Het ‘Reglement inzake het toekennen van eretitels aan schepenen en gemeenteraadsleden van de Stad Gent’ hanteert onder meer als criterium dat de aanvrager van ‘onberispelijk gedrag’ moet zijn. Dit wordt nader omschreven als ‘geen strafrechterlijke of tuchtrechterlijke veroordelingen opgelopen hebben’.
Een aanvraag door een oud-schepen leidde recent tot verontwaardiging bij een deel van de publieke opinie, hoewel de aanvrager voldeed aan de reglementair bepaalde criteria. Dit doet vragen rijzen over deze tot hiertoe gehanteerde criteria.
Een vergelijking met andere steden en gemeenten leert dat elders vaak nog een bijkomend criterium wordt gehanteerd, met name de toevoeging: “het niet bestaan van andere erg onterende feitelijkheden”. In het licht van het voorgaande verdient het aanbeveling om deze extra voorwaarde ook in het Gentse reglement in te schrijven.
De beoordeling van “het niet bestaan van andere erg onterende feitelijkheden” houdt verband met het deontologisch functioneren van mandatarissen. In die zin is het aangewezen dat de beoordeling van de voorgestelde bijkomende voorwaarde toegewezen wordt aan de al bestaande deontologische commissie.
Periodiek (bijvoorbeeld om de 6 maanden) kan deze commissie zich buigen over de ingediende aanvragen en een – al dan niet unaniem – advies over de ingediende aanvragen uitbrengen aan de gemeenteraad die de uiteindelijke beslissing neemt.
Daarom, op voorstel van de N-VA-fractie:
In het ‘Reglement inzake het toekennen van eretitels aan schepenen en gemeenteraadsleden van de Stad Gent’ wordt in artikel 3 (‘Toekenningsvoorwaarden’) onder punt 3.2, het laatste lid geschrapt en vervangen door de volgende tekst:
“Om een titel van ereschepen of eregemeenteraadslid te kunnen dragen moet daarenboven de mandataris van onberispelijk gedrag zijn. Onder het begrip onberispelijk gedrag dient te worden verstaan het ontbreken van een strafrechtelijke of tuchtrechterlijke veroordeling en het niet bestaan van andere onterende feitelijkheden. De beoordeling van het niet bestaan van andere onterende feitelijkheden wordt toegewezen aan de deontologische commissie die hierover per aanvraag een al dan niet unaniem advies uitbrengt aan de gemeenteraad.”