De afgelopen maand werd in de pers andermaal bericht over iemand die met een torenhoog boetebedrag werd geconfronteerd voor het binnen rijden van het autovrij gebied. Bij de recente verlenging van de jaarvergunning van de persoon in kwestie werd per vergissing een dagvergunning toegekend. Dit kwam pas aan het licht nadat de eerste boetes arriveerden. Een verweerschrift bij het Mobiliteitsbedrijf haalde echter weinig uit.
Deze casus is geen alleenstaand geval. De Gentse Ombudsvrouw klaagde de problematiek van de herhaalde boetes – zowel in de context van de LEZ als van het autovrijgebied – aan in haar jaarverslagen van de afgelopen twee jaar (2021 en 2022). In het jongste jaarverslag pleit de Ombudsvrouw opnieuw voor een billijke regeling en wijst ze de argumentatie ter zake van het college, dat tot nog toe blijft weigeren om te voorzien in een oplossing, resoluut af.
Bondig samengevat komt het standpunt van het college er op neer dat de autonomie en onafhankelijkheid van de beboetingsambtenaar en sanctionerend ambtenaar nu eenmaal voorop staan en dat het aan hen is om billijkheidsredenen al dan niet in overweging te nemen bij hun beoordeling.
De Ombudsvrouw is echter van mening dat het wat de GAS-boetes voor het autovrij gebied betreft mogelijk is om in het politiereglement op te nemen dat er slechts één boete kan uitgeschreven worden in een bepaalde periode, bijvoorbeeld de tijd tussen de eerste boete én het moment van kennisname. Daarnaast stelt de Ombudsvrouw dat in de LEZ-reglementering effectief ingeschreven kan worden dat het boetebedrag gereduceerd wordt tot 1/3 voor overtredingen die bijvoorbeeld plaatsvonden tussen de eerste boete en het moment van kennisname hiervan.
In een nieuwe reactie hierop betwijfelde het college de wettelijkheid van de door de Ombusvrouw voorgestelde oplossing wat betreft de GAS-boets voor het autovrij gebied: “Daarnaast is het volgens ons niet mogelijk en niet wenselijk om een maximum van één boete voor een bepaalde periode te voorzien. De suggestie van de ombudsvrouw om het reglement in die zin aan te passen lijkt onwettig, aangezien de GAS-wet niet voorziet in een procedure van versoepeling.” De veeleer voorwaardelijke formulering (‘lijkt onwettig’) laat evenwel toch ruimte om deze piste verder te onderzoeken.
Is het college van burgemeester en schepenen bereid om de door de Ombudsvrouw geformuleerde oplossing verder te laten onderzoeken door een onafhankelijke instantie?