-
Op diverse manieren is het stadsbestuur betrokken partij bij aanvragen tot de inrichting van gokkantoren in onze stad. Het stadsbestuur dient daarbij o.a. uit te gaan van de – volkomen terechte – wettelijke voorwaarden dat dergelijke inrichtingen zich niet mogen bevinden in de nabijheid van scholen, ziekenhuizen en plekken waar veel jongeren komen, zoals bijvoorbeeld sportinfrastructuur.
In de praktijk is echter vast te stellen dat het beleid van de stad bij aanvragen niet altijd consequent is. Zo komt het voor dat in een burgemeestersadvies eerst een positief advies gegeven wordt aan de kansspelcommissie, maar dat dan op een later tijdstip toch door het college besloten wordt om een convenant met betrekking tot de uitbating van diezelfde inrichting te weigeren. Dit creëert onzekerheid voor de aanvragers in kwestie en het schept ook onduidelijkheid over wat het beleid van het stadsbestuur inhoudt.
Vandaar mijn vraag:
Laat mij eerst duiden hoe wij als lokale overheid betrokken zijn bij de vergunningsprocedure bij de Kansspelcommissie om een vergunning F2, die de aanvrager toelaat om een wedkantoor uit te baten, te bekomen of te vernieuwen.
Als lokale overheid worden we op basis van de Kansspelwet op twee manieren preventief betrokken. De aanvrager dient enerzijds een ‘advies van de burgemeester’ voor te leggen, en anderzijds dient de aanvrager over een convenant met de lokale overheid te beschikken, alvorens de kansspelcommissie zich buigt over de vergunningsaanvraag.
Over het eerste, het advies van de burgemeester. Dit advies is een niet-bindend advies, waarin de burgemeester een aantal zaken dient in te vullen/te specifiëren. Zo bevestigt het adviesformulier of het al dan niet om een bestaand wedkantoor gaat dat al dan niet gelegen is op het grondgebied van de stad in kwestie. Daarnaast voorziet het advies ook in de mogelijkheid om bezwaren te formuleren met betrekking tot de aanneming van weddenschappen en de plaatsing van maximaal 2 elektronische kansspelen.
Welke bezwaren hierbij relevant zijn, is wettelijk niet bepaald. Dit wordt door verschillende centrumsteden breed geïnterpreteerd.
De werkwijze die de Stad Gent toepast en die, collega Van Bossuyt, ook gevolgd wordt in andere centrumsteden, start steeds bij het indienen van een aanvraag.
Eens alle identiteitsgegevens zijn doorgegeven, voert de politie een controle uit. Eventuele relevante info waaronder strafrechtelijke informatie die op basis hiervan naar voor komt wordt, na goedkeuring door het parket, opgenomen in het advies van de burgemeester onder de rubriek ‘bezwaren’.
Als het College van Burgemeester en Schepenen bijvoorbeeld beslist dat er geen convenant – ik ga daar straks dieper op in - wordt afgesloten, een beslissing die op zich losstaat van het advies van de burgemeester, wordt dit in principe ook vermeld als bezwaar, zodat er geen tegenstrijdige documenten en verwachtingen ontstaan.
De uiteindelijke appreciatie van deze bezwaren in functie van de vergunningsprocedure ligt bij de vergunningverlenende overheid, zijnde de kansspelcommissie.
Naast het advies van de burgemeester, heb je dan ook nog de procedure rond de convenantbeslissing, een andere beslissing die een bindende invloed heeft op de aanvraagprocedure bij de kansspelcommissie.
Sinds 25 mei 2021 is het verplicht voor elke uitbater van een wedkantoor, dus vergunninghouder F2, uitbater van een kansspelinrichting klasse IV, om bij de aanvraag tot het verkrijgen of hernieuwen van een vergunning F2 bij de kansspelcommissie een convenant toe te voegen.
Dit convenant is een bindende afsprakennota die wordt opgesteld door de uitbater van het wedkantoor en het bestuur van de gemeente of stad waar de inrichting is gelegen. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse IV en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt.
De opzet van de nieuwe convenantregeling is om ervoor te zorgen dat de steden en gemeenten meer inspraak en slagkracht krijgen m.b.t. het beschermen van jongeren en andere kwetsbare groepen tegen de mogelijke nadelige effecten van kansspelen in kansspelinrichtingen klasse IV.
Daarnaast bestaat er sinds 25 mei 2021 een nieuwe wettelijke bepaling die stelt dat wedkantoren niet langer gevestigd mogen worden in de nabijheid van scholen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren bezocht worden.
Wat er moet verstaan worden onder ‘in de nabijheid van’ en ‘plaatsen die vooral door jongeren bezocht worden’, is wettelijk niet bepaald. De bevoegdheid die het College heeft m.b.t. het afsluiten van convenanten is immers een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het beleid de aanvragen kan behandelen volgens haar eigen inzichten en principes, maar te allen tijde prioritair rekening houdend met de bescherming van potentiële spelers én de beginselen van behoorlijk bestuur.
Eén van de leidraden waar het College zich op baseert ter ondersteuning van de motivatie bij het afsluiten/weigeren is de rechtspraak van de Raad van State omtrent eenzelfde verplichting die al langer geldt voor het uitbaten van een speelautomatenhal.
Concreet houdt dit dus in dat elke aanvraag individueel bekeken en consequent gemotiveerd wordt, zodat er maximaal rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden, zonder hierbij bepaalde regels, zoals bv. een perimeter, louter mechanisch te gaan toepassen. Het gevaar van een gedetailleerd beleidskader als officieel bestuursdocument schuilt er net in dat bepaalde principes ‘blind’ zouden worden toegepast en er op die manier bepaalde onterechte verwachtingen zouden kunnen ontstaan in hoofde van de aanvragers, zo bevestigt ook vaste rechtspraak van de Raad van State.
Op basis van al deze overwegingen wordt er dan beslist om al of niet over te gaan tot het afsluiten van een convenant en bepaald welke afspraken hierin moeten worden opgenomen.
Om te besluiten, er wordt dus wel degelijk gekeken om op een geïntegreerde manier te werken waarbij, als er beslist wordt om niet over te gaan tot het afsluiten van een convenant, dit ook mee wordt opgenomen in het advies van de burgemeester, zodat dit voor de aanvrager duidelijk is.
De case waarnaar u verwijst, is te verklaren door een administratieve fout. Er was een verkeerdelijk document doorgestuurd. Na het opmerken van deze administratieve fout is onmiddellijk het correcte advies doorgestuurd, met daaraan gekoppeld ook de weigering van het college tot het afsluiten van een convenant.
Dus zoals gezegd het is wel degelijk de bedoeling om beide procedures op elkaar af te stemmen en de communicatie hierover te integreren, maar specifiek voor de case waarnaar u verwijst, is er een administratieve fout gebeurd.
di 22/11/2022 - 15:54