Terug
Gepubliceerd op 18/11/2021

2021_MV_00505 - Mondelinge vraag van raadslid Anneleen Van Bossuyt: Plaats voor Nederlands bij anderstalige ouders/gezinnen

commissie onderwijs, welzijn en participatie (OWP)
wo 10/11/2021 - 19:00 Digitale vergadering
Datum beslissing: wo 10/11/2021 - 22:48
Behandeld

Samenstelling

Aanwezig

Gabi De Boever; Karin Temmerman; Sven Taeldeman; Mehmet Sadik Karanfil; Zeneb Bensafia; Karlijn Deene; Jef Van Pee; Anne Schiettekatte; Mieke Bouve; Carl De Decker; Karla Persyn; Evita Willaert; Adeline Blancquaert; Patricia De Beule; Tom De Meester; Stijn De Roo; Mattias De Vuyst; Anita De Winter; Yeliz Güner; Yüksel Kalaz; Bert Misplon; Caroline Persyn; Anneleen Van Bossuyt; Joris Vandenbroucke; Sonja Welvaert; Tine De Moor; Fourat Ben Chikha; Ronny Rysermans; Elke Decruynaere; Rudy Coddens; Astrid De Bruycker; Els Roegiers; Manuel Mugica Gonzalez; Tom Van Dyck

Afwezig

Alana Herman; Nicolas Vanden Eynden; Cengiz Cetinkaya; Johan Deckmyn; Stephanie D'Hose; Hafsa El -Bazioui; Christophe Peeters; Gert Robert; Christiaan Van Bignoot; Veli Yüksel; Sara Matthieu; Bart De Muynck; Anneleen Schelstraete; André Rubbens; Emmanuelle Mussche; Bart Tembuyser; Jeroen Paeleman

Secretaris

Tom Van Dyck
2021_MV_00505 - Mondelinge vraag van raadslid Anneleen Van Bossuyt: Plaats voor Nederlands bij anderstalige ouders/gezinnen 2021_MV_00505 - Mondelinge vraag van raadslid Anneleen Van Bossuyt: Plaats voor Nederlands bij anderstalige ouders/gezinnen

Motivering

Toelichting/Motivering/Aanleiding

-

Indiener(s)

Anneleen Van Bossuyt

Gericht aan

Elke Decruynaere

Tijdstip van indienen

vr 08/10/2021 - 15:34

Toelichting

Een goede kennis van de Nederlandse taal is belangrijk om in onze samenleving zijn of haar leven uit te bouwen. In een recent opiniestuk breekt een – bezorgde – leerkracht Nederlands/taalkundige er een lans voor dat anderstalige ouders het Nederlands ook thuis een plaats zouden geven, kwestie van de Nederlandse taalontwikkeling van hun kinderen op die manier te stimuleren, en dit vanuit de vaststelling na jarenlange ervaring dat Nederlands alleen op school onvoldoende is. Voor sommige anderstalige ouders zal dit een vanzelfsprekendheid zijn, voor andere minder. Het gaat er de opinieschrijver overigens expliciet niet om dat ouders de eigen moedertaal verloochenen, alleen dat het Nederlands ook een plaats krijgt. De mogelijkheden daartoe zijn legio via de moderne communicatiemiddelen en media. 

Vandaar mijn vragen: 

  1. Welke acties onderneemt het stadsbestuur om ouders/gezinnen met een andere thuistaal ertoe te aan te moedigen om het Nederlands ook thuis een plaats te geven?
  2. Welke informatie is er beschikbaar over de plaats van het Nederlands bij anderstalige Gentse ouders/gezinnen? Heeft het stadsbestuur hier al specifiek onderzoek over laten uitvoeren? Hoe staat de schepen hiertegenover?

 

Bespreking

Antwoord

Ik merk op dat de vraag zoals mevrouw Van Bossuyt ze formuleerde, toch een pak genuanceerder is die van u, mevrouw Persyn. Ik denk niet dat het zo is dat mensen die een andere thuistaal spreken, geen of gebrekkig Nederlands spreken. Dat kan perfect naast elkaar, het een hoeft het ander niet uit te sluiten.  

Maar ik ga beginnen met het beantwoorden van de vraag zoals mevrouw Van Bossuyt ze heeft ingediend.  

Het opiniestuk waarnaar u verwijst, ik heb dat ook geraadpleegd en gelezen en ik denk dat het belangrijk is om te schetsen dat dit toch wel over een bijzonder specifieke context gaat.  Het is een leerkracht Nederlands in een Brusselse context, waar heel veel Franstalige leerlingen zitten die opgroeien in een heel Franstalige omgeving, waar Frans de eerste taal is en ook vrije tijd-activiteiten in het Frans doorgaan en dan al dan niet een bewuste keuze maken voor het Nederlandstalig onderwijs. Onder die Franstalige leerlingen zitten dan leerlingen met een migratieachtergrond en die thuis nog een andere taal spreken, maar even goed leerlingen zonder migratieachtergrond van wie het Frans de moedertaal is.  

Je kan die situatie dus niet zomaar extrapoleren naar Gent. We zitten uiteraard in Gent ook met vele gezinnen waar de thuistaal niet Nederlands is, dat klopt. Maar in Gent komen de leerlingen naast de schoolcontext veel meer in aanraking met het Nederlands. Je kan de beide situaties dus niet één op één vergelijken.  

U stelt terecht de vraag of daar data/onderzoek over bestaat, in 2015 onderzocht het Steunpunt Diversiteit en Leren dit in opdracht van de Vlaamse Overheid. Dit is dus geen Gents onderzoek, maar er namen meer dan dertig scholen deel en ongeveer een derde van de deelnemende scholen waren Gents. Wat kwam er uit dat onderzoek, dat de titel MARS draagt, niet verwijzend naar een planeet, maar ik geef de naam mee zodat u het ook kunt opzoeken.  

Uit dat onderzoek blijkt dat 73% van de anderstalige leerlingen in het Nederlands naar televisie kijken. En 65% surft ook in het Nederlands. Het idee dat anderstalige leerlingen enkel op school in aanraking komen met het Nederlands, dat blijkt dus niet de realiteit te zijn.  

Dat geeft toch een ander beeld dan de situatie waar die leerkracht zich wat over beklaagt in het Brusselse onderwijs, waarbij hij zegt dat ouders bewust voor een Nederlandstalige school kiezen, maar dat er voor de rest geen enkel andere inspanning of contact is met het Nederlands. Cijfers leren dat de situatie in Gent dus gelukkig anders is.  

U zou kunnen zeggen, 73%, dat is nog geen 100%, dus op naar de 100%. Laat ons hier meer op inzetten, opdat ze allemaal naar de Nederlandstalige televisie zouden kijken.  

Ik denk dat het belangrijk is dat als we onze energie steken in een doelstelling, in deze de doelstelling dat deze kinderen het beter zouden doen op school, dat we dan nagaan welke de beste strategieën zijn om die doelstelling te bereiken. In het opiniestuk wordt aangehaald dat het mediagebruik een goed middel is om de Nederlandse taal te leren. Wel, precies op die vraag heeft het onderzoek zich op gefocust. Daar toont het onderzoek dat er geen significant verschil is. Met andere woorden, het buikgevoel van de leerkracht wordt dus niet gevolgd door onderzoek. Massaal naar Ketnet kijken zou een quick win geweest zijn, maar het zal de uitdagingen wat betreft de schoolprestaties van anderstalige leerlingen niet oplossen.  

Wat dan wel? Ik wil me hier zeker niet gewoon moedeloos bij neerleggen. We willen inzetten op een heel taalrijke omgeving voor de leerlingen. Dan is dat mediagebruik een element van, maar niet het beste. Het gaat erom een rijke, prikkelende, stimulerende taalomgeving te creëren. 

Opmerkelijk daarbij is dat de onderzoekers aangeven dat het feit dat de omgeving talig is, dat er veel gepraat wordt, dat er veel interactie is, dat er veel gelezen wordt, dat taal een belangrijk aspect is thuis, dat leerlingen daarin uitgedaagd en uitgenodigd worden, … dat dit belangrijker is, dan de taal waarin dat gebeurt. 

Een taalarme omgeving, waarin kinderen niet voorgelezen worden, waarin ze niet uitgedaagd worden om bijvoorbeeld een brief te schrijven naar de Sint (het is bijna de periode van het jaar), dat dit een groter effect heeft. En dat kan perfect ook een Nederlands gezin zijn, waar die taalprikkels niet aanwezig zijn, dat dat een heel groot effect heeft. Die kinderen staan positiever ten opzicht ervan lezen, schrijven, … Uiteraard in hoe meer talen dat gebeurt, hoe beter.  

Bijkomend, en u bent in uw vraag wel genuanceerd, u geeft ook aan dat het niet de bedoeling is dat die kinderen hun moedertaal gaan verloochenen. Het is niet de bedoeling dat de aan die kinderen de boodschap geven dat de taal waarin ze zijn opgevoed, een ondertoon die ik wel hoor in uw vraag, mevrouw Persyn.  

Het gaat niet over dat verloochenen van de eigen taal. Want ouders willen Nederlands leren en praten, maar als ouders met goede bedoelingen toch Nederlands aanleren aan hun kinderen, dan leren de kinderen gebrekkig Nederlands. Dan is beter om ervoor te zorgen dat die kinderen op school goed Nederlands leren, en buiten de school in contact komen met goed Nederlands, dan dat ze thuis gebrekkig Nederlands leren. 

Dan kunt u zeggen: we moeten zorgen dat ze perfect Nederlands spreken. Maar collega’s, een nieuwe taal leer je niet op een-twee-drie, dat vraagt wel even. Het moment waarop je een andere taal even goed kan spreken dan je moedertaal, dat komt bij vele mensen gewoon niet. Ik daag de collega’s uit om dit te doen in het Frans of Engels, ik denk dat er toch nog altijd een groot verschil zou zijn dan in het Nederlands. We moeten in die zin dus opletten met de boodschap die we aan die anderstalige ouders meegeven, want in bepaalde situaties kan dat meer kwaad dan goed doen. 

Wat werkt er wel? De sportclub: ervoor zorgen dat de leerlingen naschools in de jeugdbeweging, de zomerscholen, de huiswerkklas, het lezen van boeken in het Nederlands (veel belangrijker dan naar de televisie te kijken), … dat zijn zaken die wel aangemoedigd kunnen worden, die een zeer positieve invloed hebben en waarmee we leerlingen kunnen stimuleren om met goed Nederlands in contact te komen.  

Trouwens, het zou zonde zijn om alle andere talen te overboord te gooien. Want eigenlijk is het een rijkdom dat die leerlingen ook andere talen kennen, en als we er op een goede manier mee zouden omgaan, dan kan dit ook op onze arbeidsmarkt heel goed van pas komen.  

De realiteit, collega’s, is dat het niet zwart-wit is. Het is niet of wel Nederlands, of niet. Waar we eigenlijk naartoe zouden moeten gaan voor anderstalige leerlingen is translanguaging, wat erover gaat dat je vlot kunt overschakelen. Waarbij een leerling in de ene context een bepaalde taal gebruikt en in een andere context zonder enige aarzeling een andere taal gebruikt.  

Ik eindig met nog eens kort de acties die we hierrond ondernemen op te sommen, want het zijn er zeer veel: 

  • Via het Onderwijscentrum is er de toeleidende en ondersteunende rol van de brugfiguren, de brede school en de opvoedingswinkel naar het zeer brede vrijetijdsaanbod dat de Stad Gent rijk is, waar we ook echt alle kinderen mee willen bereiken en extra initiatieven op te zetten voor deze kinderen die de weg ernaartoe niet automatisch vinden. 
  • Er is ook een folder gemaakt voor anderstalige ouders om het belang van taalstimulatie uit te leggen. Ze worden vb. aangemoedigd om voor te lezen, in gesprek te gaan met hun kinderen, …. 
  • Initiatieven zoals Boek op Bezoek, i.k.v. brede school, waarbij vrijwilligers en studenten komen voorlezen aan huis en daarbij ook actief de ouders betrekken; 
  • De Krook die op (voor-)leesprojecten inzet;  
  • Ook Uylenspel heeft gelijkaardige initiatieven; 
  • IN-Gent, waar collega De Bruycker desgewenst nog meer over kan vertellen, heeft bijvoorbeeld tweetalige voorleesboekjes voor kind en ouder. En ze investeren ook echt in het toeleiden van anderstalige ouders naar de andere activiteiten in het Nederlands.
     Trouwens de financiering van IN-Gent als expertisecentrum voor de oefenkansen Nederlands is versterkt. We doen dus feitelijk meer dan vroeger om ook ouders aan te moedigen om hun Nederlands te oefenen. 
  • Ook het nieuwe convenant met vzw Roeland die zal afgesloten worden, gaat over taalkampen voor anderstalige nieuwkomers, waarbij de stad ook zal vragen om ook maximaal de ouders te betrekken en hen maximaal mee te nemen in dit verhaal. 

Tot slot wil ik nog één element toevoegen aan dit debat waar er een grote focus ligt op taal. Maar het is belangrijk om ook het sociaaleconomische aspect hierbij mee te nemen. U moet zich eens afvragen waarom we dit debat niet voeren als het gaat over de kinderen van een postdoctoraal onderzoeker aan de universiteit, of de kinderen van een topvoetballer, … Voor die kinderen vinden we het evident dat zij thuis hun moedertaal spreken en op school en op andere manieren aanvullend in contact komen met het Nederlands. Daar zien we ook veel minder dat die kinderen echte taalproblemen hebben op school.

Dat wijst er ook op, en onderzoek toont dat ook aan, dat het niet alleen gaat over de taal waarin je bent opgegroeid, maar dat het ook gaat over de sociaaleconomische status. Als je opgroeit in een kansarm gezin, of in een taalarm gezin, dat dus ook in het Nederlands kan zijn – iets wat de KOALA-toets zal uitwijzen: dat ik de derde kleuter ook kinderen die in het Nederlands opgroeien, maar niet goed scoren omdat er thuis te weinig taligheid is – dat zullen die kinderen zijn die in kansarmoede moeten opgroeien.   

Dus ja, collega Van Bossuyt, we moeten inzetten op een taalrijke omgeving. Maar we moeten dat op een genuanceerde manier doen en we mogen zeker ook het effect van kansarmoede niet uit het oog verliezen. 

Volledig akkoord over het sociaaleconomische aspect, dat is trouwens ook al aangetoond: nl. dat kwetsbare kinderen vaak te maken hebben met een taalachterstand (vb. een beperktere woordenschat, …) wat zich later jammer genoeg uit in de carrièrekansen. Dit is inderdaad een element om ook mee te nemen.  

U geeft aan dat we de opinie van die leerkracht in het opiniestuk over de Brusselse context gaat en dat dit niet opgaat voor de situatie in onze stad. Voor een stuk kan ik u daarin volgen, maar niet helemaal. U geeft vb. aan dat kinderen in onze stad ook in de vrije tijd etc. in aanraking komt met het Nederlands. Maar dat staat eigenlijk haaks met waar dit stadsbestuur op inzet. Bijna elke Gemeenteraadsvergadering staat er wel een dossier aan bod 

De studie waarnaar u verwijst, het MARS-onderzoek, ken ik niet. Dat zoek ik zeker op. Nu, die studie dateert uit 2015, het aantal kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt is in tussentijd wel toegenomen, ik vraag me af of die 73% nu nog altijd klopt. We zouden dit alleen maar kunnen toejuichen. We moeten inderdaad blijven ijveren dat dit percentage zo hoog mogelijk ligt.  

Volledig akkoord over het streven naar het creëren van een taalrijke omgeving.  

Nu, wat de ouders betreft, begeleiden van het huiswerk. We moeten zeker ook een verantwoordelijkheid bij de ouders leggen, we moeten ouders meer stimuleren om Nederlands te leren, niet met de bedoeling om hun kinderen Nederlands aan te leren, want u heeft daar gelijk in: slecht Nederlands leren is zeker niet de oplossing. Maar wel om de kinderen te kunnen helpen of om zichzelf te kunnen behelpen als ze naar de winkel gaan ofzo.  

We vinden het vooral heel belangrijk, en dat blijkt ook uit het Rapport Beter Onderwijs (waarover we het later in deze commissie nog over zullen hebben), meertaligheid is sowieso iets positiefs. Maar we moeten opletten dat meertaligheid niet leidt tot geen taligheid. We moeten er blijven naar streven dat de kinderen ook uitstekend Nederlands kennen om hun leven hier te kunnen uitbouwen. 

In dat rapport wordt ook gesteld dat we bij de ouders wel degelijk een bepaalde verantwoordelijkheid mogen leggen. Al is het om thuis de radio op een Nederlandse post te zetten, om hun kinderen daarin te ondersteunen, … 

U verwijst ook naar De Krook, maar ik verneem dat de stad de ambitie heeft om het aantal anderstalige boeken uit te breiden. Maar ik denk dat De Krook in de eerste plaats de plaats moet zijn waar kinderen en volwassenen verder gestimuleerd worden om Nederlands te leren.  

Ook vanuit de scholen horen we immers nog steeds dat ouders bv. niet afkomen naar een oudercontact, omdat ze de taal niet machtig zijn. Ook daar zien we dat het heel belangrijk is dat ouders zich ten minste kunnen uitdrukken in het Nederlands. Als je het wil leren, dan kan dat perfect. 

Voorzitter Temmerman: 

Zeer interessant onderwerp, maar we zijn al een half uur bezig met deze eerste vraag. Misschien is dit een goed onderwerp voor een themacommissie over dit thema te organiseren, want dit thema komt heel regelmatig terug. 

 

Bijvragen raadslid Persyn: 

Dank u wel, mevrouw de schepen. Ik vond het niet leuk dat u begon met een grote sneer naar mij, wat ik niet leuk vond. Ik heb gewoon gezegd dat mensen die hier al vele jaren zijn en nog geen woord Vlaams spreken, dat zij een tandje zouden moeten bijsteken. Ik heb het opgenomen voor de kinderen. Ik heb op geen enkel moment gezegd dat ouders thuis hun moedertaal niet meer zouden mogen spreken. U zegt dingen, die ik niet gezegd heb. 

Ik begrijp ook dat mensen die hier pas zijn, de taal nog niet machtig zijn. Maar ik had het over mensen die hier al vele jaren zijn. 

Er zijn veel goede voorbeelden van mensen die wel hun best gedaan hebben, en dat lees ik toch graag nog eens voor. 

De taal is de sleutel van het leven. Als je in een nieuw land komt, is het je plicht om je aan te passen aan de cultuur en de gebruiken”, een citaat van Bashir, onze Olympische kampioen. Een uitspraak die klopt als een bus.  

Schepen Decruynaere: 

Ik hoop, mevrouw Persyn, dat u Bashir ook citeert wanneer het gaat over de discriminatie die zijn vrouw elke dag ervaart omwille van haar hoofddoek en zijn verontwaardiging daarover.   

Ik had van alles genoteerd nog als antwoord op de vragen van mevrouw Bossuyt en mevrouw Persyn.  

Het is net omdat we dat tolken door kinderen niet ok vinden, dat we extra uitgetrokken hebben voor tolkendienst in het onderwijs. Maar ik ervaar dat dit door jullie op een andere manier wordt geïnterpreteerd.  

Ik vind de suggestie om hierover een themacommissie te organiseren goed, want ik merk wel dat de discussie genuanceerder is geworden, mogelijks dankzij de vele debatten die we hierrond al voerden de afgelopen jaren.  

Ik hoop dat een themacommissie, met wetenschappelijke onderbouwing en met voldoende nuances, kan. Er is immers een groot verschil tussen op één jaar tijd u in het Nederlands uit de slag kunnen trekken versus het voeren van een moeilijk gesprek of het kunnen begrijpen van een ingewikkeld wiskundevraagstuk in het Nederlands. Dat zijn allemaal andere zaken.  

De Krook: ik denk dat als we het percentage Nederlandstalige boeken ten opzichte van het percentage anderstalige boeken, dan denk ik, mevrouw Van Bossuyt, dat u zich geen zorgen hoeft te maken.  

Maar eigenlijk, mevrouw de voorzitter, denk ik dat het een heel goed idee is – als de commissie het hierover eens is – om hierover een themacommissie te organiseren. Zodat we elkaar beter begrijpen, voorbij alle clichés en tegenstellingen. 

do 18/11/2021 - 07:53