Aansluitend op mijn interpellatie over de heffing van werven op de openbare weg, en de heffing die de kathedrale kerkfabriek – ondanks haar statuut van openbaar bestuur – moest betalen omdat de vergunningsaanvraag door de aannemer was gebeurd, wil ik de heffing voor werven aan alle beschermd onroerend erfgoed in vraag stellen.
Restauraties van beschermde monumenten gebeuren met premies van de Vlaamse Overheid en in het geval van de kathedraal ook van de provincie Oost-Vlaanderen. De heffing op werven betekent dat de stad een deel van die premie naar de stadskas laat vloeien wat niet de bedoeling kan zijn. Te meer daar de zakelijkrechthouders en gebruikers van een beschermde goed volgens artikel 6.4.1. van het onroerenderfgoeddecreet tot een actieve onderhoudsplicht gehouden zijn. Dergelijke sites zijn ook beschermd omwille van het algemeen belang, dus restauraties aan deze sites zijn dat ook. In het geval van de kathedraal heeft de stad er zelfs (financiële) baten bij – o.m. toerisme, horeca, evenementen, veiligheid etc. – dat de kathedraal in goede staat is.
Daarom stelt de N-VA-fractie voor om de vrijstellingen opgesomd in art 6 van “het belastingreglement op het privaat gebruik van de openbare weg” aan te vullen met een vrijstelling voor werven in functie van werken aan beschermd onroerend erfgoed.
Het belastingreglement op het privaat gebruik van de openbare weg zoals goedgekeurd in de gemeenteraad van september 2014 wordt als volgt aangevuld:
toevoeging bij artikel 6 van
n) Voor privaat gebruik van de openbare weg door werven in functie van werken aan beschermde monumenten, archeologische sites, stads- en dorpsgezichten en cultuurhistorische landschappen zoals gedefinieerd in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.