Er worden een aantal wijzigingen aan de Rechtspositieregeling Stad en OCMW Gent voorgesteld. De wijzigingen die aangebracht worden aan de Rechtspositieregeling Stad en OCMW Gent moeten ook overgenomen worden voor de medewerkers die vallen onder het toepassingsgebied van de Rechtspositieregeling Ouderenzorg. De wijzigingen aan de Rechtspositieregeling Ouderenzorg worden ter onderhandeling voorgelegd aan de vakbonden en ter goedkeuring voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
Door het nieuwe Rechtspositiebesluit van 20 januari 2023 wordt het Besluit van de Vlaamse regering van 12 september 2002 betreffende de toekenning en de vaststelling van het vakantiegeld van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel opgeheven. In onze eigen rechtspositieregeling wordt naar dit BVR verwezen in het hoofdstuk over het vakantiegeld. Door de opheffing van het BVR is er niet langer een rechtsgrond in onze rechtspositieregeling voor de berekening en uitbetaling van het vakantiegeld publieke sector. Er kan niet gewacht worden op de opmaak van een integrale nieuwe rechtspositieregeling om hiervoor een juridische basis te creëren.
Het is aangewezen om de relevante bepalingen over de toekenning en berekening van vakantiegeld publieke sector (zoals voorzien in het nieuwe Rechtspositiebesluit) integraal op te nemen in onze eigen rechtspositieregeling én daarbij de huidige werk- en berekeningswijze van het vakantiegeld ongewijzigd te behouden. In het licht van de opmaak van de nieuwe rechtspositieregeling naar aanleiding van het nieuwe Rechtspositiebesluit zal bekeken worden of aan de berekeningswijze aanpassingen nodig zijn.
De Europese Richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en de daarbij horende Europese rechtspraak verplicht de lidstaten om medewerkers die een jaar gewerkt hebben, in datzelfde jaar minstens vier weken vakantie met behoud van loon toe te kennen. De Europese Commissie heeft aan België opmerkingen overgemaakt over het feit dat de huidige (private) reglementering een medewerker voor wie het om bepaalde redenen onmogelijk was al zijn vakantiedagen in het vakantiejaar op te nemen, niet toestaat zijn vakantiedagen ook na dat vakantiejaar over te dragen. De Europese Commissie stelt tevens vast dat de huidige Belgische reglementering een medewerker ook niet toestaat zijn vakantiedagen op een later tijdstip op te nemen indien zich tijdens zijn vakantieperiode een ziekte voordoet, waardoor hij de vakantiedagen die samenvallen met zijn ziekte verliest.
Binnen de Stad Gent zijn reeds grondige wijzigingen in het vakantiestelsel doorgevoerd, onder meer om deze in lijn te brengen met bovenstaande Europese richtlijn en rechtspraak: vanaf 2021 wordt voor alle medewerkers het vakantietegoed opgebouwd gedurende het lopende jaar (publieke vakantiestelsel) waarbij voor medewerkers die in het lopende jaar ziek zijn geweest, ten minste 4 weken (i.c. 24 dagen) vakantie worden gegarandeerd, dit onder de vorm van een overdracht naar het volgende jaar. Enkel de laatste opmerking van Europa: namelijk het garanderen van deze vakantiedagen voor een medewerker die voor of tijdens een geplande vakantie ziek wordt, werd (nog) niet ingevoerd.
Intussen werd de Belgische wetgeving op deze punten aangepast voor de vakantieregeling van de private sector. Ook het nieuwe Rechtspositiebesluit bepaalt in artikel 54 dat, onafhankelijk van het toepasselijke vakantiestelsel en zowel voor contractuele als statutaire medewerkers, een afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid nooit als vakantiedag mag tellen: als medewerkers arbeidsongeschikt worden vóór de aanvang van aangevraagde en toegestane vakantiedagen, wordt de vakantie opgeschort; wanneer medewerkers arbeidsongeschikt worden tijdens een periode van jaarlijkse vakantie, wordt het vakantieverlof omgezet in verlof wegens arbeidsongeschiktheid.
Het Agentschap Binnenlands Bestuur adviseert uitdrukkelijk om ook in onze rechtspositieregeling eenzelfde regeling te voorzien voor alle medewerkers en dit ten laatste vanaf 1 januari 2024.
De modaliteiten (werkgever inlichten over verblijfplaats tijdens ziekte, verplicht indienen van ziekteattest in verstaanbare taal, ...) van deze nieuwe regeling worden opgenomen in de rechtspositieregeling ouderenzorg.
In artikel 149 wordt de huidige praktijk voor verloning van studenten opgenomen in de rechtspositieregeling.
Wijzigt de Rechtspositieregeling Ouderenzorg met ingang van 1 januari 2024 als volgt:
* In artikel 149 wordt § 1 vervangen als volgt:
'§ 1. De medewerker (m/v/x) wordt bezoldigd in een salarisschaal verbonden aan zijn/haar graad met uitzondering van de studenten. Studenten worden bezoldigd op basis van een uursalaris vastgesteld op 1/1976ste van het minimum van :
• IFIC categorie 4 voor de studenten die in het onderhoud en/of de keuken worden tewerkgesteld;
• IFIC categorie 8 voor de studenten die in de verzorging worden tewerkgesteld en die niet beschikken over een visum als zorgkundige;
• IFIC categorie 11 voor de studenten die in de verzorging worden tewerkgesteld en die beschikken over een visum als zorgkundige.'
* Het huidige artikel 214/1wordt opgeheven en vervangen als volgt:
'De medewerker (m/v/x) ontvangt jaarlijks een vakantiegeld.
Het vakantiegeld publiek stelsel bedraagt voor volledige prestaties die gedurende het hele referentiejaar zijn verricht, 92% van het maandsalaris van de maand maart van het vakantiejaar.
In de tweede alinea wordt verstaan onder:
1° referentiejaar: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vakantie wordt toegekend;
2° vakantiejaar: het jaar waarin de vakantie wordt toegekend;
3° maandsalaris: het maandsalaris, vermeld in artikel 167 van deze rechtspositieregeling aangevuld met de eventuele haard- of standplaatstoelage.'
* Na artikel 214/1 worden artikels 214/2 tot en met artikel 219/4 toegevoegd als volgt:
'Artikel 214/2
Indien er in het referentiejaar, zijnde de 12 maanden voorafgaand aan de vakantiemaand, variabel salaris toegekend werd, wordt een bijkomende vergoeding als aanvullend vakantiegeld toegekend.
Onder variabel salaris vallen alle toelagen die niet tot het salaris behoren, zoals voorzien in de toepasselijke salarisschaal, en waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.
Deze bijkomende vergoeding wordt berekend als volgt: 15,67 % van dit totaalbedrag aan bruto variabel salaris in de referentieperiode berekend op basis van het maandgemiddelde.
Voor de uitbetaling van dit bedrag gelden dezelfde modaliteiten zoals opgenomen in artikel 219 bis/2.
Artikel 214/3
Het vakantiegeld wordt uitbetaald op de derde laatste werkdag van de maand april.
Ingeval van uitdiensttreding wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand die volgt op de datum van de uitdiensttreding.
Bij een gedeeltelijk salaris wegens het uitoefenen van deeltijdse prestaties wordt het vakantiegeld in evenredige mate verminderd.
Bij de berekening van het vakantiegeld wordt rekening gehouden met het percentage en de eventuele inhouding, die op de datum in kwestie van kracht zijn. Het percentage wordt toegepast op het jaarsalaris dat als basis dient voor de berekening van het salaris dat de medewerker (m/v/x) op die datum geniet.
Als de medewerker (m/v/x) op die datum geen salaris of een verminderd salaris geniet, dan wordt het percentage berekend op het salaris dat hem/haar betaald zou zijn geweest, als het op die datum zijn/haar ambt uitgeoefend zou hebben.
Artikel 214/4
§ 1. De periodes van disponibiliteit en de periodes van verlof en afwezigheid waarbij het recht op salaris (gedeeltelijk) blijft behouden, komen in aanmerking om het bedrag van het vakantiegeld te berekenen.
Het onbetaald verlof komt niet in aanmerking om het bedrag van het vakantiegeld te berekenen.
§ 2. Om het bedrag van het vakantiegeld te berekenen, komt de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar tot de dag die voorafgaat aan de datum van de indiensttreding als medewerker (m/v/x), ook in aanmerking als de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de medewerker (m/v/x) is jonger dan 25 jaar op het einde van het referentiejaar;
2° de medewerker (m/v/x) is uiterlijk in dienst getreden op de laatste dag van de vierde maand die volgt na de maand waarin de medewerker (m/v/x) een studie die recht geeft op kinderbijslag heeft beëindigd, of de maand waarin de medewerker (m/v/x) een leerovereenkomst heeft beëindigd.
In dit artikel wordt onder referentiejaar verstaan: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vakantie wordt toegekend.'
* Artikel 225 wordt vervangen als volgt:
'Artikel 225
Als een medewerker (m/v/x) ziek wordt voor de aanvang van aangevraagde en toegestane vakantiedagen, dan wordt de vakantie opgeschort en worden voor de statutaire medewerkers (m/v/x) de ziektedagen aangerekend op het beschikbare ziektekrediet.
Als de medewerker (m/v/x) ziek wordt tijdens een periode van jaarlijkse vakantie, dan wordt het vakantieverlof omgezet in ziekteverlof dat voor de statutaire medewerkers (m/v/x) aangerekend wordt op het beschikbare ziektekrediet.
Indien de medewerker (m/v/x) de niet opgenomen vakantiedagen onmiddellijk aansluitend aan het ziekteverlof wil opnemen, wordt die vraag uiterlijk op het moment van het indienen van het ziekteattest aan de leidinggevende gesteld. De leidinggevende is niet verplicht om op die vraag in te gaan.'
* Aan de eerste alinea van artikel 234/4, § 1 worden op het einde volgende zinnen toegevoegd: 'Attesten van buitenlandse artsen worden steeds opgemaakt in een verstaanbare taal. Daaronder wordt verstaan: één van de drie landstalen (Nederlands, Frans, Duits) of Engels.'
* Aan de tweede alinea van artikel 234/4, § 1 worden op het einde volgende zinnen toegevoegd: 'Deze vrijstelling van de verplichting om een attest van arbeidsongeschiktheid in te dienen, geldt niet als de medewerker (m/v/x) ziek wordt tijdens een periode van jaarlijkse vakantie. In dit laatste geval is steeds een ziekteattest vereist.'
Het vast bureau legt het ontwerp van hiernavolgende wijziging aan de Rechtspositieregeling Stad en OCMW Gent dat op 1 januari 2024 in werking treedt ter onderhandeling voor aan de vakbonden:
* In artikel 149 wordt § 1 vervangen als volgt:
'§ 1. De medewerker (m/v/x) wordt bezoldigd in een salarisschaal verbonden aan zijn/haar graad met uitzondering van de studenten. Studenten worden bezoldigd op basis van een uursalaris vastgesteld op 1/1976ste van het minimum van :
• IFIC categorie 4 voor de studenten die in het onderhoud en/of de keuken worden tewerkgesteld;
• IFIC categorie 8 voor de studenten die in de verzorging worden tewerkgesteld en die niet beschikken over een visum als zorgkundige;
• IFIC categorie 11 voor de studenten die in de verzorging worden tewerkgesteld en die beschikken over een visum als zorgkundige.'
* Het huidige artikel 214/1wordt opgeheven en vervangen als volgt:
'De medewerker (m/v/x) ontvangt jaarlijks een vakantiegeld.
Het vakantiegeld publiek stelsel bedraagt voor volledige prestaties die gedurende het hele referentiejaar zijn verricht, 92% van het maandsalaris van de maand maart van het vakantiejaar.
In de tweede alinea wordt verstaan onder:
1° referentiejaar: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vakantie wordt toegekend;
2° vakantiejaar: het jaar waarin de vakantie wordt toegekend;
3° maandsalaris: het maandsalaris, vermeld in artikel 167 van deze rechtspositieregeling aangevuld met de eventuele haard- of standplaatstoelage.'
* Na artikel 214/1 worden artikels 214/2 tot en met artikel 219/4 toegevoegd als volgt:
'Artikel 214/2
Indien er in het referentiejaar, zijnde de 12 maanden voorafgaand aan de vakantiemaand, variabel salaris toegekend werd, wordt een bijkomende vergoeding als aanvullend vakantiegeld toegekend.
Onder variabel salaris vallen alle toelagen die niet tot het salaris behoren, zoals voorzien in de toepasselijke salarisschaal, en waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.
Deze bijkomende vergoeding wordt berekend als volgt: 15,67 % van dit totaalbedrag aan bruto variabel salaris in de referentieperiode berekend op basis van het maandgemiddelde.
Voor de uitbetaling van dit bedrag gelden dezelfde modaliteiten zoals opgenomen in artikel 219 bis/2.
Artikel 214/3
Het vakantiegeld wordt uitbetaald op de derde laatste werkdag van de maand april.
Ingeval van uitdiensttreding wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand die volgt op de datum van de uitdiensttreding.
Bij een gedeeltelijk salaris wegens het uitoefenen van deeltijdse prestaties wordt het vakantiegeld in evenredige mate verminderd.
Bij de berekening van het vakantiegeld wordt rekening gehouden met het percentage en de eventuele inhouding, die op de datum in kwestie van kracht zijn. Het percentage wordt toegepast op het jaarsalaris dat als basis dient voor de berekening van het salaris dat de medewerker (m/v/x) op die datum geniet.
Als de medewerker (m/v/x) op die datum geen salaris of een verminderd salaris geniet, dan wordt het percentage berekend op het salaris dat hem/haar betaald zou zijn geweest, als het op die datum zijn/haar ambt uitgeoefend zou hebben.
Artikel 214/4
§ 1. De periodes van disponibiliteit en de periodes van verlof en afwezigheid waarbij het recht op salaris (gedeeltelijk) blijft behouden, komen in aanmerking om het bedrag van het vakantiegeld te berekenen.
Het onbetaald verlof komt niet in aanmerking om het bedrag van het vakantiegeld te berekenen.
§ 2. Om het bedrag van het vakantiegeld te berekenen, komt de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar tot de dag die voorafgaat aan de datum van de indiensttreding als medewerker (m/v/x), ook in aanmerking als de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de medewerker (m/v/x) is jonger dan 25 jaar op het einde van het referentiejaar;
2° de medewerker (m/v/x) is uiterlijk in dienst getreden op de laatste dag van de vierde maand die volgt na de maand waarin de medewerker (m/v/x) een studie die recht geeft op kinderbijslag heeft beëindigd, of de maand waarin de medewerker (m/v/x) een leerovereenkomst heeft beëindigd.
In dit artikel wordt onder referentiejaar verstaan: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vakantie wordt toegekend.'
* Artikel 225 wordt vervangen als volgt:
'Artikel 225
Als een medewerker (m/v/x) ziek wordt voor de aanvang van aangevraagde en toegestane vakantiedagen, dan wordt de vakantie opgeschort en worden voor de statutaire medewerkers (m/v/x) de ziektedagen aangerekend op het beschikbare ziektekrediet.
Als de medewerker (m/v/x) ziek wordt tijdens een periode van jaarlijkse vakantie, dan wordt het vakantieverlof omgezet in ziekteverlof dat voor de statutaire medewerkers (m/v/x) aangerekend wordt op het beschikbare ziektekrediet.
Indien de medewerker (m/v/x) de niet opgenomen vakantiedagen onmiddellijk aansluitend aan het ziekteverlof wil opnemen, wordt die vraag uiterlijk op het moment van het indienen van het ziekteattest aan de leidinggevende gesteld. De leidinggevende is niet verplicht om op die vraag in te gaan.'
* Aan de eerste alinea van artikel 234/4, § 1 worden op het einde volgende zinnen toegevoegd: 'Attesten van buitenlandse artsen worden steeds opgemaakt in een verstaanbare taal. Daaronder wordt verstaan: één van de drie landstalen (Nederlands, Frans, Duits) of Engels.'
* Aan de tweede alinea van artikel 234/4, § 1 worden op het einde volgende zinnen toegevoegd: 'Deze vrijstelling van de verplichting om een attest van arbeidsongeschiktheid in te dienen, geldt niet als de medewerker (m/v/x) ziek wordt tijdens een periode van jaarlijkse vakantie. In dit laatste geval is steeds een ziekteattest vereist.'