Terug
Gepubliceerd op 07/02/2025

2025_CBS_01115 - OMV_2023142931 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een carrosserieherstelafdeling gelinkt aan de garage- en de in- en outbondactiviteiten - met openbaar onderzoek - Skaldenstraat, 9042 Gent - Tijdelijke Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 06/02/2025 - 09:17 College Raadzaal
Datum beslissing: do 06/02/2025 - 09:20
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Mathias De Clercq, aangewezen burgemeester-voorzitter; Hafsa El-Bazioui, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Evita Willaert, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Burak Nalli, schepen; Filip Watteeuw, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur

Afwezig

Christophe Peeters, schepen

Verontschuldigd

Sofie Bracke, schepen; Joris Vandenbroucke, schepen

Secretaris

Mieke Hullebroeck, algemeen directeur

Voorzitter

Astrid De Bruycker, schepen
2025_CBS_01115 - OMV_2023142931 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een carrosserieherstelafdeling gelinkt aan de garage- en de in- en outbondactiviteiten - met openbaar onderzoek - Skaldenstraat, 9042 Gent - Tijdelijke Vergunning 2025_CBS_01115 - OMV_2023142931 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een carrosserieherstelafdeling gelinkt aan de garage- en de in- en outbondactiviteiten - met openbaar onderzoek - Skaldenstraat, 9042 Gent - Tijdelijke Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent tijdelijk  de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

VOLVO CAR BELGIUM NV NV met als contactadres John Kennedylaan 25, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2023142931) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 21 augustus 2024.

 

De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

• Onderwerp: het veranderen van een carrosserieherstelafdeling gelinkt aan de garage- en de in- en outbondactiviteiten

• Adres: Skaldenstraat 64, 9042 Gent

• Kadastrale gegevens: afdeling 13 sectie B nr. 120C4

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 18 november 2024.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 23 januari 2025.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

Het betreft het veranderen van een carrosserieherstelafdeling gelinkt aan de garage- en de in- en outboundactiviteiten.

 

Ingrijpende carrosseriewerkzaamheden (bv. verlengen van voertuigen) worden niet uitgevoerd. De activiteiten zijn beperkt tot carrosserieherstel, er gebeurt geen carrosseriebouw.

 

De basis-milieuvergunning werd verleend op 18/03/2010 door het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Gent, voor een termijn van 20 jaar. Verder werd er een actualisatie doorgevoerd op 10 november 2011 met een bijhorende rechtzetting materiële misslag op 8 december 2011.

 

Met de voorliggende aanvraag wil de exploitant:

- enkele actualisaties doorvoeren van de garage activiteiten. De volgende installaties werden geïnventariseerd en geactualiseerd: stookinstallaties, compressoren, airco’s, hefbruggen, stalplaatsen van voertuigen, effluent bedrijfsafvalwater zonder zuivering, spuit-, spot- en schuurcabines.

- het volume van de Volvo vloot (bedrijfswagens) uitbreiden van 2000 auto’s naar 2300 auto’s.

- de opslag van gevaarlijke producten actualiseren naar aanleiding van de aanpassing van de CLP- verordening. Tegelijkertijd worden ook de producten en de hoeveelheden aangepast naar de actuele toestand.

- een ondoordringbare piste maken voor de opslag van maximaal 5 geaccidenteerde wagens (10 ton).

- bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd: Artikel: 5.4.3.1.4. §5 en 5.15.0.6. §1.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Toevoeging van de lozing uit de zone geaccidenteerde voertuigen. | klasse 2 | Verandering

0,23 m³/uur

4.3.b)2°i)

inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Actualisatie van de spuitcabines: toevoeging van een schuurzone. | klasse 2 | Verandering

7,5 kW

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van brandbare vloeistoffen (incl. afvalstoffen) op meerdere locaties:

VR1 Magazijn: 624 liter

VR2 Garage: 1008 liter in opslag (+ 408 liter proces niet opgenomen als opslag)

VR5 Afvalpark: 2400 liter

VR6 Paintmix afval: 800 liter

In totaal 4832 liter | klasse 3 | Nieuw

4832 liter

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Actualisatie met een bestelwagen en twee tugmasters. | klasse 3 | Verandering

3 voertuigen

15.3.1°

autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | Actualisatie: 3 extra hefbruggen,1 schaarlift, 1 richtbrug, 1 stationaires afvalpers en 2 schaarliften verpreid over de fabriek. | klasse 2 | Verandering

8 schouwputten of hefbruggen

15.6.1°

stallen van geaccidenteerde voertuigen (maximaal 25 voertuigen) | Het stallen van maximum 5 geaccidenteerde voertuigen op een vloeistofdichte en -bestendige zone. | klasse 3 | Nieuw

10 ton

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Actualisatie: 1 compressor in de garage (+5,5 kW) en verschillende airco units in de bureaus (+33,14 kW). | klasse 3 | Verandering

38,64 kW

17.1.1.1°

opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | Opslag van aerosolen in Gele kasten verdeeld over ESDIC (350 liter) en LC5 (50 liter). Rekening houdende met marge voor variërende hoeveelheden en producten in totaal 400 liter. | klasse 3 | Nieuw

400 liter

17.3.2.1.1.2°

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistoffen gekenmerkt door GHS 02 gevarencategorie 3, diesel, gasolie,...

T2 Dieseltank: 8450 kg

T3 Gasolietank: 8450 kg

T4 Gasolietank: 12675 kg

T5 Gasolietank: 8450 kg

T6 Gasolietank: 12675 kg

T7 Gasolietank: 1183 kg

In totaal 51883 kg | klasse 2 | Nieuw

51,883 ton

17.3.2.2.2°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistof gekenmerkt door GHS02 - categorie 1 en 2

T1 Benzinetank: 7750 kg

VR1 Magazijn: 972 kg

VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 9046 kg | klasse 2 | Nieuw

9,046 ton

17.3.4.1°a)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van bijtende/corrosieve stoffen gekenmerkt door GHS05:

- VR3 Carwash: 840 kg

In totaal 840 kg | klasse 3 | Nieuw

0,84 ton

17.3.6.1°a)

schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van schadelijke stoffen gekenmerkt door GHS07:

- VR1 Magazijn: 1186,8 kg

- VR2 Garage: 214,80 kg

- VR3 Carwash: 450 kg

- VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 2175,6 kg | klasse 3 | Nieuw

2,176 ton

17.3.7.1°a)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van op lange termijn gezondheidsgevaarlijke stoffen gekenmerkt door GHS08:

- VR1 Magazijn: 214,8 kg

- VR2 Garage: 214,8 kg

In totaal 429,6 kg | klasse 3 | Nieuw

0,43 ton

43.1.2°a)

stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | Actualisaties:

* Spuitcabine 4 (-320 kW) en oven 4 zijn buitendienst (-250 kW),

* Stookinstallatie 11 in LC5 (+ 349 kW),

* Actualisatie van stookinstallatie 12 (+40 kW),

* Stookinstallatie 13 in LC5 (+225 kW),

* Stookinstallatie 14 (-100 kW). | klasse 2 | Verandering

-56 kW

 

Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:

3.6.3.2° | Afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat - andere dan rubriek 3.6.5: maximum 45 m³/uur. | 45 m³/uur

6.5.1° | Verdeelstation met 2 verdeelslangen voor benzine en diesel voor de bevoorrading van eigen bedrijfsvoertuigen | 2 verdeelslang

15.4.1° | Éen carwash voor het industrieel wassen van voertuigen en hun aanhangwagens. | 1 Carwash

17.4. | Opslag van producten in kleine recipiënten van maximaal 30 liter in specifieke kasten (gele kasten) of in specifieke zone (paintmix):

- 2400 liter Gele kasten ESDIC (VR7) (meerdere locaties)

- 400 liter Gele kasten LC5 (VR8)

- 1200 liter Paintmix (VR9) | 4000 liter

 

Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:

12.3.2 | Laden van accumulatoren - andere dan rubriek 15.5 en 19.8 (meer dan 10 kW) | 32,5 kW

17.3.3.1.a | Opslag van oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen - andere dan rubriek 48 (van 200 kg tot en met 10 000 kg), indien volledig gelegen in industriegebied | 1200 l

17.3.4.2.a | Opslag zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare vloeistoffen, volledig gelegen in industriegebied - andere dan rubriek 48 (meer dan 1 000 l tot en met 30 000 l) | 12200 l

17.3.5.1 | Opslag ontvlambare vloeistoffen - andere dan rubriek 48 (van 100 l tot en met 5 000 l) | 1600 l

17.3.6.2 | Opslag van vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55°C, maar dat 100°C niet overtreft) - andere dan rubriek 48 (meer dan 20 000 l tot en met 500 000 l) | 75800 l

17.3.7.1 | Opslag vloeistoffen met ontvlammingspunt hoger dan 100°C (van 200 l tot en met 50 000 l) | 1800 l

12.2.1 | Transformator - andere dan 15.5 en 19.8 (van 100 kVA tot en met 1 000 kVA) (2 droge transformatoren: 1 x 500 kVA en 1 x 1 000 kVA) | 1500 kVA

 

Volgende bijstelling van de bijzondere voorwaarden wordt aangevraagd:

Omschrijving

Bijlage 2.3.1. grenswaarden van:

- Anionische oppervlakte-actieve stoffen: 0,1mg/l

- Som niet-ionische en kationische detergenten: 1 mg/l

- Totaal zink: 0,2 mg/l

- Totaal kobalt: 0,0006 mg/l of 0,6 µg/l

 

Opgelegde bijzondere voorwaarden basisvergunning en actualisaties kenmerk: 3142/E/9, 3142/E/10 en 3142/E/11:

- CZV: 90 mg/l

- Totaal P: 3 mg/l

- Totaal N: 30 mg/l

- Totaal Cd: 0,8 µg/l (= bijlage 2.3.1.)

- Som detergenten: 3 mg/l (= art. 4.2.2.1)

- PER extraheerbare stoffen: 5 mg/l (= art. 4.2.2.1)

- NH3: 0,3 mg/l

 

Motivatie

Wat betreft de emissiegrenswaarden voor het lozen van bedrijfsafvalwater voor lozingspunt 2, wensen we de bijzondere voorwaarden van de vorige vergunning volledig te hernemen. Uit de laatste 4 metingen blijkt dat de grenswaarden voor Zink en Kobalt niet kunnen nageleefd worden zoals opgelegd in bijlage 2.3.1., vandaar we de bijzondere voorwaarden van 10x de grenswaarde terug aanvragen.

Voor de lozingsparameters van anionische en de som van niet-ionische en kationische detergenten wordt steeds voldaan aan de grenswaarden van bijlage 2.3.1., echter wensen we de bijzondere voorwaarde te behouden.

 

Aanvulling

Voor lozingspunt 2 (effluent KWZI) zijn volgende lozingsnormen van toepassing:

- CZV: 90 mg/l

- Totaal P: 3 mg/l

- Totaal N: 30 mg/l

- Totaal Cd: 0,8 µg/l (of rapportagegrens, zolang deze groter is dan de norm)

- Totaal Zink: 2 mg/l

- Kobalt: 6 µg/l (of rapportagegrens, zolang deze groter is dan de norm)

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Som niet-ionische en kationische detergenten: 3 mg/l

- Som detergenten: 3 mg/l

- PER extraheerbare stoffen: 5 mg/l

- NH3: 0,3 mg/l

 

Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd: Artikel: 5.4.3.1.4. §5 en 5.15.0.6. §1

Omschrijving

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Motivatie

We wensen de bijstelling, toegestaan in vergunning met dossiernummer 3142/E/9/CP, te hernemen voor de garageactiviteiten en het aanbrengen van bedekkingsmiddelen. Voor de garageactiviteiten wordt gevraagd te mogen blijven werken in 2 ploegen van 5h00 tot 22h30, van maandag tot en met zaterdag, niet op zon- en feestdagen.

 

Voor de in- en outbound activiteiten wordt een bijstelling gevraagd om tijdens de nacht wagens te mogen lossen op de bufferzone, 24 uren op 24, van maandag tot en met zaterdag, en uitzonderlijk ook op zon- en feestdagen (indien er productie is in Volvo Car Gent).

 

Voorstel

Art 5.4.3.1.4. §5 en artikel 5.15.0.6. §1: In tegenstelling tot de mogelijke beperking van de exploitatie- uren in de sectorale voorwaarden mag de inrichting: - De garageactiviteiten en het aanbrengen van bedekkingsmiddelen exploiteren van 5h00 tot 22h30, van maandag tot en met zaterdag, niet op zon- en feestdagen. - De in- en outboundactiviteiten (laden en lossen van bodies en afgewerkte wagens) uitvoeren 24u op 24u, van maandag tot en met zaterdag, uitzonderlijk ook op zon- en feestdagen.

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:

 

Omgevingsvergunningen

* Op 01/03/2018 werd een vergunning afgeleverd voor het plaatsen van 2 luifels. (OMV_2017008871)

* Op 10/10/2019 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het bouwen van een opslagsas aan de voorgevel en het bouwen van een fietsenberging. (OMV_2019071106)

* Op 21/11/2019 werd een aktename afgeleverd voor overdracht van ghent handling and distribution aan car logistics brussels. (OMV_2019137128)

* Op 12/03/2020 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het bouwen en exploiteren van nieuwe magazijnen 80/81 en 90/91 met burelen en omgevingsaanleg en de regularisatie van de magazijnen 70/71 met burelen. (OMV_2019103316)

* Op 23/06/2022 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de productie van kunststofonderdelen (iioa + sh). (OMV_2021188517)

* Op 15/12/2022 werd een aktename afgeleverd voor het breken van puin om nadien terug te hergebruiken als fundering op de site. (OMV_2022159329)

* Op 20/04/2023 werd een aktename afgeleverd voor de exploitatie van een bronbemaling in functie van de aanleg van een infiltratiebekken. (OMV_2023049022)

* Op 01/06/2023 werd een aktename afgeleverd voor het exploiteren van een bronbemaling voor het plaatsen van drainage. (OMV_2023069264)

* Op 17/08/2023 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een inrichting voor de productie van kunststofonderdelen. (OMV_2022116528)

* Op 07/12/2023 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen (door uitbreiding en toevoeging) van een logistiek bedrijf, het bouwen van nieuwe magazijnen (100, 101 en 111) met burelen, hs-cabines en omgevingsaanleg, het slopen van een gebouw en de regularisatie van de magazijnen 80, 81, 90 en 91 met burelen en hs-cabines. (OMV_2022159954)

* Op 23/05/2024 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het veranderen van een logistiek bedrijf door uitbreiding met een werkzone voor metaalbewerking. (OMV_2024000841)

 

Stedenbouwkundige vergunningen

* Op 17/09/1979 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een automobielbehandelingscentrum. (Litt. R-10-79)

* Op 23/08/1984 werd een vergunning afgeleverd voor bouwen van magazijn en herstelplaats trailers. (1984/887(74/84 OO))

* Op 28/11/1987 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een fabriekshall en portiersgebouw. (1987/1803)

* Op 24/12/1987 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van een ontsluitingsweg van de havengronden ten oosten van de john kennedylaan. (1987/1375)

* Op 18/08/1988 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van een ontsluitingsweg van de havengronden ten oosten van de john kennedylaan (2e fase). (1988/960)

* Op 07/11/1988 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van ontsluitingsweg van de havengronden ten oosten van de john kennedylaan. (1988/1555)

* Op 02/04/1990 werd een vergunning afgeleverd voor het plaatsen van een watertank voor bluswater. (1990/50109)

* Op 15/01/1991 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een werkplaats. (1990/50020)

* Op 31/01/1991 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden en verbouwen van een export-uitsnijderijbedrijf. (1991/50103)

* Op 16/04/1991 werd een vergunning afgeleverd voor splitsen van een bestaand magazijn. (1990/50214)

* Op 17/03/1992 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een bestaande parking. (1990/50207)

* Op 27/10/1992 werd een vergunning afgeleverd voor het plaatsen van een geprefabriceerde verplaatsbare hangar. (1992/50156)

* Op 17/08/1995 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een industriegebouw. (1995/90056)

* Op 13/06/1996 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een gebouw voor de assemblagezone. (1996/90037)

* Op 04/07/1996 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een loods. (1996/90053)

* Op 01/08/1996 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een loods en kantoren. (1996/90052)

* Op 05/12/1996 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een overslagloods. (1996/90136)

* Op 21/08/1997 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen van een loods en prefabkantoren. (1997/90042)

* Op 28/05/1998 werd een vergunning afgeleverd voor het verbreden van het terrein en het plaatsen van een keermuur. (1997/90154)

* Op 23/09/1998 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een industriegebouw. (1998/90074)

* Op 11/05/2000 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een laad- en loskade. (1999/50244)

* Op 06/06/2001 werd een vergunning afgeleverd voor het ontbossen van een industrieterrein. (2001/50041)

* Op 05/07/2001 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een pomplokaal voor sprinklerinstallatie. (2001/50034)

* Op 03/01/2003 werd een vergunning afgeleverd voor de oprichting van een hoogspanningscabine en de aanpassing van een inrit. (2002/50080)

* Op 15/07/2004 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een tijdelijke tent. (2004/50092)

* Op 28/10/2004 werd een vergunning afgeleverd voor het uitbreiden van een tijdelijke tent (regularisatie). (2004/50187)

* Op 06/11/2008 werd een vergunning afgeleverd voor het slopen van een bovengrondse tank. (2008/50195)

* Op 27/05/2011 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van twee industriële loodsen. (2011/50035)

* Op 09/06/2011 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van uitbreiding bestaande bedrijfsgebouw. (2011/50056)

* Op 09/02/2012 werd een vergunning afgeleverd voor het aanleggen van wegenis en draadafsluiting. (2011/50216)

* Op 25/07/2013 werd een vergunning afgeleverd voor de oprichting van 7 windturbines in het skaldenpark haven gent. (2013/50064)

* Op 17/02/2017 werd een vergunning afgeleverd voor de oprichting van 4 windturbines. (2016/01136)

 

Milieuvergunningen

* Op 18/03/2010 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het hernieuwen en veranderen (door wijziging en uitbreiding) van de vergunde carrosserieherstelafdeling van Volvo Cars ('Esdic'). (3142/E/9)

* Op 10/11/2011 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor het veranderen (door wijziging en uitbreiding) van de vergunde carrosserieherstelafdeling van Volvo Cars ('Esdic'). (3142/E/10)

* Op 08/12/2011 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning afgeleverd voor rechtzetting materiële misslag. (3142/E/11)

 

BEOORDELING AANVRAAG

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 26 november 2024 onder ref. 018167-008/MN/2024.

 

Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 28 november 2024 onder ref. 2024-261.

 

Geen tijdig advies van Polder Moervaart en Zuidlede. De adviesvraag is verstuurd op 18 november 2024. Op 23 januari 2025 is nog géén advies ontvangen. Omdat de decretaal omschreven adviestermijn verstreken is, kan aan de adviesvereiste voorbij gegaan worden.

 

Gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 16 december 2024 onder ref. KAGA/OVA/BG/AC/xtie2186/52168

 

Geen tijdig advies van Departement Zorg afd preventief gezondheidsbeleid. De adviesvraag is verstuurd op 18 november 2024. Op 23 januari 2025 nog géén advies ontvangen. Omdat de decretaal omschreven adviestermijn verstreken is, kan aan de adviesvereiste voorbij gegaan worden.

 

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

4.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998). Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven. Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.

 

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Afbakening Zeehavengebied Gent - Fase 2 en Artikel 1: Afbakeningslijn zeehavengebied Gent.

 

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Fase 2' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 20 juli 2012), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.

 

De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.

 

4.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

 

5.       WATERPARAGRAAF

5.1. Ligging project

Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede.

 

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming).

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is klein onder klimaatverandering.

- niet gelegen in een signaalgebied.

 

5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Droogte

Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

Overstromingen

Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.

 

Waterkwaliteit

De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken onder het aspect afvalwater. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig volgens Vlarem II, bijlage 1). De impact van de activiteit wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

5.3. Conclusie

Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen de watertoets doorstaat.

 

6.       NATUURTOETS

De aangevraagde activiteiten veroorzaken uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen door transport.

 

Het stikstofdecreet omvat een nieuw beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken en is in werking getreden op 23 februari 2024. Binnen de toetszone, gelegen binnen de SBZ-H (speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn) en binnen 20 km afstand tot de emissiebron(nen), moet bij een omgevingsvergunningsaanvraag nagegaan worden of de kritische depositiewaarde ten aanzien van de SBZ-H door het project niet wordt overschreden. De stikstofdepositie wordt beoordeeld aan de hand van de impactscore op de SBZ-H.

 

In dit dossier is het beoordelingskader voor mobiliteit van toepassing.

 

Volgens de impactscore analyse toegevoegd in het dossier is de emissie kleiner dan 1%. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Het bedrijf loost het bedrijfsafvalwater en het huishoudelijk afvalwater ten westen in de grachten/RWA-leiding via 3LP.

 

Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.

 

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.

 

8.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 26 november 2024 tot en met 25 december 2024.

 

Gedurende dit openbaar onderzoek werden 3 bezwaarschriften ingediend.

 

Het betreft bezwaren die horen bij een ander dossier in deze omgeving en zijn bijgevolg zonder voorwerp. De bezwaren werden aan het correcte dossier toegevoegd.

 

OMGEVINGSTOETS

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten

Aspect afval

De voortgebrachte afvalstoffen worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. De bedrijfsafvalstoffen kunnen door het gemeentelijke inzamelsysteem opgehaald worden op voorwaarde dat hiervoor de reële kostprijs wordt betaald, dat de capaciteit van de gemeentelijke inzamelsystemen niet overbelast wordt en dat een zo goed mogelijke afzonderlijke registratie van dit bedrijfsafval wordt gevoerd.

 

Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Aspect afvalwater

Algemeen

Het bedrijf vraagt voor het lozen van bedrijfsafvalwater volgende rubrieken aan:

- 3.4.2 het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet één of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, met een debiet van meer dan 2 m³/h tot en met 100 m3/h.

 

- 3.6.3.2 afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het

ontwateren van de bijbehorende slibproductie: voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of

niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, met uitzondering van de in rubriek 3.6.5 ingedeelde inrichtingen, met een effluent van meer dan 5 m³/h tot en met 50 m³/h.

 

De inrichting ligt buiten zoneringsgebied. De Skaldenstraat en de Sagastraat beschikken over een RWA-leiding die uitmondt in de onbevaarbare cat. 2 waterloop ‘O1337a – O1337’ met basiskwaliteit. De waterloop grenst ten zuiden aan het perceel van de inrichting en wordt in het dossier vermeld als Kouterbeek. Ten westen van het perceel lopen grachten/RWA-leiding die uitmonden in bovenstaande waterloop (Kouterbeek).

 

Bedrijfsafvalwater

Het bedrijf loost het bedrijfsafvalwater en het huishoudelijk afvalwater ten westen in de grachten/RWA-leiding via 3LP:

- LP1: Rubriek 3.4.2 (tankpiste en zone geaccidenteerde voertuigen);

- LP2: Rubriek 3.6.3.2 (carwash en deel huishoudelijk afvalwater);

- LP3: Deel huishoudelijk afvalwater via IBA (niet meldingsplichtig).

 

Het bedrijf is momenteel vergund voor het lozen van:

- 2 m³/uur bedrijfsafvalwater afkomstig van een tankpiste zonder gevaarlijke stoffen via een KWS- afscheider met coalescentiefilter in oppervlaktewater. (LP1- Rubriek 3.4.1a)

- 45 m³/uur – 60 m³/dag – 9000 m³/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van carwash en sanitair afvalwater (septische putten) met gevaarlijke stoffen via een biologische wzi in oppervlaktewater. (LP2- Rubriek 3.6.3.2)

 

Het bedrijf vraagt een verandering van de rubriek 3.4.1a naar rubriek 3.4.2, omwille van uitbreiding lozingsdebiet door toevoeging van de verharding geaccidenteerde voertuigen. Voor rubriek 3.6.3.2 wordt een aanpassing van het lozingsdebiet gevraagd op basis van een debietsregistratie.

 

Het bedrijf vraagt de lozing aan van:

- 2,23 m³/uur – 5,71 m³/dag - 119 m³/jaar bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen via een KWS- afscheider met coalescentiefilter in oppervlaktewater. (rubriek 3.4.2)

- 45 m³/uur – 20 m³/dag – 2000 m³/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van carwash en sanitair afvalwater (septische putten) met gevaarlijke stoffen via een biologische wzi in oppervlaktewater. (LP2 - rubriek 3.6.3.2)

 

LP1

Het bedrijfsafvalwater is potentieel verontreinigd hemelwater afkomstig van:

- Tankpiste (bestaande lozing);

- Verharding geaccidenteerde voertuigen (nieuwe lozing).

 

De KWS-afscheiders worden op regelmatige basis gecontroleerd en indien nodig wordt het slib verwijderd. De werking van KWS-afscheiders wordt onder controle gehouden door zowel de jaarlijkse meting als de visuele controle.

 

Volgens het rioleringsplan beschikt de tankpiste en de verharding geaccidenteerde voertuigen elk over een KWS-afscheider. Na de passage van de KWS-afscheiders komt het afvalwater van de verhardingen samen met het niet-verontreinigd hemelwater (afkomstig van de daken) en wordt vervolgens gezamenlijk geloosd op LP1. Het afvalwater van de tankpiste en de verharding geaccidenteerde voertuigen kan na de passage van hun KWS-afscheider niet samen gecontroleerd worden apart van het niet-verontreinigd hemelwater. De verhardingen dienen bijgevolg na hun KWS-afscheider nog voorzien te worden van elk een controleput. De verharding tankpiste en verharding geaccidenteerde voertuigen worden hieronder verder apart besproken.

 

Tankpiste

Debiet LP1 - tankpiste

De tankpiste bedraagt een oppervlakte van 30 m².

 

Onderstaande debieten worden berekend voor het potentieel verontreinigd hemelwater:

- 30 m² x 0,0159 m³/u/m² = 0,48 m³/u;

- 30 m² x 0,0408 m³/dag/m² = 1,22 m³/dag;

- 30 m² x 0,85 m³/jaar/m² = 25,5 m³/jaar.

 

Lozingsnormen LP1- tankpiste

De algemene en sectorale 52 a,c ‘Vloeibare koolwaterstoffen’ lozingsvoorwaarden voor lozing in oppervlaktewater zijn van toepassing.

 

In het dossier werden analyseresultaten d.d. 2022-2023-2024 toegevoegd afkomstig van het afvalwater tankpiste waarbij de parameters PH, temp, geleidbaarheid en olie/vet werden geanalyseerd. Er werden geen overschrijdingen vastgesteld van de vergunde lozingsnormen.

 

Controle-inrichting LP1- tankpiste

Het bedrijf dient een controleput te voorzien na de KWS-afscheider en voor de samenvloeiing met het niet-verontreinigd hemelwater.

 

Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II (LP1).

 

Het afvalwater afkomstig van de tankpiste en het afvalwater afkomstig van de verharding met geaccidenteerde voertuigen dient apart controleerbaar te zijn van het niet-verontreinigd hemelwater alvorens deze hiermee samen in LP1 geloosd worden.

 

Deze elementen worden opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Zone geaccidenteerde voertuigen

Debiet LP1 - zone geaccidenteerde voertuigen

De zone geaccidenteerde voertuigen bedraagt een oppervlakte van 110 m².

 

Onderstaande debieten worden berekend voor het potentieel verontreinigd hemelwater:

- 110 m² x 0,0159 m³/u/m² = 1,75 m³/u;

- 110 m² x 0,0408 m³/dag/m² = 4,49 m³/dag;

- 110 m² x 0,85 m³/jaar/m² = 93,5 m³/jaar.

 

Lozingsnormen LP1 - zone geaccidenteerde voertuigen

De algemene lozingsvoorwaarden voor lozing in oppervlaktewater zijn van toepassing.

 

Om aan te tonen dat het afvalwater afkomstig van de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ geen gevaarlijke stoffen bevat, vindt de VMM het noodzakelijk analyses uit te voeren op dit afvalwater bij aanwezigheid van geaccidenteerde voertuigen. Het bedrijf dient éénmalig analyses uit te voeren op dit afvalwater voor de heffingsparameters inclusief zware metalen, BTEX, PCB’s en PAK’s. Derhalve wordt een bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

Het bedrijf dient binnen de 6 maand na onderhavige beslissing, éénmalig een staal te nemen van het afvalwater afkomstig van de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ bij aanwezigheid van geaccidenteerde voertuigen en bij regenweer en een analyse uit te voeren op heffingsparameters inclusief zware metalen, BTEX, PCB’s en PAK’s. Het bedrijf dient de analyse over te maken aan de VMM (vergunningen.ge@vmm.be – met vermelding van het dossiernummer).

 

Controle-inrichting LP1 - zone geaccidenteerde voertuigen

Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Het bedrijf dient een controleput te voorzien na de KWS-afscheider en voor de samenvloeiing met het niet-verontreinigd hemelwater.

 

De VMM-Advisering Afvalwater adviseert gunstig voor het lozen van 2,23 m³/uur – 5,71 m³/dag - 119 m³/jaar bedrijfsafvalwater, zonder gevaarlijke stoffen, via KWS-afscheiders met coalescentiefilter in de oppervlaktewater: (rubriek 3.4.2 - LP1)

- Tankpiste: 0,48 m³/uur – 1,22 m³/dag – 25,5 m³/jaar

Mits voldaan wordt aan de algemene en sectorale 52a,c ‘Vloeibare Koolwaterstoffen’

lozingsvoorwaarden voor lozing in oppervlaktewater

- Zone geaccidenteerde voertuigen: 1,75 m³/uur – 4,49 m³/dag – 93,5 m³/jaar

Mits voldaan wordt aan de algemene lozingsvoorwaarden voor lozing in oppervlaktewater

Dit advies wordt bijgetreden.

 

LP2

Het bedrijfsafvalwater is afkomstig van:

- Huishoudelijk afvalwater;

- Schuurwater;

- Carwash.

 

Huishoudelijk afvalwater van de sanitaire blokken wordt eerst over zeven septische putten gestuurd. Dit in de eerste plaats om bezinkbare en zwevende delen uit het afvalwater af te scheiden. De septische tank staat verder in voor het vloeibaar maken van het ruwe afvalwater. Jaarlijks worden de septische putten gereinigd door een externe firma. Daarna wordt het sanitair afvalwater samen met het bedrijfsafvalwater in een ondergrondse bufferput verzameld.

 

De afvoer van het schuurwater wordt via een verzamelput afgevoerd naar de ondergrondse bufferput. Het afvalwater van de carwash wordt eerst over een KWS-afscheider gestuurd, daarna gaat dit richting de ondergrondse bufferput, waar huishoudelijk en industrieel afvalwater samenkomen.

 

De ondergrondse bufferput wordt gevolgd door een bovengrondse buffertank. Vanuit de bovengrondse buffertank wordt het water in batches verpompt over het biologisch bekken. Dit bekken heeft een nuttig volume van 12 m³ en is voorzien van de nodige beluchting om voldoende biologische afbraak te bekomen. Tijdens elke batch wordt er een bepaalde cyclus uitgevoerd bestaande uit inpompen influent, denitrificeren, nitrificeren, bezinken en afvoeren. Naast het beluchtingsbekken is er eveneens een slibmineralisatiebekken voorzien.

 

De KWS-afscheider van de carwash wordt regelmatig gecontroleerd. Het biologisch slib wordt op regelmatige basis afgevoerd.

 

De KWS-afscheiders dienen conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te worden. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Het effluent van de waterzuivering wordt of geloosd of naar de recupwater tank geleid. Om de kwaliteit en veiligheid van het recupwater te garanderen is er een UV-lamp (jaarlijks te vervangen) en een afwasbaar filtervlies voorzien.

 

Debiet LP2

Er werd een grafiek waterbalans toegevoegd aan het dossier. Hieruit blijkt dat het geloosde jaardebiet bedrijfsafvalwater steeds voldoet aan het vergunde lozingsdebiet 9000 m³/jaar. Het vergunde jaardebiet lijkt op basis van de grafiek een grote overschatting t.o.v. het werkelijk

geloosde debiet.

 

Er werd ook een overzicht toegevoegd van de geloosde debieten per dag van juni 2023 tot maart 2024. Volgens de tabel zou er een max. een debiet van 41,24 m³/uur geregistreerd zijn en een max. dagdebiet van 19,3 m³/dag. Dat is niet mogelijk, het dagdebiet moet minstens even groot of groter zijn dan het uurdebiet. Het bedrijf dient dit na te gaan waar de registratie fout is gegaan. Voor het totaal debiet van juni 2023-maart 2024 werd 1700,1 m³/jaar geregistreerd.

 

Het bedrijf vraagt een aanpassing van het lozingsdebiet namelijk 45 m³/uur – 20 m³/dag – 2000 m³/jaar. De VMM-Adviseren Afvalwater merkt op dat een maximaal dagdebiet niet lager kan zijn dan het maximaal uurdebiet. Er wordt voorgesteld om het enkel het jaardebiet te wijzigen: 45 m³/uur – 60 m³/dag – 2000 m³/jaar.

 

Het advies van De VMM-Adviseren Afvalwater is De VMM-Advisering Afvalwater adviseert deels ongunstig/ gunstig voor het lozen van 45 m³/uur – 20 m³/dag – 2000 m³/jaar bedrijfsafvalwater, afkomstig van de carwash (wasstraat), via een biologische wzi met gevaarlijke stoffen in oppervlaktewater (rubriek 3.6.3.2):

 

Ongunstig

- 45 m³/uur – 20 m³/dag – 2000 m³/jaar

- Nt: 30 mg N/l

- NH3: 300 µgN/l

- Zn: 2 mg/l

- Petroleumether extraheerbare stoffen: 5mg/l

- Totaal detergenten: 3mg/l

Dit advies wordt bijgetreden.

 

Gunstig

- 45 m³/uur – 60 m³/dag – 2000 m³/jaar

- Algemene en sect. 59 a ‘carwash’ voor lozing in de oppervlaktewater

- Ni: 0,3 mg/l

- Pt: 3 mg P/l

- CZV: 90 mg/l

- Co: 6 µg/l

- Cd: 0,8 µg/l (= IC)

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Kationische + niet-ionogene detergenten: 3 mg/l

Dit advies wordt bijgetreden, een overeenkomstige bijzondere voorwaarde wordt openomen.

 

In het document ‘materialen en processen’ wordt volgende vermeld:

Uit bovenstaande grafiek kunnen we zien dat in bepaalde jaren het geloosde afvalwater hoger is dan het waterverbruik. Na een milieurondgang blijkt:

- Dat het dak van de carwash niet aangesloten is op de hemelwaterriolering (geen dakgoten aanwezig), waardoor het op de grond terecht komt en deze naar de ondergrondse bufferput afloopt.

Uit te voeren actie: dak goten plaatsen en aansluiten op hemelwater circuit.

- Dat de afvoerbuis van het hemelwater van het onderhoudsgebouw niet meer aangesloten is op de hemelwater riolering en afloopt naar een verzamelput welke aangesloten is op de waterzuivering.

Uit te voeren actie: Aansluiten van buis op hemelwater circuit.

- Mogelijks zijn er overstorten aanwezig in het regenwatercircuit welke afwateren naar de waterzuivering. 

Uit te voeren actie: Onderzoek naar mogelijke overstorten.

 

De carwash gebruikt naast stadswater ook gerecupereerd water, afkomstig van het effluent van de waterzuivering. In de laatste drie jaren is het gemiddelde aandeel van gerecupereerd water 63%.

 

Conform art. 5.15.0.9 dient het bedrijf, in de mate van het mogelijke, ook maximaal hemelwater te gebruiken voor als vers water.

 

Lozingsnormen LP2

Volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing:

- Algemene lozingsvoorwaarden oppervlaktewater

- Nt: 30 mg N/l

- Pt: 3 mg P/l

- CZV: 90 mg/l

- NH3: 300 µgN/l

- Cd: 0,8 µg/l

- Co: 6 µg/l

- Zn: 2 mg/l

- Petroleumether extraheerbare stoffen: 5mg/l

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Kationische + niet-ionogene detergenten: 3 mg/l

- Totaal detergenten: 3mg/l

 

In het dossier werden analyseresultaten d.d. 11-09-2023/10-11-2023/22-02-2024 toegevoegd afkomstig van het afvalwater tankpiste waarbij de heffingsparameters, enkele zware metalen (Cd, Zn, Co) en detergenten werden geanalyseerd. Er werden geen overschrijdingen vastgesteld van de vergunde lozingsnormen.

 

Het bedrijf wenst de bijzondere voorwaarden van de vorige vergunning volledig te hernemen. Uit de laatste 4 metingen blijkt dat de grenswaarden voor Zink en Kobalt niet kunnen nageleefd worden zoals opgelegd in bijlage 2.3.1., vandaar we de bijzondere voorwaarden van 10x de grenswaarde terug aanvragen. Voor de lozingsparameters van anionische en de som van niet-ionische en kationische detergenten wordt steeds voldaan aan de grenswaarden van bijlage 2.3.1., echter wensen we de bijzondere voorwaarde te behouden.

 

De VMM-Adviseren Afvalwater merkt een éénmalige overschrijding op van Zn en Nitriet t.o.v de vergunde lozingsnormen. Hiervoor werd geen bijstelling van de lozingsnormen gevraagd. Het bedrijf dient dit verder op te volgen.

 

De VMM-Adviseren Afvalwater stelt voor om de vergunde lozingsnormen bij te stellen op basis van de analyseresultaten.

 

Voor een carwash zijn de sect. 59a ‘Car- en truckwash bedrijven’ voor lozing op oppervlaktewater van toepassing.

 

De sectorale norm voor Ni overschrijdt 10x het indelingscriterium en dient daarom beperkt te worden tot volgende waarde:

- Ni: 300 µg/l

 

De VMM kan akkoord gaan met de volgende bijzondere lozingsnormen:

- Pt: 3 mg P/l

- CZV: 90 mg/l

- Co: 6 µg/l

- Cd: 0,8 µg/l

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Kationische + niet-ionogene detergenten: 3 mg/l

 

De volgende parameters dienen te voldoen aan de sect. 59a en dient niet als bijzondere lozingsnorm opgenomen te worden:

- Nt: 15 mg/l

- Zn: 2 mg/l

- Petroleumether extraheerbare stoffen: 5mg/l

- Totaal detergenten: 3mg/l

 

De volgende parameter dient niet meer opgenomen te worden aangezien dit kan worden voldoen aan het IC volgens de analyseresultaten.

- NH3

 

De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Gelet op het debiet >20 m³/dag dat geloosd wordt in oppervlaktewater dient het wezerstappenplan toegepast te worden voor de impactbeoordeling van het bedrijfsafvalwater op het oppervlaktewater. Het bedrijf heeft dit niet besproken in het aanvraagdossier. Naar aanleiding van het advies van VMM werd dit opgeladen in het omgevingsloket. Er is een gunstig advies volgens het wezerstappenplan, bijgevolg kan de VMM-Adviseren Afvalwater akkoord gaan met de gevraagde lozingsnormen.

 

Waterzuivering LP2

De waterzuivering wordt als volgt omschreven:

- De voorbezinktanken: Het industrieel afvalwater en de afvoer van de septische putten worden verzameld in een ondergrondse buffertank (inhoud = 5m³, reinigingsfrequentie: op afroep), welke eveneens als eerste voorbezinktank en buffering van het influent dienstdoet. Van zodra de ondergrondse buffertank het maximumniveau heeft bereikt wordt de inhoud automatisch overgepompt naar de eigenlijke bovengrondse voorbezinktank van de afvalwaterzuivering. Vanuit de bovengrondse voorbezinktank wordt het water in batches verpompt over het biologisch bekken tot het maximumniveau in het bekken is bereikt.

 

- Biologisch bekken: De trigger, voor het opstarten van een nieuwe cyclus, is het beëindigen van de vorige cyclus bestaande uit inpompen influent, denitrificeren, nitrificeren, bezinken, lozen en een aanwezige minimum capaciteit van 8-9m³ afvalwater in de bovengrondse voorbezinktank.

 

- Na het bereiken van het maximum niveau start de cyclus:

* Stap 1 : 60 minuten

Tijdens de eerste stap (1ste vulfase) wordt er 2.7 m³ afvalwater vanuit de voorbezinktank gepompt in de beluchtingsbekken. Op dat moment wordt het beluchtingsbekken niet belucht en dit gedurende 1 uur. Tijdens het niet beluchting zal het denitrificatieproces (1) plaats vinden zodat het aanwezige nitraat kan omgezet worden in stikstofgas.

* Stap 2 : 90 minuten

In de tweede stap start het nitrificatieproces (1), dit bestaat uit een continue beluchting gedurende 90 minuten (instelbare timer ifv vuilvracht). De hoeveelheid lucht die met behulp van een blower via de beluchtingsmatten in het bekken wordt ingeblazen wordt frequentie geregeld met een online opgeloste zuurstofmeting (dompelmeting). Er wordt gestuurd naar ongeveer 2.0 ppm opgeloste zuurstof

* Stap 3 : 60 minuten

Tijdens de tweede stap (2de vulfase) wordt er 2.7 m³ afvalwater vanuit de voorbezinktank gepompt in de beluchtingsbekken. Op dat moment wordt het beluchtingsbekken niet belucht en dit gedurende 1 uur. Tijdens het niet beluchting zal het denitrificatieproces (2) plaats vinden zodat het aanwezige nitraat kan omgezet worden in stikstofgas.

* Stap 4 : 90 minuten

In de vierde stap start opnieuw het nitrificatieproces (2), dit bestaat uit een continue beluchting gedurende 90 minuten (instelbare timer ifv vuilvracht). De hoeveelheid lucht die met behulp van een blower via de beluchtingsmatten in het bekken wordt ingeblazen wordt frequentie geregeld met een online opgeloste zuurstofmeting (dompelmeting). Er wordt gestuurd naarongeveer 2.0 ppm opgeloste zuurstof.

* Stap 5 : 120 minuten

Na de tweede nitrificatiestap start de bezinkingsfase, de beluchting wordt stilgelegd gedurende 120 minuten (instelbare timer) zodat het gezuiverde water zich kan afscheiden van het actief slib.

* Stap 6 : 60 minuten

Na de bezinkingsfase wordt het behandelde bovenwater afgepompt naar de recupwater tank of naar lozingspunt 2. Het lozingsdebiet wordt zo ingesteld dat dit proces ongeveer 1 uur duurt, uiteraard dient vermeden te worden dat er slib wordt meegezogen.

 

Tijdens het lozen wordt om de 3 minuten gedurende 5 seconden een staal genomen om een mengstaal te bekomen. Dit mengstaal wordt opgevangen in een recipiënt waarop interne metingen worden uitgevoerd volgens een opgelegd schema (zie analyse).

 

Eenmaal per dag dient tijdens de bezinkingsfase, 450 minuten na de start van de cyclus, gedurende 1 minuut slib weggespuid met behulp van de spuipomp naar het slibmineralisatiebekken. Het slibmineralisatiebekken wordt regelmatig belucht om geurhinder te voorkomen. Eens het slibmineralisatiebekken voldoende is gevuld wordt het slib extern afgevoerd.

 

Afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater aanwezig in de bovengrondse voorbezinktank wordt een nieuwe cyclus gestart of gaat de installatie in wachtfase.

 

Wachtfase: Tijdens de wachtfase wordt er continu belucht tot ongeveer 2.0 ppm opgeloste zuurstof.

 

Controle-inrichting LP2

Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II. (LP2). Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

3x per jaar worden metingen uitgevoerd op het effluent van de biologische waterzuivering.

 

Het bedrijf dient, conform artikel 4.2.5.3.1 Vlarem II, minstens jaarlijks een analyse op het effluent van de wzi uit te voeren. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van één toilet en een lavabo bij de bewakingspost (wachtpost) wordt via een IBA geloosd in oppervlaktewater (LP3).

 

Het debiet wordt als volgt berekend:

- Type werknemer = bediende : 50l/medewerker (1/3 IE (150l/dag): toilet, geen douche)

- Aantal medewerkers/shift: 2

-  Aantal shiften/dag: 3

- Aantal uren/dag: 24

- Aantal werkdagen: 365

=> 0,0125 m³/uur - 0,3 m³/dag – 110 m³/jaar

 

Het overige huishoudelijk afvalwater wordt samen met het bedrijfsafvalwater gezuiverd in de wzi en geloosd in oppervlaktewater via LP2. Dit huishoudelijk afvalwater wordt beschouwd als bedrijfsafvalwater.

 

Het grootste waterverbruik van ESDIC gaat naar sanitaire toepassingen (68% over de afgelopen 5 jaren). Om het waterverbruik hiervan te beperken is er op Volvo Car Gent een project lopend om waterloze urinoirs te plaatsen. Dit zou op termijn het sanitair waterverbruik doen dalen.

 

Het geloosde jaardebiet wordt ingeschat op minder dan 600 m³/j. De lozing van huishoudelijk afvalwater is dus niet indelingsplichtig en dient te voldoen aan hoofdstuk 6 van VLAREM II.

 

Aspect hemelwater

Er wordt volgens het rioleringsplan geen hemelwater opgevangen. Het niet-verontreinigd hemelwater (dak en niet-verontreinigde verhardingen) wordt allen geloosd in de grachten ten westen van het perceel. Het bedrijf dient na te gaan om minstens een deel van het hemelwater op te vangen en te gebruiken als vers water in de carwash conform artikel 5.15.0.9.

 

Conform art. 5.15.0.9 dient het bedrijf, in de mate van het mogelijke, ook maximaal hemelwater te gebruiken voor als vers water. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Aspect lucht

Spuitcabine

De spuitcabines hebben in totaal een drijfkracht van 89,5 kW. De exploitant kon een verslag  voorleggen waarin aangetoond wordt dat elke spuitcabine aan de emissiegrenswaarde voor stof (10 mg/Nm³) voldoet.

 

Conform artikel 5.4.3.2.3.§7. van VLAREM II dient  elke spuitcabine uitgerust te zijn met een drukmeter en geluidsalarm. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Airco’s/luchtcompressoren

Er wordt 63,5 kW luchtcompressoren en 55,1 kW airconditioning aangevraagd.

 

Het koelmiddel in de airco’s is R-410a (bestaande toestellen) of R-32 (nieuwe toestellen).

 

De airconditioninginstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.

 

Enkele airconditioninginstallaties bevatten een hoeveelheid koelmiddel in ton CO2-equivalent ≥ 5 ton waardoor ze conform Vlarem II iedere 12 maanden moet onderzocht worden op goed functioneren en op mogelijke lekverliezen door een erkende koeltechnicus. Wanneer een permanent lekdetectiesysteem aanwezig is mag de controlefrequentie worden gehalveerd.

 

De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.

 

Deze elementen worden als opmerking opgenomen.

 

Stookinstallaties

Bij de exploitatie wordt gebruik gemaakt van 15 stookinstallaties met een totaal nomimaal thermisch ingangsvermogen van 4662 kW, waarvan 7 met nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 kW (hiervoor zijn emissiegrenswaarden van toepassing). Op deze installaties werden emissiemetingen uitgevoerd.

 

Aspect geluid

Airco’s

Er wordt geen geluidshinder verwacht. Er zijn geen klachten gekend. Tijdens het openbaar onderzoek werden geen bezwaren inzake geluidshinder uitgebracht.

 

Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II.

 

Om de geluidshinder tot een minimum te beperken kunnen volgende milderende maatregelen genomen worden:

- Plaats het toestel op een plaats waar ze het minste overlast creëert voor derden

- Lokale akoestische afschermingen rond het toestel voorzien

- Processturing waarbij de  ventilatortoerentallen in de nachtperiode worden beperkt tot 70%.

Bij een erkend ‘milieudeskundige geluid en trillingen’ kan advies ingewonnen worden m.b.t. de controle van apparaten, akoestisch onderzoek, trillingsmetingen en het opstellen en begeleiden van saneringsplannen (https://www.vlaanderen.be/erkenning-als-milieudeskundige-geluid-en-trillingen). Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

Garage activiteiten

Er wordt gewerkt in 2 ploegen, van 5u00 tot 22u30. Dit werd opgenomen als bijzondere voorwaarde in de basisvergunning d.d. 18 maart 2010 en blijft ongewijzigd.

 

In- & outbound activiteiten

Dienst Toezicht van Stad Gent geeft in haar advies aan dat er één klacht gekend is over geluids- en lichthinder door werken na 22 uur. In navolging van de klacht werden aanpassingen gedaan en chauffeurs gesensibiliseerd.

 

Om ’s nachts verkeerslawaai op de site te beperken wordt er een flyer door de bewaking meegegeven tussen 22u en 6u, in tien verschillende talen, aan iedere binnenkomende chauffeurs op ESDIC.

 

Op heel de site is het verplicht om tussen 22u00 en 6u00 stil te zijn en de motor uit te zetten bij het laden en lossen. Verder is het verboden om onnodig de toeter te gebruiken en muziek of radio te beluisteren.

 

Omdat de dichtstbijzijnde huizen zich op minimum 150m bevinden werd hierbovenop beslist (in overleg met de preventiedienst) om het geluid afkomstig van achteruitrijdende vrachtwagens (grotendeels afkomstig van inbound activitieten) ’s nachts uit te schakelen in de zone het dichts bij de residentiële zone. Voor de veiligheid zijn er in die zone geen voetgangers toegelaten tussen 22u en 6u.

 

Sindsdien zijn er geen klachten over geluidshinder door het gebruik van achteruitrijsignalen bij laden en lossen.

 

Aspect bodem en grondwater

Er werd een bodemsanering uitgevoerd op historische verontreiniging met minerale olie. De sanering werd stopgezet in september 2015. Hierna is de site overgegaan op monitoring, uit de resultaten bleek geen verdere verspreiding van de verontreiniging te werden vastgesteld. In 2018 werd een rapport van het eindevaluatieonderzoek opgesteld door Artemis (zie bijlage). In 2020 werd een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd door Artemis en een attest bekomen waarin gesteld wordt dat er geen vervolgstappen noodzakelijk zijn.

 

Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Opslag gevaarlijke producten

De vertaalslag van de VLAREMrubrieken in kader van de CLP-wetgeving is gebeurd.

 

De producten worden voornamelijk binnen het gebouw opgeslagen, steeds op lekbakken, in chemische kasten of vloeistofdichte ingekuipte zone (Paintmix). Er zijn 3 opslaglocaties buiten:

- Magazijn: Opslag bovenop lekbakken, onder een luifel, geplaatst op asfalt

- Afvalolie: Opslag bovenop lekbakken, onder een luifel, geplaatst op asfalt

- Verfafval: Opslag in een aangepaste gesloten container aangeleverd door een erkend inzamelaar / verwerker, onder een luifel

 

Opslag van diesel, benzine en stookolie

De houders voor ondergrondse en bovengrondse opslag zijn dubbelwandig uitgevoerd en voorzien van overvulbeveiliging en lekdetectie. De ondergrondse opslaghouders zijn voorzien van kathodische bescherming. De bovengrondse opslag is opgesteld op een vloeistofdichte vloer (beton). De houders worden onderzocht volgens de wettelijke periodiciteit. De verslagen van de onderzoeken werden toegevoegd aan het aanvraagdossier en zijn conform.

 

Tankpiste

De tankpiste is voorzien van een ondoordringbare verharding zodat gemorste vloeistof niet in de bodem kan indringen.

 

Stallen geaccidenteerde voertuigen

Er wordt een nieuwe rubriek aangevraagd met betrekking tot het stallen van geaccidenteerde voertuigen, maximaal 5 stuks (of 10 ton). Het betreft wagens die te herstellen zijn. Wrakken van wagens zullen niet aanvaard worden op de site.

 

Voor de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ dienen volgende maatregelen genomen te worden om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen:

- Opslag van geaccidenteerde voertuigen mag enkel op een specifieke piste bestaande uit een vloeistofdichte en -bestendige vloer, ingekuipt (d.m.v. een goot) en aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider met coalescentiefilter en

slibvangput. De KWS-afscheider wordt ook voorzien van een handmatige afsluiter.

- De geaccidenteerde voertuigen worden zo geplaatst dat de aanwezige vloeistoffen er niet uit kunnen lekken. Lekkende voertuigen worden onmiddellijk van nog de betreffende aanwezige vloeistof ontdaan.

- Er wordt ook een procedure voorzien om om te gaan met een lek.

Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Garage

Er dienen de nodige maatregelen getroffen te worden om het morsen van vloeibare producten en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen. Om die reden dient steeds absorptiemateriaal voorzien te worden om bij morsen de aangepaste maatregelen te treffen. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

Aspect brandveiligheid

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018167-008/MN/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

Aspect bijstelling van de sectorale voorwaarden

Artikel 5.4.3.1.4. §5 en 5.15.0.6. §1 van VLAREM II stellen: “Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.”.

 

Men wenst de bijstelling, toegestaan in vergunning met dossiernummer 3142/E/9/CP, te hernemen voor de garageactiviteiten en het aanbrengen van bedekkingsmiddelen. Voor de garageactiviteiten wordt gevraagd te mogen blijven werken in 2 ploegen van 5h00 tot 22h30, van maandag tot en met zaterdag, niet op zon- en feestdagen.

Voor de in- en outbound activiteiten wordt een bijstelling gevraagd om tijdens de nacht wagens te mogen lossen op de bufferzone, 24 uren op 24, van maandag tot en met zaterdag, en uitzonderlijk ook op zon- en feestdagen (indien er productie is in Volvo Car Gent).

 

Uit de bespreking van de in- en outbound activiteiten onder ‘aspect geluid’ blijkt dat de exploitant milderende maatregelen getroffen heeft om de hinder naar de omgeving te beperken. Er werden geen bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek.

 

In tegenstelling tot de mogelijke beperking van de exploitatie-uren in de sectorale voorwaarden mag de inrichting:

- De garageactiviteiten en het aanbrengen van bedekkingsmiddelen exploiteren van 5h00 tot 22h30, van maandag tot en met zaterdag, niet op zon- en feestdagen.

- De in- en outboundactiviteiten (laden en lossen van bodies en afgewerkte wagens) uitvoeren 24u op 24u, van maandag tot en met zaterdag, uitzonderlijk ook op zon- en feestdagen (indien er productie is in Volvo Car Gent).

 

Aspect duur vergunning

De exploitant vraagt een vergunning voor onbepaalde duur, de basisvergunning loopt echter nog tot 18/03/2030, waardoor onderhavige vergunning voor een analoge termijn vergund wordt.

 

Aspect gecoördineerde bijzondere voorwaarden

Besluit 3142/E/9/CP d.d. 18.03.2010

1. De bestaande KWS-afscheider dient bijkomend voorzien te worden van een coalescentiefilter. Binnen een termijn van 1 jaar na het verlenen van de vergunning dient een bewijs van 'plaatsing' bezorgd aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent, met vermelding van het dossiernummer.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven en vervangen door de voorwaarde uit onderhavige vergunning: “De KWS-afscheiders dienen conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te worden.”.

 

2. De sectorale voorwaarde (52a) bevat een norm voor CCl4  extraheerbare stoffen, CCl4 mag niet meer gebruikt worden. Deze parameter dient vervangen te worden door tetrachooretheen (perchloorethyleen) extraheerbare apolaire stoffen. De norm dient te worden beperkt tot 5 mg/l.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven en vervangen door de lozingsnormen uit onderhavige vergunning.

 

3. Voorafgaand aan de KWZI dient nog een KWS-afscheider met coalescentiefilter geplaatst te worden. Het huishoudelijk afvalwater en het regenwater mogen niet door de KWS-afscheider geloosd worden. Binnen een termijn van 1 jaar na het verlenen van de vergunning dient een bewijs van 'plaatsing' bezorgd aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent, met vermelding van het dossiernummer.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven.

 

4. Volgende lozingsnormen zijn van toepassing:
-PER extrah. Stoffen: 5 mg/l
-Cd: 1 µg/l
-Zn: 2 mg/l
-N t: 30 mg/l
-CZV: 90 mg/l
-P t: 3 mg/l
de overige niet aangevraagde parameters mogen geloosd worden in concentraties beneden de kwaliteitsdoelstelling van het ontvangende oppervlaktewater of bij onstentenis daarvan 10x de detectielimiet.

Deze voorwaarde wordt opgeheven en vervangen door de lozingsnormen uit onderhavige vergunning.

 

5. Tijdens het uitvoeren van luidruchtige activiteiten dient steeds gewerkt te worden met gesloten deuren en poorten.

 

Deze voorwaarde wordt hernomen.

 

6. Het emissieverslag van de spuitcabines dient binnen de maand na het verkrijgen van de milieuvergunning overgemaakt te worden aan de dienst Milieutoezicht van de stad Gent. Indien overschrijdingen worden vastgesteld dienen deze binnen de maand na de meetresultaten te worden weggewerkt.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven.

 

7. Het bedrijf dient binnen een termijn van drie maanden, een plan over te maken aan VMM, afdeling Ecologisch Toezicht, en aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent met een duidelijke aanduiding van de leidingen van het hemelwater dat wordt hergebruikt en/of geloosd.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven.

 

8. De voorwaarden opgenomen in het advies van het Departement Brandweer, Afdeling Brandpreventie dienen gevolgd te worden.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven en vervangen door de voorwaarde uit onderhavige vergunning: “Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018167-008/MN/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.”.

 

Besluit 3142/E/10 d.d. 10.11.2011

1. Het bedrijf dient een detailstudie voor de detergenten uit te voeren waarin wordt onderzocht of aan de Detergentverordening kan worden voldaan. Indien uit de studie blijkt dat er niet kan voldaan worden dan dient het bedrijf te onderzoeken welke maatregelen hiertoe kunnen worden genomen. Ter staving van de naleving dient de detailstudie (en de maatregelen) binnen de 12 maanden na het verlenen van de vergunning overgemaakt te worden aan de VMM, afdeling Ecologisch Toezicht (Maaltecenter, Blok E, Derbystraat 135, 9051 Sint-Denijs-Westrem) en de dienst Milieutoezicht van de stad Gent (Botermarkt 1, 9000 Gent) met vermelding van het dossiernummer.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven.

 

2. Voor lozingspunt 2 (effluent KWZI) zijn volgende lozingsnormen van toepassing:
- PER extrah. stoffen : 5 mg/l
- Cdt : 0,8 µg/l (of rapportagegrens, zolang deze groter is dan de norm)
- Zn : 2 mg/l
- Nt : 30 mg/l
- CZV : 90 mg/l
- Pt : 3 mg/l
- Co : 6 µg/l (of rapportagegrens, zolang deze groter is dan de norm)
- NH3 : 300 µg/l
- totaal detergent : 3 mg/l
- anionische detergent : 1 mg/l
- niet-ionische + kationische detergent : 3 mg/l
de overige niet aangevraagde parameters (bijlage 2C VLAREM I) mogen geloosd worden in concentraties beneden de indelingscriteria, vermeld in de kolom 'indelingscriterium GS' van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II of bij onstentenis daarvan tot 10x de raportagegrens.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven en vervangen door de lozingsnormen uit onderhavige vergunning.

 

3. De optimalisatiestudie voor de KWZI (en de maatregelen) dient overgemaakt te worden aan de VMM, afdeling Ecologisch Toezicht (Maaltecenter, Blok E, Derbystraat 135, 9051 Sint-Denijs-Westrem) en de dienst Milieutoezicht van de stad Gent (Botermarkt 1, 9000 Gent) met vermelding van het dossiernummer.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven.

 

4. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen gebeurt in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden van het Departement Brandweer, Afdeling Brandpreventie, dienen steeds nageleefd te worden.

 

Deze voorwaarde wordt opgeheven en vervangen door de voorwaarde uit onderhavige vergunning: “Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018167-008/MN/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.”.

 

Besluit 3142/E/11 d.d. 8.12.2011

Nihil.

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Toevoeging van de lozing uit de zone geaccidenteerde voertuigen. | Verandering

0,23 m³/uur

4.3.b)2°i)

inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Actualisatie van de spuitcabines: toevoeging van een schuurzone. | Verandering

7,5 kW

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Actualisatie met een bestelwagen en twee tugmasters. | Verandering

3 voertuigen

15.3.1°

autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | Actualisatie: 3 extra hefbruggen,1 schaarlift, 1 richtbrug, 1 stationaires afvalpers en 2 schaarliften verpreid over de fabriek. | Verandering

8 schouwputten of hefbruggen

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Actualisatie: 1 compressor in de garage (+5,5 kW) en verschillende airco units in de bureaus (+33,14 kW). | Verandering

38,64 kW

17.1.1.1°

opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | Opslag van aerosolen in Gele kasten verdeeld over ESDIC (350 liter) en LC5 (50 liter). Rekening houdende met marge voor variërende hoeveelheden en producten in totaal 400 liter. | Nieuw

400 liter

17.3.2.1.1.2°

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistoffen gekenmerkt door GHS 02 gevarencategorie 3, diesel, gasolie,... 

T2 Dieseltank: 8450 kg

T3 Gasolietank: 8450 kg

T4 Gasolietank: 12675 kg

T5 Gasolietank: 8450 kg

T6 Gasolietank: 12675 kg

T7 Gasolietank: 1183 kg

In totaal 51883 kg | Nieuw

51,883 ton

17.3.2.2.2°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistof gekenmerkt door GHS02 - categorie 1 en 2

T1 Benzinetank: 7750 kg

VR1 Magazijn: 972 kg

VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 9046 kg | Nieuw

9,046 ton

17.3.4.1°a)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van bijtende/corrosieve stoffen gekenmerkt door GHS05:

- VR3 Carwash: 840 kg

 In totaal 840 kg | Nieuw

0,84 ton

17.3.6.1°a)

schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van schadelijke stoffen gekenmerkt door GHS07:

- VR1 Magazijn: 1186,8 kg

- VR2 Garage: 214,80 kg

- VR3 Carwash: 450 kg

- VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 2175,6 kg | Nieuw

2,176 ton

17.3.7.1°a)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van op lange termijn gezondheidsgevaarlijke stoffen gekenmerkt door GHS08:

- VR1 Magazijn: 214,8 kg

- VR2 Garage: 214,8 kg

In totaal 429,6 kg | Nieuw

0,43 ton

43.1.2°a)

stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | Actualisaties:

* Spuitcabine 4 (-320 kW) en oven 4 zijn buitendienst (-250 kW),

* Stookinstallatie 11 in LC5 (+ 349 kW),

* Actualisatie van stookinstallatie 12 (+40 kW),

* Stookinstallatie 13 in LC5 (+225 kW),

* Stookinstallatie 14 (-100 kW). | Verandering

-56 kW

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20231025-0049) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stofen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewaterlichaam (Zone Tank & Zone Geaccidenteerde voertuigen). Maximaal 2,23 m³/u - 5,71 m³/sag - 119 m³/jaar. | klasse 2

2,23 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat - andere dan rubriek 3.6.5: maximum 45 m³/uur - 60 m³/dag - 2000 m³/jaar. | vlarebo : A | klasse 2

45 m³/uur

4.3.b)2°i)

inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Aanbrengen van bedekkingsmiddelen aan de hand van 5 spuitcabines en één schuurzone, volledig gelegen in industriegebied (89,5 kW). | vlarebo : A | klasse 2

89,5 kW

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van brandbare vloeistoffen (incl. afvalstoffen) op meerdere locaties:

VR1 Magazijn: 624 liter

VR2 Garage: 1008 liter in opslag (+ 408 liter proces niet opgenomen als opslag)

VR5 Afvalpark: 2400 liter

VR6 Paintmix afval: 800 liter

In totaal 4832 liter | klasse 3

4832 liter

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Verdeelstation met 2 verdeelslangen voor benzine en diesel voor de bevoorrading van eigen bedrijfsvoertuigen | klasse 3

2 verdeelslang

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 6 heftrucks, 1 reach truck, 1 bestelwagen, 1 brandweerwagen, 1 aanhangwagen en 2 tugmasters. | klasse 3

12 voertuigen

15.3.1°

autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | Herstellen van motorvoertuigen (met carrosseriewerkzaameden) met meer dan 10 schouwputten of bruggen (niet in rubriek 15.5 ingedeeld) volledig gelegen in een industriegebied (33 hefbruggen). | vlarebo : A | klasse 2

33 schouwputten of hefbruggen

15.4.1°

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Éen carwash voor het industrieel wassen van voertuigen en hun aanhangwagens. | klasse 3

1 Carwash

15.6.1°

stallen van geaccidenteerde voertuigen (maximaal 25 voertuigen) | Het stallen van maximum 5 geaccidenteerde voertuigen op een vloeistofdichte en -bestendige zone. | vlarebo : A | klasse 3

10 ton

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Koelinstallaties voor het bewaren van producten, luchtcompressoren en aiconditioninginstallaties van 5 kW tot en met 200 kW (63,5 kW luchtcompressoren en 55,1 kW airconditioning). | klasse 3

118,6 kW

17.1.1.1°

opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | Opslag van aerosolen in Gele kasten verdeeld over ESDIC (350 liter) en LC5 (50 liter). Rekening houdende met marge voor variërende hoeveelheden en producten in totaal 400 liter. | klasse 3

400 liter

17.3.2.1.1.2°

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistoffen gekenmerkt door GHS 02 gevarencategorie 3, diesel, gasolie,... 

T2 Dieseltank: 8450 kg

T3 Gasolietank: 8450 kg

T4 Gasolietank: 12675 kg

T5 Gasolietank: 8450 kg

T6 Gasolietank: 12675 kg

T7 Gasolietank: 1183 kg

In totaal 51883 kg | vlarebo : A,A* | klasse 2

51,883 ton

17.3.2.2.2°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistof gekenmerkt door GHS02 - categorie 1 en 2

T1 Benzinetank: 7750 kg

VR1 Magazijn: 972 kg

VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 9046 kg | vlarebo : A,A* | klasse 2

9,046 ton

17.3.4.1°a)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van bijtende/corrosieve stoffen gekenmerkt door GHS05:

- VR3 Carwash: 840 kg

 In totaal 840 kg | klasse 3

0,84 ton

17.3.6.1°a)

schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van schadelijke stoffen gekenmerkt door GHS07:

- VR1 Magazijn: 1186,8 kg

- VR2 Garage: 214,80 kg

- VR3 Carwash: 450 kg

- VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 2175,6 kg | klasse 3

2,176 ton

17.3.7.1°a)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van op lange termijn gezondheidsgevaarlijke stoffen gekenmerkt door GHS08:

- VR1 Magazijn: 214,8 kg

- VR2 Garage: 214,8 kg

In totaal 429,6 kg | klasse 3

0,43 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van producten in kleine recipiënten van maximaal 30 liter in specifieke kasten (gele kasten) of in specifieke zone (paintmix):

- 2400 liter Gele kasten ESDIC (VR7) (meerdere locaties)

- 400 liter Gele kasten LC5 (VR8)

- 1200 liter Paintmix (VR9) | klasse 3

4000 liter

43.1.2°a)

stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | 12 verbrandingsinrichtingen met een totaal van 4662 kW. | klasse 2

4662 kW

 

TERMIJN

De gevraagde vergunning kan verleend worden voor bepaalde duur voor een termijn tot en met 18 maart 2030, analoog aan de basisvergunning.

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een carrosserieherstelafdeling gelinkt aan de garage- en de in- en outbondactiviteiten aan VOLVO CAR BELGIUM NV nv (O.N.:0420383548) gelegen te Skaldenstraat 64, 9042 Gent.


De rubrieken voor de inrichting/activiteit VOLVO CAR BELGIUM NV – ESDIC met inrichtingsnummer 20231025-0049 beslist het college als volgt:

 

Vergunde rubrieken:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Toevoeging van de lozing uit de zone geaccidenteerde voertuigen. | Verandering

0,23 m³/uur

4.3.b)2°i)

inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Actualisatie van de spuitcabines: toevoeging van een schuurzone. | Verandering

7,5 kW

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Actualisatie met een bestelwagen en twee tugmasters. | Verandering

3 voertuigen

15.3.1°

autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | Actualisatie: 3 extra hefbruggen,1 schaarlift, 1 richtbrug, 1 stationaires afvalpers en 2 schaarliften verpreid over de fabriek. | Verandering

8 schouwputten of hefbruggen

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Actualisatie: 1 compressor in de garage (+5,5 kW) en verschillende airco units in de bureaus (+33,14 kW). | Verandering

38,64 kW

17.1.1.1°

opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | Opslag van aerosolen in Gele kasten verdeeld over ESDIC (350 liter) en LC5 (50 liter). Rekening houdende met marge voor variërende hoeveelheden en producten in totaal 400 liter. | Nieuw

400 liter

17.3.2.1.1.2°

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistoffen gekenmerkt door GHS 02 gevarencategorie 3, diesel, gasolie,... 

T2 Dieseltank: 8450 kg

T3 Gasolietank: 8450 kg

T4 Gasolietank: 12675 kg

T5 Gasolietank: 8450 kg

T6 Gasolietank: 12675 kg

T7 Gasolietank: 1183 kg

In totaal 51883 kg | Nieuw

51,883 ton

17.3.2.2.2°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistof gekenmerkt door GHS02 - categorie 1 en 2

T1 Benzinetank: 7750 kg

VR1 Magazijn: 972 kg

VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 9046 kg | Nieuw

9,046 ton

17.3.4.1°a)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van bijtende/corrosieve stoffen gekenmerkt door GHS05:

- VR3 Carwash: 840 kg

 In totaal 840 kg | Nieuw

0,84 ton

17.3.6.1°a)

schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van schadelijke stoffen gekenmerkt door GHS07:

- VR1 Magazijn: 1186,8 kg

- VR2 Garage: 214,80 kg

- VR3 Carwash: 450 kg

- VR4 Ruitensproeier: 324 kg

In totaal 2175,6 kg | Nieuw

2,176 ton

17.3.7.1°a)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van op lange termijn gezondheidsgevaarlijke stoffen gekenmerkt door GHS08:

- VR1 Magazijn: 214,8 kg

- VR2 Garage: 214,8 kg

In totaal 429,6 kg | Nieuw

0,43 ton

43.1.2°a)

stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | Actualisaties:

* Spuitcabine 4 (-320 kW) en oven 4 zijn buitendienst (-250 kW),

* Stookinstallatie 11 in LC5 (+ 349 kW),

* Actualisatie van stookinstallatie 12 (+40 kW),

* Stookinstallatie 13 in LC5 (+225 kW),

* Stookinstallatie 14 (-100 kW). | Verandering

-56 kW

 

 De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20231025-0049) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Lozen (zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie) van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stofen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen voor het uiteindelijk ontvangende oppervlaktewaterlichaam (Zone Tank & Zone Geaccidenteerde voertuigen). Maximaal 2,23 m³/u - 5,71 m³/sag - 119 m³/jaar. | klasse 2

2,23 m³/uur

3.6.3.2°

afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in hogere concentraties dan de indelingscriteria  andere dan rubriek 3.6.5 (meer dan 5 m³/u tot en met 50 m³/u) | Afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat - andere dan rubriek 3.6.5: maximum 45 m³/uur - 60 m³/dag - 2000 m³/jaar. | vlarebo : A | klasse 2

45 m³/uur

4.3.b)2°i)

inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG, bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (voetnoot zie achteraan bijlage 1), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van:

meer dan 60 kW tot en met 200 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Aanbrengen van bedekkingsmiddelen aan de hand van 5 spuitcabines en één schuurzone, volledig gelegen in industriegebied (89,5 kW). | vlarebo : A | klasse 2

89,5 kW

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van brandbare vloeistoffen (incl. afvalstoffen) op meerdere locaties:
VR1 Magazijn: 624 liter
VR2 Garage: 1008 liter in opslag (+ 408 liter proces niet opgenomen als opslag)
VR5 Afvalpark: 2400 liter
VR6 Paintmix afval: 800 liter
In totaal 4832 liter | klasse 3

4832 liter

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met maximaal 2 verdeelslangen | Verdeelstation met 2 verdeelslangen voor benzine en diesel voor de bevoorrading van eigen bedrijfsvoertuigen | klasse 3

2 verdeelslang

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | Het stallen van 6 heftrucks, 1 reach truck, 1 bestelwagen, 1 brandweerwagen, 1 aanhangwagen en 2 tugmasters. | klasse 3

12 voertuigen

15.3.1°

autoherstelwerkplaats met meer dan 10 schouwputten of hefbruggen volledig gelegen in een industriegebied | Herstellen van motorvoertuigen (met carrosseriewerkzaameden) met meer dan 10 schouwputten of bruggen (niet in rubriek 15.5 ingedeeld) volledig gelegen in een industriegebied (33 hefbruggen). | vlarebo : A | klasse 2

33 schouwputten of hefbruggen

15.4.1°

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, volledig gelegen in industriegebied | Éen carwash voor het industrieel wassen van voertuigen en hun aanhangwagens. | klasse 3

1 Carwash

15.6.1°

stallen van geaccidenteerde voertuigen (maximaal 25 voertuigen) | Het stallen van maximum 5 geaccidenteerde voertuigen op een vloeistofdichte en -bestendige zone. | vlarebo : A | klasse 3

10 ton

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (van 5 kW tot en met 200 kW) | Koelinstallaties voor het bewaren van producten, luchtcompressoren en aiconditioninginstallaties van 5 kW tot en met 200 kW (63,5 kW luchtcompressoren en 55,1 kW airconditioning). | klasse 3

118,6 kW

17.1.1.1°

opslagplaatsen voor aerosolen waarop minstens één gevarenpictogram is aangebracht met een gezamenlijke netto inhoud van 300 liter tot en met 3000 liter | Opslag van aerosolen in Gele kasten verdeeld over ESDIC (350 liter) en LC5 (50 liter). Rekening houdende met marge voor variërende hoeveelheden en producten in totaal 400 liter. | klasse 3

400 liter

17.3.2.1.1.2°

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3: gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistoffen gekenmerkt door GHS 02 gevarencategorie 3, diesel, gasolie,... 
T2 Dieseltank: 8450 kg
T3 Gasolietank: 8450 kg
T4 Gasolietank: 12675 kg
T5 Gasolietank: 8450 kg
T6 Gasolietank: 12675 kg
T7 Gasolietank: 1183 kg
In totaal 51883 kg | vlarebo : A,A* | klasse 2

51,883 ton

17.3.2.2.2°b)

ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van Ontvlambare vloeistof gekenmerkt door GHS02 - categorie 1 en 2
T1 Benzinetank: 7750 kg
VR1 Magazijn: 972 kg
VR4 Ruitensproeier: 324 kg
In totaal 9046 kg | vlarebo : A,A* | klasse 2

9,046 ton

17.3.4.1°a)

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van bijtende/corrosieve stoffen gekenmerkt door GHS05:
- VR3 Carwash: 840 kg 
In totaal 840 kg | klasse 3

0,84 ton

17.3.6.1°a)

schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van schadelijke stoffen gekenmerkt door GHS07:
- VR1 Magazijn: 1186,8 kg
- VR2 Garage: 214,80 kg
- VR3 Carwash: 450 kg
- VR4 Ruitensproeier: 324 kg
In totaal 2175,6 kg | klasse 3

2,176 ton

17.3.7.1°a)

op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied | Nieuwe rubriek naar aanleiding van CLP-verordening en actualisatie van producten en hoeveelheden die in het verleden reeds vergund waren.

Opslag van op lange termijn gezondheidsgevaarlijke stoffen gekenmerkt door GHS08:
- VR1 Magazijn: 214,8 kg
- VR2 Garage: 214,8 kg
In totaal 429,6 kg | klasse 3

0,43 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van producten in kleine recipiënten van maximaal 30 liter in specifieke kasten (gele kasten) of in specifieke zone (paintmix):
- 2400 liter Gele kasten ESDIC (VR7) (meerdere locaties)
- 400 liter Gele kasten LC5 (VR8)
- 1200 liter Paintmix (VR9) | klasse 3

4000 liter

43.1.2°a)

stookinstallaties (meer dan 2 000 kW tot en met 5 000 kW) wanneer het een inrichting betreft vermeld in sub 1°, a) of b) | 12 verbrandingsinrichtingen met een totaal van 4662 kW. | klasse 2

4662 kW

 

Artikel 2

Verleent de vergunning voor bepaalde duur voor een termijn tot en met 18 maart 2030, analoog aan de basisvergunning.

 

Artikel 3

Legt volgende voorwaarden op:

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

1.

Lozingspunt 1 (LP1)

a. Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

b.Het afvalwater afkomstig van de tankpiste en het afvalwater afkomstig van de verharding met geaccidenteerde voertuigen dient apart controleerbaar te zijn van het niet-verontreinigd hemelwater alvorens deze hiermee samen in LP1 geloosd worden.

 

Lozingspunt 2 (LP2)

c. Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

d. Het bedrijf dient, conform artikel 4.2.5.3.1 Vlarem II, minstens jaarlijks een analyse op het effluent van de wzi uit te voeren.

 

2. Het bedrijf dient binnen de 6 maand na onderhavige beslissing, éénmalig een staal te nemen van het afvalwater afkomstig van de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ bij aanwezigheid van geaccidenteerde voertuigen en bij regenweer en een analyse uit te voeren op heffingsparameters inclusief zware metalen, BTEX, PCB’s en PAK’s. Het bedrijf dient de analyse over te maken aan de VMM (vergunningen.ge@vmm.be – met vermelding van het dossiernummer).

 

3. De KWS-afscheiders dienen conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te worden.

 

4. Voor lozingspunt 2 (effluent KWZI) zijn volgende lozingsnormen van toepassing:

- Algemene en sect. 59 a ‘carwash’ voor lozing in de oppervlaktewater

- Ni: 0,3 mg/l

- Pt: 3 mg P/l

- CZV: 90 mg/l

- Co: 6 µg/l

- Cd: 0,8 µg/l (= IC)

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Kationische + niet-ionogene detergenten: 3 mg/l

 

5. De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.

 

6. Conform art. 5.15.0.9 dient het bedrijf, in de mate van het mogelijke, ook maximaal hemelwater te gebruiken voor als vers water.

 

7. Voor de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ dienen volgende maatregelen genomen te worden om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen:

- Opslag van geaccidenteerde voertuigen mag enkel op een specifieke piste bestaande uit een

vloeistofdichte en -bestendige vloer, ingekuipt (d.m.v. een goot) en aangesloten op een lekdicht

afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider met coalescentiefilter en

slibvangput. De KWS-afscheider wordt ook voorzien van een handmatige afsluiter.

- De geaccidenteerde voertuigen worden zo geplaatst dat de aanwezige vloeistoffen er niet uit

kunnen lekken. Lekkende voertuigen worden onmiddellijk van nog de betreffende aanwezige

vloeistof ontdaan.

- Er wordt ook een procedure voorzien om om te gaan met een lek.

 

8. Er dienen de nodige maatregelen getroffen te worden om het morsen van vloeibare producten en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen. Om die reden dient steeds absorptiemateriaal voorzien te worden om bij morsen de aangepaste maatregelen te treffen.

 

9. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018167-008/MN/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.

 

 

Volgende bijzondere voorwaarden van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bijgesteld:

Gedeeltelijk gunstig:

Voor lozingspunt 2 (effluent KWZI) zijn volgende lozingsnormen van toepassing:

- Algemene en sect. 59 a ‘carwash’ voor lozing in de oppervlaktewater

- Ni: 0,3 mg/l

- Pt: 3 mg P/l

- CZV: 90 mg/l

- Co: 6 µg/l

- Cd: 0,8 µg/l (= IC)

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Kationische + niet-ionogene detergenten: 3 mg/l

 

Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:

Artikel: 5.4.3.1.4. §5 en 5.15.0.6. §1: In tegenstelling tot de mogelijke beperking van de exploitatie-uren in de sectorale voorwaarden mag de inrichting:

- De garageactiviteiten en het aanbrengen van bedekkingsmiddelen exploiteren van 5h00 tot

22h30, van maandag tot en met zaterdag, niet op zon- en feestdagen.

- De in- en outboundactiviteiten (laden en lossen van bodies en afgewerkte wagens) uitvoeren

24u op 24u, van maandag tot en met zaterdag, uitzonderlijk ook op zon- en feestdagen (indien er productie is in Volvo Car Gent).

 

Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:

1.

Lozingspunt 1 (LP1)

a. Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

b.Het afvalwater afkomstig van de tankpiste en het afvalwater afkomstig van de verharding met geaccidenteerde voertuigen dient apart controleerbaar te zijn van het niet-verontreinigd hemelwater alvorens deze hiermee samen in LP1 geloosd worden.

 

Lozingspunt 2 (LP2)

c. Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

d. Het bedrijf dient, conform artikel 4.2.5.3.1 Vlarem II, minstens jaarlijks een analyse op het effluent van de wzi uit te voeren.

 

2. Het bedrijf dient binnen de 6 maand na onderhavige beslissing, éénmalig een staal te nemen van het afvalwater afkomstig van de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ bij aanwezigheid van geaccidenteerde voertuigen en bij regenweer en een analyse uit te voeren op heffingsparameters inclusief zware metalen, BTEX, PCB’s en PAK’s. Het bedrijf dient de analyse over te maken aan de VMM (vergunningen.ge@vmm.be – met vermelding van het dossiernummer).

 

3. De KWS-afscheiders dienen conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te worden.

 

4. Voor lozingspunt 2 (effluent KWZI) zijn volgende lozingsnormen van toepassing:

- Algemene en sect. 59 a ‘carwash’ voor lozing in de oppervlaktewater

- Ni: 0,3 mg/l

- Pt: 3 mg P/l

- CZV: 90 mg/l

- Co: 6 µg/l

- Cd: 0,8 µg/l (= IC)

- Anionische detergenten: 1 mg/l

- Kationische + niet-ionogene detergenten: 3 mg/l

 

5. De detergenten die het bedrijf gebruikt, moeten voldoen aan de Verordening van het Europees Parlement en de Raad (nr. 648/2004) betreffende detergenten. Het bedrijf houdt de overeenstemmende MSDS fiches beschikbaar voor de toezichthoudende overheid.

 

6. Conform art. 5.15.0.9 dient het bedrijf, in de mate van het mogelijke, ook maximaal hemelwater te gebruiken voor als vers water.

 

7. Voor de zone ‘geaccidenteerde voertuigen’ dienen volgende maatregelen genomen te worden om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen:

- Opslag van geaccidenteerde voertuigen mag enkel op een specifieke piste bestaande uit een vloeistofdichte en -bestendige vloer, ingekuipt (d.m.v. een goot) en aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider met coalescentiefilter en slibvangput. De KWS-afscheider wordt ook voorzien van een handmatige afsluiter.

- De geaccidenteerde voertuigen worden zo geplaatst dat de aanwezige vloeistoffen er niet uit kunnen lekken. Lekkende voertuigen worden onmiddellijk van nog de betreffende aanwezige vloeistof ontdaan.

- Er wordt ook een procedure voorzien om om te gaan met een lek.

 

8. Er dienen de nodige maatregelen getroffen te worden om het morsen van vloeibare producten en de verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen. Om die reden dient steeds absorptiemateriaal voorzien te worden om bij morsen de aangepaste maatregelen te treffen.

 

9. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 018167-008/MN/2024) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.

 

10. Tijdens het uitvoeren van luidruchtige activiteiten dient steeds gewerkt te worden met gesloten deuren en poorten.

 

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

 

 

Artikel 4

Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:

Afval

- Het is verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.

 

Lucht

- Conform artikel 5.4.3.2.3.§7. van VLAREM II dient  elke spuitcabine uitgerust te zijn met een drukmeter en geluidsalarm.

 

- De airconditioninginstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.

- Enkele airconditioninginstallaties bevatten een hoeveelheid koelmiddel in ton CO2-equivalent ≥ 5 ton waardoor ze conform Vlarem II iedere 12 maanden moet onderzocht worden op goed functioneren en op mogelijke lekverliezen door een erkende koeltechnicus. Wanneer een permanent lekdetectiesysteem aanwezig is mag de controlefrequentie worden gehalveerd.

- De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Bij controles dient het gebruikte koelmiddel op jaarbasis berekend te worden ten opzichte van de koelmiddelinhoud. Bij een RLV van meer dan 10% tijdens twee opeenvolgende kalenderjaren, dient de installatie buiten bedrijf gesteld te worden.

 

Geluid

- Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II.

- Om de geluidshinder tot een minimum te beperken kunnen volgende milderende maatregelen genomen worden:

* Plaats het toestel op een plaats waar ze het minste overlast creëert voor derden

*Lokale akoestische afschermingen rond het toestel voorzien

* Processturing waarbij de  ventilatortoerentallen in de nachtperiode worden beperkt tot 70%.

Bij een erkend ‘milieudeskundige geluid en trillingen’ kan advies ingewonnen worden m.b.t. de controle van apparaten, akoestisch onderzoek, trillingsmetingen en het opstellen en begeleiden van saneringsplannen (https://www.vlaanderen.be/erkenning-als-milieudeskundige-geluid-en-trillingen).

 

Bodem en grondwater

- Conform het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) is een oriënterend onderzoek verplicht om de 20 jaar en bij overdracht, sluiting en faillissement.