Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
De heer William Goethals met als contactadres Merendreesesteenweg 91, 9031 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024120814) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 5 september 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 13 september 2024.
De aanvraag volgde de vereenvoudigde procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 24 september 2024.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
Het betreft het veranderen van een landbouwbedrijf door stopzetting van de exploitatie van de gasolietank en verdeelslang.
Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden in een agragich gebied: 1°met plaatsen voor 20 ttot en met 200 gespeende dieren | 79 plaatsen
15.1.1° | stallen van 3 tot 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens andere dan personenwagens (niet in rubriek 15.5 en 19.8 ingedeeld) / 6 autovoertuigen of aanhangwagens andere dan personenenwagens | 6 voertuigen
19.6.2°b) | als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een ander gebied dan industriegebied meer dan 200m³ tot en met 800m³ in open lucht. | 330 m³
28.2.c)1° | In een agragisch gebied: van 10m³ tot en met 5000m³ | 272 m³
53.8.1°a) | boringen van grondwaterwinningsputtenen grondwaterwinning debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000m³ per jaar en alle puten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan de locatispecifieke dieptecriterium | 330 m³/jaar
Volgende rubrieken zijn niet meer van toepassing:
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motervoertuigen met max 2 verdeelslangen | 1 verdeelslang
17.3.2.1.1.1°b) | ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 gasolie,diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt 55°C met een gezamelijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton | 0,84 gasolie
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Stedenbouwkundige vergunningen
Milieuvergunningen
BEOORDELING AANVRAAG
3. EXTERNE ADVIEZEN
Overeenkomstig artikel 35 van het omgevingsvergunningsbesluit zijn er geen externe adviezen vereist.
4. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
4.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Vinderhoutse Bossen, vallei van de Oude Kale en Appensvoorde' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 11 maart 2022). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Agrarisch gebied en Erfgoedlandschap.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
4.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5. WATERPARAGRAAF
5.1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Watering Oude Kale en Meirebeek. Het project ligt in de nabijheid van waterloop in beheer van Watering Oude Kale en Meirebeek.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen- droogte
Er worden geen wijzigingen aangebracht aan gebouwen, verhardingen, waterlopen of het reliëf. Er wordt geen effect op het overstromingsregime of droogte verwacht.
Waterkwaliteit
De activiteit of inrichting heeft geen betekenisvolle impact op de waterkwaliteit.
5.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
6. NATUURTOETS
Artikel 16 en 26bis van het Decreet natuurbehoud legt aan de overheid op ervoor te zorgen dat geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door het verlenen van een vergunning.
In navolging van het Decreet over de programmatische aanpak stikstof van 24 januari 2024 moet de uitstoot van stikstof beperkt worden ten opzichte van speciale beschermingszones.
Er worden geen bijkomende bouwwerken voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op aanwezige waardevol groen.
De aangevraagde activiteiten veroorzaken geen uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen. Het project zal op vlak van stikstofemissies bijgevolg geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Er is geen wijziging in de lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater.
De overloop van de buiten liggende mestopslag (185 m³) is aangesloten via een septische put op de gierkelder (132 m²).
Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.
Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.
7. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
8. BEKENDMAKING
De aanvraag volgt de vereenvoudigde procedure en moest dus niet aan een openbaar onderzoek worden onderworpen.
9. OMGEVINGSTOETS
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect bodem en grondwater
De aanvrager wenst de vergunde stookinstallatie en de verdeelinstallatie te verwijderen.
Een buitengebruikstellingsattest van de houder opgemaakt door een erkend milieudeskundige dient binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer (OMV_2024120814).
Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
De inrichting is vergund voor de opslag van 330 m³ hout &stro. Op basis van de plannen gebeurt de opslag in een lokaal (>3/4 van de omtrek gesloten). Bij een eerdere overname van de rubrieken is de rubriek verkeerd vertaald naar rubriek 19.6.2°b) – opslag in open lucht. Dit wordt ambtshalve aangepast in de vergunning naar rubriek 19.6.2°c): opslagplaatsen van hout van meer dan 200 m³ in een lokaal, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een ander gebied dan industriegebied
Gecoördineerde bijzondere voorwaarden
Volgende bijzondere voorwaarde werden opgelegd in dossier 1315/E/3.
1. De voorwaarden van het Departement Brandweer, Afdeling Brandpreventie (zie bijlage 1). Deze voorwaarden verbieden onder andere de opslag van hout binnen een straal van 3 meter rond de mazouttank.
2. Binnen de 6 maanden na het verlenen van de vergunning bezorgt de exploitant aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent het bewijs van de plaatsing van de peilbuis van minimaal 25 milimeter in de grondwaterwinning, met vermelding van het dossiernummer.
3. Wanneer de exploitant een grondwaterwinning of een boorgat of een ander onderdeel hiervan, buiten dienst stelt, moet hij de ontsluiting van de watervoerende laag afdekken om verontreiniging of waterverlies te voorkomen. De exploitant deelt deze buitendienststelling mee aan de VMM.
De exploitant is verplicht een buitendienst gestelde grondwaterwinning of een onderdeel ervan, op te vullen wanneer deze een potentieel gevaar betekent voor de kwaliteit van het grondwater. In voorkomend geval legt de exploitant het werkplan voor deze opvulling ter goedkeuring voor aan de VMM. De richtlijnen van de afdeling Water zijn vervat in de brochure "Verlaten grondwaterwinningen".
4. Regenwater dient voor zover mogelijk opgevangen te worden en prioritair gebruikt te worden voor laagwaardige toepassingen zoals reiniging van de stallen.
5. Binnen de 3 maanden na het verlenen van de vergunning bezorgt de exploitant aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent volgende bewijzen, met vermelding van het dossiernummer:
- het keuringsbewijs van de bovengrondse mazouttank van 1.000 liter.
6. Tijdens het tanken moeten de nodige voorzorgen worden getroffen om morsen te voorkomen waarbij de nodige absorptiemiddelen moeten voorradig zijn om gemorste vloeistoffen te neutraliseren zodat bodem- en grondwaterverontreiniging wordt vermeden.’
De voorwaarde 1 tot en met 4 worden behouden. Voorwaarde 5 en 6 worden geschrapt aangezien de mazouttank verwijderd wordt. Een nieuwe voorwaarde tot opsturen van het buitengebruikstellingsattest wordt opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde stopzetting is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20240729-0038) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt o gehouden worden in een agragich gebied: 1°met plaatsen voor 20 ttot en met 200 gespeende dieren | klasse 2 | 79 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | stallen van 3 tot 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens andere dan personenwagens (niet in rubriek 15.5 en 19.8 ingedeeld) / 6 autovoertuigen of aanhangwagens andere dan personenenwagens | klasse 3 | 6 voertuigen |
19.6.2°c) | opslagplaatsen van hout van meer dan 200 m³ in een lokaal, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een ander gebied dan industriegebied | 330 m³ | klasse 2 | 330 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | In een agragisch gebied: van 10m³ tot en met 5000m³ | klasse 3 | 272 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | boringen van grondwaterwinningsputtenen grondwaterwinning debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000m³ per jaar en alle puten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan de locatispecifieke dieptecriterium | klasse 3 | 330 m³/jaar |
TERMIJN
De geldigheid van de bestaande vergunning loopt tot 20/5/2029, de einddatum van de basisvergunning.
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het veranderen van een landbouwbedrijf door stopzetting van de exploitatie van de gasolietank en verdeelslang aan de heer William Goethals gelegen te Merendreesesteenweg 101, 9031 Gent.
De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20240729-0038) is:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
9.4.3.c)1° | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt of gehouden worden, in een agrarisch gebied (van 20 tot en met 200 gespeende dieren) | stallen waarin grote zoogdieren andere dan varkens of mestkalveren gefokt o gehouden worden in een agragich gebied: 1°met plaatsen voor 20 ttot en met 200 gespeende dieren | klasse 2 | 79 plaatsen |
15.1.1° | stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | stallen van 3 tot 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens andere dan personenwagens (niet in rubriek 15.5 en 19.8 ingedeeld) / 6 autovoertuigen of aanhangwagens andere dan personenenwagens | klasse 3 | 6 voertuigen |
19.6.2°c) | opslagplaatsen van hout van meer dan 200 m³ in een lokaal, als de inrichting volledig of gedeeltelijk gelegen is een ander gebied dan industriegebied | 330 m³ | klasse 2 | 330 m³ |
28.2.c)1° | opslag dierlijke mest in een agrarisch gebied (van 10 m³ tot en met 5 000 m³) | In een agragisch gebied: van 10m³ tot en met 5000m³ | klasse 3 | 272 m³ |
53.8.1°a) | andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit | boringen van grondwaterwinningsputtenen grondwaterwinning debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000m³ per jaar en alle puten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan de locatispecifieke dieptecriterium | klasse 3 | 330 m³/jaar |
Verleent de vergunning voor bepaalde duur tot 20/5/2029, de einddatum van de basisvergunning.
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
Een buitengebruikstellingsattest van de houder opgemaakt door een erkend milieudeskundige dient binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer (OMV_2024120814).
Volgende geactualiseerde milieuvoorwaarden zijn van toepassing op de inrichting:
1. De voorwaarden van het Departement Brandweer, Afdeling Brandpreventie (zie bijlage 1). Deze voorwaarden verbieden onder andere de opslag van hout binnen een straal van 3 meter rond de mazouttank.
2. Binnen de 6 maanden na het verlenen van de vergunning bezorgt de exploitant aan de Dienst Milieutoezicht van de Stad Gent het bewijs van de plaatsing van de peilbuis van minimaal 25 milimeter in de grondwaterwinning, met vermelding van het dossiernummer.
3. Wanneer de exploitant een grondwaterwinning of een boorgat of een ander onderdeel hiervan, buiten dienst stelt, moet hij de ontsluiting van de watervoerende laag afdekken om verontreiniging of waterverlies te voorkomen. De exploitant deelt deze buitendienststelling mee aan de VMM.
De exploitant is verplicht een buitendienst gestelde grondwaterwinning of een onderdeel ervan, op te vullen wanneer deze een potentieel gevaar betekent voor de kwaliteit van het grondwater. In voorkomend geval legt de exploitant het werkplan voor deze opvulling ter goedkeuring voor aan de VMM. De richtlijnen van de afdeling Water zijn vervat in de brochure "Verlaten grondwaterwinningen".
4. Regenwater dient voor zover mogelijk opgevangen te worden en prioritair gebruikt te worden voor laagwaardige toepassingen zoals reiniging van de stallen.
5. Een buitengebruikstellingsattest van de houder opgemaakt door een erkend milieudeskundige dient binnen een termijn van 3 maanden na het verlenen van de vergunning te worden gestuurd naar de dienst Toezicht (toezicht@stad.gent) met vermelding van het dossiernummer (OMV_2024120814).
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Er worden geen aandachtspunten meegegeven.