We hebben het hier al vaak aangekaart het lerarentekort is een chronisch probleem.
Volgens Lieven Boeve, directeur-generaal van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen moet het anders. Volgens hem moet de almaar uitdijende lijst van mogelijke studierichtingen – de zogenoemde opleidingenmatrix – weer beperkt worden.
Sinds 2019 is er een enorme uitbreiding van het aantal studierichtingen, maar er zijn geen leerlingen bijgekomen. Wat impliceert dat er per studierichting minder leerlingen zijn. In een tijdperk met te weinig leerkrachten moet dit herbekeken worden.
Hij haalt volgend concreet voorbeeld aan : ‘Vroeger was er een richting tweewielers en lichte verbrandingsmotoren. Ondertussen werd dit opgesplitst in een opleiding fietsinstallaties en in een opleiding brom- en motorfietsinstallaties. Gezien er ondertussen meer en meer elektrische fietsen zijn en meer elektrificatie, stelt hij zich de vraag waarom deze richting nog moet gesplitst zijn.
Hij besluit dus door studierichtingen samen te voegen, dat er meer leerlingen in de klassen zullen zitten en minder nood aan leerkrachten.
Wat is de visie van de schepen in deze ?
Dank u, collega Van Bignoot, voor uw interesse in mijn visie hieromtrent.
Lieven Boeve, de topman van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, gaat na dit schooljaar op pensioen. Naar aanleiding van zijn nakende pensioen, maakte hij een paar weken geleden inderdaad wat de balans op, waarbij hij een aantal bezorgdheden aanhaalt, een aantal interne denkoefeningen binnen Katholiek Onderwijs Vlaanderen aankondigt en ook een aantal suggesties van oplossingen ten aanzien van het Vlaamse beleid doet. Het artikel bevat heel wat eten en drinken. Ik probeer kort op de verschillende elementen in te gaan.
Een eerste punt is dat er volgens hem te veel versnippering is in het aanbod, vooral in het technisch en beroepsonderwijs.
Daarbij pleit hij voor het regionaal afstemmen van het studieaanbod, met een minimumnorm waarbij een studierichting om het te kunnen inrichten minstens x-aantal leerlingen moet tellen.
Zelf ben ik het met meneer Boeve eens dat goede regionale afstemming inderdaad een meerwaarde kan betekenen voor de scholen. Dit zowel om elkaars aanbod te kennen en zo complementair mogelijk te kunnen werken, om eventuele samenwerkings- of doorverwijzingsafspraken te maken, om stageplaatsen te vinden, etc.
Een belangrijke noot hierbij is dat dit overleg ook gefaciliteerd en geprofessionaliseerd moet worden, zodat de afstemming op basis van goede afspraken en in alle transparantie kan gebeuren.
Ik ben dus helemaal gewonnen voor meer regionale afstemming met betrekking tot de programmatie van het studieaanbod.
Maar ik ben er geen voorstander van om top down minimumquota op te leggen en ik wil u graag uitleggen waarom:
Een ander element waar ik even op inga, gaat over het beperken van de opleidingenmatrix in het technisch en beroepssecundair onderwijs.
De aanbeveling van meneer Boeve over studierichtingen die vroeger breder waren en die nu in verschillende richtingen opgedeeld worden te herbekijken, waarbij hij stelt dat die richtingen niet altijd zouden beantwoorden aan de vraag van de arbeidsmarkt. Dit gaat natuurlijk over een heel ander aspect, namelijk over de inhoud, over wat de leerlingen leren.
Om ervoor te zorgen dat de inhoud van wat de leerlingen aanleren wel degelijk antwoord biedt op een vraag van de arbeidsmarkt, is sinds 2009 het Decreet betreffende de Vlaamse Kwalificatiestructuur in werking. Dit decreet schrijft voor dat de beroepssectoren als eerste aan zet zijn om te bepalen welke beroepsprofielen ze in de toekomst nodig zullen hebben. Bijvoorbeeld: wat moet een zorgkundige of een elektrotechnisch installateur over 10 jaar kennen en kunnen? Op basis van die beschrijvingen worden de arbeidsmarktgerichte onderwijsopleidingen vormgegeven.
Dit is voor beroepssectoren niet altijd een eenvoudige oefening. Ik begrijp dat meneer Boeve ook in vraag stelt of de opleidingsinhouden effectief ook nauwer aansluiten bij de vraag van de arbeidsmarkt. Persoonlijk heb ik hier niet onmiddellijk een uitgesproken mening over, maar misschien zou het een goed idee zijn dat de Vlaamse regering deze werkwijze/dat decreet na bijna 15 jaar inderdaad eens samen met alle betrokkenen gaat evalueren en bijsturen waar nodig.
Collega Van Bignoot, ik vat samen: