Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 56, §3.
Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 2.
Neemt kennis van het ontwerp van tariefmethodologie voor de periode 2025-2028 zoals die door de VREG is vastgesteld en van de nota die de VVSG hierover op 23 april 2024 aan de gemeenten heeft bezorgd.
Formuleert onderstaande bezorgdheden bij dit ontwerp van nieuwe tariefmethodologie:
Met dit voorstel van tariefmethodologie toont de VREG niet duidelijk aan dat de netbeheerders en Fluvius op middellange en lange termijn in staat zijn en blijven om:
Terwijl het voorstel van tariefmethodologie wel een concrete inschatting bevat van het effect op de distributienettarieven, is dat niet het geval voor het langetermijneffect op de distributienetbeheerders en hun werkmaatschappij Fluvius. Nochtans zegt de VREG beide doelstellingen na te streven: betaalbaarheid voor de netgebruikers en de netbeheerders die in staat zijn de transitie te realiseren.
Het onderscheid tussen endogene en exogene kosten moet consequent gehanteerd worden, met een integrale vergoeding via het toegelaten inkomen van de directe én indirecte exogene kosten. Zo wordt vermeden dat een deel van de exogene kosten toch ten laste van het resultaat (en dus de aandeelhouders) worden gelegd. Het gaat daarbij bv. om de noodzakelijke administratieve opdrachten die Fluvius moet uitvoeren om de door de Vlaamse overheid opgelegde energiepremies te betalen.
De rentelasten op vreemd vermogen moeten verschuiven van de endogene naar de exogene kosten, zodat ze integraal in de nettarieven kunnen worden doorgerekend. Nu dreigt een te lage vergoeding voor het vreemd vermogen uiteindelijk ten laste te komen van de vergoeding voor het eigen vermogen.
Aan Fluvius mogen geen onhaalbare doelstellingen op het vlak van bedrijfsvoering (zoals de veronderstelde jaarlijkse productiviteitswinsten voor elektriciteit of de bijkomende kwaliteitsprikkels) worden opgelegd. Zo mag de VREG er niet van uitgaan dat de huidige zeer hoge performantie op het vlak van netonderbrekingen zonder meer haalbaar is en blijft, ook in periodes van grote investeringen in diezelfde netten.
De VREG moet in de tariefmethodologie meer rekening houden met de verwachte nood aan bijkomend eigen vermogen bij de netbeheerders (want de mate van schuldfinanciering is niet onbegrensd en weegt op de extern beoordeelde solvabiliteit). De gemeenten zijn vandaag niet meer in staat of bereid om dit extra kapitaal zo maar te leveren, ongeacht het rendement dat ertegenover staat. Ook potentiële nieuwe aandeelhouders zullen alleen instappen als ze een minimale zekerheid kunnen krijgen over (1) het rendement en (2) de financiële gezondheid van de Fluviusgroep op lange termijn.
De vraag van de VREG aan de (nieuwe) Vlaamse regering naar een langetermijnvisie op de toekomst van de aardgasnetten die rekening houdt met het uitfaseren van aardgas als energiedrager is terecht. Die visie moet financieel haalbaar zijn en blijven voor de netgebruikers, de netbeheerders én de lokale besturen. Tegelijkertijd moet er al in de tariefperiode 2025-2028 gestart worden met de versnelde afschrijving van de gasnetten (of een andere vorm van provisievorming). Die versnelde afschrijvingen of provisievorming kunnen de (vanuit transitie-oogpunt onwenselijke) neerwaartse trend van de tarieven voor aardgasdistributie keren. Bovendien heeft het snel beginnen aanrekenen van de extra kosten als voordeel dat de factuur (vandaag nog) kan gespreid worden over veel gebruikers.
Het pleidooi van de VREG voor ‘een verruiming van (…) de doelstelling in het LEKP naar de afbouw van heffingen en retributies op de distributienetbeheerders’ wordt niet gevolgd. Ten eerste is het lokaal energie- en klimaatpact een vrijwillige overeenkomst tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten. Die laatste maken een inhoudelijke en financiële afweging alvorens ze al dan niet toetreden tot dit pact. Eventuele heffingen en retributies op sleuven en pylonen maken deel uit van die overweging. Ten tweede is het juridisch niet mogelijk om GSM-masten wel en elektriciteitspylonen niet aan een heffing te onderwerpen, zodat het schrappen van die heffing meer financiële verliezen voor gemeenten impliceert dan dat de kosten dalen die in de energiefactuur zitten. Ten derde betekenen deze heffingen slechts een minieme fractie van de totale netkosten voor elektriciteit en liggen ze zeker niet aan de basis van de verhoging die de VREG nu voorstelt. Ten vierde wijst de VVSG erop dat het nuttig zou zijn om een valabel en robuust alternatief fiscaal instrument te ontwikkelen voor deze gemeentelijke inkomstenbron dat wel in de lijn ligt met de gewenste energietransitie.
Zal het standpunt dat geformuleerd werd in art. 2 tijdig bezorgen aan de VREG via de webpagina https://www.vreg.be/nl/cons-2024-02
De algemeen directeur is belast met de uitvoering van dit besluit.