Vorige week hebben de Gentse boeren hun bezorgdheid geuit over de steeds krapper en onbetaalbaar wordende ruimte, letterlijk grondareaal, om te boeren. Aanleiding was de consultatieronde van het RUP Groen van de stad.
Het fenomeen grondverlies voor de landbouwsector is inderdaad een algemeen Vlaams fenomeen. PER DAG gaat er tegenwoordig in gans Vlaanderen 6 ha landbouwgrond verloren, aan woongebied, openbare infrastructuur, industrie, natuur etc. Daarnaast neemt ook de verpaarding, vertuining en het opgetrokken al dan niet vergund hergebruik van landbouwgrond binnen de officiële landbouwzone hand over hand toe. Wij spreken gemiddeld van 10 procent van het areaal, maar in de peri-urbane buitengebieden zoals bij ons Drongen, St.-Denijs-Westrem, Oostakker en de kanaaldorpen loopt dat op tot 40 procent. Die laatste trend correleert met zware prijsstijgingen van landbouwgrond, waardoor boeren niet of nauwelijks kunnen opbieden tegen andere sectoren. Wetenschappers waarschuwen al een tijd voor een point of no return, en een ernstig risico voor de open ruimte.
Aandacht voor primaire sector
We begrijpen uiteraard de vraag om aandacht vanuit de landbouwsector. We waren er ons ook van bewust dat er van bij de start van de RUP-procedure overleg met de sector en de individuele landbouwers noodzakelijk was. Daarom hebben de stadsdiensten, zodra de startnota goedgekeurd was door het college, dan ook alle betrokken eigenaars en (door de stad gekende) landbouwers uitgenodigd voor een individueel gesprek. Ook de landbouworganisaties Boerenbond en ABS werden uitgenodigd voor een overleg.
We wilden immers van bij de start van de RUP-procedure alle bezorgdheden en de impact op de betrokken landbouwers zo goed mogelijk in beeld brengen, zodat we samen en in dialoog op zoek kunnen gaan naar mogelijke oplossingen.
We moeten goed voor ogen houden: het RUP groen bevindt zich op dit moment nog maar in de start van de hele goedkeuringsprocedure. Er zijn in deze fase nog heel wat verfijningen en aanpassingen mogelijk. Bovendien hebben we binnen het college afgesproken om op korte termijn werk te laten maken van een landbouweffectenrapport door de Vlaamse Landmaatschappij. Dit onderzoek heeft de bedoeling om de concrete impact op de individuele landbouwers op een objectieve manier in beeld te brengen, om bijkomend in overleg te gaan met de landbouwers over hun toekomstplannen en –visie en om in overleg op zoek te gaan naar de mogelijkheden van een flankerend beleid.
Oppervlakte in landbouwgebruik
De startnota van het RUP groen voorziet een bescherming van ca. 255 ha bestaande groengebieden en de aanduiding van ca. 140 ha nieuw te ontwikkelen groengebieden. 17 van de 102 deelgebieden uit het RUP groen hebben op dit moment een agrarische bestemming of zijn in opgenomen in het geregistreerd landbouwgebruik.
Van de totale oppervlakte die wordt opgenomen in de startnota is ca. 90 ha gelegen in een agrarische bestemming en ca. 55 ha in een gemengde natuur- en agrarische bestemming (namelijk agrarisch gebied met ecologisch belang en valleigebied). Binnen deze agrarische bestemmingen is ca. 110 ha effectief geregistreerd als landbouwgebruiksperceel. Daarnaast is er ook nog een oppervlakte van ca. 30 ha in geregistreerd landbouwgebruik, maar niet in een agrarische bestemming gelegen. In totaal wordt dus 140 ha geregistreerde landbouwgebruikspercelen, zij de zone-eigen landbouw of zonevreemde landbouw, opgenomen in het RUP groen. Hierbij is het belangrijk op te merken dat niet alle percelen die geregistreerd zijn als landbouwgebruiksperceel ook effectief gebruikt worden door de professionele landbouwsector. Veel van deze percelen zijn namelijk in particulier gebruik voor bijvoorbeeld hobbylandbouw, als paardenweide, enz.
Daarnaast worden in de startnota van het RUP groen 4 deelgebieden, met een totale oppervlakte van 13,2 ha, aangeduid als nieuw agrarisch gebied. Deze herbestemming staat in functie van een planologische compensatie voor het herbevestigd agrarisch gebied dat een groene bestemming krijgt. Het gaat telkens over goede landbouwgronden in professioneel landbouwgebruik, die omwille van de huidige bestemming op vandaag nog bebouwd kunnen worden.
Consequenties voor landbouwers / toekomstplan
De consequenties van het RUP groen moeten op twee niveaus worden afgewogen. Enerzijds zijn er de consequenties door de herbestemming, anderzijds zijn er de consequenties ten gevolge van de uitvoering van de nieuwe groenbestemmingen uit het RUP. Beide consequenties worden nu concreet in beeld gebracht op basis van de raadpleging en de gesprekken met de individuele landbouwers en sectororganisaties. Het landbouweffectenrapport zal aanvullend de impact op de betrokken landbouwbedrijven concreet in beeld brengen. Gevolgen van de herbestemming (korte termijn):
De gevolgen van een herbestemming naar groengebied door een gemeentelijk RUP blijven in principe beperkt voor de aanwezige landbouwers. Een herbestemming in een gemeentelijk RUP heeft namelijk geen consequenties op het bemestingsregime. Volgens het mestdecreet kan enkel een herbestemming op gewestelijk niveau een nul bemesting opleggen, dit kan niet door een gemeentelijk RUP. In principe kunnen de landbouwers hun huidig gebruik, met het huidige bemestingsregime, dus verder zetten. Bestaande vergunde of vergund geachte constructies kunnen bovendien ook behouden blijven.
Er zullen uiteraard wel een aantal beperkingen gelden ten opzichte van nieuwe landbouwontwikkelingen na een herbestemming in het RUP groen. Zo wordt het wijzigen van historisch permanent grasland verboden binnen een groene bestemming. Voor het wijzigen van andere vegetaties moet een natuurvergunning aangevraagd worden bij het Agentschap voor Natuur en Bos. Daarnaast zal in de deelgebieden van het RUP groen het oprichten van nieuwe constructies (bijvoorbeeld schuilhokken) in functie van het agrarisch gebruik verboden zijn.
Gevolgen van de uitvoering van het RUP groen (lange termijn):
Het is uiteraard de bedoeling dat er ook uitvoering gegeven kan worden aan de opties uit het RUP groen, en er dus ook effectief nieuwe natuurontwikkeling en bosuitbreiding kan plaatsvinden.
Hiervoor wordt in de startnota van het RUP een uitvoeringsstrategie voorgesteld. Deze uitvoeringsstrategie bepaalt de grote lijnen van de manier waarop nieuwe natuur en bos ontwikkeld kan worden, maar moet uiteraard nog verder verfijnd en uitgewerkt worden op perceel niveau. Dit is in deze fase van het RUP nog niet gebeurd. Op basis van de gesprekken met de betrokken eigenaars en landbouwers en op basis van het landbouweffectenrapport zal de uitvoeringsstrategie geconcretiseerd worden.
Voor de nieuw te ontwikkelen groengebieden wordt gewerkt op twee sporen: voor de natuurontwikkeling in de Leievallei, en nabij het erkend natuurreservaat dat beheerd wordt door Natuurpunt, is het de bedoeling dat de Stad subsidies geeft aan erkende natuurverenigingen in functie van de verwerving van deze percelen. Het betreft dus een vrijwillige aankoop, er moet een akkoord zijn met de eigenaar. Bovendien mogen deze gronden bij voorkeur niet verpacht zijn, want in dat geval krijgt een natuurvereniging geen bijkomende aankoopsubsidies van de Vlaamse overheid. Een natuurvereniging moet dus steeds in overleg gaan met de plaatselijke landbouwer en een akkoord bereiken. Concreet betekent dit dat de uitvoering van de natuurdoelstellingen binnen deze deelgebieden in sommige gevallen pas op lange termijn uitgevoerd kunnen worden.
Daarnaast zijn er een aantal gebieden waar de Stad zelf actief wil bebossen of aan natuurontwikkeling doen. Om deze bebossing mogelijk te maken wenst de Stad deze gronden bij voorkeur zelf in eigendom en beheer te hebben. Voor deze deelgebieden wordt dan ook ingezet op verwerving. In eerste instantie zal getracht worden de betreffende percelen aan te kopen via een minnelijke procedure. Indien dit niet haalbaar blijkt, zal de onteigeningsprocedure opgestart worden. Deze verwerving zal gespreid worden over een periode van 2 legislaturen (12 jaar). De fasering zal uitgewerkt worden op basis van het concrete gebruik en de toekomstperspectieven van de eigenaars of gebruikers. Uiteraard zijn niet alle te verwerven percelen gelegen in (professioneel) agrarisch gebruik.
Het is ook belangrijk om op te merken dat het in eerste instantie de wens is om de natuur- en bosdoelstellingen te verwezenlijken. Indien op basis van overleg blijkt dat de betreffende eigenaars of landbouwers mee willen instaan om deze doelstellingen te verwezenlijken, zijn er uiteraard mogelijkheden om overeenkomsten af te sluiten. Indien er voldoende garanties zijn dat de doelstellingen van de Stad gehaald kunnen worden, zal het niet altijd nodig zijn om een grondoverdracht uit te voeren. Dergelijke verfijningen moeten op basis van verder overleg en op basis van de gesprekken in het kader van het landbouweffectenrapport uitgewerkt worden.
Tot slot wordt er ook getracht om de consequenties voor een landbouwbedrijf zo veel als mogelijk te beperken door, in overleg, op zoek te gaan naar een flankerend beleid. Zo zal onderzocht worden of het bijvoorbeeld mogelijk is om ruilgrond aan te bieden, om beheersovereenkomsten af te sluiten, of wordt nagegaan op welke manier de uitvoering gefaseerd kan worden zodanig dat de landbouwer zijn carrière kan verder zetten tot pensioenleeftijd, enz. De mogelijkheden en haalbaarheid van een flankerend beleid zal in het landbouweffectenrapport beschreven worden.
wo 18/10/2017 - 09:07