2,55 m³/dag en 0,32 m³/u) afkomstig van de zone voor het wassen van motorvoertuigen en het tanken van motorvoertuigen, via een KWS-afscheider. | klasse 3 | Nieuw | 0,32 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallatie (+ lozen effluentwater en ontwateren slibproductie) voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³ per jaar | Hernieuwing van de rubriek. Een vermindering van de lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater met 3.863 m³/jaar door het opsplitsen van bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater. Het huishoudelijk afvalwater is niet afkomstig van woongelegenheden en wordt behandeld in een IBA. | klasse 3 | Verandering | -3863 m³/jaar |
3.6.3.2° | afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | afvalwaterzuiveringsinstallatie, met inbegrip van het lozen van het effluentwater, voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 5 m³/uur tot en met 50 m³/uur (maximumdebiet: 10 m³/h, 240 m³/d of 9.012 m³/jaar) | klasse 2 | Nieuw | 10 m³/uur |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Twee brandstofverdeelinstallaties voor het tanken van motorvoertuigen: een installatie met één verdeelslang voor het tanken van diesel en een installatie met één verdeelslang voor het tanken van benzine. | klasse 3 | Nieuw | 2 verdeelslang |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Stallen van 24 motorvoertuigen en aanhangwagens (3 heftrucks, 1 multifunctioneel voertuig, 1 ambulance, 3 combi's, 3 brandweerwagens, 1 haakarmvoertuig, 1 bestelwagen, 6 aanhangwagens, 1 schaarlift, 1 zitmaaier, 1 borstelveegmachine en 1 borstelmachine) | klasse 3 | Nieuw | 23 voertuigen |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Een wasplaats voor het wassen van max. 3 motorvoertuigen per dag | klasse 3 | Nieuw | 3 voertuigen/dag |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Hernieuwing van de rubriek, betreft een actualisatie van alle koelinstallaties en luchtcompressoren, het schrappen van niet-geplaatste warmtepompen en koelinstallaties van de niet-gerealiseerde nieuwbouw. Toevoeging van warmtepompen voor nieuwbouw met binnenschietstand en droogkasten met warmtepompprincipe. | klasse 3 | Verandering | -220 kW |
16.4.2° | inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten en voor de bevoorrading van motorvoertuigen, met: anderen dan gevaarlijke gassen | Compressor voor het vullen van persluchtflessen | klasse 2 | Nieuw | 11 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | De opslag van 2.150 liter diverse gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten waaronder 744 liter gassen van groep 1 (propaan), 42,5 liter gassen van groep 3 (zuurstof) en 1333,2 liter gassen van groep 4 (argon, perslucht en koolstofdioxide). | klasse 2 | Nieuw | 2150 liter |
17.1.2.2.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 3000 liter tot en met 10.000 liter | Hernieuwing van de rubriek. Het schrappen van de stikstoftank van 5.000 liter en een actualisatie van de opslag van propaangas (4.850 liter). | klasse 2 | Verandering | -5150 liter |
17.3.1.1° | ontploffingsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS01 met een gezamenlijke opslagcapaciteit vanmeer dan 1 kg tot en met 100 kg | De opslag van 100 kg buskruit (NEQ) in kogels op één locatie | klasse 3 | Nieuw | 100 kg |
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 : gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | Hernieuwing van de rubriek. De opslag van 2 x 500 l dieselolie is geschrapt, de bestaande ondergrondse dubbelwandige dieseltank van 5.000 liter wordt vervangen door een nieuwe bovengrondse tank van 2.500 liter. Globaal daalt de opslag van diesel met 2,795 ton. | klasse 3 | Verandering | -2,795 ton |
17.3.2.1.2.1° | overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton | De opslag van brandvloeistof ExxsolD30 in een bovengrondse enkelwandige opslagtank met inhoud van 4,028 ton. De opslagtank is opgesteld in een inkuiping en onder een afdak. | klasse 3 | Nieuw | 4,028 ton |
17.3.2.2.1° | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 50 kg tot en met 2 ton | De opslag van 775 kg benzine in een bovengrondse dubbelwandige tank met overvulbeveiliging en lekdetectiesysteem. | klasse 3 | Nieuw | 775 kg |
17.3.4.1°a) | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | De opslag van oefenschuim (200 liter) in een verplaatsbaar recipiënt en de opslag van chemicaliën voor de werking van de waterzuivering in verplaatsbare recipiënten waaronder natronloog (200 liter), zwavelzuur (200 liter), azijnzuur (200 liter) en ijzerchloride (1.000 liter). | klasse 3 | Nieuw | 2,55 ton |
17.3.6.1°a) | schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | De opslag van schadelijke vloeistoffen (1.000 liter ijzerchloride) in een verplaatsbaar recipiënt. | klasse 3 | Nieuw | 1,45 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke vloeistoffen en stoffen in verpakkingen van maximum 30 kg of liter voor een totaal van 1.350 kg of liter. | klasse 3 | Nieuw | 1350 liter |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en vervaardigen van artikelen van hout met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Diverse houtbewerkingsmachines met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 14 kW. | klasse 3 | Nieuw | 14 kW |
19.6.1°c) | opslag van hout e.d. volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 en 19.8 (meer dan 400 m3 in een lokaal) | Opslag van hout en soortgelijke producten voor de warme opleidingen, bestaande uit: vezelplaten, paletten, hardboardplaten, fruitkistjes, aanmaakhout, papier en karton. | klasse 2 | Nieuw | 730 m³ |
29.5.2.1°a) | smederijen (andere dan rubriek 29.5.1) en mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal, volledig gelegen in een industriegebied (van 5 kW tot en met 200 kW) | Diverse metaalbewerkingstoestellen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 7 kW. | klasse 3 | Nieuw | 7 kW |
32.7.2°c) | Vuurwapens: de Ek1 is groter dan 250 joule | De huidige 'schietstand in een lokaal' en de 'schietstand in open lucht' verdwijnen en worden vervangen door twee nieuwe 'schietstanden in een lokaal' in een nieuwbouw op de locatie van de huidige schietstand in open lucht. De huidige schietstand in een lokaal zal tijdens de bouwfase tijdelijk nog dienst doen als schietstand. | klasse 1 | Verandering | 0 Joule |
38.3.2° | opslag springstoffen meer bedraagt dan de hoeveelheden, vermeld in 1° | De opslag van 100 kg buskruit (NEQ) in kogels op één locatie | klasse 2 | Nieuw | 100 kg |
43.1.1°a) | stookinstallaties volledig gelegen in industriegebied én gestookt met vloeibare brandstoffen, aardgas of vloeibaar gemaakt gas (van 300 kW tot en met 2 000 kW) | Hernieuwing van de rubriek. 3 Condenserende gaskelels werden vervangen en er werd 1 extra condenserende gasketel bijgeplaatst waardoor het geïnstalleerd totaal vermogen stijgt met 19,7 kW. | klasse 3 | Verandering | 19,7 kW |
46.1°a) | wasserij volledig gelegen in industriegebied (5 kW tot en met 200 kW) | Diverse was- en droogmachines met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 40 kW | klasse 3 | Nieuw | 40 kW |
Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:
12.2.1° | een transformator van 630 kVA. | 630 kVA
31.1.1°a) | Een vast opgestelde motor met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 500 kW. | 500 kW
Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Artikel: 4.2.3.1 3 – Afwijking lozingsnormen
Omschrijving
Van de gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 2C, mogen in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1. enkel stoffen worden geloosd waarvoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit emissiegrenswaarden zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.3.6.1.
Motivatie
Door het aanleggen van een volledige nieuwe vloeistofdichte brandplaat kan het bedrijfsafvalwater van de oefenzones en opslaglocaties (afval, autowrakken, Exxsol-tank, enz.) volledig opgevangen worden. Al het opgevangen bedrijfsafvalwater en regenwater dat in de zone van de brandplaat terechtkomt ondergaat een verregaande zuivering in de waterzuiveringsinstallatie. Deze waterzuiveringsinstallatie combineert zowel de techniek van een membraanbioreactor als 2 in serie geschakelde actief koolfilters, hierdoor ondergaat het bedrijfsafvalwater een verregaande zuivering. Ondanks de verregaande zuivering is het niet mogelijk om voor elke parameter aan de algemene emissiegrenswaarden te voldoen.
Het effluent van de waterzuivering wordt opgevangen in een bluswatertank en is bedoeld voor hergebruik. Het lozen van effluent zal niet voortdurend plaatsvinden en gebeurt pas bij voldoende regenval. Het gaat hier dus niet om een constante lozing van 10 m³/u gedurende het volledige jaar.
Er werd een impactbeoordeling uitgevoerd voor het ontvangende oppervlaktewater, gebaseerd op de verhoogde lozingsnormen die worden voorgesteld in deze vergunningsaanvraag. Uit de conclusie van de impactbeoordeling blijkt dat, mits een aangepaste lozingsnorm voor fluorantheen tot 630 ng/l, de impact als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Deze impactbeoordeling werd opgemaakt o.b.v. de voorgestelde lozingsnormen en maximum debieten. In werkelijkheid zal de impact nog beperkter zijn omdat de gemeten concentraties van de meeste stoffen lager zijn dan de aangevraagde normen en de debieten in werkelijkheid ook lager zullen liggen.
De gevraagde lozingsnormen die in deze vergunningsaanvraag zijn opgenomen werden opgesteld in samenspraak met en op voorstel van de Vlaamse Milieumaatschappij.
De goede werking van de waterzuiveringsinstallatie inclusief de opvolging van de kwaliteit van het effluent zal uitgevoerd worden door een gespecialiseerde firma
Voorstel
In afwijking van de geldende lozingsnormen voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat op oppervlaktewater, zoals bepaald in artikel 4.2.3.1, 3° van Titel II van Vlarem, wordt voorgesteld om onderstaande lozingsnormen als bijzondere voorwaarde op te nemen in de omgevingsvergunning. Deze lozingsnormen werden voorgesteld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De voorgestelde lozingsnorm voor fluorantheen van 10 x de rapportagegrens (100 ng/l) werd op basis van de resultaten van de impactbeoordeling bijgesteld naar 630 ng/l.
PFASi : geen norm
Nt : 15 mg/l
Pt : 2 mg/l
ZS : 60 mg/l
CZV : 125 mg/l
BZV : 25 mg/l
Cdt : 0,8 µg/l
Cut : 250 µg/l
Hgt : 0,15 µg/l
Znt : 300 µg/l
benzo(a)pyreen : rapportagegrens (gelijk aan 100 ng/l)
benzo(b+k)fluoranteen: 0,03 µg/l
benzo(g,h,i)peryleen+indeno(1,2,3-cd)pyreen : 0,002 µg/l
fluoranteen : voorstel o.b.v. impactbeoordeling: 630 ng/l
antraceen : 0,1 µg/l
fenantreen : 1 µg/l
pyreen : 0,4 µg/l
anion. det.: 1 mg/l
kation+niet-ion. det.: 3 mg/l (d.i. norm voor totaal detergenten)
cyanides : 350 µg/l • AOX : 300 µg/l
2. HISTORIEK
Volgende relevante vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
* Op 13/08/2020 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van de provinciale academie voor urgentiediensten en lokale overheden + bijstelling. (OMV_2020010569)
* Op 20/05/2021 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een provinciale academie voor urgentiediensten en lokale overheden en afbraak van bestaande hal en kantoor en nieuwbouw (incl. ondergrondse schietstand in een lokaal). (OMV_2020115395)
* Op 31/01/2024 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het bouwen van 2 voorposten, 2 nieuwe eindmasten en een, distributiecabine, het nivelleren van het terrein inclusief ontbossen en het opheffen van de buurtweg nr. 13. (OMV_2023011772)
* Op 05/09/2024 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een provinciale academie (iioa) + bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden. (OMV_2024019380)
Stedenbouwkundige vergunningen
* Op 16/05/2001 werd een vergunning afgeleverd voor aanleg van een parking van de opac en van de toegangsweg van de pbo. (2001/50043)
* Op 15/12/2003 werd een vergunning afgeleverd voor de uitbreiding van infrastructuren in de campus provinciale brandweerschool van Oost-Vlaanderen: proefplatforms, nieuwe brandhal en receptiegebouw, wegen en parkings, en omgevingsaanleg. (2003/50139)
* Op 05/06/2012 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van een oefenplaat (een betonverharding waarop brandweeroefeningen worden uitgevoerd). (2012/50011)
Milieuvergunningen
* Op 11/08/2005 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor het exploiteren van een school voor praktijkopleiding brandbestrijding en hulpverlening. (10953/E/1)
* Op 11/08/2005 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor overname van de exploitatie van een school voor praktijkopleiding brandbestrijding en hulpverlening. (10953/E/2)
3. WIJZIGINGSAANVRAAG
Op 15 januari 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 16 januari 2025 werd dit wijzigingsverzoek aanvaard.
BEOORDELING AANVRAAG
4. EXTERNE ADVIEZEN
Wettelijk verplichte externe adviezen worden opgevraagd door de vergunningverlenende overheid.
Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 17 januari 2025 onder ref: 037343-023/MN/2025
Besluit: GUNSTIG, mits te voldoen aan de hiervoor vermelde maatregelen en reglementeringen. Bijzondere aandachtspunten: De stalen skeletstructuur (kolommen, liggers, …) moet op de gepaste manier brandwerend beschermd worden om R60 te bekomen.
5. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
5.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Een regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter is bestemd voor de vestiging van bedrijven zoals bedoeld in artikelen 7 en 8, lid 2.1.1. en lid 2.1.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972. Het kan evenwel alleen worden gerealiseerd door de overheid. Bij de inrichting van het gebied zal rekening gehouden worden met de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het terrein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de aktiviteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. De Vlaamse regering kan bepalen dat een bijzonder plan van aanleg voorafgaand aan de ontwikkeling van dat gebied dient goedgekeurd te worden.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.
Het project wijkt af van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan (zone voor regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter) in functie van de bouw van een nieuw schietslokaal en opleidingscentrum.
Voorafgaand aan deze omgevingsvergunningsaanvraag werd een projectvergadering georganiseerd om deze afwijking voor handelingen van algemeen belang te onderzoeken. Hierbij werden de verplichte adviesinstanties en de interne diensten geconsulteerd.
Projectvergadering
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening legt volgende bepalingen vast:
Artikel 4.4.7.
§1. …
§2. In een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften.
Handelingen van algemeen belang kunnen een ruimtelijk beperkte impact hebben vanwege hun aard of omvang, of omdat ze slechts een wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren of voorzieningen tot gevolg hebben.
De Vlaamse Regering bepaalt welke handelingen van algemeen belang onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen. Ze kan ook de regels bepalen op basis waarvan kan worden beslist dat niet door gaar opgesomde handelingen toch onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen.
Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over projecten, opgenomen in hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben worden gedefinieerd in artikel 3 van het besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, §2, en artikel 4.7.1, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
In toepassing van art.3, §3 van voormeld besluit kan de bevoegde overheid, vermeld in het omgevingsvergunningsdecreet, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager vaststellen dat ook HVAB die niet in §1 en 2 zijn opgenomen, een ruimtelijk beperkte impact heeft. Die bevoegde overheid beoordeelt concreet of de handelingen de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden, aan de hand van de aard en omvang van het project, en het ruimtelijk bereik van de effecten van de handelingen.
De bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt en beslist daarover nadat een projectvergadering werd gehouden en voor de vergunningsaanvraag werd ingediend. Het document waaruit die beslissing blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd.
De projectvergadering wordt georganiseerd conform de bepalingen van art. 6 t.e.m. 8 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
De projectvergadering vond plaats op 16 juli 2024 (zie ook verslag projectvergadering Omgevingsloket).
Conclusie
Op basis van de toelichting van het project en de schriftelijke adviezen en mondelinge reacties, blijkt dat de bouw van een nieuw schietslokaal en opleidingscentrum kan worden beschouwd als een handeling van algemeen belang. Het verslag van de projectvergadering en het verzoek tot organiseren van deze projectvergadering werd aan de aanvraag tot omgevingsvergunning toegevoegd.
Bijgevolg kan besloten worden dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag toepassing kan gemaakt worden van artikel 4.4.7, §2 VCRO, en akkoord kan worden gegaan met de afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften.
5.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5.3. Verordeningen
Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024.
Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.
Gewestelijke verordening hemelwater
De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023. (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023)
Zie waterparagraaf.
Gewestelijke verordening toegankelijkheid
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.
5.4. Uitgeruste weg
Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gewestweg.
6. WATERPARAGRAAF
De vergunningverlenende overheid staat in voor de opmaak van de waterparagraaf. Met betrekking tot de waterparagraaf wordt volgend advies uitgebracht:
Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.
- niet gelegen in een signaalgebied.
Het perceel is momenteel bebouwd.
Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Om hier concreet uitvoering aan te geven werd het project aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en het algemeen bouwreglement van de stad Gent inzake hemelwater getoetst.
Toetsing gewestelijke verordening (GSV) en algemeen bouwreglement stad Gent (ABR) inzake hemelwater
Algemeen geplande toestand:
- nieuwe dakoppervlakte trainingscomplex: 1.216,60 m²
- aangesloten op HW-put voor hergebruik: 753,79 m²
- deel dak dat op natuurlijke wijze infiltreert in het gras op eigen terrein: 462,85 m²
- nieuwe waterdoorlatende verharding of verharding waarbij het hemelwater naar een aanpalende onverharde strook afwatert: 176,22 m²
- niet waterdoorlatende verharding aangesloten op infiltratievoorziening: 152,71 m²
- hemelwaterput: 20.000 liter
- infiltratievoorziening: 86 m² en 30,10 m³
Gescheiden stelsel
De bouwheer voorziet een privaat gescheiden afvoerstel van afval- en hemelwater.
Verharding
Conform artikel 12 van het ABR moet het verharden van oppervlaktes tot een minimum beperkt worden. De strikt noodzakelijke verhardingen moeten waar mogelijk als verharding met natuurlijke infiltratie of als waterdoorlatende verharding aangelegd worden.
Een deel van de verharding (176,22 m²) wordt voorzien in waterdoorlatende materialen. Deze watert rechtstreeks af richting de aangrenzende groenzones.
De verhardingen moeten, zonder dat hiervoor een afvoersysteem wordt aangelegd afvloeien naar een voldoende grote onverharde oppervlakte (op eigen terrein) waar natuurlijke infiltratie kan plaatsgrijpen. De onverharde oppervlakte moet minimaal 25% van de oppervlakte van de afwaterende oppervlakte zijn. Er mogen geen afvoerkolken of boordstenen voorzien worden die de doorstroming van het water onmogelijk maken.
Natuurlijke infiltratie mag niet leiden tot wateroverlast bij derden.
Hemelwaterput en groendak
Conform de gewestelijke verordening hemelwater bedraagt de afwaterende oppervlakte die in rekening gebracht moet worden voor het bepalen van de inhoud van de hemelwaterput 1.216,60 m². Conform artikel 7 §3 van de verordening moet er bijgevolg een hemelwaterput voorzien worden met een minimale inhoudt van 121.660 liter. Deze inhoud is niet in verhouding tot de gebruiksmogelijkheden. Het gebouw bevat geen enkele woongelegenheid.
Er wordt een hemelwaterput met een inhoud van 20.000 liter voorzien. Hierop wordt 753,79 m² dakoppervlakte aangesloten. Het resterende oostelijke deel van het hellende dak en de overdekte zijstructuren infiltreren op natuurlijke wijze in het gras op eigen terrein. De omliggende groene ruimte beslaat meer dan ¼ van de totale verharde oppervlakte.
Het opgevangen hemelwater dient maximaal gebruikt voor toepassingen waar geen drinkwaterkwaliteit voor nodig is. Het opgevangen hemelwater van het trainingscomplex wordt hergebruikt voor het sanitair en onderhoud van het gazon.
Infiltratievoorziening
Voor de berekening van de oppervlakte van de infiltratievoorziening wordt rekening gehouden met volgende oppervlakte
- dak aangesloten op HW-put: 753,79 m²
- niet waterdoorlatende verharding: 152,71 m²
- vermindering met 30 m2 wegens plaatsing hemelwaterput met hergebruik
De totale oppervlakte komt hierdoor op 876,50 m².
De infiltratievoorziening is bovengronds (wadi). De voorziening dient een inhoud te hebben van 28.924,5 liter en een oppervlakte van 70,12 m². De bouwheer voorziet een infiltratievoorziening van 30,1 m³ en een oppervlakte van 86 m².
Er kan voldaan worden aan de GSV en het ABR indien bovenstaande maatregelen worden toegepast.
De aanleg van de ondergrondse constructie mag er geenszins voor zorgen dat er een permanente drainage optreedt met lagere grondwaterstanden tot gevolg. Een dergelijke permanente drainage is immers in strijd met de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid waarin is opgenomen dat verdroging moet voorkomen worden, beperkt of ongedaan gemaakt. De ondergrondse constructie dient dan ook uitgevoerd te worden als volledig waterdichte kuip en zonder kunstmatig drainagesysteem.
Een grondwaterbemaling kan noodzakelijk zijn voor de bouwkundige werken of de aanleg van de openbare nutsvoorzieningen. Bij bemaling moet volgens Vlarem minstens een melding van de activiteit gebeuren. Ze kan evenwel vergunningsplichtig zijn en zelfs merplichtig naargelang de ligging, de diepte van de grondwaterverlaging en het opgepompte debiet. De akte of vergunning moet verleend zijn door de bevoegde instantie vooraleer de bemalingswerken kunnen gestart worden.
In een aanvraagdossier voor een vergunning of melding moeten steeds de effecten naar de omgeving onderzocht worden, op basis van de gemodelleerde debieten en het bemalingsconcept, en moet steeds vermeld worden op welke manier zal omgegaan worden met het opgepompte bemalingswater (toepassing van de bemalingscascade). De bemalingsinstallatie dient geplaatst te worden door een erkend boorbedrijf.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het perceel ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede. Er werd advies gevraagd aan de waterbeheerder.
Overstromingen
Om impact op het overstromingsregime te vermijden dienen de voorwaarden uit de gewestelijke verordening en het algemeen bouwreglement van de stad Gent inzake hemelwater strikt toegepast te worden. Ernstiger overstromingen dan in het verleden zijn niet uit te sluiten en er kan geen sluitende garantie gegeven worden dat er zich op het perceel in de toekomst geen wateroverlast meer zal voordoen.
Waterkwaliteit
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag, mits toepassing van de vermelde voorwaarden, de watertoets doorstaat.
Sloop
Voor de sloop worden een aantal opmerkingen gegeven over afval en stofemissies.
7. NATUURTOETS
De vergunningverlenende overheid staat in voor de opmaak van de natuurtoets.
Met betrekking tot de natuurtoets wordt volgend advies uitgebracht:
Er is op zich geen bezwaar tegen de aangevraagde werken. Wel worden alle 7 bomen naast de bestaande schietstand (kant paradeplein oude politievleugel) gerooid. Deze bomen kunnen perfect geïntegreerd worden in de nieuwe aanleg (talud wordt plaatselijk verder van de weg aangevat, zodat de stammen van deze bomen niet worden ingegraven). Enkel de boom die voor de nieuwe toegang staat, kan verwijderd worden. Bij de bouwwerkzaamheden voor de waterzuiveringsinstallatie mogen hiervoor ook geen bomen geveld worden.
Als compensatie voor de te verwijderen boom, dient minstens één hoogstammige boom (met minimumstamomtrek HS10/12) heraangeplant te worden. Dit gebeurt ten laatste het eerstvolgend plantseizoen na het rooien en op minstens 2 m van de perceelsgrens.
Hieruit volgt een ongunstig advies voor het vellen van de bomen naast de bestaande schietstand (kant paradeplein oude politievleugel), met uitzondering van de boom die komt te staan net voor de nieuwe toegang, en een voorwaardelijk gunstig advies voor het bouwen van de nieuwe schietstand en de waterzuivering op voorwaarde dat de talud plaatselijk verder van de weg wordt aangevat, zodat de stammen van de 6 te behouden bomen niet worden ingegraven. Bij de bouwwerkzaamheden voor de waterzuiveringsinstallatie mogen hiervoor ook geen bomen verwijderd worden. Eén nieuwe hoogstammige boom (met minimumstamomtrek HS10/12) wordt heraangeplant en dit ten laatste het eerstvolgend plantseizoen na het rooien en op minstens 2 m van de perceelsgrens.
8. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 3 januari 2025 tot en met 1 februari 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
9. OMGEVINGSTOETS
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
De aangevraagde handelingen hebben een ruimtelijk beperkte impact op de omgeving: het project is niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied en beoogt louter een optimalisering en sanering van de site binnen de grenzen van de bestaande site. Het betreft een vernieuwings-/moderniseringsproject waarmee men de bestaande site aan de hedendaagse normen wil aanpassen, zonder de site uit te breiden of bijkomende lesvolgers aan te trekken. Er wordt geen nieuw terrein aangesneden. Het ruimtelijk bereik van de effecten en hinderaspecten van het project zal bijgevolg niet groter zijn dan in de huidige toestand, waarin het project de draagkracht van de omgeving niet overschrijdt, noch onaanvaardbare hinder veroorzaakt. De schietstand zal nu volledig binnen/inpandig voorzien worden, waardoor de daaraan verbonden geluidshinder ernstig verminderd wordt. De directe omgeving van de site is bijna volledig ontwikkeld en wordt vooral gekenmerkt door allerhande vervuilende of milieubelastende industriële of ambachtelijke bedrijven. Deze bedrijven moeten uit hun aard afgezonderd worden ter bescherming van het leefmilieu of om economische of sociale redenen. De impact van de aanvraag op deze bedrijven is absoluut minimaal. De aanvraag zal zich goed inpassen in de voornamelijk industriële omgeving en op de site. De delen van de site die ingekleurd zijn als biologisch waardevol, waar zich mogelijks natuurwaarden kunnen bevinden, worden grotendeels ongemoeid gelaten. Het project zal de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden.
De aanvraag is bijgevolg in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening.
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Er wordt geen advies gegeven over de milieuhygiënische en veiligheidsaspecten van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig.
Er wordt geen advies gegeven over de milieuhygiënische en veiligheidsaspecten van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen.
De aanvraag wordt beslist door de deputatie (art. 15 van het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014).
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet advies uitbrengen bij de deputatie over omgevingsvergunningsaanvragen die door de deputatie worden behandeld (klasse 1 inrichtingen en/of provinciale projecten).
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Niet van toepassing.
Het college van burgemeester en schepenen brengt gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies uit over de omgevingsaanvraag voor het verder exploiteren en het veranderen van een provinciale academie voor urgentiediensten en lokale overheden (SH + IIOA) van Provincie Oost-Vlaanderen, gelegen te Sprendonkstraat 5, 9042 Gent.
Verzoekt de deputatie om volgende voorwaarden voor de geplande werken op te nemen:
Volgende handelingen worden uit de vergunning gesloten
Het vellen van de 6 bomen naast de bestaande schietstand (kant paradeplein oude politievleugel), met uitzondering van de boom die komt te staan net voor de nieuwe toegang.
Behoud bomen
Het talud moet plaatselijk verder van de weg worden aangevat, zodat de stammen van de 6 te behouden bomen niet worden ingegraven.
Bij de bouwwerkzaamheden voor de waterzuiveringsinstallatie mogen hiervoor ook geen bomen verwijderd worden.
Compensatie rooien boom
Eén nieuwe hoogstammige boom (met minimumstamomtrek HS10/12) wordt heraangeplant en dit ten laatste het eerstvolgend plantseizoen na het rooien en op minstens 2 m van de perceelsgrens.
Verhardingen
De verhardingen moeten, zonder dat hiervoor een afvoersysteem wordt aangelegd afvloeien naar een voldoende grote onverharde oppervlakte (op eigen terrein) waar natuurlijke infiltratie kan plaatsgrijpen. De onverharde oppervlakte moet minimaal 25% van de oppervlakte van de afwaterende oppervlakte zijn. Er mogen geen afvoerkolken of boordstenen voorzien worden die de doorstroming van het water onmogelijk maken. Natuurlijke infiltratie mag niet leiden tot wateroverlast bij derden.
Verzoekt de deputatie om volgende aandachtspunten op te leggen aan de aanvrager:
Ondergrondse constructie
De aanleg van de ondergrondse constructie mag er geenszins voor zorgen dat er een permanente drainage optreedt met lagere grondwaterstanden tot gevolg. Een dergelijke permanente drainage is immers in strijd met de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid waarin is opgenomen dat verdroging moet voorkomen worden, beperkt of ongedaan gemaakt. De ondergrondse constructie dient dan ook uitgevoerd te worden als volledig waterdichte kuip en zonder kunstmatig drainagesysteem.
Grondwater
Een grondwaterbemaling kan noodzakelijk zijn voor de bouwkundige werken of de aanleg van de openbare nutsvoorzieningen. Bij bemaling moet volgens Vlarem minstens een melding van de activiteit gebeuren. Ze kan evenwel vergunningsplichtig zijn en zelfs merplichtig naargelang de ligging, de diepte van de grondwaterverlaging en het opgepompte debiet. De akte of vergunning moet verleend zijn door de bevoegde instantie vooraleer de bemalingswerken kunnen gestart worden.
In een aanvraagdossier voor een vergunning of melding moeten steeds de effecten naar de omgeving onderzocht worden, op basis van de gemodelleerde debieten en het bemalingsconcept, en moet steeds vermeld worden op welke manier zal omgegaan worden met het opgepompte bemalingswater (toepassing van de bemalingscascade). De bemalingsinstallatie dient geplaatst te worden door een erkend boorbedrijf.
Sloop
Afval
De verplichting om selectief te slopen, renoveren en/of te ontmantelen staat in artikel 4.3.3 van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Vlarema).
Elke afvoer van afvalstoffen moet gedocumenteerd worden met een identificatieformulier of een afgiftebewijs. De uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop- en ontmantelingswerken bezorgt deze documenten aan de houder van de omgevingsvergunning. Deze dienen 5 jaar bijgehouden te worden.
Stofemissies
De uitvoerder van bouw-, sloop- en infrastructuurwerken moet de emissie van stof zo laag mogelijk houden en moet hiertoe maatregelen treffen.
De verplichte maatregelen staan opgesomd in hoofdstuk 6.12 van Vlarem II.
De aandacht wordt gevestigd op artikel 6.12.3 van deze regelgeving. Dit artikel vermeldt vier concrete maatregelen om stofemissies te voorkomen:
1. afscherming met doeken of zeilen,
2. beneveling van de locatie waar de werken worden uitgevoerd,
3. bevochtiging ter hoogte van de apparatuur,
4. rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines.
Minimaal één van deze vier maatregelen moet genomen worden.
Als er visueel waarneembare stofverspreiding optreedt kan bijkomende verneveling verplicht zijn.
Asbest
Bij de sloop moet de nodige aandacht besteed worden aan de aanwezigheid van asbest. Meer informatie over het correct omgaan met asbest is terug te vinden op de website van OVAM: https://www.ovam.be/veilig-omgaan-met-asbestafval#Slopen