Terug
Gepubliceerd op 18/10/2024

2024_CBS_09842 - OMV_2024071801 K - aanvraag omgevingsvergunning voor het plaatsen van 5 tijdelijke container units waarvan 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de bijhorende keuken - met openbaar onderzoek - Eendrachtstraat, 9000 Gent - Tijdelijke Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 17/10/2024 - 08:32 College Raadzaal
Datum beslissing: do 17/10/2024 - 08:38
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter; Filip Watteeuw, schepen; Sofie Bracke, schepen; Tine Heyse, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Sami Souguir, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Isabelle Heyndrickx, schepen; Hafsa El-Bazioui, schepen; Evita Willaert, schepen; Rudy Coddens, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Liesbet Vertriest, waarnemend adjunct-algemeendirecteur

Secretaris

Mieke Hullebroeck, algemeen directeur

Voorzitter

Sofie Bracke, schepen
2024_CBS_09842 - OMV_2024071801 K - aanvraag omgevingsvergunning voor het plaatsen van 5 tijdelijke container units waarvan 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de bijhorende keuken - met openbaar onderzoek - Eendrachtstraat, 9000 Gent - Tijdelijke Vergunning 2024_CBS_09842 - OMV_2024071801 K - aanvraag omgevingsvergunning voor het plaatsen van 5 tijdelijke container units waarvan 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de bijhorende keuken - met openbaar onderzoek - Eendrachtstraat, 9000 Gent - Tijdelijke Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent tijdelijk  de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

Stad Gent met als contactadres Botermarkt 1, 9000 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024071801) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 23 mei 2024.

 

De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen handelt over:

Onderwerp: het plaatsen van 5 tijdelijke container units waarvan 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de bijhorende keuken

• Adres: Eendrachtstraat 85, 9000 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 11 sectie L nr. 16R5

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 26 juli 2024.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 8 oktober 2024.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

 

Beschrijving van de omgeving en de plaats

Het onderwerp van de aanvraag ligt in de Eendrachtstraat in de wijk ‘Macharius – Heernis’ . De omgeving bestaat voornamelijk uit rijwoningen, bestaande uit 2,5 bouwlagen en een zadeldak.

 

Het pand in kwestie betreft een school, ‘Het Anker’, horende bij het Bert Carlier Instituut. De school is een secundair onderwijs voor jongeren met een mentale beperking.

De school is mee opgenomen als een school Van Rysselberghe en heeft een bepaalde erfgoedwaarde.


Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag betreft het plaatsen van tijdelijke containers (voor een periode van 5 jaar) voor een refter en bijhorende keuken voor het Bert Carlier Instituut Het Anker. Dit na het verwijderen van de tijdelijke keuken en refter die zich centrum op het perceel bevond. De verwijderde containeropbouw refter en keuken werden verwijderd in de zomer van 2023 omwille van veiligheidsredenen. Deze verwijdering gebeurde onder het vrijstellingsbesluit.

 

De aanvraag betreft volgende stedenbouwkundige handelingen:

 

1/ Het tijdelijk plaatsen van 5 container units waarvan er 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de keuken.

De totale buitenafmetingen van deze constructies bedragen 15,43 m diep en 6,17 m breed
(ca. 95 m²). De hoogte van de containers bedragen 3,16 m t.o.v. het maaiveld.
De containers worden ingeplant op 1,50 m achter de rooilijn en op ca. 40cm van de rechter perceelsgrens. Hierdoor bedraagt de totale bouwdiepte ca. 17m.
Doordat de containers zich inplanten op 40cm van de perceelsgrens wordt in theorie de scheimuur niet verder opgehoogd. Wel zal dit nieuwe volume de bestaande scheimuur overstijgen met ca. 37 cm over een lengte van ca. 3 m.

 

2/ Het ontharden en vergroenen van de speelplaats.
Doordat de nieuwe containers worden geplaatst op de enige overblijvende groenstrook van de speelplaats voorziet het ontwerp in de ontharding en vergroening van andere delen. Rondom de bestaande bomen worden er groenstroken voorzien, alsook naast de bestaande overkapping van de speelplaats. De groenzone bedraagt dan in de nieuwe toestand ca. 260 m² (groenzone rondom nieuwe containers niet meegerekend).

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:

Omgevingsvergunningen

* Op 13/02/2020 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor plaatsen van een evacuatietrap (OMV_2019135424).

 

Stedenbouwkundige vergunningen

* Op 08/12/2005 werd een vergunning afgeleverd voor de renovatie van een schoolgebouw. (2005/190)

* Op 04/05/2011 werd een vergunning afgeleverd voor het oprichten van een nieuwbouw met refter en keuken, klaslokalen, polyvalente zaal, lokalen voor directie en administratie. (2011/10)

 

 

BEOORDELING AANVRAAG

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven, de adviezen zijn integraal na te lezen op het Omgevingsloket.

 

Gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 1 augustus 2024 onder ref. 017880-012/EHA/2024:
Besluit: GUNSTIG

 

Geen advies van Dienst VR - Team Externe Veiligheid gemeld op 29 juli 2024:
Inrichting valt buiten een aandachtsgebied van een Seveso-inrichting. Daardoor is er geen issue met externe veiligheid.

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

4.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in woongebied volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 14 september 1977).

Artikel 1.0: woongebieden: De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.

Het project is gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening grootstedelijk gebied Gent, goedgekeurd op 16 december 2005.

 

Het project is gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg Binnenstad – Deel Heernis, goedgekeurd op 18 juli 1989. Dit plan bepaalt dat het perceel is opgenomen in zone A voor woningen en in klasse 3 voor tuinstrook en binnenkern.


De aanvraag is niet in overeenstemming met onderstaande voorschriften van het BPA.

 

1.2.1.           Bestemmingen van de strook van hoofd- en bijgebouwen:

De functie valt onder gemeenschapsuitrustingen op stedelijk niveau: onderwijs: middelbaar onderwijs, hoger en technische onderwijs, …

In de strook voor hoofd- en bijgebouwen zone A is de bestemming ‘gemeenschapsuitrustingen op stedelijk niveau’ enkel toegestaan als nevenbestemming op 1 bouwlaag.

Toetsing: het ontwerp voorziet de containers in de strook voor hoofd- en bijgebouwen en zal als hoofdbestemming ‘gemeenschapsuitrustingen op stedelijk niveau’ zijn.

 

3.2               Rooilijn – Bouwlijn:

De op het bestemminsplan voorkomende rooilijnen zijn tevens de bouwlijnen. Het CBS kan echter toestaan dat achter de rooilijn gebouwd wordt, in het geval het architecturaal concept daar om vraagt en voor zover dit de aanpalende percelen niet hypothekeert.

Toetsing: Het ontwerp voorziet de containers op ca. 1,50 m achter de rooilijn.

 

3.3.1.           Hoogte van de gevels palend aan de openbare weg:

De referentiehoogte geeft het gewenste gabariet (referentiehoogte = 4 bouwlagen), uitgedrukt in het equivalent aantal nieuwbouwlagen, waar maximaal één bouwlaag (in min of min meer) van afgeweken mag (moet) worden voor zover de harmonieregel dit toelaat (vereist). Als hoogte van een nieuwbouwlaag wordt 3 m aangenomen.

Toetsing: Het ontwerp voorziet slechts 1 bouwlaag met een hoogte van 3,20 m. De rechtse aanpaler heeft een kroonlijsthoogte van 11 m (4 bouwlagen en dakvolume). Aan de linker zijde bevinden zich volumes bestaande uit 2 bouwlagen met een dakvolume.

 

Volgende afwijkingen op de voorschriften van het BPA zijn aanvaardbaar om volgende redenen:

Onderstaande afwijking betreft een beperkte afwijking op het BPA: Overeenkomstig artikel 4.4.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan beperkt afgeweken worden van de stedenbouwkundige voorschriften van een gemeentelijk BPA, wat betreft de perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van de constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen.

 

3.2               Rooilijn – Bouwlijn:

De containers planten zich op 1,50 m achter de rooilijn, wat een afwijking is op het BPA. Gelet op de tijdelijkheid (maximum 5 jaar) van de containers is een afwijking op de bouwlijn aanvaardbaar. Daarnaast blijft de bestaande draadconstructie in de straat, voorzien van groen, behouden wat ook wenselijk is voor het straatbeeld. Elke nieuwe, permanente, constructie zal zich wel aan dit voorschrift moeten behouden.

Gelet op de tijdelijkheid en het behoud van de huidige afsluiting op de rooilijn kan worden geoordeeld dat deze afwijking aanvaardbaar is.

 

Onderstaande afwijkingen betreffen geen beperkte afwijking op het BPA: Artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse codex ruimtelijk ordening bepaalt dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het afleveren van een omgevingsvergunning mag afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan 15 jaar en mits het in acht nemen van een aantal voorwaarden.

Artikel 4.3.1, § 1, 1° bepaalt tevens dat de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening onverminderd blijft gelden.

2.2.1            Bestemmingen van de strook van hoofd- en bijgebouwen:

De containers krijgen als hoofdbestemming ‘gemeenschapsvoorziening op stedelijk niveau’ wat conform het BPA enkel mogelijk is als nevenbestemming. Het is echter niet wenselijk om op deze site, wat een bestaande school betreft, een andere functie te voorzien. De site betreft een school op stedelijk niveau en het is ruimtelijk aangewezen om deze functie hier te behouden. Daarnaast is het voorzien van deze containers geen uitbreiding in capaciteit van de school, dus er zal geen verzwaring zijn op de omgeving qua hinder (mobiliteit, geluid, etc.).
Daar de bestaande functie reeds een afwijking is op bestemming van het BPA, deze functie wenselijk is hier te behouden én er geen capaciteitsuitbreiding wordt voorzien is deze afwijking op het BPA aanvaardbaar. 

 

3.3.1.           Hoogte van de gevels palend aan de openbare weg:

Het BPA geeft aan dat de referentiehoogte hier 4 bouwlagen bedraagt (12 m) en er in max 1 bouwlaag afgeweken moet worden i.f.v. de harmonie. Gezien de rechter aanpaler een kroonlijsthoogte heeft van 11 m is het voorzien van 4 bouwlagen, of het voorzetten van de kroonlijst, nét de harmonie volgen. Het ontwerp voorziet slechts 1 bouwlaag. Dergelijke verlagingen in de gebouwenrij is stedenbouwkundig niet wenselijk omdat er een ‘gat’ in de gevelrij ontstaat en ook blinde gevels niet afwerkt. Gelet op de tijdelijkheid van de containers én doordat de containers terugspringen t.o.v. de gevelrij (en deze constructies amper zichtbaar gaan zijn vanaf het openbaar domein) is een afwijking in voorliggende ontwerpvraag aanvaardbaar.

4.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

4.3.   Verordeningen

Algemeen Bouwreglement
De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het Algemeen Bouwreglement, de stedenbouwkundige verordening van de Stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en meest recent gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 25 maart 2024, van kracht sinds 27 mei 2024. 

Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.

 

Gewestelijke verordening hemelwater

De aanvraag werd getoetst aan de gewestelijke hemelwaterverordening 2023. (Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023)

Zie waterparagraaf.

 

Gewestelijke verordening toegankelijkheid

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.

 

Voor deze constructie moet de toegang tot de constructie of delen ervan voldoen aan art. 10 §1, art. 12 tot en met 14, art. 16, 18, 19, art. 22 tot en met 25 en art. 33 van de verordening.

 

Het ontwerp voldoet niet aan artikel 18: Niveauverschillen van meer dan 18 cm moeten overbrugd worden, ofwel met een trap in combinatie met een helling, ofwel met een trap in combinatie met een lift, ofwel met een helling in combinatie met een lift.

Toetsing: niet conform: het ontwerp voorziet in 2 inkommen dat 28 cm boven het maaiveld niveau liggen. Er wordt geen helling voorzien. Er zal een bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat er dient te worden voldaan aan dit artikel. De helling moet conform de toegankelijkheidsverordening worden ontworpen (zie ook artikel 19 en 24).

 

Artikel 19:
§1. Het hellingspercentage bedraagt hoogstens:

  1. tien procent bij niveauverschillen tot 10 cm, of in geval van buitenruimtes bij niveauverschillen van 2 tot en met 10 cm;
  2. 8,3 procent bij niveauverschillen van 10 cm tot 25 cm;
  3. 6,25 procent bij niveauverschillen van 25 cm tot 50 cm;
  4. vijf procent bij niveauverschillen van 50 cm of groter.

 

§2. Een combinatie van hellingen is toegestaan op voorwaarde dat gezorgd wordt voor een tussenbordes van 120 cm op 150 cm ter hoogte van de overgang. Als een combinatie van hellingen gepaard gaat met een verandering van richting, is een tussenbordes van 150 cm op 150 cm, ter hoogte van de richtingsverandering, vereist.

 

§3. Bij hellingen met een hellingspercentage van meer dan vier procent moet zowel bovenaan als onderaan voor een vrije en vlakke draairuimte worden gezorgd. Die draairuimte mag maximaal twee procent in één richting hellen met het oog op de afwatering.

 

§4. Bij een overbrugging van een niveauverschil van meer dan 50 cm of een helling van meer dan 10 m met een hellingspercentage van meer dan vier procent, moet voor een tussenbordes van 120 cm op 150 cm gezorgd worden. Als de helling verandert van richting, is een tussenbordes van 150 cm op 150 cm, ter hoogte van de richtingsverandering, vereist.

 

§5. De breedte van een helling met een hellingspercentage van meer dan vier procent bedraagt minstens 145 cm, zodat na de afwerking van de eventuele wanden en met inbegrip van de ruimte voor eventuele plinten en leuningen een vrije en vlakke doorgangsbreedte van minstens 120 cm gegarandeerd wordt.

 

§6. In de aanvraag kunnen afwijkingen worden opgenomen als in het aanvraagdossier gemotiveerd aangetoond wordt dat na de afwerking van de eventuele wanden een vrije en vlakke doorgangsbreedte, gemeten tussen de afgewerkte wanden en met inbegrip van eventuele leuningen en plinten, van minstens 120 cm gegarandeerd wordt.

 

§7. Als een helling een niveauverschil van meer dan 10 cm overbrugt, moet aan de open zijkanten van de helling en aan de eventuele tussenbordessen over de volledige lengte van de helling voor een afrijdbeveiliging van minstens 5 cm hoogte gezorgd worden.

 

§8. (…)

 

§9. Aan de zijkanten van een helling die een niveauverschil van meer dan 25 cm overbrugt, moet aan beide zijden een leuning aangebracht worden, die doorloopt over eventuele tussenbordessen. Voor het begin en aan het einde van de helling moet de leuning minstens 40 cm horizontaal verderlopen. Als de leuning in het ijle stopt, moet ze worden afgerond naar de grond of naar de wand.

 

Artikel 24: Vóór en achter elke toegang of deur waarop dit besluit van toepassing is, met uitsluiting van toegangen tot of deuren naar gesloten trappenhallen, moet voor een vrije en vlakke draairuimte worden gezorgd, die maximaal twee procent in één richting mag hellen met het oog op de afwatering. De vrije en vlakke draairuimtes van meerdere deuren mogen elkaar overlappen.

Het draaivlak van een deur moet vlak zijn.

Bij manueel te bedienen deuren moet de buitenste rand van de vrije en vlakke draairuimte aan de trekzijde van de deur, het draaivlak van de deur raken en moet de buitenste rand van de vrije en vlakke draairuimte aan de duwzijde van de deur, het gesloten deurvlak raken. 

4.4.   Uitgeruste weg

Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gemeenteweg. 

5.       WATERPARAGRAAF 

5.1. Ligging project 

Het project ligt in een afstroomgebied in beheer van De Vlaamse Waterweg nv - Afd Regio West. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal).

- niet gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal).

- niet gelegen in een signaalgebied.

 

Het terrein is momenteel bebouwd.

 

5.2. Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Droogte

Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Om hier concreet uitvoering aan te geven werd het project aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en het algemeen bouwreglement van de stad Gent inzake hemelwater getoetst.

 

Met de aanvraag wordt op het perceel een tijdelijke container voorzien. De container kan afwateren naar een voldoende grote onverharde groenzone (die minstens ¼ van de afwaterende oppervlakte is).

 

Structuurkwaliteit en ruimte voor waterlopen

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

Overstromingen

Het projectgebied is volgens de watertoetskaarten niet overstromingsgevoelig. Er wordt geen effect op het overstromingsregime verwacht.

 

Waterkwaliteit

Het project heeft hierop geen betekenisvolle impact.

 

5.3. Conclusie

Er kan besloten worden dat voorliggende aanvraag de watertoets doorstaat.

6.       NATUURTOETS

Het project veroorzaakt geen bijkomende stikstofemissiegenererende vervoersbewegingen. De aanvraag heeft bijgevolg geen negatieve impact op de overschrijding van de kritische depositiewaarde ten aanzien van de speciale beschermingszone van de Habitatrichtlijn.

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 (MER-besluit) en heeft geen betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij dit besluit. De opmaak van een milieueffectrapport of project-m.e.r.-screening is voor voorliggend project dan ook niet vereist.

8.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 5 augustus 2024 tot en met 3 september 2024.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.

9.       OMGEVINGSTOETS

Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening

1/ Het tijdelijk plaatsen van 5 container units waarvan er 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de keuken.

De tijdelijke containers hebben een minimale impact op de omgeving en de aanpalers. De inplanting betreffen enkele afwijkingen op het BPA maar zijn motiveerbaar (zie hoofdstuk 4.1). Verder zijn deze containers nodig om een goede werking van de school voort te zetten. Deze worden tijdelijk voorzien (maximum 5 jaar) omdat er in de toekomst een verbouwing/uitbreiding van de school wordt ingeplant. Bijgevolg zijn deze containers, tijdelijk, stedenbouwkundig aanvaardbaar.
Wel dient de container als toegankelijk te worden voorzien, daarom moet er een helling conform de verordening worden aangelegd. Deze kan worden voorzien op de bestaande verharding waardoor er geen impact is op de hemelwaterhuishouding van de site.

 

2/ Het ontharden en vergroenen van de speelplaats.

De containers worden voorzien op de enige overblijvende groenzone van de site, dit is niet wenselijk. Daarom worden er andere zones onthard op het terrein, ter compensatie. Het ontharden van de speelplaats is positief. Dit zal een positief effect hebben op de waterhuishouding van de site maar ook op de ervaring van het speelterrein.

 

3/ Tijdelijkheid:

De aanvraag voor containers gebeurt met een maximum van 5 jaar. Dit omdat de containers geen permanent goede oplossing zijn op deze site (niet voor de werking van de school en niet voor de ruimtelijke inpasbaarheid). Er zal een nieuw ontwerp moeten worden voorgezet om tot een oplossing te komen voor na het tijdelijke karakter.


CONCLUSIE 

Voorwaardelijk gunstig, mits voldaan wordt aan de bijzondere voorwaarden is de aanvraag in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en verenigbaar met de goede plaatselijke aanleg.

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het plaatsen van 5 tijdelijke container units waarvan 4 bestemd zijn voor een refter en 1 voor de bijhorende keuken aan Stad Gent gemeente gelegen te Eendrachtstraat 85, 9000 Gent.

De door het college vergunde plannen zijn de plannen die op de overzichtslijst staan, die is toegevoegd als bijlage aan deze vergunning en er integraal deel van uitmaakt.

Plannen die niet op deze overzichtslijst staan, maken geen deel uit van de vergunning.

Controleer steeds of het om een goedgekeurd plan gaat.

Opgelet, er kunnen voorwaarden betrekking hebben op de plannen.

 

 

Artikel 2

Verleent de vergunning voor bepaalde duur vanaf 26 november 2024 tot en met 
26 november 2029.

    

    

 

Artikel 3

Legt volgende voorwaarden op:

 

Tijdelijkheid vergunning:
De omgevingsvergunning is 5 jaar geldig.

Voorwaarden die voortvloeien uit externe adviezen:
De brandweervoorschriften, die betrekking hebben op deze omgevingsvergunning, moeten strikt nageleefd worden (zie advies van 1 augustus 2024 met kenmerk 017880-012/EHA/2024).

Toegankelijkheid:

Er moet een helling te worden voorzien conform te toegankelijkheidsverordening.