Tijdens de bezetting in de tweede Wereldoorlog werden er door de Duitse bezetter verschillende kunstwerken aangekocht of doodgewoon geconfisqueerd.
Later zijn daarvan een aantal kunstwerken terug in de Belgische musea terechtgekomen.
Volgens het Rapport over schadeloosstellingen uit 2008 zou het gaan over om en bij de 331 kunstwerken.
Ook in het Gentse Museum voor Schone Kunsten zijn er zo drie werken aanwezig: De dorpsadvocaat van Pieter Brueghel II, met een onbekende herkomst en twee kunstwerken van Fritz Van den Berghe die zich in het depot van het museum bevinden.
Deze beide werken werden door de eigenaar aan het museum in bruikleen gegeven voor een tentoonstelling die door het uitbreken van WO II niet is kunnen doorgaan.
Na afloop van de oorlog was de eigenaar onvindbaar.
beantwoord samen met de vraag IR. 12 van mevrouw karlijn Deene
K. Deene:
Antwoord
In het MSK zijn er twee dossier die in verband zouden kunnen gebracht worden met zogenaamd gespolieerd bezit. Het ene dossier gaat over 2 schilderijen van Frits van den Berghe namelijk: Zittende naakten en Naakt met sleep. Deze werken werden voor de oorlog in bruikleen gegeven door Emile Henri David en sindsdien konden geen rechtmatige eigenaars worden opgespoord. Het andere dossier gaat over 4 werken die na de oorlog door de Belgische staat uit Duitsland werden gerecupereerd. Ook hier konden nog geen rechtmatige eigenaars worden opgespoord. Het gaat om De kruisdraging van de Monogrammist DR, Landschap met boerderij van Pieter de Bloot, Sint-Joriskermis van Gillis I Mostaert en Dorpsadvocaat van Pieter II Breughel.
Het antwoord op deze vraag is duidelijk: neen.
In beide dossiers werd samengewerkt met de Commissie schadeloosstelling leden van de Joodse Gemeenschap de zogenaamde commissie Buysse. De dossierbehandelaar voor het dossier van twee werken van Frits Van den Berghe is Jacques Lust. Tot op heden heeft de commissie wel al enkele pistes terug gevonden die zouden kunnen leiden tot de rechtmatige eigenaars maar nog niks concreet.
In het andere dossier: de 4 werken die het MSK in bruikleen kreeg van de Belgische Staat werd door de studiecommissie geen Joodse herkomst vastgesteld.
In geen van beide dossiers werden de werken ooit gecommuniceerd als eigendom van de Stad Gent. Dit zijn werken waarvan het beheer tot op heden in handen is van het MSK. Van zodra de rechtmatige eigenaars bekend zouden zijn worden de werken uiteraard aan de rechthebbenden overgedragen.
Neen, buiten deze 2 dossiers met in totaal 6 werken zijn er geen andere gespolieerde bezittingen. Enkele jaren geleden was de herkomst van het schilderij Portret van Ludwig Adler van Oskar Kokoschka onderwerp van onderzoek in dit kader. Op aandringen van het museum heeft de Stad Gent toen een comité van externe experts samengebracht, dat aangetoond heeft dat ook in dit dossier geen sprake was van een onrechtmatige toe-eigening door de stad.
De gangbare procedure wordt gevolgd, namelijk via justitiële weg en via gespecialiseerde externe onderzoekers.
Centrale vraag is of het hier gaat om problematische werken in de context van de Joodse kwestie, namelijk kunstwerken die onrechtmatig vervreemd zijn tussen 1933 en 1945 uit oorspronkelijk Joods bezit. Van de betrokken werken is aangetoond dat de Stad Gent geen fouten heeft gemaakt. De werken werden niet onrechtmatig door de stad toegeëigend en er worden continu inspanningen geleverd om de rechtmatige eigenaars op te sporen.
Voor de werken uit het dossier David wordt door verschillende partijen gezocht naar de rechtmatige eigenaar. Voor deze kunstwerken geldt hetzelfde als voor alle kunstwerken die op een bepaald moment in depot werden aanvaard. Het MSK draagt er ‘als een goede huisvader’ zorg voor, in het geval van het dossier David tot de rechtmatige eigenaar wordt getraceerd. Van de vier andere werken, in bruikleen van de Vlaamse Gemeenschap, is door de Studiecommissie Joodse Goederen gemotiveerd dat ze geen Joodse achtergrond hebben.