Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.
WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?
Bnewable NV met als contactadres Ikaroslaan 1, 1930 Zaventem heeft een aanvraag (OMV_2024074153) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 31 mei 2024.
De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:
• Onderwerp: het plaatsen en exploiteren van een batterijsysteem voor energieopslag
• Adres: Evenstuk 4, 9042 Gent
• Kadastrale gegevens: afdeling 13 sectie A nrs. 153V, 153W en 157A
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 9 juli 2024.
De aanvraag volgde de gewone procedure.
Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 9 oktober 2024.
OMSCHRIJVING AANVRAAG
1. BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT
De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit.
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag betreft het plaatsen en exploiteren van een batterijsysteem voor energieopslag langsheen Evenstuk.
De projectlocatie bevindt zich in zeehavengebied in Gent aan Evenstuk, ten oosten van de John Kennedylaan. De industriële omgeving wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van verscheidene bedrijven en hoogspanningslijnen.
Het batterijsysteem van Bnewable heeft tot doel om het transmissie- en distributienet te helpen stabiliseren en zal ook worden ingezet op de elektriciteitsgroothandel. Hierdoor draagt dit project bij tot de stabiliteit van de elektriciteitsnetten en ondersteunt de algemene overgang naar meer hernieuwbare energiebronnen.
De batterij-energieopslag bestaat uit 1 transformator (2.500 kVA), 1 omvormer, 12 batterijracks, 1 control cabinet en 1 EMS kast. In totaal zal het batterijsysteem een vermogen hebben van
2,43 MW en een geïnstalleerde energiecapaciteit van 4,55 MWh. De onderdelen van het batterijsysteem worden verbonden met behulp van een kabeltracé en gekoppeld achter de bestaande kopcabine op de site.
Het project omvat ook de nodige verharding inclusief een inkuiping rond de batterijracks om eventueel bluswater te kunnen isoleren. Een afwateringsysteem wordt voorzien om hemelwater maximaal te laten infiltreren op de site in een bestaande wadi.
Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten
Het betreft het plaatsen en exploiteren van een batterijsysteem voor energieopslag.
Volgende rubriek wordt aangevraagd:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | één transformator met een individueel vermogen van 2.500 kVA (onderdeel van batterijsysteem) | klasse 2 | Nieuw | 2500 kVA |
2. HISTORIEK
Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:
Omgevingsvergunningen
Stedenbouwkundige vergunningen
3. WIJZIGINGSAANVRAAG
Op 29 augustus 2024 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 3 september 2024 werd dit wijzigingsverzoek aanvaard.
BEOORDELING AANVRAAG
4. EXTERNE ADVIEZEN
Volgende externe adviezen zijn gegeven:
4.1. BRANDWEER
EERSTE ADVIES
Ongunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 2 augustus 2024 onder ref. 021713-032/PVH/2024:
Besluit: NEGATIEF ADVIES, het project voldoet niet aan de minimale eisen inzake brandveiligheid.
TWEEDE ADVIES
Gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 23 september 2024 onder ref. 021712-034/JT/2024:
Gunstig.
4.2. ELIA
Gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies van Elia Asset afgeleverd op 6 augustus 2024 onder ref. 332037-CVE:
Naar aanleiding van uw aanvraag, kunnen wij u meedelen dat voor alle activiteiten nabij bovengrondse hoogspanningslijnen wettelijke horizontale en verticale veiligheidsafstanden gelden.
- In een zone van 0 tot 50 meter langs beide zijden van deze hoogspanningslijnen geeft Elia steeds een gedetailleerd advies met te respecteren hoogtebeperkingen.
- In de zone van 50 tot 100 meter langs beide zijden van deze hoogspanningslijnen zijn er geen specifieke hoogtebeperkingen tenzij u werken uitvoert met werfkranen, betonpompen, hoogtewerkers of andere hijstoestellen waarvan sommige delen (vb. giek van de kraan) toch binnen de zone van 0 tot 50 meter zouden kunnen binnendringen.
Na situering van uw activiteit hebben wij vastgesteld dat deze voorzien is in de zone van 0 tot
50 meter t.o.v. de hoogspanningslijn. Hieronder vindt u ons advies.
Wij verklaren in principe geen bezwaar te hebben tegen de bovenvermelde werken voor zover rekening gehouden wordt met de hieronder vermelde bepalingen en de veiligheidsvoorschriften in bijlage.
- De maximum veilige werkhoogte bedraagt 15,65 meter t.o.v. het niveau van de betonvoet van pyloon 3N (=9.31 TAW).
- De bovenvermelde maximum veilige werkhoogte mag men niet overschrijden binnen een strook van 15,05 meter langs weerszijden vanuit de buitenste geleider van de hoogspanningslijn.
Indien er tijdens de werken gebruik gemaakt wordt van een werfkraan (inclusief giek), betonpomp, hoogwerker of andere hijstoestellen, dan dienen deze zodanig opgesteld en gebruikt te worden dat de veiligheidszones te allen tijde worden gerespecteerd. Mocht ten gevolge de door u uit te voeren veiligheidsanalyses en studie betreffende mogelijke alternatieve werkmethoden toch de noodzaak tot buitendienstname blijken, vragen wij u om zo spoedig mogelijk met Elia te overleggen.
Elia zal deze vraag analyseren in functie van de situatie van het hoogspanningsnet op de gevraagde tijdstippen, zonder echter een buitendienstname te garanderen. In het geval er een tijdelijke buitendienstname mogelijk is, dient met een minimum aanvraagtermijn van 12 weken rekening gehouden te worden. De criticiteit van de lijn kan ook als gevolg hebben dat de aanvraagtermijn nog veel langer moet zijn of dat er geen buitendienstname mogelijk is.
Daar de installatie/constructie onderhevig kan zijn aan inductie dringen wij erop aan dat er speciale aandacht wordt geschonken aan de aarding van de installatie/constructie, en dit zoals voorgeschreven in Boek 3 van het KB van 8 september 2019 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie.
Inzake batterijsystemen:
Batterijen hebben het intrinsieke risico op brand en explosie in functie van de gebruikte technologie. Een dergelijke brand onder een hoogspanningslijn brengt een aantal risico’s voor Elia mee voor het veilig uitbaten en in stand houden van de lijn:
- De doorhang van de geleiders van de hoogspanningslijn kunnen negatief worden beïnvloed door de temperatuursverhoging door straling en temperatuur van de brand en de bijhorende rookwolken. Dit heeft een negatieve impact op de wettelijke veiligheidsafstanden en transportcapaciteit van de verbinding als gevolg;
- De verbrandingsproducten kunnen zich afzetten op de geleiders en een corrosieve invloed hebben. De geleiders bestaan namelijk uit aluminium, koper, staal en/of andere materialen waardoor ze onherroepelijk beschadigd kunnen worden;
- In functie van de te verwachten vuur- en rookontwikkeling (gas, deeltjes) kan de brandweer vragen om de lijn uit te schakelen om de bluswerkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren waardoor de elektrische bevoorrading niet meer verzekerd is
- ...
Daarom vraagt Elia om een risicoanalyse met betrekking tot uw installatie (de batterijen en toebehoren) te laten opmaken door een deskundige in het domein van brand. Hierin dient aangetoond te worden dat de bovenvermelde risico’s niet aanwezig of verwaarloosbaar zijn al dan niet mits bijkomende door u te nemen maatregelen om de geïdentificeerde risico’s te mitigeren.
Een risicoanalyse zal ook duiden of de aanwezigheid van onze hoogspanningslijn tot bijkomende te mitigeren maatregelen leidt die u dient op te nemen in uw ontwerp.
Wij verwijzen ook naar het AREI, Algemeen Reglement voor de elektrische installaties, dat iedereen dient te volgen, m.n. Boek 3 van het Koninklijk Besluit van 8 september 2019 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie, met betrekking tot:
- Onderafdeling 7.1.6.6.b bepaalt dat de opslagplaatsen en tanks met ontvlambare producten met een gezamenlijk inwendig volume van meer dan 10000 liter moeten afgeschermd worden met een bouwwerk dat in staat is de schok van een vallende geleider te weerstaan en buiten elk gevaar kan stellen. De plannen en rechtvaardigende berekeningen betreffende de ligging en de weerstand van dit bouwwerk worden vóór de uitvoering goedgekeurd door het organisme bedoeld in afdeling 6.3.1.
Desgevallend worden aangelegd dat de vaste en verplaatsbare recipiënten, van de voormelde opslagplaatsen zich in de in punt c.1. van onderafdeling 7.1.6.5. bepaalde «toegelaten zones» van de hoogspanningslijn bevinden.
Daar de installatie/constructie onderhevig kan zijn aan inductie dringen wij erop aan dat er speciale aandacht wordt geschonken aan de aarding van de installatie/constructie.
Inzake werken nabij pyloon 3N:
- De stabiliteit van de masten mag niet in gevaar gebracht worden door graafwerken of ophogingen. Indien er in een zone van 15 meter rond de betonfundering van de masten dergelijke werken gepland zijn, vragen wij om vooraf de detailplans, uitvoeringswijze en veiligheidsmaatregelen ter advies aan Elia te bezorgen.
- De betonvoet van de mast dient zich steeds boven het maaiveld te situeren. De afwatering mag niet in de richting van de mastvoeten verlopen.
- Binnen of buiten (tot 2 meter afstand) de mastfundering bevindt zich een aardingsinstallatie, bestaande uit meestal koperen kabels en aardingselektroden. Bij grondwerken in deze zone moet hiermee rekening gehouden worden.
- Daar wij eigenaar zijn van het mastperceel 153S, dienen deze gronden volledig gevrijwaard te blijven.
- Men dient een vrije ruimte te voorzien van minimum 5 meter tussen mast en gebouw.
- Een minimum doorgang van 3 meter is nodig om onderhouds- en toezichtswerken te kunnen uitvoeren aan onze hoogspanningsmasten. Deze toegang moet ten allen tijde gevrijwaard blijven.
Waarschuwingsborden/banners:
Om tijdens uw werken en op deze werf de nodige aandacht te vestigen op de gevaren van de nabij gelegen
hoogspanningslijnen, kunnen wij u gratis volgende waarschuwingsborden/banners aanbieden:
- waarschuwingsborden 80 x 60 cm
- waarschuwingsbanner 340 x 200 cm, komt overeen met de afmetingen van een Heras hekken.
Deze borden/banners bieden een duidelijke visuele waarschuwing betreffende de aanwezige hoogspanningslijnen en het daaraan verbonden elektrocutiegevaar (zie bijlage - aanvraagformulier). U kan deze waarschuwingsborden/banners gratis bekomen door een e-mail - met ingevuld aanvraagformulier - te sturen naar: contactcenternoord@elia.be met vermelding van:
1) Elia referentie (reeds vermeld op het formulier)
2) Adres van de werf (reeds vermeld op het formulier)
3) Gewenst aantal (per type)
4) Naam + adres aanvrager (bestemmeling)
Gelieve dan deze borden/banners te positioneren op de plaats(en) die u het meest aangewezen acht in uw werkzone.
Teneinde de veiligheid van mensen, de continuïteit van de elektriciteitsvoorzieningen en de vrijwaring van alle betrokken installaties te garanderen, dient men in de onmiddellijke omgeving van de hoogspanningsgeleiders enkele wettelijke bepalingen te eerbiedigen.
Gelieve daarom kennis te nemen van de veiligheidsvoorschriften ter zake die wij in een beknopte weergave als bijlage zenden.
De opdrachtgever wordt geacht deze richtlijnen mee te delen aan iedereen die in zijn (directe of indirecte) opdracht werken uitvoert.
4.3. NORTH SEA PORT
Gunstig advies van North Sea Port afgeleverd op 14 augustus 2024 onder ref. 2024-152:
Wij verwijzen naar uw bovenvermelde adviesvraag via het Omgevingsloket van 9/7/2024 met referentie OMV_2024074153.
De aanvraag heeft betrekking tot concessieterrein. De werken kunnen gunstig geadviseerd worden.
4.4. POLDER MOERVAART EN ZUIDLEDE
Geen tijdig advies van Polder Moervaart en Zuidlede. De adviesvraag is verstuurd op 9 juli 2024. Op 9 oktober 2024 is nog géén advies ontvangen. Omdat de decretaal omschreven adviestermijn verstreken is, kan aan de adviesvereiste voorbij gegaan worden.
5. TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN
5.1. Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg
Het project ligt in regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter en gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Een regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter is bestemd voor de vestiging van bedrijven zoals bedoeld in artikelen 7 en 8, lid 2.1.1. en lid 2.1.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972. Het kan evenwel alleen worden gerealiseerd door de overheid. Bij de inrichting van het gebied zal rekening gehouden worden met de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het terrein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone.
De Vlaamse regering kan bepalen dat een bijzonder plan van aanleg voorafgaand aan de ontwikkeling van dat gebied dient goedgekeurd te worden.
Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005). Voor het grootste deel van het projectgebied zijn geen stedenbouwkundige voorschriften bepaald.
De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.
5.2. Vergunde verkavelingen
De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.
5.3. Verordeningen
Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024.
Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.
Gewestelijke verordening hemelwater
De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023 (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023): zie waterparagraaf.
Gewestelijke verordening toegankelijkheid
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.
Gewestelijke verordening voetgangersverkeer
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1997 houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer.
Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.
Gewestelijke verordening publiciteit
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van de gewestelijke publiciteitsverordening (Besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023).
Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.
5.4. Uitgeruste weg
Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gemeenteweg (havenweg).
5.5. Archeologienota
Niet van toepassing voor deze aanvraag.
6. WATERPARAGRAAF
6.1. Ligging project
Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van Polder Moervaart en Zuidlede. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.
Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:
- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).
- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).
- niet gelegen in een signaalgebied.
Het terrein is momenteel bebouwd.
6.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem
Droogte
Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Om hier concreet uitvoering aan te geven werd het project aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en het algemeen bouwreglement van de stad Gent inzake hemelwater getoetst.
Het project omvat het plaatsen van een batterijveld met een oppervlakte van 186,63 m² . De betonnen constructie waarop de 12 batterij racks, system control cabinet, transformator en omvormer geplaatst worden, is voorzien van een inkuiping rond de batterijen om het eventuele bluswater te kunnen opvangen. De inkuiping met geautomatiseerde wandafsluiter dient om in het geval van brand het bluswater te kunnen isoleren. Na een eventuele brand dient het bluswater verwerkt te worden door een erkende verwerker.
Volgens de aanvraag loopt de inkuiping rond de batterijen af naar een afwateringsysteem zodat het afgevangen hemelwater naar de bestaande wadi op de eigen site wordt afgeleid zodat het kan infiltreren op eigen terrein.
De overige verharding bevindt zich rond de EMS-kast (60,52 m²). Deze bestaat uit waterdoorlatende verharding (grasdallen) waardoor het hemelwater rechtstreeks kan infiltreren in de bodem.
De waterdoorlatende verharding dient uitgevoerd te worden met waterdoorlatende materialen, geplaatst op een waterdoorlatende funderingslaag en onderfunderingslaag. Er mogen geen afvoerkolken voorzien worden. Een verhoogde veiligheidskolk kan, indien deze minimaal 5 cm boven de verharding wordt voorzien.
De transformator wordt opgesteld in open lucht maar is ontworpen zodat hemelwater niet binnen de transformator kan dringen. De transformator wordt zonder dak voorzien. De aanleg van een groendak is niet vereist.
Er kan voldaan worden aan de GSV en het ABR indien bovenstaande maatregelen worden toegepast.
Voor de praktische toepassing van de regelgeving wordt verwezen naar het Technisch achtergronddocument bij de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening Hemelwater.
Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
Overstromingen
Het projectgebied is volgens de watertoetskaarten niet overstromingsgevoelig. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.
Waterkwaliteit
Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.
6.3. Conclusie
Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.
7. NATUURTOETS
Het project veroorzaakt geen bijkomende stikstofemissiegenererende vervoersbewegingen. De aanvraag heeft bijgevolg geen negatieve impact op de overschrijding van de kritische depositiewaarde ten aanzien van de speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn.
8. PROJECT-M.E.R.-SCREENING
De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.
9. OPENBAAR ONDERZOEK
Het openbaar onderzoek werd gehouden van 18 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.
10. OMGEVINGSTOETS
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
Voor deze site werd door North Sea Port een Inrichtingsplan Moervaart Zuid gemaakt.
De aanvraag houdt te weinig rekening met de inrichtingsprincipes van het stedenbouwkundig inrichtingsplan Moervaart-Zuid. Binnen dit bedrijventerrein werden enkele gedetailleerde inrichtingsprincipes en bebouwingsvoorschriften vastgelegd, waaronder een bouwvrije groenbufferstrook langsheen de wegenis (dus ook langsheen Evenstuk). Deze groenstrook naast de weg bedraagt 10 m en dient ingevuld te worden met inheemse struiken en hoogstammige bomen volgens een opgegeven beplantingsplan, horende bij het inrichtingsplan. Deze strook is bij dit bedrijf voorzien maar werden de beplantingen hier niet uitgevoerd. Het inrichtingsplan beoogde een aantal robuuste (minstens 10 m brede) groenstroken, daar waar in het verleden rondom bedrijven meestal smallere voor natuur minder zinvol groenstroken (eerder 5 m breedte) werden aangelegd. Als men telkens deze niet verharde groenstrook gebruikt voor andere zaken, dan schiet uiteraard niets over op termijn. De vrijgehouden onverharde strook dient dus bouwvrij te blijven en aangeplant te worden volgens de richtlijnen uit het stedenbouwkundig inrichtingsplan Moervaart-Zuid. Enkel indien de volgens het inrichtingsplan Moervaart-Zuid vooropgestelde 10 m brede groenstrook (met struiken en hoogstammige bomen) wordt voorzien komt de aanvraag in aanmerking voor vergunning. Daarom wordt volgende bijzondere voorwaarde opgelegd. De volledige constructie moet 4m (wat oveenkomt met 3 keer twee parkeerplaatsen) worden opgeschoven van de rooilijn weg. Dit houdt in dat vermoedelijk 6 parkeerplaatsen zullen verwijderd moeten worden.
Op die manier kan de gewenste groenstrook volgens inrichtingsplan worden gerealiseerd.
Als aan bovenliggende voorwaarden kan worden voldaan is de aanvraag stedenbouwkundig aanvaardbaar binnen zijn onmiddellijke omgeving.
Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten
Aspect bodem en grondwater
Voor de transformator zal gebruik gemaakt worden van minerale oliën maar zullen geen polychloorbifenylen (PCB's) of polychloorterfenylen (PCT's) bevatten. De transformator wordt in open lucht opgesteld en olielekken kunnen accidenteel voorkomen in de transformator. Hemelwater dat in contact komt met de transformator kan op die manier potentieel verontreinigd geraken.
De transformator is zo ontworpen dat hemelwater en grondwater niet binnen in de transformator kan dringen.
De transformator wordt op een vloeistofdichte inkuiping geplaatst om eventuele lekkages te kunnen opvangen. Deze inkuiping wordt met een KWS-afscheider verbonden waardoor de mogelijke organische verbindingen tegengehouden worden waardoor verontreiniging van de bodem wordt voorkomen. Het nazicht en onderhoud van de transformator, inkuiping en
KWS-afscheider gebeuren periodiek om lekkages te vermijden.
Bij een eventuele brand wordt via een geautomatiseerde wandafsluiter de inkuiping rond de batterijracks afgesloten zodat het bluswater geen negatief effect kan hebben op de bodem en/of het watersysteem. Het bluswater in de inkuiping dient leeg getrokken te worden en de inhoud afgevoerd naar een erkend verwerker.
Aspect geluid
De belangrijkste bronnen van geluid bij een batterijsysteem zijn de geïntegreerde HVAC-systemen in de batterijracks en de omvormer. De batterijleverancier geeft aan dat de geluidsdruk (Lp) op 1 meter afstand per batterijrack 65,2 dB(A) is en de geluidsdruk (Lp) op
1 meter afstand voor de omvormer 79,45 dB(A).
Door de ligging van het bedrijf in industriegebied en de grote afstand tot woningen en woongebied wordt er geen geluidshinder verwacht. Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II. Dit wordt als opmerking opgenomen.
Aspect brandveiligheid
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.
CONCLUSIE
De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.
Volgende rubriek wordt gunstig beoordeeld:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | één transformator met een individueel vermogen van 2.500 kVA (onderdeel van batterijsysteem) | Nieuw | 2500 kVA |
WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?
Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.
Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.
Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het plaatsen en exploiteren van een batterijsysteem voor energieopslag aan Bnewable nv (O.N.:0792697955) gelegen te Evenstuk 4, 9042 Gent.
De door het college vergunde plannen zijn de plannen die op de overzichtslijst staan, die is toegevoegd als bijlage aan deze vergunning en er integraal deel van uitmaakt.
Plannen die niet op deze overzichtslijst staan, maken geen deel uit van de vergunning.
Controleer steeds of het om een goedgekeurd plan gaat.
Opgelet, er kunnen voorwaarden betrekking hebben op de plannen.
De rubriek voor de inrichting/activiteit Bnewable Evenstuk met inrichtingsnummer
20240527-0003 beslist het college als volgt:
Vergunde rubriek:
Rubriek | Omschrijving | Hoeveelheid |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | één transformator met een individueel vermogen van 2.500 kVA (onderdeel van batterijsysteem) | Nieuw | 2500 kVA |
Legt volgende voorwaarden op:
Bijzondere voorwaarde voor de geplande werken:
Brandweer
De brandweervoorschriften, die betrekking hebben op deze omgevingsvergunning, moeten strikt nageleefd worden (zie advies van 23 september 2024 met kenmerk 021712-034/JT/2024).
North Sea Port
De voorwaarden opgenomen in het advies van North Sea Port Flanders (advies van 14 augustus 2024, met kenmerk 2024-152) moeten strikt nageleefd worden.
Elia
De voorwaarden opgenomen in het advies van ELIA ASSET (advies van 6 augustus 2024, met kenmerk 332037-CVE) moeten strikt nageleefd worden.
Inplanting constructie (zie aanduiding op plan)
De volledige constructie moet 4 m (wat oveenkomt met 3 keer twee parkeerplaatsen) worden opgeschoven van de rooilijn weg. Dit houdt in dat vermoedelijk 6 parkeerplaatsen zullen verwijderd moeten worden. Op die manier kan de gewenste groenstrook volgens inrichtingsplan worden gerealiseerd.
Groenstrook
De groenstrook evenwijdig met straat moet binnen het eerste plantseizoen worden aangelegd volgens de richtlijnen uit het stedenbouwkundig inrichtingsplan Moervaart-Zuid.
Hemelwater
De waterdoorlatende verharding dient uitgevoerd te worden met waterdoorlatende materialen, geplaatst op een waterdoorlatende funderingslaag en onderfunderingslaag. Er mogen geen afvoerkolken voorzien worden. Een verhoogde veiligheidskolk kan, indien deze minimaal 5 cm boven de verharding wordt voorzien.
Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden.
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link: https://navigator.emis.vito.be/
Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:
Te allen tijde moet voldaan worden aan de geluidsnormen opgenomen in Vlarem II.