In de voorbije zomervakantie werd voor de vierde keer een zomeracademie georganiseerd. Op die manier tracht men, bij kinderen met specifieke leernoden, het risico op verdere leerachterstand te verkleinen.
Het aanbod spitste zich toe op basisonderwijs en OKAN. Nieuw was het aanbod voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs. Voor leerlingen van het secundair onderwijs was er geen aanbod voorzien, gezien de beperkte toeleiding vorig jaar.
In totaal was er plaats voor 760 leerlingen.
Hoeveel leerlingen hebben dit jaar deelgenomen aan de Gentse zomeracademie ?
Wat zijn de schepen haar eerste bevindingen van de voorbije zomeracademie ?
Wanneer mogen we de evaluatie verwachten?
Jullie vragen liggen heel dicht bij elkaar. Ik zal de antwoorden bundelen, en zo alle aspecten behandelen waar jullie naar vragen.
De voorbije editie werden de zomerscholen omgedoopt tot zomeracademie. Dat is niet alleen een meer wervende naam, het vat het ook beter samen. Onderwijscentrum Gent zette een samenwerkingsverband op met 13 partners. Samen richtten zij 17 zomerscholen in voor in totaal 820 kinderen. Dat aanbod richtte zich tot leerlingen uit het basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs en OKAN. Door de bijzonder lage bezetting in het aanbod secundair onderwijs vorig jaar, beslisten we, zoals collega Bouve aangeeft, om dit jaar voor deze doelgroep geen aanbod in te richten.
Die 820 plaatsen werden niet allemaal gevuld. In totaal werden 696 [LV1] kinderen ingeschreven. 47 bleven op een wachtlijst staan. Van hen kwamen zo’n 423 kinderen en jongeren opdagen, wat overeenkomt met een gemiddelde aanwezigheidsratio van 60,7 %. Door een gerichte inzet op meer aanklampende werking is dit aanwezigheidspercentage iets hoger dan vorige jaren (57 % in 2022). We zien daar dus wel een mooie stijging door de aanklampende werking.
Door de diversiteit binnen het aanbod is het niet altijd mogelijk om kinderen, waarvoor geen plaats is op het ene aanbod, zomaar te verschuiven naar ander aanbod: vandaar de wachtlijst. Maar deze is een stuk beperkter dan vorige jaren, omdat ook hier heel gericht op is gewerkt na de evaluatie van editie 2022, die in deze commissie uitvoerig werd toegelicht.
Er waren twee scholen buitengewoon basisonderwijs waar een zomeracademie werd ingericht. Dat waren op zich zomerscholen als de andere, met dat verschil dat ze door scholen voor buitengewoon onderwijs zijn georganiseerd, voor de eigen leerlingen. Dat was nodig, omdat het voor deze kinderen erg belangrijk is een aanbod in een vertrouwde omgeving te hebben. Er waren in totaal 55 plaatsen. De aanwezigheid was hoger dan gemiddeld en lag rond de 70%. Dat is mee te verklaren door de directe toeleiding op de school zelf.
Het werd ook al aangehaald, jullie weten dat ik kritisch kijk naar de zomerscholen – daarover straks meer – maar dat doet niks af van de meerwaarde die ze wel degelijk bieden. Het aanbod van de zomerscholen is belangrijk, omdat heel wat kinderen en jongeren in precaire leefomstandigheden verstoken blijven van de (informele) leerkansen waarop ook zij recht hebben, net als kansrijker kinderen. In die zin leggen de zomerscholen de lat voor kansarmere en kansrijkere kinderen dus een beetje meer gelijk. Tegelijk zorgen we er via het diverse aanbod van de Zomeracademie voor dat kinderen en jongeren waar mogelijk extra leerstimulansen worden geboden, waardoor hun potentiële zomerterugval op vlak van vooral taal, STEM, sociale vaardigheden en/of leren leren wordt beperkt.
Hoe dichter het zomeraanbod wordt georganiseerd bij het aansluitende schooljaar, hoe groter de kans dat ze van bij de start van het nieuwe schooljaar beter mee kunnen, omdat een aantal drempels al genomen is. Dankzij de zomerschool konden kinderen in precaire contexten als het ware opnieuw ‘wennen’ aan een lerende en stimulerende context.
Ik wil mijn waardering uitspreken voor de deelnemende en organiserende partners. Maar zeker ook voor de mensen van Onderwijscentrum Gent die de regierol op zich nemen. Het blijft immers geen evidentie om dit rond te krijgen. We lichtten ook vorig jaar toe dat de opgelegde voorwaarden vanuit Vlaanderen omtrent organisatie en financiering heel wat druk zetten. Die voorwaarden zijn tot nu toe ongewijzigd gebleven.
Er zijn gerichte inspanningen geleverd om de aanwezigheidsratio op te krikken, en dat leverde een beter resultaat op. Niettemin, globaal blijft die te laag om alles economisch leefbaar te houden. We zouden het aanbod vroeger in de zomer vorm kunnen geven. Immers, uit de cijfers blijkt duidelijk dat aanbod, georganiseerd in de eerste helft van juli, een beduidend betere aanwezigheidsgraad oplevert dan een vergelijkbaar aanbod in augustus. Vermoedelijk heeft dit te maken met de tijdsafstand tussen het moment van inschrijving en het effectieve aanbod. Maar we kunnen er niet omheen dat het aanbod, georganiseerd in augustus, zoals ik al zei, inhoudelijk meer effect heeft, omdat het dichter bij het nieuwe schooljaar aan zit.
Als we nog meer inspanningen willen leveren om de aanwezigheidscijfers op te krikken zijn extra middelen nodig. Dit vraagt immers inzet van personeel. We richten deze vraag al van bij het begin aan Vlaanderen, maar hoewel er dialoog is hierover, is er geen tegemoetkoming. Niet als het gaat over middelen voor de regierol noch voor ondersteuning over communicatie of inhoudelijke versterking.
Dat stelt ons voor de vraag hoe we dit op langere termijn zien. De zomerscholen zijn een mooie toevoeging aan onze flankerende onderwijswerking, voortvloeiend uit de coronacrisis, en voortbouwend op de jarenlange ervaring van het Onderwijscentrum op vlak van brede schoolwerking (cfr. bredeschoolzomerkampen). Ik startte ook met de mededeling dat ze zonder discussie een meerwaarde zijn.
Maar we kunnen ook niet rond een aantal vaststellingen, die ik graag met jullie deel:
Ik wil daarom ook hier de oproep herhalen om eindelijk werk te maken van een hertekening van het schooljaar. Daarvan moet geen karikatuur gemaakt worden. Deze oproep vertrekt vanuit de wetenschap dat er leerachterstand bij leerlingen ontstaat in de lange zomervakantie. We moeten vanuit dat perspectief vertrekken. Hoe kunnen we voor die totale groep, en niet enkel voor kansrijke leerlingen, die leerachterstand in de zomer beperken. De scholen zelf zijn de meest geschikte plaats om daaraan ook invulling te geven. Hun medewerking is cruciaal om gericht leerachterstand te kunnen remediëren. Onderliggende vraag is uiteraard of de vakantie daarvoor dan weer het geschikte moment is, terwijl we het schooljaar zelf meer optimaal kunnen benutten. Kijk maar naar wat onze Waalse collega’s doen.
Zolang de reorganisatie van het schooljaar er niet is, kunnen de zomeracademies mee een verschil maken. Ze bieden kinderen tijdens de vakanties, niet enkel de zomervakantie, informele leerkansen. Zomeracademies zijn een breed en laagdrempelig aanbod dat ook dat in die zin altijd een meerwaarde zal blijven bieden. Maar het is belangrijk om te weten en ook mee te geven dat dit huidige model niet houdbaar is, zonder wijziging van het financieringsmodel zoals het nu bestaat.
do 16/11/2023 - 18:03Stad Gent spande zich de voorbije zomer al voor de vierde keer in voor de organisatie van zomerscholen. Dit jaar gebeurde dat onder de noemer 'zomeracademie'. Ook nu was het aanbod gevarieerd dankzij de inzet van vele partners. Het aanbod werd bovendien aangevuld met een zomeracademie gericht op kinderen in het buitengewoon onderwijs.
Ondanks de positieve evaluaties van vorige edities, sprak u zich eerder kritisch uit over de zomerscholen. Ik wil daarom vragen naar uw bevindingen over de zomeracademie 2023, maar ook hoe u kijkt naar het vervolg hiervan.
Jullie vragen liggen heel dicht bij elkaar. Ik zal de antwoorden bundelen, en zo alle aspecten behandelen waar jullie naar vragen.
De voorbije editie werden de zomerscholen omgedoopt tot zomeracademie. Dat is niet alleen een meer wervende naam, het vat het ook beter samen. Onderwijscentrum Gent zette een samenwerkingsverband op met 13 partners. Samen richtten zij 17 zomerscholen in voor in totaal 820 kinderen. Dat aanbod richtte zich tot leerlingen uit het basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs en OKAN. Door de bijzonder lage bezetting in het aanbod secundair onderwijs vorig jaar, beslisten we, zoals collega Bouve aangeeft, om dit jaar voor deze doelgroep geen aanbod in te richten.
Die 820 plaatsen werden niet allemaal gevuld. In totaal werden 696 [LV1] kinderen ingeschreven. 47 bleven op een wachtlijst staan. Van hen kwamen zo’n 423 kinderen en jongeren opdagen, wat overeenkomt met een gemiddelde aanwezigheidsratio van 60,7 %. Door een gerichte inzet op meer aanklampende werking is dit aanwezigheidspercentage iets hoger dan vorige jaren (57 % in 2022). We zien daar dus wel een mooie stijging door de aanklampende werking.
Door de diversiteit binnen het aanbod is het niet altijd mogelijk om kinderen, waarvoor geen plaats is op het ene aanbod, zomaar te verschuiven naar ander aanbod: vandaar de wachtlijst. Maar deze is een stuk beperkter dan vorige jaren, omdat ook hier heel gericht op is gewerkt na de evaluatie van editie 2022, die in deze commissie uitvoerig werd toegelicht.
Er waren twee scholen buitengewoon basisonderwijs waar een zomeracademie werd ingericht. Dat waren op zich zomerscholen als de andere, met dat verschil dat ze door scholen voor buitengewoon onderwijs zijn georganiseerd, voor de eigen leerlingen. Dat was nodig, omdat het voor deze kinderen erg belangrijk is een aanbod in een vertrouwde omgeving te hebben. Er waren in totaal 55 plaatsen. De aanwezigheid was hoger dan gemiddeld en lag rond de 70%. Dat is mee te verklaren door de directe toeleiding op de school zelf.
Het werd ook al aangehaald, jullie weten dat ik kritisch kijk naar de zomerscholen – daarover straks meer – maar dat doet niks af van de meerwaarde die ze wel degelijk bieden. Het aanbod van de zomerscholen is belangrijk, omdat heel wat kinderen en jongeren in precaire leefomstandigheden verstoken blijven van de (informele) leerkansen waarop ook zij recht hebben, net als kansrijker kinderen. In die zin leggen de zomerscholen de lat voor kansarmere en kansrijkere kinderen dus een beetje meer gelijk. Tegelijk zorgen we er via het diverse aanbod van de Zomeracademie voor dat kinderen en jongeren waar mogelijk extra leerstimulansen worden geboden, waardoor hun potentiële zomerterugval op vlak van vooral taal, STEM, sociale vaardigheden en/of leren leren wordt beperkt.
Hoe dichter het zomeraanbod wordt georganiseerd bij het aansluitende schooljaar, hoe groter de kans dat ze van bij de start van het nieuwe schooljaar beter mee kunnen, omdat een aantal drempels al genomen is. Dankzij de zomerschool konden kinderen in precaire contexten als het ware opnieuw ‘wennen’ aan een lerende en stimulerende context.
Ik wil mijn waardering uitspreken voor de deelnemende en organiserende partners. Maar zeker ook voor de mensen van Onderwijscentrum Gent die de regierol op zich nemen. Het blijft immers geen evidentie om dit rond te krijgen. We lichtten ook vorig jaar toe dat de opgelegde voorwaarden vanuit Vlaanderen omtrent organisatie en financiering heel wat druk zetten. Die voorwaarden zijn tot nu toe ongewijzigd gebleven.
Er zijn gerichte inspanningen geleverd om de aanwezigheidsratio op te krikken, en dat leverde een beter resultaat op. Niettemin, globaal blijft die te laag om alles economisch leefbaar te houden. We zouden het aanbod vroeger in de zomer vorm kunnen geven. Immers, uit de cijfers blijkt duidelijk dat aanbod, georganiseerd in de eerste helft van juli, een beduidend betere aanwezigheidsgraad oplevert dan een vergelijkbaar aanbod in augustus. Vermoedelijk heeft dit te maken met de tijdsafstand tussen het moment van inschrijving en het effectieve aanbod. Maar we kunnen er niet omheen dat het aanbod, georganiseerd in augustus, zoals ik al zei, inhoudelijk meer effect heeft, omdat het dichter bij het nieuwe schooljaar aan zit.
Als we nog meer inspanningen willen leveren om de aanwezigheidscijfers op te krikken zijn extra middelen nodig. Dit vraagt immers inzet van personeel. We richten deze vraag al van bij het begin aan Vlaanderen, maar hoewel er dialoog is hierover, is er geen tegemoetkoming. Niet als het gaat over middelen voor de regierol noch voor ondersteuning over communicatie of inhoudelijke versterking.
Dat stelt ons voor de vraag hoe we dit op langere termijn zien. De zomerscholen zijn een mooie toevoeging aan onze flankerende onderwijswerking, voortvloeiend uit de coronacrisis, en voortbouwend op de jarenlange ervaring van het Onderwijscentrum op vlak van brede schoolwerking (cfr. bredeschoolzomerkampen). Ik startte ook met de mededeling dat ze zonder discussie een meerwaarde zijn.
Maar we kunnen ook niet rond een aantal vaststellingen, die ik graag met jullie deel:
Ik wil daarom ook hier de oproep herhalen om eindelijk werk te maken van een hertekening van het schooljaar. Daarvan moet geen karikatuur gemaakt worden. Deze oproep vertrekt vanuit de wetenschap dat er leerachterstand bij leerlingen ontstaat in de lange zomervakantie. We moeten vanuit dat perspectief vertrekken. Hoe kunnen we voor die totale groep, en niet enkel voor kansrijke leerlingen, die leerachterstand in de zomer beperken. De scholen zelf zijn de meest geschikte plaats om daaraan ook invulling te geven. Hun medewerking is cruciaal om gericht leerachterstand te kunnen remediëren. Onderliggende vraag is uiteraard of de vakantie daarvoor dan weer het geschikte moment is, terwijl we het schooljaar zelf meer optimaal kunnen benutten. Kijk maar naar wat onze Waalse collega’s doen.
Zolang de reorganisatie van het schooljaar er niet is, kunnen de zomeracademies mee een verschil maken. Ze bieden kinderen tijdens de vakanties, niet enkel de zomervakantie, informele leerkansen. Zomeracademies zijn een breed en laagdrempelig aanbod dat ook dat in die zin altijd een meerwaarde zal blijven bieden. Maar het is belangrijk om te weten en ook mee te geven dat dit huidige model niet houdbaar is, zonder wijziging van het financieringsmodel zoals het nu bestaat.
do 16/11/2023 - 18:04Reeds jarenlang maakt Vl@s (Vlaamse Actieve Senioren) gebruik van deVierdeZaal in
Gentbrugge. Nu blijkt dat vanaf 1 juli 2024 deze zaal niet meer kan worden gebruikt door
deze vereniging. Dit komt doordat de Vierde Zaal een 'andere' invulling zal krijgen en
meer gericht zal zijn op de jeugd. De senioren zullen duidelijk geen gebruikers meer
kunnen zijn. Onze stad sluit nochtans onze senioren in de armen, gaat prat op participatie
en betrokkenheid...
Er zijn andere zalen voorgesteld, maar deze voldoen niet aan de behoeften van de
senioren, met name op het gebied van bereikbaarheid, rolstoeltoegankelijkheid,
accommodatie en het ontbreken van of betalende parkeermogelijkheden.
Het programma voor het komende jaar (2024) moet klaar zijn in september van het
lopende jaar (2023). Er zijn al afspraken en contracten opgesteld voor 2024, die kunnen
doorgaan tot 30 juni 2024, maar daarna niet meer.
Waarom worden senioren uitgesloten van het gebruik van de Vierde Zaal?
• Kunnen de reglementen nog worden aangepast? De meeste activiteiten vinden plaats in
de namiddag, dus tijdens schooluren.
• Welke tegemoetkomingen en oplossingen kan de Stad Gent bieden?
U stelt me beide vragen over gebruikers van De Vierde Zaal dus ik stel voor gebundeld te antwoorden. Ik kreeg namelijk ook wel wat vragen hierover binnen van verschillende gebruikers.
Waar gaat het over?
De Vierde Zaal werd ooit gebouwd vanuit het jeugdbeleid van onze stad. Er werd toen vastgesteld dat zeker buiten het stadscentrum, jongeren niet altijd voldoende ruimte vonden om activiteiten op te zetten of om samen te komen. Daarom werden, waar het aanbod echt afwezig bleek, nieuwe infrastructuur gebouwd.
Met dus als bedoeling om ruimte voor jongeren te bieden en te garanderen. Omdat we uiteraard die stevige investering optimaal willen inzetten werd altijd gesteld dat niet enkel jongeren de infrastructuur zouden kunnen gebruiken, maar ook andere buurtgerichte initiatieven of, als er nog ruimte over bleef in de kalender, elke andere gebruiker die iets (iets niet commercieel) - wil aanbieden aan de Gentenaars.
De vierde zaal heeft dat gedaan, maar we stellen na zovele jaren vast dat het aandeel jongerenactiviteigen maar een heel klein aandeel meer is in de kalender van de vierde zaal. Dat hele wat niet jongeren er gebruik van maken. Ook dat heel wat van die activiteiten de zaal niet optimaal benutten.
U kent zonder twijfel de ruimte van de Vierde Zaal: het is gebouwd als een locatie waar middelgrote events kunnen plaatsvinden zonder in de omgeving veel negatieve impact op de directe omgeving. Maar nu vinden er bijvoorbeeld bijeenkomsten plaats met bijvoorbeeld dertig deelnemers, hoewel de capaciteit van de zaal tot 400 mensen gaat.
Kortom, het aflopen van de huidige gebruikersovereenkomst is een vanzelfsprekend moment om eens terug te keren naar de essentie. De noodzaak van toen is er zeker ook vandaag nog. Dat weten we heel duidelijk: hoewel Gent rijk is aan uitgaansleven en cultuur, hebben we behalve Minus One geen locaties waar jongerencultuur kan groeien in een beschermde, niet-commerciële context. En dat willen we hen wél bieden: de kans om hierin te groeien.
Daarom werken we momenteel aan een oproep voor een nieuwe beheerde van de vierde zaal, die opnieuw jongeren centraal zet. De Vierde Zaal kan zo verder groeien naar een broeiplaats voor jong talent en meer gebruikt worden door de specifieke doelgroep.
Ik stel samen met u vast dat deze ambitie de voorbije maanden wat onvoorzichtig of onwelwillend werd samengevat als “er zullen enkel nog jongeren welkom zijn in De Vierde Zaal”. Dat wil ik hier en nu heel duidelijk tegenspreken.
Het is niet omdat we jongeren opnieuw centraal zetten, dat de zaal enkel of exclusief nog door jongeren gebruikt kan worden.
Op korte termijn verandert er helemaal niets : we zullen voorstellen om de huidige beheerder nog het volledige huidige schooljaar verder te werken, terwijl we een transparant en open proces lopen om een nieuwe beheerder aan te stellen. Die hopen we in juni 2024 aan de Gemeenteraad voor te leggen ter goedkeuring.
In de nieuwe overeenkomst zal dan bepaald worden hoe we die jongerenevenementen terug centraal zetten. Bij de opstart horen ook wel enkele aanpassingswerken waardoor er mogelijk in het najaar van 2024 een iets beperktere kalender kan beschikbaar gemaakt worden.
De ervaring leert dat volwassenen, en zeker ouderen-verenigingen, heel ver vooruit plannen. Als we daarop niet ingrijpen, blijft onvoldoende ruimte in de kalender voor de jongeren-activiteiten. Daarom zullen we teruggrijpen naar de aanpak die oorspronkelijk voor deze zaal al gold: eerst een voorrangsperiode waarin enkel jongerenactiviteiten kunnen ingeboekt worden. Nadien (Vier maanden voor datum) zal het zeker mogelijk zijn voor anderen om de zaal te reserveren.
Het is de verwachting dat zeker voor gebruikers die de zaal overdag of de eerste avonden van de schoolweek gebruiken, er in de praktijk weinig verschil zal zijn met de vandaag in het aantal momenten dat voor hen beschikbaar is.
De prijzen zullen gelijkaardig zijn aan de andere polyvalente zalen van de jeugddienst er wordt dus geen ander systeem toegepast dat nadeliger zou zijn dan bij andere zalen.
Ik heb aan de jeugddienst opdracht gegeven om met de huidige gebruikers ook wat alternatieven te bekijken die voor hen geschikt kunnen zijn. Soms zelfs meer geschikt dan De Vierde Zaal als bijvoorbeeld de groep gebruikers veel lager is dan de capaciteit van De Vierde Zaal. De huidige gebruikers hebben ook een overzicht gekregen van die mogelijkheden.
Zeker voor de verenigingen van oudere Gentenaars, zijn er twee pistes die goed bereikbaar zijn. De jeugddienst kijkt daarbij naar Open Huis Robinia en Open Huis Bassijn. Openhuis Robinia is gratis voor erkende verenigingen en heeft een capaciteit voor 50 deelnemers en Open huis Bassijn kan gebruikt worden door 80 personen en heeft een voordeeltarief voor verengingen. Beide locaties kan je 6 maanden op voorhand reserveren.
Het aanreiken van de verschillende opties in deze vraag maakt vooral duidelijk dat er al heel wat werk gemaakt wordt van de zoektocht naar alternatieven en dat we de huidige gebruikers helemaal niet in de kou laten staan. Ze worden nog steeds geholpen – in andere gebouwen van de Stad of in de Vierde Zaal zelf, maar dan onder de nieuwe regels.
Concreet wil ik dus afsluiten met een oproep om samen te misvattingen uit de wereld te helpen. Wij doen daarvoor onze uiterste best door zo concreet mogelijk op elke vraag van de gebruikers te antwoorden. Nu de info hier ook duidelijk en helder gedeeld is, hoop ik van jullie hetzelfde. De zaal zal dus nog gebruikt kunnen worden door niet-jeugdgebonden organisaties bij de nieuwe beheerder, maar er zal een aanpassing nodig zijn wat het reserveren betreft zodanig dat we met deze infrastructuur kunnen bereiken waar ze steeds voor bedoeld is.
Een overzicht van de gebruikers zal u schriftelijk bezorgd worden.
do 16/11/2023 - 09:54In de beheersovereenkomst voor De Vierde Zaal voor het lopende jaar 2023 staat opgenomen dat er een traject zou lopen voor een meer op muziek en jongerencultuur gerichte invulling van de locatie (= prestatie 6). Recent bereikten onze fractie bezorgde berichten van organisaties gericht op ouderen die momenteel gebruik maken van de zaal. Zij vrezen dat hun mogelijkheden om de zaal te gebruiken al te zeer beknot worden.
Volgens de informatie die zij van de huidige beheerder van De Vierde Zaal ontvingen zouden jeugdorganisaties tot 12 maanden op voorhand mogen reserveren, terwijl andere socio-culturele organisaties – waaronder ouderenverenigingen – slecht vier maanden op voorhand zouden kunnen reserveren. Op dit moment zijn de termijn respectievelijk 15 maanden (jongeren) en 12 maanden (socio-culturele organisaties). Ook de differentiatie qua tarieven zou gevoelig wijzigen.
Aan getroffen organisaties werd ook een lijst met alternatieven bezorgd. Het gaat wat Gentbrugge betreft om zalen die: a) ofwel moeilijker auto-bereikbaar zijn omwille van beperkte parkeermogelijkheden, wat nochtans cruciaal is voor veel senioren; b) ofwel geen 12 maanden op voorhand reserveerbaar zijn (veelal slechts 6 maanden), wat het lastig maakt om een jaarplanning op te maken (belangrijk voor subsidieaanvragen), c) ofwel beperkt bruikbaar zijn, met bijvoorbeeld geen beschikbaarheid op zaterdag- of zondagnamiddag.
Vandaar mijn vragen:
U stelt me beide vragen over gebruikers van De Vierde Zaal dus ik stel voor gebundeld te antwoorden. Ik kreeg namelijk ook wel wat vragen hierover binnen van verschillende gebruikers.
Waar gaat het over?
De Vierde Zaal werd ooit gebouwd vanuit het jeugdbeleid van onze stad. Er werd toen vastgesteld dat zeker buiten het stadscentrum, jongeren niet altijd voldoende ruimte vonden om activiteiten op te zetten of om samen te komen. Daarom werden, waar het aanbod echt afwezig bleek, nieuwe infrastructuur gebouwd.
Met dus als bedoeling om ruimte voor jongeren te bieden en te garanderen. Omdat we uiteraard die stevige investering optimaal willen inzetten werd altijd gesteld dat niet enkel jongeren de infrastructuur zouden kunnen gebruiken, maar ook andere buurtgerichte initiatieven of, als er nog ruimte over bleef in de kalender, elke andere gebruiker die iets (iets niet commercieel) - wil aanbieden aan de Gentenaars.
De vierde zaal heeft dat gedaan, maar we stellen na zovele jaren vast dat het aandeel jongerenactiviteigen maar een heel klein aandeel meer is in de kalender van de vierde zaal. Dat hele wat niet jongeren er gebruik van maken. Ook dat heel wat van die activiteiten de zaal niet optimaal benutten.
U kent zonder twijfel de ruimte van de Vierde Zaal: het is gebouwd als een locatie waar middelgrote events kunnen plaatsvinden zonder in de omgeving veel negatieve impact op de directe omgeving. Maar nu vinden er bijvoorbeeld bijeenkomsten plaats met bijvoorbeeld dertig deelnemers, hoewel de capaciteit van de zaal tot 400 mensen gaat.
Kortom, het aflopen van de huidige gebruikersovereenkomst is een vanzelfsprekend moment om eens terug te keren naar de essentie. De noodzaak van toen is er zeker ook vandaag nog. Dat weten we heel duidelijk: hoewel Gent rijk is aan uitgaansleven en cultuur, hebben we behalve Minus One geen locaties waar jongerencultuur kan groeien in een beschermde, niet-commerciële context. En dat willen we hen wél bieden: de kans om hierin te groeien.
Daarom werken we momenteel aan een oproep voor een nieuwe beheerde van de vierde zaal, die opnieuw jongeren centraal zet. De Vierde Zaal kan zo verder groeien naar een broeiplaats voor jong talent en meer gebruikt worden door de specifieke doelgroep.
Ik stel samen met u vast dat deze ambitie de voorbije maanden wat onvoorzichtig of onwelwillend werd samengevat als “er zullen enkel nog jongeren welkom zijn in De Vierde Zaal”. Dat wil ik hier en nu heel duidelijk tegenspreken.
Het is niet omdat we jongeren opnieuw centraal zetten, dat de zaal enkel of exclusief nog door jongeren gebruikt kan worden.
Op korte termijn verandert er helemaal niets : we zullen voorstellen om de huidige beheerder nog het volledige huidige schooljaar verder te werken, terwijl we een transparant en open proces lopen om een nieuwe beheerder aan te stellen. Die hopen we in juni 2024 aan de Gemeenteraad voor te leggen ter goedkeuring.
In de nieuwe overeenkomst zal dan bepaald worden hoe we die jongerenevenementen terug centraal zetten. Bij de opstart horen ook wel enkele aanpassingswerken waardoor er mogelijk in het najaar van 2024 een iets beperktere kalender kan beschikbaar gemaakt worden.
De ervaring leert dat volwassenen, en zeker ouderen-verenigingen, heel ver vooruit plannen. Als we daarop niet ingrijpen, blijft onvoldoende ruimte in de kalender voor de jongeren-activiteiten. Daarom zullen we teruggrijpen naar de aanpak die oorspronkelijk voor deze zaal al gold: eerst een voorrangsperiode waarin enkel jongerenactiviteiten kunnen ingeboekt worden. Nadien (Vier maanden voor datum) zal het zeker mogelijk zijn voor anderen om de zaal te reserveren.
Het is de verwachting dat zeker voor gebruikers die de zaal overdag of de eerste avonden van de schoolweek gebruiken, er in de praktijk weinig verschil zal zijn met de vandaag in het aantal momenten dat voor hen beschikbaar is.
De prijzen zullen gelijkaardig zijn aan de andere polyvalente zalen van de jeugddienst er wordt dus geen ander systeem toegepast dat nadeliger zou zijn dan bij andere zalen.
Ik heb aan de jeugddienst opdracht gegeven om met de huidige gebruikers ook wat alternatieven te bekijken die voor hen geschikt kunnen zijn. Soms zelfs meer geschikt dan De Vierde Zaal als bijvoorbeeld de groep gebruikers veel lager is dan de capaciteit van De Vierde Zaal. De huidige gebruikers hebben ook een overzicht gekregen van die mogelijkheden.
Zeker voor de verenigingen van oudere Gentenaars, zijn er twee pistes die goed bereikbaar zijn. De jeugddienst kijkt daarbij naar Open Huis Robinia en Open Huis Bassijn. Openhuis Robinia is gratis voor erkende verenigingen en heeft een capaciteit voor 50 deelnemers en Open huis Bassijn kan gebruikt worden door 80 personen en heeft een voordeeltarief voor verengingen. Beide locaties kan je 6 maanden op voorhand reserveren.
Het aanreiken van de verschillende opties in deze vraag maakt vooral duidelijk dat er al heel wat werk gemaakt wordt van de zoektocht naar alternatieven en dat we de huidige gebruikers helemaal niet in de kou laten staan. Ze worden nog steeds geholpen – in andere gebouwen van de Stad of in de Vierde Zaal zelf, maar dan onder de nieuwe regels.
Concreet wil ik dus afsluiten met een oproep om samen te misvattingen uit de wereld te helpen. Wij doen daarvoor onze uiterste best door zo concreet mogelijk op elke vraag van de gebruikers te antwoorden. Nu de info hier ook duidelijk en helder gedeeld is, hoop ik van jullie hetzelfde. De zaal zal dus nog gebruikt kunnen worden door niet-jeugdgebonden organisaties bij de nieuwe beheerder, maar er zal een aanpassing nodig zijn wat het reserveren betreft zodanig dat we met deze infrastructuur kunnen bereiken waar ze steeds voor bedoeld is.
Een overzicht van de gebruikers zal u schriftelijk bezorgd worden.
do 16/11/2023 - 09:55Geachte schepen
In Gent wordt al vele jaren gewerkt met een meld je aan systeem voor de inschrijvingen van het secundair onderwijs. Met de opstart van het nieuwe Vlaamse systeem met dezelfde doelstelling stelde zich de vraag hoe Gent het komende jaar zijn inschrijvingen zal verwerken.
Alle scholen in Gent hebben in het Lokaal Overlegplatform de voorkeur uitgedrukt om met het eigen Meldjeaan systeem te blijven werken ipv over te stappen naar het nieuwe Vlaamse systeem.
Maar om met het eigen systeem te kunnen blijven werken, is een update nodig, waarvoor een bedrag van +- 50.000 euro nodig zou zijn. Ondertussen hebben we het goede nieuws gekregen van Vlaanderen dat de subsidie er zal komen.
Gelet op het feit dat het decreet de komende jaren een afbouw voorziet van de subsidie had ik graag geweten hoe u de toekomst ziet. Als de scholen toch zouden moeten overschakelen op het nieuwe Vlaamse systeem, moeten zij zich immers tijdig kunnen voorbereiden.
vandaar mijn vragen:
Bedankt voor uw vraag. In Gent pionierden we met een aanmeldplatform dat we inderdaad zelf ontwikkelden, samen met Antwerpen. We mogen daar trots op zijn en we zijn dat ook. Het draagvlak is alleen maar gegroeid, zowel bij de ouders als bij de scholen. Dergelijk systeem heeft dan ook de voordelen bewezen. Geen kamperende ouders meer en gelijke kansen voor iedereen bij het inschrijven. Bovendien konden we dankzij de dubbele contingentering gericht inzetten op een juiste sociale mix bij de scholen. Ik spreek in de verleden tijd, maar daarover straks kort meer. Een overstap naar een ander platform verdient dan ook onze aandacht opdat het vertrouwen kan behouden blijven.
Voor ik uw vragen verder beantwoord, wil ik een aantal zaken verduidelijken. Het aanmelden is een complex en ook technisch gegeven. Dus ik vrees dat dit ook geen heel kort antwoord zal worden.
Dus de rolverdeling binnen de LOP’s is belangrijk, de – wat mij betreft – erg te betreuren beslissing om de dubbele contingentering af te schaffen, leken me belangrijke punten om vooraf kort te schetsen.
Het is in die context, en dus in het licht van een alternatieve aanmeldomgeving, dat wij als stad beslist hebben om (minstens voorlopig) niet verder te investeren in Meld Je Aan. Verdere investeringen in MJA zouden ons – dat is een berekende inschatting – tot 100.000 euro kosten. Deze inschatting is het resultaat van een business analyse uitgevoerd door District 09 i.s.m. Onderwijscentrum Gent. Het gaat dan voornamelijk om het programmeren van de optie voor ondervertegenwoordigde groepen en het ontwikkelen van en aanmeldomgeving buitengewoon onderwijs. De 50.000 euro die u noemt, verwijst allicht naar de Vlaamse subsidie die de LOP’s aanvragen om een aanmeldprocedure te organiseren. Die subsidie wordt vervolgens toegekend aan de stad, maar dat bedrag is – dat wil ik toch beklemtonen – niet kostendekkend. Een subsidie die overigens, zoals u vermeldt, zal worden afgebouwd door Vlaanderen.
We zouden dus de komst van het Vlaamse platform afwachten en grondig evalueren. Dat is op zich een heel logische en efficiënte overweging. De evaluatie is intussen gebeurd. Door D09 is er in nauw overleg met Onderwijscentrum Gent een businessanalyse gemaakt om de performantie van VAP en verschillen met MJA in kaart te brengen. Het VAP heeft intussen ook een eerste aanmeldronde achter de rug in andere steden en gemeenten. We kunnen dus een aantal conclusies trekken.
De overstap van MJA naar VAP is dus meer dan louter een administratief gegeven. Om de LOP’s de tijd te geven dit goed voor te bereiden, besloot Stad Gent samen met Disctrcit09 om MJA dit jaar nog ter beschikking van het LOP basis- en het LOP secundair onderwijs. Beide besloten intussen op de algemene vergaderingen om van dat aanbod gebruik te maken.
Tegelijk bereiden de LOP’s zich momenteel al voor op een overstap naar het Vlaams aanmeldplatform. Ze sluiten daarvoor aan op overleg met Vlaanderen hierover. Hoewel wij als stad een ondersteunende rol kunnen spelen, hebben de LOP’s de lead in dit proces.
Een ander, heikel punt is dat het nieuwe inschrijvingsdecreet enkel geldt voor het gewoon onderwijs. Het is onbegrijpelijk dat Vlaanderen wacht met een nieuw inschrijvingsdecreet voor het buitengewoon onderwijs. Het betekent ook dat het Vlaams Aanmeldplatform niet kan gebruikt worden voor het buitengewoon onderwijs. Er is een enorme druk op het buitengewoon onderwijs die we ook voelen in onze stad. Hoewel een aanmeldprocedure geen oplossing is voor capaciteitsproblemen, zou een procedure waarbij aanmelden gebeurt op Vlaams niveau de noodzakelijke regie die we van Vlaanderen mogen verwachten helpen. Die regie moet echt door Vlaanderen mee in handen worden genomen.
Ik schets u verder hoe het aanmelden voor Buitengewoon Onderwijs momenteel gebeurt.
U vraagt ook naar mijn eigen mening over beide systemen. U begrijpt dat dit na al het voorgaande niet relevant is. De keuze over welk platform gebruikt wordt, is niet mijn bevoegdheid. Ik bevestig niettemin dat we vanaf volgend schooljaar MJA in principe niet meer zullen ter beschikking stellen. We zullen de overstap naar het VAP wel vanuit onze rol verder mee begeleiden. We hebben immers een gedeeld belang dat het aanmelden kwaliteitsvol verloopt. Duizenden kinderen en ouders rekenen daar elk jaar op en het is ook heel terecht dat ze daarop moeten kunnen vertrouwen
do 16/11/2023 - 18:06In de commissie OWP van oktober, vermeldde u in uw antwoord op de vraag van collega Bouve over de stand van zaken van het lerarentekort in het stedelijk onderwijs dat er (en ik citeer) “Voor de levensbeschouwelijke vakken nog eens 5,24 VTE vacatures open staan, verspreid over heel wat scholen. De organisatie van die levensbeschouwelijke vakken in onze scholen wordt trouwens ook steeds moeilijker. Onlangs nog getuigde één van onze directeuren over de puzzel om die uren in te vullen, want daar komt effectief heel wat bij kijken.”
Op 18 september las ik inderdaad een artikel in Het Nieuwsblad, waarin onder andere een directeur van een van de stedelijke basisscholen zich vragen stelt bij de organisatorische puzzel die scholen moeten leggen om op elke school de verschillende levensbeschouwingen te kunnen aanbieden. Bovendien stellen ze zich ook vragen bij het gegeven dat scholen zich dagelijks inzetten om kinderen met verschillende achtergronden te leren om samen te leven, om hen dan apart zetten voor levensbeschouwing.
Bedankt voor uw interessante vraag. Het klopt inderdaad dat het lerarentekort de schooldirecties voor heel wat uitdagingen plaatst, waardoor schoolteams flexibel en out of the box op zoek gaan naar oplossingen om ervoor te zorgen dat hun leerlingen het best mogelijke onderwijs krijgen.
Leerkrachten levensbeschouwing hebben zelden een voltijdse opdracht op één school, maar combineren opdrachten op verschillende scholen. Dat zorgt er heel praktisch al voor dat ze moeilijk in te roosteren zijn, dat ze ook doorheen het schooljaar een stuk minder flexibel inzetbaar zijn en bijvoorbeeld ook heel moeilijk kunnen inspringen voor afwezige collega’s en dat er ook geen vervangende lessen zijn bij afwezigheid van de leraar levensbeschouwing.
In mijn antwoord in de commissie van vorige maand, waar collega Ben Chikha in de toelichting bij uw vraag naar verwijst, gaf ik inderdaad al mee dat scholen ook steeds meer moeilijkheden ondervinden om leerkrachten te vinden voor levensbeschouwelijke vakken. In ons stedelijk basisonderwijs stonden er begin oktober verspreid over heel wat scholen nog voor 5,24 vte vacatures open voor leerkrachten levensbeschouwelijke vakken.
Ook wat betreft de lesinhouden ervaren de directies een grotere afstand tussen de levensbeschouwelijke en de andere lessen. De leerdoelen van de levensbeschouwelijke vakken worden niet – zoals de andere leerdoelen – opgemaakt door het ministerie van Onderwijs. Maar ze vertrekken vanuit de afzonderlijke levensbeschouwingen, worden opgemaakt door de daarvoor erkende religieuze of (voor zedenleer) humanistische instanties en goedgekeurd door de Vlaamse regering. Dat zorgt ervoor dat die los van elkaar staan en dat het veel moeilijker is om tussen de vakken parallellen te trekken of vakoverschrijdend competentiegericht te werken.
Aan de basis van dit alles ligt het artikel 24 uit onze Grondwet. Dat artikel bepaalt dat alle officiële scholen (dat zijn dus de scholen georganiseerd door steden en gemeenten, door de provincies en de scholen van het Gemeenschapsonderwijs; en dus niet de scholen van het “vrije onderwijs”, de katholieke en koepelloze scholen) de keuze moeten aanbieden tussen onderwijs “in de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer”. Leerlingen in het officieel onderwijs moeten dus kunnen kiezen tussen katholieke, orthodoxe, protestants-evangelische, anglicaanse, islamitische en joodse godsdienstlessen. Daarnaast behoort ook niet-confessionele zedenleer natuurlijk tot de keuzemogelijkheden.
Wie de Grondwet letterlijk leest, kan enkel besluiten dat officiële scholen verplicht zijn om onderwijs in de erkende levensbeschouwingen aan te bieden.
Maar de Grondwet zegt verder niets over de manier waarop dat moet gebeuren. Men zou er dus voor kunnen kiezen deze vakken binnen het curriculum – dus tijdens de lestijden – aan te bieden, zoals dat nu het geval is. Maar mogelijks valt ook het optioneel aanbieden van deze vakken – dus buiten het curriculum – binnen de lijnen van de Grondwet. De discussie hierover loopt al heel lang en laait in het licht van het lerarentekort terug op. De meningen lopen nog wat uiteen, niet alleen in Vlaanderen trouwens.
Ook in de Franstalige Gemeenschap leeft dit sterk.
Net zoals in Vlaamse scholen, hadden leerlingen in scholen van het officieel onderwijs van de Franstalige Gemeenschap vroeger wekelijks twee lesuren levensbeschouwing of zedenleer. Maar in 2017 werd dat gewijzigd: sindsdien krijgen leerlingen in het Franstalig onderwijs wekelijks één uur filosofie & burgerschap. Daarnaast kunnen ze kiezen tussen één uur levensbeschouwing of een extra uur filosofie & burgerschap.
Begin dit jaar publiceerde de in de Franstalige Gemeenschap een oriëntatienota met drie verschillende pistes: ofwel schrappen van levensbeschouwing en vervangen door twee uur filosofie en burgerschap, ofwel levensbeschouwing als keuzevak aanbieden binnen het curriculum, ofwel erbuiten). Voor zover me bekend, is de knoop er nog niet finaal doorgehakt, maar dat het debat er volop leeft, mag duidelijk zijn.
Ik kan u meegeven dat verschillende partijen al langer vragende partij zijn om hierover op Vlaams niveau tenminste het debat te voeren.
Als stadsbestuur kozen we er eerder al voor om in het pedagogisch project van ons Stedelijk Onderwijs Gent te vertrekken vanuit het principe van actief pluralisme, waarbij verschillen in achtergronden tussen de leerlingen niet weggestopt worden, maar benoemd worden als een meerwaarde, waardoor geleerd wordt van elkaar.
Het is vanuit dat pedagogisch principe niet verwonderlijk dat de directeur in het artikel waar ik in mijn antwoord vorige maand ook naar verwees, zich de vraag stelt of het wel klopt dat we leerlingen met verschillende achtergronden leren samenleven, maar voor levensbeschouwing dan terug apart zetten.
Ook verschillende onderwijsnetten kaartten dit aan. Het Gemeenschapsonderwijs kreeg van de Vlaamse regering enkele jaren geleden de goedkeuring om – bij wijze van proefproject – in de derde graad van het secundair één uur levensbeschouwing/zedenleer aan te bieden en één uur burgerschapscompetenties. Het gaat voorlopig om een beperkt proefproject, maar het GO! gaf van meet af aan ook aan dit als een eerste stap te zien.
OVSG, de koepel van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs, vraagt in haar memorandum aan de Vlaamse regering om de organisatie van levensbeschouwing in het officieel onderwijs grondig te evalueren.
Collega’s Ben Chikha en Verhoeve, ik denk dat er heel terechte vragen te stellen zijn bij de manier waarop scholen van het officieel onderwijs vandaag levensbeschouwing moeten inrichten. Het lerarentekort zorgt ervoor dat onze scholen smeken om dit te herbekijken om dit niet alleen praktisch haalbaar te houden, maar ook omwille van de meer fundamentele vraag naar de plaats van levensbeschouwing in het onderwijs.
Aanvullend ga ik nog kort even in op uw vragen, collega Verhoeve.
Het is inderdaad zo dat dit signaal niet nieuw is. Vorig schooljaar nog gaven onze directies de organisatie van levensbeschouwelijk onderwijs nog door om op de prioriteitenlijst te zetten van aan te pakken knelpunten. Aangezien de hefbomen hiervoor op Vlaams niveau liggen, gaven ze dit signaal ook door aan OVSG. Onze scholen waren duidelijk niet de enige, waardoor OVSG hierrond – zoals gezegd – een aanbeveling opnam in haar memorandum.
Een bevraging hierrond, collega Verhoeve, is dus niet meer nodig. Het knelpunt is gekend. Bovendien is het denkbaar dat een bevraging bij sommigen verwachtingen zou kunnen creëren, die we – precies omdat die hefbomen bovenlokaal liggen – niet kunnen inlossen.
Maar dit betekent natuurlijk niet dat we niks moeten doen. We moeten op Vlaams niveau blijven op deze nagel kloppen, ik roep jullie ook op om dit mee op te nemen met de Vlaamse vertegenwoordigers van jullie respectievelijke partijen.
vr 17/11/2023 - 07:35Vorig maand verschenen heel wat artikels waaruit bleek dat een ruime meerderheid van de scholen, over de netten heen, het systeem met de verschillende levensbeschouwelijke vakken op de schop willen.
Dat blijkt uit een bevraging van de Vereniging Leidinggevenden Vlaams Onderwijs (VLVP) bij 425 directies van het basis- en secundair onderwijs.
Bij scholen in het officieel onderwijs gaat het maar liefst om 92,3 %, een absolute meerderheid. Zij geven aan het huidig systeem niet te willen behouden.
De organisatie van die verschillende vakken bezorgt de scholen heel wat hoofdbrekens. Zo hebben vele scholen leerlingen in minstens 3 levensbeschouwingen, waarvoor directies telkens zelf een individuele leerkracht moeten zien te vinden en inroosteren.
Bedankt jullie voor uw interessante vraag. Het klopt inderdaad dat het lerarentekort de schooldirecties voor heel wat uitdagingen plaatst, waardoor schoolteams flexibel en out of the box op zoek gaan naar oplossingen om ervoor te zorgen dat hun leerlingen het best mogelijke onderwijs krijgen.
Leerkrachten levensbeschouwing hebben zelden een voltijdse opdracht op één school, maar combineren opdrachten op verschillende scholen. Dat zorgt er heel praktisch al voor dat ze moeilijk in te roosteren zijn, dat ze ook doorheen het schooljaar een stuk minder flexibel inzetbaar zijn en bijvoorbeeld ook heel moeilijk kunnen inspringen voor afwezige collega’s en dat er ook geen vervangende lessen zijn bij afwezigheid van de leraar levensbeschouwing.
In mijn antwoord in de commissie van vorige maand, waar collega Ben Chikha in de toelichting bij uw vraag naar verwijst, gaf ik inderdaad al mee dat scholen ook steeds meer moeilijkheden ondervinden om leerkrachten te vinden voor levensbeschouwelijke vakken. In ons stedelijk basisonderwijs stonden er begin oktober verspreid over heel wat scholen nog voor 5,24 vte vacatures open voor leerkrachten levensbeschouwelijke vakken.
Ook wat betreft de lesinhouden ervaren de directies een grotere afstand tussen de levensbeschouwelijke en de andere lessen. De leerdoelen van de levensbeschouwelijke vakken worden niet – zoals de andere leerdoelen – opgemaakt door het ministerie van Onderwijs. Maar ze vertrekken vanuit de afzonderlijke levensbeschouwingen, worden opgemaakt door de daarvoor erkende religieuze of (voor zedenleer) humanistische instanties en goedgekeurd door de Vlaamse regering. Dat zorgt ervoor dat die los van elkaar staan en dat het veel moeilijker is om tussen de vakken parallellen te trekken of vakoverschrijdend competentiegericht te werken.
Aan de basis van dit alles ligt het artikel 24 uit onze Grondwet. Dat artikel bepaalt dat alle officiële scholen (dat zijn dus de scholen georganiseerd door steden en gemeenten, door de provincies en de scholen van het Gemeenschapsonderwijs; en dus niet de scholen van het “vrije onderwijs”, de katholieke en koepelloze scholen) de keuze moeten aanbieden tussen onderwijs “in de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer”. Leerlingen in het officieel onderwijs moeten dus kunnen kiezen tussen katholieke, orthodoxe, protestants-evangelische, anglicaanse, islamitische en joodse godsdienstlessen. Daarnaast behoort ook niet-confessionele zedenleer natuurlijk tot de keuzemogelijkheden.
Wie de Grondwet letterlijk leest, kan enkel besluiten dat officiële scholen verplicht zijn om onderwijs in de erkende levensbeschouwingen aan te bieden.
Maar de Grondwet zegt verder niets over de manier waarop dat moet gebeuren. Men zou er dus voor kunnen kiezen deze vakken binnen het curriculum – dus tijdens de lestijden – aan te bieden, zoals dat nu het geval is. Maar mogelijks valt ook het optioneel aanbieden van deze vakken – dus buiten het curriculum – binnen de lijnen van de Grondwet. De discussie hierover loopt al heel lang en laait in het licht van het lerarentekort terug op. De meningen lopen nog wat uiteen, niet alleen in Vlaanderen trouwens.
Ook in de Franstalige Gemeenschap leeft dit sterk.
Net zoals in Vlaamse scholen, hadden leerlingen in scholen van het officieel onderwijs van de Franstalige Gemeenschap vroeger wekelijks twee lesuren levensbeschouwing of zedenleer. Maar in 2017 werd dat gewijzigd: sindsdien krijgen leerlingen in het Franstalig onderwijs wekelijks één uur filosofie & burgerschap. Daarnaast kunnen ze kiezen tussen één uur levensbeschouwing of een extra uur filosofie & burgerschap.
Begin dit jaar publiceerde de in de Franstalige Gemeenschap een oriëntatienota met drie verschillende pistes: ofwel schrappen van levensbeschouwing en vervangen door twee uur filosofie en burgerschap, ofwel levensbeschouwing als keuzevak aanbieden binnen het curriculum, ofwel erbuiten). Voor zover me bekend, is de knoop er nog niet finaal doorgehakt, maar dat het debat er volop leeft, mag duidelijk zijn.
Ik kan u meegeven dat verschillende partijen al langer vragende partij zijn om hierover op Vlaams niveau tenminste het debat te voeren.
Als stadsbestuur kozen we er eerder al voor om in het pedagogisch project van ons Stedelijk Onderwijs Gent te vertrekken vanuit het principe van actief pluralisme, waarbij verschillen in achtergronden tussen de leerlingen niet weggestopt worden, maar benoemd worden als een meerwaarde, waardoor geleerd wordt van elkaar.
Het is vanuit dat pedagogisch principe niet verwonderlijk dat de directeur in het artikel waar ik in mijn antwoord vorige maand ook naar verwees, zich de vraag stelt of het wel klopt dat we leerlingen met verschillende achtergronden leren samenleven, maar voor levensbeschouwing dan terug apart zetten.
Ook verschillende onderwijsnetten kaartten dit aan. Het Gemeenschapsonderwijs kreeg van de Vlaamse regering enkele jaren geleden de goedkeuring om – bij wijze van proefproject – in de derde graad van het secundair één uur levensbeschouwing/zedenleer aan te bieden en één uur burgerschapscompetenties. Het gaat voorlopig om een beperkt proefproject, maar het GO! gaf van meet af aan ook aan dit als een eerste stap te zien.
OVSG, de koepel van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs, vraagt in haar memorandum aan de Vlaamse regering om de organisatie van levensbeschouwing in het officieel onderwijs grondig te evalueren.
Collega’s Ben Chikha en Verhoeve, ik denk dat er heel terechte vragen te stellen zijn bij de manier waarop scholen van het officieel onderwijs vandaag levensbeschouwing moeten inrichten. Het lerarentekort zorgt ervoor dat onze scholen smeken om dit te herbekijken om dit niet alleen praktisch haalbaar te houden, maar ook omwille van de meer fundamentele vraag naar de plaats van levensbeschouwing in het onderwijs.
Aanvullend ga ik nog kort even in op uw vragen, collega Verhoeve.
Het is inderdaad zo dat dit signaal niet nieuw is. Vorig schooljaar nog gaven onze directies de organisatie van levensbeschouwelijk onderwijs nog door om op de prioriteitenlijst te zetten van aan te pakken knelpunten. Aangezien de hefbomen hiervoor op Vlaams niveau liggen, gaven ze dit signaal ook door aan OVSG. Onze scholen waren duidelijk niet de enige, waardoor OVSG hierrond – zoals gezegd – een aanbeveling opnam in haar memorandum.
Een bevraging hierrond, collega Verhoeve, is dus niet meer nodig. Het knelpunt is gekend. Bovendien is het denkbaar dat een bevraging bij sommigen verwachtingen zou kunnen creëren, die we – precies omdat die hefbomen bovenlokaal liggen – niet kunnen inlossen.
Maar dit betekent natuurlijk niet dat we niks moeten doen. We moeten op Vlaams niveau blijven op deze nagel kloppen, ik roep jullie ook op om dit mee op te nemen met de Vlaamse vertegenwoordigers van jullie respectievelijke partijen.
vr 17/11/2023 - 07:41Een burger die in het centrum van de stad woont meldde me dat hij tijdens zijn dagelijkse vroege ochtendwandeling het aantal daklozen dat ’s nachts op straat slaapt dag na dag ziet toenemen. Concreet gaat het om de as Vrijdagmarkt-Lange Munt-Korenmarkt. Wanneer hij dit doorgaf aan de stad kreeg hij als antwoord dat men “hier niets aan kan doen” en dat het “vooral perceptie is”. De persoon in kwestie was begrijpelijkerwijs teleurgesteld met dit antwoord, zeker in de context van de aankomende winterperiode.
Vandaar mijn vragen:
De Stad heeft een uitgebreid aanbod van dienstverlening, gaande van preventie van dakloosheid, over voorzien van opvang, tot huisvesting. Rode draad is het aanbieden van begeleiding op verschillende levensdomeinen. We zetten steeds meer in op 24-uurs-opvang (zoals in Leeuwenhof) in plaats van op acute opvang (zoals de nachtopvang); en op een huisvestingsgerichte aanpak (door de versnelde toewijs van sociale woningen, of door de nieuwe zogenaamde ‘robuuste woningen’).
Ook voor daklozen zonder wettig verblijf is toegang tot de nachtopvang het hele jaar door mogelijk. Voor deze groep zetten we wel in op het beëindigen van het onwettig verblijf – ofwel door het bekomen van een verblijfsrecht, ofwel door terugkeer of doormigratie. Voor alle daklozen die geen 24-uurs-oplossing hebben, zijn er ook laagdrempelige inloopcentra in de stad, zoals bijvoorbeeld het SOC, Opstap en Villa Voortman.
We proberen dakloze mensen dus steeds te oriënteren naar de meest geschikte en beschikbare opvang of oplossing. Bij buitenslapers kunnen we op heel korte termijn verwijzen naar het aanbod van laagdrempelige nachtopvang (65 plaatsen) en de gezinsopvang (4 woningen). In de winter kunnen er ook noodbedden worden ingezet.
In de nachtopvang kunnen dakloze mensen dagelijks inbellen om een plaats te reserveren. Niet iedereen kent de nachtopvang, daarom gaan we vaak outreachend naar daklozen toe. Sommige daklozen haken af in de aanmeldprocedure. Onder meer door de toename van gebruikers van de nachtopvang met psychiatrische problematieken, ervaren sommigen de nachtopvang als niet zo veilig. Sommige zorgvermijders wíllen niet in de nachtopvang overnachten, en als Stad kunnen we hen daar niet toe dwingen.
Wat de binnenstad betreft, zetten we sterk in op contact maken met buitenslapers, als eerste stap. Onze diensten kunnen niet bevestigen dat er een toename is van daklozen in het centrum op basis van hun bevindingen. De groep kent geen vast aantal en is vaak erg wisselend. Wel is het zo dat een aantal buitenslapers erg zichtbaar is. De Dienst Outreachend Werken en onze gemeenschapswachten staan in contact met die mensen. Zij merken dat er de laatste tijd mensen niet enkel op de ‘hotspots’ van vorige jaren slapen, maar nu ook iets vaker aan winkels en meer rond de Zuid. Er is regelmatig contact vanuit onze diensten met deze groep, bij sommigen wekelijks. Ze worden ook steeds tijdens nachtpatrouilles/vorstpatrouilles aangesproken.
Dienst Outreachend Werken, onder bevoegdheid van schepen Willaert, bespreekt het aanbod van de nachtopvang en kan toeleiden. Deze mensen worden eerst gescreend door het OCMW om te bekijken of er andere oplossingen zijn dan nachtopvang in hun situatie, en om zeker te zijn dat ze alles effectief krijgen waar ze recht op hebben.
Dienst Outreachend Werken maakt ook het aanbod van de slaapzakken (in het kader van ‘harm reduction’) bekend bij deze gasten. Deze medewerkers leiden ook toe naar andere diensten, als er vragen zijn. MSOC en Mobil Team zijn belangrijke partners om zorg te bieden.
Voor de meesten zijn de afspraken met stadsmedewerkers duidelijk. Ze respecteren die ook. Ook mogelijke overlast door mensen in dakloosheid wordt opgevolgd, door de Dienst Preventie voor Veiligheid en door de Dienst Outreachend Werken. Hierbij is er een sterke focus op welzijn, maar ook op veiligheid en leefbaarheid. Als er dan toch eens grenzen worden overschreden, komt de politie tussenbeide. We mikken dus op een samenspel van individuele en maatschappelijke verantwoordelijkheid in deze complexe problematiek.
do 16/11/2023 - 10:42In de snel digitaliserende wereld van vandaag spelen scholen een cruciale rol in het ontwikkelen van digitale competenties en mediawijsheid bij jonge Gentenaren. Dit vereist onder andere onderwijs over ethische codes op sociale media, het herkennen van nepnieuws, en het gebruik van nieuwe technologieën zoals AI.
Ondanks beschikbare tools en opleidingen, ervaren leerkrachten vaak beperkte tijd en ruimte om deze onderwerpen aan te pakken, deels door de complexiteit van het probleem en hun beperkte kennis van de sociale media die jongeren gebruiken. Hierdoor reageren scholen vaak reactief op digitale uitdagingen, zoals cyberpesten en ongewenste beelden, wat leidt tot uiteenlopende reacties.
Het ontwikkelen van een proactief sociaal mediabeleid in scholen is een enorme uitdaging, aangezien aanbevelingen vaak traag worden geïmplementeerd en media-educatie meestal beperkt is tot bepaalde vakken. Idealiter zou mediawijsheid worden geïntegreerd in alle vakken en innovatieve leermethoden, om zo kinderen en jongeren effectief te begeleiden in het gebruik van digitale technologieën.
• Hoe worden Gentse leerkrachten opgeleid in mediawijsheid? Wat is het percentage leerkrachten dat de afgelopen twee jaar een cursus hierover heeft gevolgd?
• Bestaat er een algemeen mediawijsheidsbeleid binnen de Gentse stadscholen? Omvat dit beleid zaken zoals ethische codes voor het gebruik van sociale media en het herkennen van betrouwbare nieuwsbronnen?
• Is er een specifiek beleid of visie binnen de Gentse stadsscholen met betrekking tot cyberpesten en ongewenste beelden op sociale mediaplatforms onder leerlingen? Hoe wordt er in crisissituaties met kinderen en ouders omgegaan bij media-incidenten?
• Hoe wordt in de Gentse scholen gewerkt aan het tegengaan van polarisatie en het herkennen van nepnieuws? Welke vaardigheden worden hierover onderwezen en gebeurt dit binnen specifieke vakken of het gehele curriculum?
• Hoe wordt het juiste gebruik van nieuwe technologieën, zoals AI, geïntegreerd in de lessen?
• Wat wordt er gedaan om Gentse ouders meer vaardig te maken in het begeleiden van het sociale mediagebruik van hun kinderen, gezien hun vaak beperkte kennis op dit gebied en de beperkte bekendheid van beschikbare tools?
Bedankt voor uw vraag. Het is een lange vraag, dus ik zal wel wat tijd nodig hebben om alle deelvragen te beantwoorden. Maar met heel veel plezier natuurlijk.
De digitalisering laat zich inderdaad voelen op zowat alle levensdomeinen. De snelheid waarmee dat gebeurt is op vele vlakken duizelingwekkend, en moet ons alert houden of maken. De digitalisering biedt enorme kansen, maar ook veel uitdagingen. Er is een digitale kloof die lijkt te groeien. Maar er moet inderdaad ook aandacht zijn voor ‘mediawijsheid’. We voelen beide noden in onderwijs.
Gisteren, dinsdag 14 november, publiceerde VRT nog een artikel waaruit blijkt dat 7 op de 10 Vlaamse leraren vinden dat ze onvoldoende opgeleid zijn om met nieuwe technologieën om te gaan.
Het zal u niet verbazen dat er intussen tal van initiatieven bestaan om scholen en schoolteams, maar ook leerlingen en ouders te ondersteunen in die oefening. Dat is niet gewoon deel van de leerplannen, het is een brede maatschappelijke opdracht die ook, maar natuurlijk ook niet enkel, bij de scholen ligt.
Voor ik inga op uw vragen wil ik nog twee zaken aanhalen die we best vooraf meegeef:
Ik doorloop verder in volgorde van uw vragen.
Hoe worden Gentse leerkrachten opgeleid in mediawijsheid? Wat is het percentage leerkrachten dat de afgelopen twee jaar een cursus hierover heeft gevolgd?
Door de verscheidenheid in het aanbod vanuit de stad, koepels en onderwijsnetten is het niet echt mogelijk om een percentage te geven van leraren die de voorbije jaren een cursus volgden.
Het aanbod van de stad breidde de voorbije jaren wel uit. Dat richt zich zowel tot de individuele onderwijsprofessional als volledige schoolteams over de netten heen. Er is een grote vraag naar dit aanbod omwille van de versterkte digitalisering, maar ook omdat scholen de digisprong op een goede manier willen vorm geven. Het is een ding om laptops te voorzien, het is nog iets anders om ook te weten hoe je ermee aan de slag kan gaan.
Scholen hebben immers een grote vrijheid om die middelen te gebruiken. Ze kunnen er laptops mee aankopen voor hun leerlingen, maar evengoed ander beleid mee vorm geven.
Het aanbod bestaat uit ondersteuning voor digitale communicatie, versterken digitale (basis)vaardigheden, professionaliseren schoolteams, opzetten van een ICT-beleid … Ik geef een aantal voorbeelden mee:
Er is ook de (Vlaamse) beleidstool Mediawijsheid die scholen gratis kunnen gebruiken. Deze helpt hen een beleid op te stellen rond sexting, cyberpesten, digitale inclusie, …
Ik wil nog even benadrukken dat het aanbod is vanuit het flankerend beleid dat we voeren. Daarnaast zijn er tal van andere initiatieven die vanuit de onderwijsnetten zelf uitgaan.
Bestaat er een algemeen mediawijsheidsbeleid binnen de Gentse stadscholen? Omvat dit beleid zaken zoals ethische codes voor het gebruik van sociale media en het herkennen van betrouwbare nieuwsbronnen?
Nemen we voor het antwoord samen met vraag 5: Hoe wordt het juiste gebruik van nieuwe technologieën, zoals AI, geïntegreerd in de lessen?
Ja. Binnen het Stedelijk Onderwijs Gent (SOG) hebben we ervoor gekozen om de Vlaamse digisprong subsidies aan te vullen om dit beleid te kunnen vormgeven, een beleid dat bestaat uit drie delen. Enerzijds is er de hardware: in overleg met al onze scholen hebben we ervoor gezorgd dat er zowel voor de leerlingen als voor de leerkrachten laptops beschikbaar zijn, met de nodige softwarelicenties. Daarnaast zetten we in op de ondersteuning van de scholen in het uitbouwen van hun ICT-beleid en als derde pijler zet het SOG in op de ondersteuning en professionalisering van het onderwijzend personeel zelf.
Om de scholen hierin te ondersteunen, wordt er trapsgewijs gewerkt. Elke school heeft een vaste ICT-coördinator, bij wie leerkrachten met vragen heel laagdrempelig kunnen aankloppen. Om ervoor te zorgen dat de ICT-coördinatoren niet te veel bezig moeten zijn met technische vragen, heeft SOG over de scholen heen een ICT-cel opgericht, om die technische ondersteuning te kunnen oppakken en op die manier de ICT-coördinatoren in de scholen te ontzorgen. Als derde, maar zeker even belangrijke, pijler, heeft het SOG ervoor gekozen om in de pedagogische begeleidingsdienst twee pedagogische begeleiders ICT in te zetten, om leerkrachten ook didactisch te kunnen ondersteunen.
De pedagogische begeleidingsdienst van het stedelijk onderwijs biedt ook jaarlijks vormingen aan. Dat is een wisselend aanbod. Enkele voorbeelden zijn: mediawijsheid, lerend netwerk Digisprong, acties en lesmateriaal rond phishing, de Instagrampagina ‘Nie normaal digitaal’ van Stedelijk Onderwijs Gent – ook heet leuk om eens te gaat kijken, echt een aanrader om te volgen. Daarop staat info over haatspraak, mediacoach, beleidstools …
Hoe scholen en leerkrachten deze nieuwe technologieën concreet integreren in de les, daar is geen eenduidig antwoord op. Elke school heeft immers de autonomie om binnen het overkoepelende kader hun eigen pedagogisch project vorm te geven, aangepast aan de eigen werking. Het belangrijkste lijkt me dat schoolteams daarin ondersteund kunnen worden en dat – als ze vragen hebben – daarvoor terecht kunnen bij de ICT-coördinatoren, de pedagogische begeleidingsdienst en de ICT-cel.
Is er een specifiek beleid of visie binnen de Gentse stadsscholen met betrekking tot cyberpesten en ongewenste beelden op sociale mediaplatforms onder leerlingen? Hoe wordt er in crisissituaties met kinderen en ouders omgegaan bij media-incidenten?
Ik heb hier in een vorige commissie uitgebreider geantwoord op deze vraag. Er is een bestaand beleid dat scholen informeert en ondersteunt. Die informatie staat verzameld op verschillende platforms. Dat beleid wordt ook actief uitgedragen via communicatie en via het vormingsaanbod.
Hoe wordt in de Gentse scholen gewerkt aan het tegengaan van polarisatie en het herkennen van nepnieuws? Welke vaardigheden worden hierover onderwezen en gebeurt dit binnen specifieke vakken of het gehele curriculum?
Ik beantwoord deze vraag even overkoepelend, dus breder dan ons eigen Stedelijk Onderwijs Gent.
Het begrip ‘fake news’ staat beschreven in de nieuwe leerplannen van het basisonderwijs, wat een heel goeie zaak is. Het staat ook in de eindtermen van het secundair onderwijs. Er is dus aandacht in de lessen hiervoor, aangezien dat wordt opgelegd vanuit de leerplannen. Zoals gezegd heeft elke school de pedagogische vrijheid om daaraan invulling te geven, waardoor er niet één antwoord is op de vraag hoe scholen dit aanbrengen. Belangrijkste is dat wel degelijk onderdeel vormt van de lessen, en dat elke leerling daarin dus wordt onderwezen en versterkt.
Wat wordt er gedaan om Gentse ouders meer vaardig te maken in het begeleiden van het sociale mediagebruik van hun kinderen, gezien hun vaak beperkte kennis op dit gebied en de beperkte bekendheid van beschikbare tools?
Onderwijscentrum Gent heeft i.s.m. verschillende partners meerdere projecten lopen waarop scholen kunnen intekenen om ouders te versterken op het vlak van digitale vaardigheden, mediaopvoeding … We bereikten hiermee al 400 ouders en gezinnen. Ik geef graag enkele voorbeelden.
Tot slot vermeld ik ook graag de Opvoedingswinkel. Zij begeleiden ouders op heel veel verschillende vlakken, en ook daar komen ‘mediawijze’ thema’s aan bod. Denk maar aan cyberpesten, sociaal mediagebruik van hun kind(eren) – een vraag waar ouders ook echt mee zitten, …
Ik wil aan dit alles nog toevoegen dat dit uitgebreide aanbod het resultaat is van een samenwerking tussen verschillende stadsdiensten. Zij zijn verenigd in een netwerk e-inclusie waarbij ze een gemeenschappelijke visie nastreven in Gent.
Om af te ronden, collega. In uw vragen lees ik een terechte bezorgdheid over de impact van de digitalisering. Die bezorgdheid kwam hier de voorbije commissies ook aan bod bij andere vragen. Het is goed dat we hier allen alert voor zijn. We leveren al heel wat inspanningen. Zowel met de stedelijke diensten als binnen de scholen zelf. Maar het zal een blijvende inspanning vergen om iedereen mee aan te boord te krijgen en te houden. Dat is ook een maatschappelijke opdracht, waarbij ik iedereen oproep om zich zelf ook heel ‘wijs’ te gedragen, in het bijzonder ook op sociale media.
vr 17/11/2023 - 07:39Onlangs werd in de pers bericht dat een aantal woonzorgcentra, in zowel Vlaanderen als Nederland, bij de zorg voor ouderen met dementie gebruik maken van zogenaamde ‘reborn poppen’. De poppen – meestal van baby-formaat – zijn ‘levensecht’ en de WZC’s in kwestie hebben er naar verluidt positieve ervaringen mee: ze brengen mensen tot rust, verminderen dwaalgedrag en roepen herinneringen op.
Vandaar mijn vragen:
Bedankt voor uw vraag want het welbevinden van de bewoners in onze WZC’s liggen mij nauw aan het hart.
En ik ben blij om u te melden dat wij inderdaad in onze WZC’s al gebruik maken van reborn poppen voor mensen die dementie hebben.
En de ervaringen zijn zeer waardevol;
De bewoners zien namelijk geen pop, maar wel een echte baby die voor hen ligt waarvoor ze moeten zorgen.
Hierdoor worden heel mooie momenten gecreëerd en zien we mensen opfleuren, omdat ze letterlijk terug kunnen zorgen voor iets of iemand. Het geeft ook een kalmerende werking.
We zetten deze reborn poppen dan ook niet enkel in voor mensen met dementie maar voor alle bewoners die hier nood aan hebben.
En we gaan zelfs een stapje verder, want we hebben niet enkel reborn poppen maar ook robot katten en honden.
We experimenteren hiermee in Zuiderlicht.
De robotdieren zorgen voor laagdrempelige interacties met bewoners die in een vergevorderd stadium van dementie zitten. Als de bewoners hen strelen reageren de katten door te miauwen, te spinnen of door kleine bewegingen van hun hoofd en poten.
En natuurlijk zijn het niet enkel reborn poppen of robotdieren die we kunnen inzetten voor de kwaliteit van onze bewoners. We brengen de bewoners die dit graag willen ook in contact met echte dieren. Zo komen er regelmatig “aai-dieren” op bezoek in onze WZC’s, hebben we groene zorg in het Heiveld waar onder andere een varken in de tuin loopt, is kinderboerederij Mekkerland de buur van Zuiderlicht waar veel bewoners langs gaan en zijn er ook huisdieren zoals cavia’s en konijnen in enkele van onze WZC’s.
Dus zoals u hoort, beste raadslid Roegiers, hebben we een heel aanbod op maat van onze bewoners want we zullen telkens in het werk stellen om de levenskwaliteit van onze bewoners te blijven bevorderen.
do 16/11/2023 - 10:37Bij de Budgetopmaak 2023 werd er beslist om halfweg 2023 een gedeeltelijke indexering door te voeren in de OCMW-rusthuizen. Omdat we niet anders kúnnen, werd toen gezegd.
Alle kosten blijven stijgen, ook voor onze woonzorgcentra uiteraard.
We moeten er ook voor zorgen dat onze WZC niet sterk verlieslatend worden, dat zou niet getuigen van een goed beheer.
Tezelfdertijd willen we de prijsstijging voor de bewoners mimimaal houden.
Er werd gewerkt met "een alternatief kortingssysteem” om de dagprijs, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex, af te remmen.
Op die manier worden de bewoners niet geconfronteerd met de toegelaten hoge(re) index.
De rusthuisfactuur zal bijna 2000 euro/maand bedragen.
Er zijn veel mensen die dit niet kunnen betalen. In Gent past het OCMW de factuur van de bewoners bij.
Door de prijsverhoging die werd doorgevoerd vrees ik dat dit bedrag is opgelopen, vandaar mijn vragen.
Alle prijzen zijn de afgelopen periode gestegen door de stijgende inflatie. Dat hebben we allemaal gevoeld als we onze huur betaalden, als we onze winkelkar vulden of als we onze energierekening moesten betalen.
Ook de kosten van de WZC zijn gestegen.
In veel - vooral private wzc’s - kwam deze prijsstijging rechtstreeks terecht op de factuur van de bewoners.
In Gent hebben we bij onze eigen publieke WZC’s ervoor gekozen om dit maar gedeeltelijk te doen.
Want net zoals u zelf zegt, niets doen was geen optie.
MAAR, wij hebben er wel voor gekozen om te werken met een kortingsysteem, waardoor we niet de volledige indexatie doorrekenen van 12,27% .
Zo zorgden we ervoor dat onze WZC’s zoveel mogelijk betaalbaar blijven. Maar ook niet te vergeten, dat de kwaliteit hoog blijft.
We voeren al lang een beleid in Gent waarbij we er voor zorgen dat mensen zo lang als mogelijk op een goede manier kunnen blijven thuis wonen. Maar voor wie dat niet meer haalbaar is, bieden we een kwalitatief en betaalbaar alternatief zoals een assistentiewoning of een plaats in een WZC.
Daarom kiezen we er ook bewust voor dat ons OCMW niet enkel facturen (deels) ten laste neemt van de bewoners van onze eigen WZC’s, maar ook bij alle andere WZC die maximaal 10% duurder zijn dan die van het OCMW.
En even meegeven in de marge: dat is niet enkel een systeem dat we toepassen voor de WZC’s maar ook voor de assistentiewoningen.
Wij zijn trouwens het enige stadsbestuur in Vlaanderen dat dit doet. Dat mag nog wel eens duidelijk gezegd worden.
We zien dat de “ten laste names” niet zijn gestegen in 2023 ten opzichte van 2022. Zowel in onze eigen WZC als bij de private centra.
En dit zowel in het aantal “ten laste names” als in het bedrag van de “ten laste names”.
Dit komt voornamelijk doordat het inkomen van de senioren ook stijgt:
Als we kijken naar hoeveel mensen op 30 september 2023 een tussenkomst van het Gentse OCMW kregen voor het betalen van hun factuur, dan komen we aan:
Deze cijfers zijn min of meer stabiel t.o.v. vorig jaar.
Ik wil tussendoor ook nog iets heel belangrijks meegeven.
De ten laste name wordt volledig opgenomen door het OCMW. Wij vorderen niets terug bij de kinderen!
Dat is een Gentse keuze geweest, daar waren we pionier in en ook dáár ben ik trots op.
En dan ten slotte uw vraag over het zakgeld. Een zeer terechte vraag, ik ben blij dat ik ook dié even duidelijk kan beantwoorden.
Alle bewoners hebben recht op een minimumbedrag van zakgeld en daar komen we niet aan, dus ook niet als de dagprijzen stijgen.
Het bedrag van het zakgeld ligt momenteel op €115 per maand. Daarvan kunnen de mensen inderdaad iets consumeren in de cafetaria of andere persoonlijke uitgaven doen.
De effecten van de escalerende situatie in Gaza komen ook de Gentse scholen binnen. We horen getuigenissen, ook aan onze eigen keukentafel, van leerlingen, kinderen en jongeren, die daarmee bezig zijn en vragen hebben. Er zijn niet alleen vragen om informatie, maar het zorgt ook voor grote emoties, vb van mensen die familie hebben in de regio of kinderen die bang zijn van de nieuwsberichten rond geweld.
Scholen moeten een veilige omgeving zijn, maar zijn vanzelfsprekend niet afgeschermd. Dat is ook niet de betrachting. De ‘wereld’ – om het heel veralgemeend te zeggen – komt binnen op school. Dat is de wereld in al haar verscheidenheid en diversiteit, maar ook in al haar emotionaliteit en soms ook wreedheid.
Ik herken uw getuigenis. Beelden, verhalen van conflicten, … komen ook binnen aan de keukentafel. De bezorgdheid vult de gesprekken. De nietsontziende brutaliteit die zich in Gaza afspeelt, beroert iedereen.
Al kort na het oplaaiende geweld in Israël en de Palestijnse gebieden werd hieraan aandacht besteed in de Regiegroep van 25 oktober 2023. Dat is het platform waar we overleg plegen met de verschillende onderwijsnetten en -partners in onze stad. We hebben daar een eerste keer formeel gepolst naar signalen op de scholen. Zij bevestigden dat dit leeft. Dat hoeft ook niet te verbazen. Sommige leerlingen zijn nauw betrokken doordat ze bijvoorbeeld familie hebben in de bezette gebieden. Ik hoorde een directeur vertellen hoe één van haar leerlingen plots in elkaar zakte toen ze vernam dat haar vriendin was gedood bij een bombardement op een ziekenhuis. Aangrijpend. De directeur voegde toe dat het meisje heel erg gesteund werd binnen haar klas en school. Gruwel, maar dus ook verbondenheid.
Verontrustende signalen bereiken ons eveneens via de brugfiguren, coördinatoren Brede School en andere contacten bij het Onderwijscentrum Gent. Ouders brengen hun verdriet als het ware mee tot aan de schoolpoort. Ze melden ook een stijgende polarisering in het secundair onderwijs. Dat is geen nieuwe vaststelling n.a.v. het huidige conflict. Er is al langer de verscherpte ook politieke polarisering. Een evolutie die we allemaal kunnen vaststellen.
Op de Regiegroep nam niemand het woord ‘radicalisering’ in de mond. Dat betekent niet dat er geen bezorgdheid is daarover. We blijven dus in nauw overleg staan met het onderwijsveld om vinger aan de pols te houden. We kunnen er niet omheen dat ook het maatschappelijke debat op scherp staat. Het is niet eenvoudig om het gesprek te voeren. Dat is nochtans wat we moeten doen op de scholen. Luisterbereid zijn. In gesprek gaan. Niet door streng te sanctioneren zoals sommige beleidsmakers laten weten.
De ondersteuning die we als stad bieden richt zich in eerste instantie tot de scholen en schoolteams, en minder tot de leerlingen. Scholen hebben zelf al heel wat expertise opgebouwd om om te gaan met verontrustende signalen. Die is er mede dankzij de vormingen die we eerder (in 2016 – na de terroristische aanslagen in o.m. Zaventem en Parijs) gaven over radicalisering.
We reiken scholen ook methodieken aan die vertrekken vanuit de dialoog. Dat is natuurlijk niet eenvoudig. Niet alle leerkrachten voelen zich daarvoor sterk genoeg, wat ook te begrijpen is.
De dienst Preventie en Veiligheid organiseerde intussen ook een middaglezing over de impact van het Palestijns-Israëlisch conflict in onze stad. De documentatie die daarbij hoorde, is intussen rondgestuurd naar de leden van de Regiegroep en de brugfiguren. Scholen kunnen zelf ook een beroep doen op het aanbod van het EXPO-R-team. Dat staat voor ‘extremisme, polarisering en radicalisering’.
Onderwijscentrum Gent stuurde een communicatie uit met een overzicht van de educatieve pakketten die beschikbaar zijn op verschillende platforms. Dat werd bezorgd aan iedereen die rond dit thema eerder vorming volgde.
Zoals eerder gezegd. Hier stopt het niet. We krijgen het signaal dat er nood is aan meer informatie en ondersteuning. We plannen daarover momenteel bijkomend overleg met de verschillende netten om hun vragen goed te kennen, en ons aanbod daarop te kunnen afstemmen. Of om te kunnen doorverwijzen naar een ander, bestaand aanbod.
Beste collega’s. Ik hoop dat hieruit mag blijken dat we alert zijn en blijven. Dat doen we in overleg met de scholen zelf, en de betrokken diensten. Maar laat ons vooral hopen dat ook het geweld kan stoppen. Daarom, de oproep die breed gedeeld wordt: CEASE FIRE NOW! Ik denk dat we allemaal echt uitkijken naar het einde van het conflict daar. Uit belang van de kinderen daar, maar ook van onze kinderen die de beelden zien en getuigenissen horen. Dit moet stoppen.
vr 17/11/2023 - 07:43Het buurtcentrum De Kluts in Rooigem zal einde deze legislatuur de deuren sluiten. Het buurthuis dateert van 2012. Deze beslissing is ingegeven vanuit een recente efficiëntieoefening.
De motivatie die u als schepen hiervoor gaf, konden we ondertussen ook in de pers lezen: "De locatie zat gewoon niet goed. We kregen vanuit onze eigen diensten signalen dat De Kluts niet de aantrekking had die nodig was. Voor elke vereniging gaan we nu op zoek naar een nieuw onderkomen."
Goed dat er met de huidige gebruikers samen naar een nieuw onderkomen gezocht wordt.
Vooral voor de minder mobiele gebruikers is een oplossing in de nabijheid van belang.
Vlakbij het buurtcentrum De Kluts ligt een welzijnsbureau met onder andere een sociaal restaurant. Misschien kunnen we nu wel stellen dat in het verleden een kans gemist werd om de werking van buurtwerk te integreren in de bestaande infrastructuur eerder dan een nieuw gebouw te zetten.
Bedankt voor uw vraag. Het klopt dat we samen met de gebruikers van de Kluts op zoek zijn naar een alternatieve plek waar zij hun activiteiten kunnen verderzetten. Daar hebben we bewust voldoende tijd voor voorzien; de zaal wordt immers nog tot eind ‘24 door de dienst ontmoeten en verbinden als buurtcentrum beheerd en kan tot dan gebruikt worden.
De dienst ontmoeten en verbinden organiseert ons stedelijk buurtwerk in de wijken van voornamelijk de 19e-eeuwse gordel en maakt initiatieven mogelijk die de sociale cohesie in onze wijken versterken. Het beheer van gebouwen als buurtcentrum is daarbij een middel en geen doel op zich. Vandaar dat het ook logisch is om op basis van noden, van ervaringen op het terrein… nu en dan bij te sturen.
1. Hoe wordt de aantrekking van een buurthuis gemeten?
Sinds de start van het buurtcentrum werd door buurtwerk ingezet op de bekendheid van de infrastructuur in de buurt. Door projecten, als locatie voor buurtfeest, met communicatie via buurtkanalen en het eigen Uit in je Buurt… probeerde men om buurtbewoners en verenigingen zoveel mogelijk toe te leiden naar het Buurtcentrum.
Ondanks die inspanningen, stelde onze dienst vast dat het gebruik van het gebouw in vergelijking met andere buurtcentra laag is. Ze bekijken dat aan de hand van
- de bezettingsgraad,
- de mate waarin de zaal aan derden wordt ter beschikking gesteld en
- de aard van de huurders en georganiseerde gebruikers.
Een groot deel van het gebruik gebeurde bijvoorbeeld door stadsdiensten.
2. Was er reeds eerder sprake van 'onderbezetting' van De Kluts? Werd dit toen ook al gesignaleerd?
Die ‘onderbezetting’ werd zeker al eerder opgemerkt door de mensen van het buurtwerk, en zij namen ook initiatieven om dit te proberen bijsturen. Zo werd bijvoorbeeld gekozen voor de invulling van een kleinschalige, gezellige pleisterplek. De polyvalente zaal werd daarvoor anders ingericht. Een partnerorganisatie werd aangetrokken en het gebruik van de eerste verdieping aangeboden.
Maar ondanks het feit dat dit wel degelijk een goede impact had, bleef het gemiddeld gebruik vrij beperkt. Vandaar de keuze om wel de initiatieven die er plaatsvinden te blijven koesteren, maar dit in de toekomst op andere locaties onder te brengen. Het gaat dan bijvoorbeeld over koffiemomenten, een naaiclub, yoga en meditatielessen.
3. Is er al gekeken naar hoe de sociale functie van het buurthuis in de toekomst gebundeld kan worden met de werking of met de ruimtes van het ernaast gelegen welzijnsbureau?
Wat de piste van het welzijnsbureau betreft: in de feiten wordt regelmatig samengewerkt tussen het welzijnsbureau, buurtwerk en de huurder Kind en Gezin.
De infrastructuur laat zonder uitgebreide aanpassingswerken het intensief/structureel delen van functies vandaag echter niet toe. De kleine zaal en keuken worden verhuurd aan Ateljee vzw en de regelgeving op vlak van voedselveiligheid beperkt gebruik door derden.
De mogelijkheid van toekomstig gebruik van het zaaltje van het welzijnsbureau door vaste groepen die vandaag het buurtcentrum gebruiken, wordt wel bekeken momenteel.
Maar de combinatie is dus niet zo eenvoudig. De mensen van onze dienst bekijken dus ook nog andere pistes.
Ik ben zelf vorig jaar al en ook dit najaar ter plaatse in gesprek gegaan met de gebruikers en vrijwilligers. Ik heb er veel begrip voor dat zij het jammer vinden dat dit zaaltje niet meer zal kunnen gebruikt worden. Maar uiteindelijk draait het vooral om wát er gebeurt en minder over in welk gebouw dat dan precies gebeurt. Onze buurtwerker blijft actief in de buurt, en blijft de bewonersgroepen ondersteunen, ook in de zoektocht naar een goede alternatieve plek. Want het is niet omdat het niet zoveel activiteiten zijn, dat ze niet enorm waardevol zijn voor de mensen die eraan deelnemen. En dat willen we zeker koesteren.
do 16/11/2023 - 09:57