Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 40, § 1.
Het Decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed.
Het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 6.3.12.
De Stad Gent is sinds 1 juli 2023 erkend als onroerenderfgoedgemeente. Met deze erkenning zijn er een aantal taken, dewelke initieel door het Agentschap Onroerend Erfgoed werden uitgevoerd, bij de Stad komen te liggen. Een van deze taken betreft de behandeling van de meldingen voor handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten.
De aanvrager van de handelingen moet de melding schriftelijk indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Die melding moet verplicht een aantal gegevens en bijlagen bevatten.
In principe mag de aanvrager de handelingen aanvatten vanaf de 30e dag na de dag van de melding. Dit kan echter niet als het college van burgemeester en schepenen de melder voordien per beveiligde zending op de hoogte brengt dat de handelingen de wezenlijke eigenschappen van het beschermde stads- of dorpsgezicht verstoren. In dat geval zal een toelatingsprocedure bij de erkende onroerenderfgoedgemeente of het Agentschap voor Onroerend Erfgoed noodzakelijk zijn.
De regelgeving (i.c. het Onroerenderfgoedbesluit) schrijft dus voor dat de meldingsprocedure in 2 stappen verloopt. In een eerste stap gebeurt de melding aan het college van burgemeester en schepenen. Indien dit orgaan van oordeel is dat de geplande werken van dien aard zijn dat deze de wezenlijke eigenschappen van het stadsgezicht aantasten, dan moet ook een toelating bekomen worden voor deze werken. Deze toelating wordt in geval van een erkende onroerenderfgoedgemeente opnieuw door het college van burgemeester en schepenen verleend.
Concreet betekent dit dat de Stad, als erkende onroerenderfgoedgemeente, in sommige gevallen 2 beslissingen zal moeten uitlokken nl. een eerste collegebeslissing waarbij wordt geoordeeld dat de gemelde handelingen van dien aard zijn dat deze de wezenlijke eigenschappen van het stadsgezicht verstoren en derhalve een toelating noodzakelijk is. Vervolgens een 2e collegebeslissing waarbij de melding als een toelating wordt behandeld.
Dit is geen klantvriendelijke, noch efficiënte manier van werken. Daarom wordt er voorgesteld om deze 2 afzonderlijke procedures in 1 procedure te integreren en derhalve slechts 1 beslissing aan het college van burgemeester en schepenen voor te leggen ingeval er wordt geoordeeld dat de melding als een toelating moet behandeld worden. In deze beslissing wordt aangegeven dat de gemelde handelingen de wezenlijke eigenschappen van het stadsgezicht verstoren en zal meteen geoordeeld worden of en onder welke voorwaarden deze kunnen worden toegelaten overeenkomstig de procedure in art 6.3.2 t.e.m. 6.3.11 van het Onroerenderfgoedbesluit.
Deze werkwijze werd voorgelegd aan het Agentschap Onroerend Erfgoed dewelke zich akkoord heeft verklaard met deze werkwijze op voorwaarde dat de geldende termijnen steeds worden nageleefd.
Er wordt derhalve gevraagd aan het college van burgemeester en schepenen om haar goedkeuring te verlenen aan de geïntegreerde procedure waarbij de beslissing over de toelating moet vallen binnen de periode van 30 dagen die van toepassing is op de meldingsprocedure. Indien deze termijn in een welbepaald dossier niet kan gehaald worden, zal er alsnog toepassing gemaakt worden van de 2 afzonderlijke procedures.
Keurt goed de toepassing van de geïntegreerde procedure voor de melding werken voor beschermde stads- en dorpsgezichten mits eerbiediging van de geldende beslissingstermijn van 30 dagen die van toepassing is op de meldingsprocedure.