In het Ouderenbeleidsplan stelde u dat u verder wenst in te zetten op het uitwerken van buurtgerichte netwerken rond mensen die vereenzaamd dreigen te geraken. In het verleden beperkte u zich hierbij tot 80-plussers. In de toekomst zou de aandacht ook gericht worden naar alle 65-plussers die te maken hebben gehad met een zogenaamd “life-event”: overlijden in de naaste kring, fysieke problemen etc. U zou de aanwezige lokale actoren betrekken bij dit initiatief.
Wat is de stand van zaken hiervan?
We zijn daar volop mee bezig, maar er zijn verschillende snelheden.
De Buurtzorg is er op gericht om de senioren zo lang als mogelijk, kwalitatief, thuis te laten wonen. Dit is eigenlijk ook de rode draad in mijn beleidsnota ouderenzorg en seniorenbeleid.
Vanuit de Lokale dienstencentra, deze spelen hier een belangrijke rol, proberen we ook die mensen te bereiken, die zelf de weg niet vinden of die niet meer in staat zijn om zelf naar de LDC te komen. Daar gaan we zelf naar toe.
Maar natuurlijk hebben niet alle tachtigjarigen dit nodig: sommigen zijn nog zeer vivant en je hebt mensen van zeventig die wel hulp nodig hebben, leeftijd is niet de belangrijkste factor. Depressie, het sterven van een partner, eenzaamheid, en andere, zijn belangrijkere factoren.
We zijn een aantal initiatieven aan het ontwikkelen. Hierbij spelen de aanwezige actoren in een buurt een zeer belangrijke rol. In niet alle buurten zijn alle partners aanwezig.
Partners zijn buurtwerk, de gebiedsgerichte werking, lokale seniorenraden, open huizen, die ontmoetingsplaatsen zijn en een zeer sterke sociale zorg kunnen betekenen. Iemand blijft weg, een partner is gestorven, e.a. de mensen van de open huizen kunnen dit signaleren en een netwerk van hulp en zorg kan opgezet worden samen met de LDC.
Ook spelen de wijkgezondheidscentra een belangrijke rol, de huisartsen vinden zeker de weg.
Maar ook een aantal andere sleutelfiguren in de wijk geven signalen door. Zo loopt er nu een experiment in de buurt van het Wibier.
Ook de mensen van ziekenzorg doen schitterend werk en brengen de LDC op de hoogte van senioren die hulp en zorg nodig hebben.
Maar ook parochiale kringen, lokale handelaars, apothekers: alle mensen die sociaal alert en attent zijn, kunnen een signaal geven aan de LDC.
Het OCMW, via de LDC, biedt dan in samenwerking met verschillende partners hiertoe dan de nodige aangepaste ondersteuning, maar afhankelijk van de wijk zullen andere personen hierbij en rol spelen
Bijkomende vragen van Van Pee:
Zijn er hotspots, waar er meer senioren wonen?
Wat met de deelgemeenten?
Hoe zit het met anderstalige senioren?
Waar we geen LDC hebben werken we met antennes.
Zo werkt er sinds november een fulltime medewerkster in de Kanaalzone. Ze organiseert er buurtmaaltijden, gemeenschappelijk dorpsvergaderingen, om zo dit netwerk rond sociale bezorgdheid op te bouwen.
Ook in Drongen en Oostakker zijn we verschillende mogelijkheden aan het onderzoeken.
Natuurlijk zijn er buurten waar er meer senioren wonen, maar we proberen vooral overal een antenne op te bouwen. Elke senior die zich in sociale isolatie bevindt, is er één te veel, en moet op hulp kunnen rekenen. Niet de aantallen zijn belangrijk, elke mens heeft hier recht op.
Rond de anderstalige senioren heb ik een actieplan opgesteld.
Hier hebben we wel nog een cultuurverschil, waar het familiegevoel nog sterker leeft en de familie meestal zelf nog meer voor de oudere zorgt. Maar ondertussen kennen we ook hier een evolutie.
Samen met mijn collega Tapmaz hebben we nu een project opgezet, waar er een medewerkster naar bijeenkomsten gaat van bepaalde organisaties, zoals de Turkse Unie en CDF, om de mogelijkheden van zorg en hulp voor te stellen.
Ook bij de Thuishaven loopt een project en vele anderstalige senioren zijn daar ook aanwezig.