Het schooljaar is voor alle schoolgaande leerlingen nu echt uit de startblokken geschoten.
Opvallend veel kinderen met een leerstoornis, autisme of ADHD, die in het reguliere onderwijs hun draai niet meer konden vinden, trekken naar een Methodeschool. (zie SIBO-onderzoek waar 21 % van de leerlingen in Methodescholen een erkende diagnose hadden tegenover 12 % in het klassieke onderwijs).
Schooldirecties hebben vaak de indruk dat de moeizame invoering van het M-decreet, nog meer kinderen met zorgnoden naar het Methodeonderwijs heeft gedreven. In de meeste Methodescholen zitten ook leerlingen die het ‘expliciete advies’ kregen om naar het Bijzonder Onderwijs te gaan. Maar veel ouders hebben het daar moeilijk mee. Daarom kiezen ze voor een Methodeschool, waar de specifieke aanpak gericht is op de leerling en in mindere mate op de leerstof.
Hierbij heb ik volgende vragen :
Sta mij toe om te reageren op uw vraagstelling, waarbij u aangaf dat men in het methodeonderwijs minder aandacht zou hebben voor de leerstof en meer voor de leerling.
Ik wil hierop reageren omdat het heel belangrijk is dat dergelijke verkeerde ideeën de wereld uit geholpen worden. Want het SIBO onderzoek werd precies uitgevoerd om een antwoord te vinden op de vraag of deze percepties aan de realiteit beantwoordt. Maar dé eindconclusie van dat onderzoek was dat men niet kan zeggen dat er een verschil is in de uitkomst tussen methode- en niet-methodeonderwijs. Er zijn wel zeer grote verschillen tussen scholen, maar die verschillen situeren zich zowel tussen methodescholen als tussen niet-methodescholen.
De vraagsteller haalt 1 element uit dit onderzoek aan, maar dit kan niet los gezien worden van het hele onderzoek. De eindconclusie van het onderzoek was immers dat dergelijk onderscheid op basis van methode- versus niet-methodescholen niet gemaakt kan worden.
Dergelijke ideeën circuleren al té vaak, los van de realiteit. Onlangs polste een nationale journalist in diezelfde richting. Zij gaf aan dat er in Gent veel methodeonderwijs is. Dat klopt natuurlijk. Gent is dé stad met het meeste freinetonderwijs. Daar zijn we ook trots op. We hebben sterke schoolteams. Maar die journaliste contacteerde me met de vraag of wij ook vaststellen dat methodescholen meer mensen met extra zorgnoden aantrekken.
Ook aan haar heb ik geantwoord zoals het is. Namelijk dat de realiteit een stuk genuanceerder is.
Een tweede punt is dat het SIBO onderzoek kijkt naar de grote groep van leerlingen die een erkende diagnose hebben. Voor de stedelijke scholen hebben we deze cijfers nog niet, maar we hebben wel cijfers over het aantal leerlingen die op basis van een erkende diagnose van het ondersteuningsteam extra begeleiding krijgen. Aangezien die ondersteuning pas start vanaf niveau 3 van het zorgcontinuüm, zullen deze cijfers per definitie lager liggen dan het aantal erkende diagnoses. Op basis van deze cijfers kunnen we dus de vergelijking niet maken met het door u aangehaalde SIBO-onderzoek.
De vraag moet ook gesteld worden of we ook iets kunnen doen voor die kinderen in fase 0, 1 en 2 van het zorgcontinuüm.
Ik wil me in elk geval engageren om het geheel in beeld te brengen, zowel de cijfers van het totaal aantal leerlingen met een erkende diagnose, als het aantal leerlingen in de fases 0, 1 en 2 van het zorgcontinuüm. Deze cijfers zullen u nagestuurd worden.
Een andere kanttekening is dat we ons ervan bewust moeten zijn dat de grens tussen een methodeschool en niet-methodeschool niet altijd zo strak te trekken is. Het is immers niet omdat een school geen ‘etiket’ van methodeschool draagt, dat de didactiek er per definitie als traditioneel kan beschouwd worden.
Om op jouw vraag te antwoorden, dan zien we dat het verschil van het aandeel leerlingen met erkende diagnose én die extra ondersteuning krijgen in methodescholen t.o.v. niet-methodescholen beperkt is, voor het basisonderwijs gaat het over 4,5% van de leerlingen in een methodeschool t.o.v. 3,8% in de niet-methodescholen. Voor het secundair onderwijs is het verschil 3,5% t.o.v. 4,6%. De verschillen zijn dus erg klein.
Het onderscheid tussen methodescholen en niet-methodescholen dus moet genuanceerd worden.
We beschikken niet over structurele gegevens over de criteria op basis waarvan ouders een schoolkeuze maken. Vanuit het LOP basisonderwijs werd bij een bevraging van de ouders vorig schooljaar op mijn vraag ook gepolst naar de redenen voor het maken van een bepaalde schoolkeuze. Daarbij werden ‘de afstand naar de school’ en ‘de pedagogische methode’ veruit het vaakst genoemd.
Wat betreft de grootte van de school, had ik het in mijn antwoord op vraag 1 al over de gemiddelde grootte van methode- versus niet-methodescholen. Als we de verschillende scholen volgens leerlingenaantal in verschillende categorieën indelen, dan zien we in elke categorie zowel methodescholen én niet-methodescholen verschijnen.
Dit is inderdaad een zeer grote bezorgdheid bij de leerkrachten. Vermoedelijk wil men via de afschaffing van het M-decreet hierop een antwoord bieden. Maar men moet zich de vraag stellen of het probleem het M-decreet is, of het ontbreken van de omkadering om dit op een goede manier te doen.
Ook de extra groep van leerlingen in fase 0, 1 en 2 van het zorgcontinuüm worden in deze oefening best meegenomen.
De scholen buitengewoon onderwijs hebben door de invoering van het M-decreet en het aantal leerlingen en dus ook hun middelen zien dalen, waardoor ze goede leerkrachten met deze specifieke expertise hebben moeten laten gaan.
Uw vraag is dus zeer terecht. Ik deel dan ook uw bezorgdheid.
Antwoord Mevr. Bouve: dank u wel voor uw uitgebreid antwoord. Ik wil graag alleen nog rechtzetten wat ik in de vraagstelling zei: ik zei niet dat methodescholen minder focussen op de leerstof, maar in mindere mate. Toch een klein nuanceverschil.
Antwoord schepen Decruynaere: zelfs ‘in mindere mate gefocust op de leerstof’ is nefast voor de perceptie en is niet in lijn met de bevindingen van het SIBO onderzoek.
vr 11/10/2019 - 07:58