Nieuwe Gemeentewet, artikel 134, § 1.
Ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, in het bijzonder artikel 21bis, 10°, zoals laatst gewijzigd door het ministerieel besluit van 28 juli 2020.
Decreet over het Lokaal Bestuur, artikel 63.
Het dragen van een mondmasker (of van elk ander alternatief in stof) speelt reeds geruime tijd een belangrijke rol in de strategie om de COVID-19 maatregelen geleidelijk aan af te bouwen, en dit in aanvulling op de geldende regels inzake social distancing.
Met het ministerieel besluit van 24 juli 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, werd een mondmaskerverplichting ingevoerd in alle openbare gebouwen, voor de publiek toegankelijke delen.
Met de meest recente wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 op 25 september 2020 is die algemene verplichting echter komen te vervallen en wordt aan de bevoegde lokale overheid overgelaten om elke private of publieke druk bezochte plaats te gaan bepalen waar een mondmaskerverplichting geldt.
Gelet op de huidige epidemiologische situatie, met een steeds verder uitbreidende verspreiding van het virus, stelt de noodzaak om een mondmaskerverplichting op te leggen voor de publiek toegankelijke delen van openbare gebouwen zich onverminderd.
Deze maatregel is gebaseerd op de criteria van belang voor de transmissie van infectieziekten, zijnde het aantal aanwezigen, de duur en intensiteit van het onderling contact, de plaatsgesteldheid en de leeftijdsmix van de bezoekers.
Naast het dragen van mondmaskers is evenwel eenieder nog steeds gehouden om alle andere voorzorgsmaatregelen na te leven, zijnde in hoofdzaak het respecteren van de social distancing voorschriften en voldoende handhygiëne, aangezien het dragen van een mondmasker enkel een aanvullende bescherming uitmaakt.
Artikel 134, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat in geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, de burgemeester politieverordeningen kan maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden. Voornoemde verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
Het bestrijden van de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 dient te worden beschouwd als een onvoorziene gebeurtenis in de zin van voormeld artikel. Aangezien de algemene verplichting opgenomen in de federale maatregelen komt te vervallen op 1 oktober 2020, met de inwerkingtreding van de wijzigingen aan het ministerieel besluit van 30 juni 2020 door het ministerieel besluit van 25 september 2020, dringt een uitdrukkelijke beslissing houdende dergelijke verplichting zich op en kan er niet gewacht worden tot de eerstvolgende gemeenteraad van 19 oktober 2020 zonder dat daarbij de gezondheid van bezoekers en medewerkers van openbare gebouwen in het gedrang komt.
Uit voorgaande blijkt dat huidige situatie dermate ernstig is dat er zich uiterst dringende maatregelen opdringen waardoor het nemen van een politionele verordening door de gemeenteraad niet kan worden afgewacht.
Derhalve dienen nu reeds in toepassing van artikel 134 § 1 Nieuwe Gemeentewet bij wijze van huidige politieverordening onderstaande maatregelen te worden genomen teneinde de openbare orde (specifiek openbare gezondheid) maximaal te vrijwaren en deze verordening op de eerstvolgende zitting van de gemeenteraad zal worden voorgelegd met oog op bekrachtiging.
Eenieder is vanaf de leeftijd van 12 jaar verplicht om de mond en de neus te bedekken met een masker of elk ander alternatief in stof, of wanneer dit niet mogelijk is omwille van medische redenen met een gelaatscherm, in de publiek toegankelijke delen van openbare gebouwen.
Wie weigert, kan de toegang tot het gebouw worden ontzegd.
Het mondmasker, of alternatief, mag enkel en alleen worden afgezet voor de tijd die strikt noodzakelijk is om te drinken en te eten, om de neus te snuiten of om te liplezen voor doven en slechthorenden, mits het naleven van alle andere voorzorgsmaatregelen waaronder social distancing en hygiënemaatregelen.
De personen die in de onmogelijkheid zijn een mondmasker, een alternatief in stof of een gelaatsscherm te dragen omwille van een beperking, gestaafd door middel van een medisch attest, moeten niet voldoen aan voorgaande bepalingen.
Elke overtreding op deze verordening kan gesanctioneerd worden met de straffen bepaald door artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.
Deze politieverordening zal conform artikel 134 § 1 Nieuwe Gemeentewet ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad.
Deze verordening zal worden bekendgemaakt zoals voorgeschreven in artikel 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur en treedt onmiddellijk in werking.